De provincie Luik

 

Overzichtskaart Luikse gemeenten
ons land - focus


Welkom in Luik!

Inleiding en bronvermelding
Algemene Geschiedenis
's Lands Glorie
Bezienswaardigheden
Home
           
banner
Wapenschild Luik

Klik op een cijfer op de kaart of op een gemeentenaam in de lijst hieronder, en je krijgt een overzicht van de bezienswaardigheden. De kleur waarin een gemeente is weergegeven, is een subjectieve keuze. Het is enkel een indicatie welk type van bezienswaardigheid volgens ons het belangrijkste is. Oranje duidt op bezienswaardigheden die van historisch belang zijn. Groen duidt op natuurschoon en blauw op de rest: het is wel zo dat blauw vooral duidt op folkloristische bezienswaardigheden en in mindere mate op moderne attracties. De kaart zal stelselmatig bijgekleurd worden, de gekleurde gemeenten zijn dus al te "bezoeken".

1 = Amay, 2 = Amel, 3 = Ans, 4 = Anthisnes, 5 = Aubel, 6 = Awans, 7 = Aywaille, 8 = Baelen, 9 = Bassenge,
10 = Berloz, 11 = Beyne-Heusay, 12 = Blegny, 13 = Braives, 14 = Büllingen, 15 = Burdinne, 16 = Burg-Reuland, 17 = Bütgenbach, 18 = Chaudfontaine, 19 = Clavier, 20 = Comblain-au-Pont, 21 = Crisnée, 22 = Dalhem,
23 = Dison, 24 = Donceel, 25 = Engis, 26 = Esneux, 27 = Eupen, 28 = Faimes, 29 = Ferrières,
30 = Fexhe-le-Haut-Clocher, 31 = Flémalle, 32 = Fléron, 33 = Geer, 34 = Grâce-Hollogne, 35 = Hamoir,
36 = Hannut, 37 = Héron, 38 = Herstal, 39 = Herve, 40 = Huy, 41 = Jalhay, 42 = Juprelle, 43 = Kelmis,
44 = Liège, 45 = Lierneux, 46 = Limbourg, 47 = Lincent, 48 = Lontzen, 49 = Malmedy, 50 = Marchin,
51 = Modave, 52 = Nandrin, 53 = Neupré, 54 = Olne, 55 = Oreye, 56 = Ouffet, 57 = Oupeye, 58 = Pepinster,
59 = Plombières, 60 = Raeren, 61 = Remicourt, 62 = Saint-Georges-sur-Meuse, 63 = Saint-Nicolas,
64 = Sankt Vith, 65 = Seraing, 66 = Soumagne, 67 = Spa, 68 = Sprimont, 69 = Stavelot, 70 = Stoumont,
71 = Theux, 72 = Thimister-Clermont, 73 = Tinlot, 74 = Trois-Ponts, 75 = Trooz, 76 = Verlaine, 77 = Verviers, 78 = Villers-le-Bouillet, 79 = Visé, 80 = Waimes, 81 = Wanze, 82 = Waremme, 83 = Wasseiges,
84 = Welkenraedt.

De provincie grenst in het noorden aan Belgisch Limburg en aan Nederlands Limburg, in het oosten aan de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts, in het zuiden aan het Groothertogdom Luxemburg en de Belgische provincie Luxemburg, en in het westen aan de eveneens Belgische provincies Namen, Waals-Brabant en Vlaams-Brabant. In het uiterste oosten, tegen de Duitse grens, bevinden zich de Oostkantons, een aantal gemeenten die nu de Duitstalige Gemeenschap vormen. De provincie is verder vooral bekend om het natuurschoon en de toeristische aantrekkingskracht van de Ardennen. Ook was het een zeer belangrijk mijngebied.

Algemene gegevens

Geschiedenis

Tijdens de middeleeuwen maakte de huidige provincie Luik deel uit van het veel grotere Prinsbisdom Luik. Het prinsbisdom was oorspronkelijk een bisdom waarover bisschop Notger in 980 van keizer Otto II van het Heilige Roomse Rijk de heerlijke rechten kreeg en dus naast de geestelijke macht ook de wereldlijke macht kon uitoefenen. Vanaf dat ogenblik werd een deel van het bisdom Luik een prinsbisdom en genoot het immuniteit onder bescherming van de keizer. Het was de facto een semi-zelfstandig land geworden.

De stad Luik werd in bloed gesticht. De bisschop van Maastricht, Lambertus bezat een landhuis in het kleine plaatsje Luik, hoogstwaarschijnlijk een verbouwde Romeinse villa. Op 17 september van een onbekend jaar (696, 700 of 705), werd hij vermoord door de mannen van een zekere Dodon, leden van een rivaliserende familie. Zijn lichaam werd naar Maastricht overgebracht.

Al snel werden wonderen toegeschreven aan het huis, en het werd een bedevaartsoord. In 714 haalde zijn opvolger Hubertus de relikwieŽn van Lambert terug naar Luik en wijdde een kerk aan hem. Een stad groeide eromheen. In 722 besloot Sint-Hubertus zich in Luik te vestigen, maar niets gaf aan dat hij dit de nieuwe bisschopszetel wilde maken. Toch zal dit er de consequentie van zijn geweest.

In 742 werd Karel de Grote in de omgeving van Luik geboren. In 817 liet de kaart van Walcand en de lijst van prins-bisschoppen van Luik zien dat het bisdom al Tongeren, Maastricht, Hoei, Dinant, Ciney en de abdij van Saint-Hubert in bezit had. De Noormannen verwoestten het gebied in 820 voor de eerste keer. Met het Verdrag van Verdun van 843 werd Luik deel van Lotharingen. Het werd in 985 door keizer Otto II uitgebreid met het graafschap Hoei. Het domein van Theux werd in 898 door Zwentibold, koning van Lotharingen, aan de bisschop van Luik geschonken. In de twaalfde eeuw werd deze heerlijkheid het markgraafschap Franchimont. Het hertogdom Bouillon werd in 1096 gekocht van Godfried V (Godfried van Bouillon) en bleef (een apart) deel van het prinsdom tot 1678.

In 1366 annexeerde Jan van Arkel het graafschap Loon na de dood van Diederik van Heinsberg, maar toch behield het graafschap een grote autonomie. Zo kon de prins-bisschop niet zomaar belastingen innen of verhogen, en moest hij bij zijn aantreden de oude privileges van Loon erkennen.

De BourgondiŽrs slaagden er in om prins-bisschoppen te installeren die hen goed gezind waren (bv. Lodewijk van Bourbon). De opeenvolgende conflicten, de Luikse Oorlogen, leidden onder meer tot de Slag bij Montenaken en de Slag bij Brustem. Bij het tot stand komen van de Vrede van Sint-Truiden werd Luik een Bourgondisch protectoraat. Karel de Stoute brandde de stad in 1468 plat na een nieuwe opstand en een groot deel van de bevolking werd uitgemoord. Maria van BourgondiŽ verzaakte op 19 maart 1477 aan al haar rechten op het prinsbisdom.

Het prinsbisdom besloot in 1492 de neutraliteit uit te roepen en zich niet meer in te laten met de strijd tussen Frankrijk en BourgondiŽ. Deze staten beloofden een non-interventie-politiek, vrije handelsbetrekkingen en bij passage al het nodige te kopen en te betalen. Everhard van der Marck sloot wel een verbond met keizer Karel V, maar de Luikenaars dwongen zijn opvolger Gerard van Groesbeek dit verbond op te zeggen.

Het graafschap Horn kwam in 1568, na de onthoofding van Filips van Montmorency, aan de prins-bisschop van Luik, maar het bleef een zelfstandig leen.

Luik behoorde dus niet tot de Zeventien ProvinciŽn, noch tot de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden; wel wordt het meestal tot de Zuidelijke Nederlanden gerekend. Hoewel het prinsbisdom deel uitmaakte van de Nederrijns-Westfaalse Kreits binnen het Heilige Roomse Rijk, bleef het tot de Franse annexatie in 1795 een min of meer onafhankelijke staat. De prins-bisschop was er als rijksvorst lid van de Rijksdag.

In 1789 kwamen de Luikenaars, in de maalstroom van de Franse Revolutie, in opstand tegen hun prins-bisschop. De Luikse Revolutie eiste gelijkaardige hervormingen als in Frankrijk. Tegelijk kwamen de Oostenrijkse Nederlanden in opstand tegen de Habsburgse heerser en stichtten de Verenigde Nederlandse Staten, waarmee de Luikse republiek een verbond sloot. Maar de nieuwe keizer herstelde niet alleen het gezag in zijn Zuidelijke Nederlanden; hij zette ook de prins-bisschop, Cesar van Hoensbroeck, terug op zijn post.

In 1795 was het uit met het prinsbisdom. Een eerste Franse annexatie op 8 mei 1793 hield geen stand. De Franse Nationale Conventie annexeerde op 1 oktober het gebied, en herschikte het in een aantal departementen: Nedermaas (Loon), Ourthe (Luik en het prinsdom Stavelot-Malmedy), en Samber en Maas (Dinant en omgeving).

In 1801 werd het bisdom Luik heropgericht, nu als geestelijk bisdom Luik.

De basis van de provincie was het Franse departement Ourte. Na Waterloo (1815) werd het grootste deel daarvan de Nederlandse provincie Luik. De oostelijke kantons van het departement (Eupen, Malmedy, Sankt Vith, Kronenburg en Schleiden) werden aan Pruisen toegewezen. Na de Belgische afscheuring in 1830 bleef de provincie Luik onveranderd bestaan. Na de Eerste Wereldoorlog stond Pruisen Eupen, Malmedy en Sankt Vith af aan BelgiŽ; deze Oostkantons werden weer bij Luik gevoegd. In 1962 werden na de vaststelling van de taalgrens enkele gemeenten uitgeruild met de provincie Limburg.

Industrie

Onder het Hollandse bewind werden nieuwe mijnconcessies uitgedeeld. In 1821 kwam er aan de Ourthe een allereerste walserij. In Seraing bouwde Cockerill een staalcomplex van nog nooit geziene omvang. In 1827 opende de kristalfabriek van Val Saint-Lambert haar poorten. Koning Willem I, gesteund door enkele financiële groepen, heeft een beweging op gang gebracht, die zelfs na de onzekere Belgische Omwenteling van 1830 niet meer te stuiten is.

In Grivegnée, in Longdoz en op talloze andere plaatsen rijzen fabrieken en ateliers op.

In 1837 richt de Belgische staat zelf een fabriek voor oorlogstuig op, de later wereldberoemde en beruchte FN Herstal.

Tussen de jaren 1180 en 1914 wordt een hoogtepunt bereikt. De grote fabrieken worden met allerlei moderniseringen nog groter, er komen nieuwe fabrieken en de productie stijgt. De zinknijverheid bijvoorbeeld is in volle bloei. De kristalfabriek van Val Saint-Lambert stelt 2800 mensen te werk. Op het grondgebied van de provincie zijn er 123 steen- en leigroeven, 10 ijzerertsmijnen, kalkfabrieken, een cementfabriek, cokesfabrieken, bedrijven die gas- en waterleidingen maken, staalcomplexen...

Een indrukwekkend geheel van grote en kleinere ondernemingen. Luik stond aan de top van de technische vooruitgang. Luikse ingenieurs en technici trokken naar het buitenland om daar spoorwegen aan te leggen en fabrieken te bouwen. Het ging goed toen...

Na de Eerste Wereldoorlog past Luik zich razendsnel aan de gewijzigde economische orde aan. Er wordt gerationaliseerd, gediversifieerd, gefusioneerd, gereorganiseerd. Nieuwe producten lopen van stapel. Spoorwegmaterieel, schepen, motoren, dynamo's, banden, scheikundige producten, enz.

Pas na 1945 begint de verloedering. De productie gaat zienderogen achteruit. De ene steenkoolmijn na de andere moet dicht. Potdicht. In de ijzer- en staalindustrie steekt de crisis de kop op. Luik staat daarin niet helemaal alleen, en probeert nog tegen de stroom in te roeien. Men richt zich op de zgn. spitstechnologieën, waarvan de hydro-elektrische centrale van Coo en de kerncentrale van Tihange even zovele bewijzen zijn. De universiteit van Luik bloeit open als wetenschappelijk centrum van internationale allure.

De mens...

Heel zo'n evolutie van jaren, decennia en eeuwen komt uiteraard ook tot uitdrukking in het landschap - laat zelfs sporen achter bij de mensen die tegen een achtergrond van zo'n landschap leven. Bepaalt hun volksaard, hun karakter.

De Luikenaar is uitbundig, levenslustig, open, spotziek en misschien wat gauw op z'n tenen getrapt, maar een jantje-ongeduld wordt hij nooit echt. Hij blijft redelijk, toont vaak zijn midlheid, wordt dan zelfs vrijgevig.

Deze bijna 'prinselijke' Luikenaar deelt met plezier zijn grondgebied met een grote verscheidenheid aan andere 'types', die een ander leven leiden, niet in de vurige stede, maar op het platteland of in de Oostkantons, of in de streken van Herve, Stavelot, enzovoort.

De Luikenaar is veranderd in de loop der tijden, en dat is ook gebeurd met het decor waarin hij zich bewoog. Luik is nu niet meer wat het vroeger en héél vroeger is geweest. Het louter natuurlijke landschap wordt nu doorschoten door fabrieksschoorstenen, terrils, torens, snelle autowegen, verkeersringen en spaghetti-achtige lussen rond steden die vroeger zo schattig waren, maar die nu agglomeraties zijn, geürbaniseerd tot en met.

Maar op het platteland, bijvoorbeeld in Haspengouw, is het land met zijn beboste valleien, wel gebleven zoals het was, en generatie na generatie is hieraan voorbijgetrokken, zonder enige verandering opgemerkt te hebben. Hier en daar is de schoonheid alleen maar wat opgepoetst door het harde labeur van de mens zelf.

En de ontelbare stroompjes en beekjes zijn hun water naar de Maas blijven dragen. Ze zijn kleur blijven geven aan het mooie Luikse landschap, aan de Haspengouwse vlakten, spoelend rond steile rotsen, beboste hellingen, schilderachtige dorpen. Vrolijk bijna, net als de Luikenaren, die de moed nog niet verloren hebben en zich ieder jaar opnieuw met grote uitbundigheid storten in het doldwaze avontuur van het carnaval.

Water. De Méhaigne en de Burdinale stromen door Haspengouw. De Hoyoux vloeit van de hoogte van de Condroz naar Huy (Hoei), dwars door een schitterende vallei. De slingerende Ourthe en de Amblève zijn waarschijnlijk de meest toeristische rivieren van de provincie. Volgestopt met vakantiedorpen, van Hamoir via Comblain en Esneux tot Tilff. De Lembrée; Vieuxville en de boerderij van Bouverie, de ruïnes van het kasteel van Logne. De Lienne, de Glaine (beter bekend onder de naam de Salm), de Hoëgne, de Warche, de Roer, de Our, de Satte, de Wayai, de Vesder, de Geul, de Gulp, de Berwinne... Riviertjes die hier en daar tegengehouden worden door grote betonnen muren en dan rustgevende stuwmeren vormen: Bütgenbach, Robertville, Eupen, Gileppe...

Hoogvlaktes, met de Baraque Michel (672 m) en het Signal de Botrange (694 m en het hoogste punt van België).

De Hoge Venen - duizenden hectaren heide, dorre vlakte, met venen, een sompige grond en grote bossen. Een compleet natuurpark, vaak bezongen door auteurs van diverse pluimage. Een ruwe natuur. Vol dramatische taferelen. De dichte mist onttrekt die vaak als een dubbeldik toneelgordijn aan het oog van de toeschouwer. En dan ontstond destijds het geroezemoes, kwamen de tongen los en vertelden de mensen verhaaltjes, uit de duim gezogen of echte legendes, vol stilte, luguber, vol mysterie, vrees...

Legende, folklore...

Verhalen, legendes, volksvertellingen. Voortgesproten uit de fantasie van de nevelige Maas of het duistere schemerdonker van de Ardennen. Voedingsbodem voor de hedendaagse folklore, voor het levendig houden van grote en kleine tradities. Luik is daar sterk in. Viert nog met joviale uitbundigheid carnaval, overal anders.

Maar traditie is niet alleen carnaval. Traditie, dat zijn ook de kruisboogschutters en de hakkebussen van Visé, de 'Maclotte-' dansers van Stavelot, het Sint-Martinusfeest van Eupen, de 'Vliegende katten' of het 'Bethlehem' van Verviers. De broederschappen rond de geliefde thema's wijn, bier, kaas, met andere woorden: de gastronomie, net zo'n trekpleister als de Luikse natuur. Dat hebben de hotels en restaurants goed gezien.

Maar niet alleen de tafel is hier rijk gedekt. De Luikse provincie telt ook talloze recreatieterreinen, voor elk wat wils, in elk seizoen.

In het hartje van de winter, als de sneeuw het landschap omtovert tot een prentbriefkaart, wordt de provincie een klein Zwitserland, met Ovifat, Francorchamps, Bévercé, Jalhay, Manderfeld, Spa en noem maar op. Waar geskied kan worden, in snelle afdalingen of een rustige langlauf, sleetjerijden of sneeuwscooteren.

Niet alles kan hier gezegd worden, maar de detailpagina's van de Luikse gemeenten die van op deze pagina geopend kunnen worden, dringen erg diep door in de volstrekte intimiteit van dorpen en steden. Zo worden ze een kleurrijke aanvulling op het portret dat hierboven in grote lijnen is geschetst. Op die manier krijgt u een duidelijk inzicht in al hetgeen de heerlijke provincie Luik voor u in petto heeft.