ons land - focus

 

Bronstijdperk - Algemeen
Home

Bronstijdperk (2.000 jaar v. Chr. tot 800 jaar v. Chr.)

Algemeen

Na de steentijd volgt de eerste metaaltijd: de bronstijd (2.000 - 800 v. Chr.). De productie van bronzen voorwerpen is een belangrijke fase in de ontwikkkeling van de mens. Sindsdien werden betere en duurzamere werktuigen voor dagelijks gebruik gemaakt, naast mantel- en haarspelden, wapens (zwaarden en speren), munten en sieraden (arm-, voet- en halsringen).

De bronstijd begint vanaf de ingebruikname van de eerste bronzen werktuigen. Brons is een legering van 10% tin en 90% koper. Koperertsen werden langs de westkust van Zuid-Engeland en in de gebergten van Midden- en Zuid-Europa aangetroffen. Het koper werd gesmolten bij een temperatuur van meer dan 1.000 graden Celsius en in mallen van klei gegoten. Later ontdekte men dat koper gemakkelijker smelt als er tin aan toegevoegd werd. Dat maakte het materiaal ook harder. Zo werd het brons ontdekt.

De bronstijd komt bij ons onmiddellijk na de steentijd. In tegenstelling met Zuid-Europa werd bij ons weinig geëxperimenteerd met koper. Wij kenden dan ook geen kopertijd. Ook waren bronzen voorwerpen in ons gebied lange tijd zeer schaars. Vuurstenen werktuigen bleven nog lang in gebruik. Brons was kostbaar omdat de grondstoffen daarvoor bij ons niet voorhanden waren en de producten dus van ver ingevoerd werden. Het smelten en het gieten van brons werd pas later geleerd. De bronstijd wordt onderverdeeld in drie periodes: vroege (2.000 - 1.800 v. Chr.), midden (1.800 - 1.100 v. Chr.) en later bronstijd (1.100 - 800 v. Chr.).

Samenleving

In België begint de bronstijd pas rond 1.600 v. Chr. Dit is tamelijk laat, omdat er in onze streken geen geschikte grondstoffen waren. Het brons kwam naar België via de handel, die zich reeds in de nieuwe steentijd had ontwikkeld. Het brons kon in eerste instantie de vuursteen niet verdringen, maar naarmate de bronstijd vorderde, nam het gebruik van het metaal toe. Het brons werd gebruikt voor het vervaardigen van wapens en juwelen.

Het gebruik van brons zorgde voor belangrijke maatschappelijke veranderingen. De verschillen in bezit, aanzien, macht en materiële welstand tussen de mensen werden alsmaar groter. In de metaaltijden ontstonden nieuwe sociale klassen. De overgrote meerderheid van de bevolking bestond nog uit veetelers en boeren. Maar in gebieden waar ertsen gemakkelijk ontginbaar waren (Bohemen, Zuid-Engeland en Denemarken), ontwikkelden zich in de loop van de bronstijd culturen met een door de handel rijk geworden aristocratie. Enkele families verkregen de controle over mijnen, productiecentra en handelswegen, waardoor hun macht en rijkdom toenamen. Het paard werd als rijdier het statussymbool van de heersende klasse. In rijke graven werden het paard en het paardentuig meegegeven met de dode. Ambachtslieden zoals smeden en pottenbakkers werden een aparte stand, tussen de heersers en de boeren in.

           
banner
Typische nederzetting uit het bronstijdperk
De smid in actie
Maalsteen
Grafheuvel te Goirle
Bronzen bijlen

Bronzen bijlen.

Aardewerk

Aardewerk, de oudste vorm van keramiek, is gemaakt van klei die tussen 800 en 1.100 graden Celsius gebakken wordt. Daarbij treedt geen versintering of verglazing op. Aardewerk is poreus en heeft voor huishoudelijk gebruik een glazuurlaag nodig. Afhankelijk van de gebruikte klei en de bakwijze is de kleur oranjerood, roodbruin, geel, wit, grijs of zwart. Zonder aardewerk zou een meer ingewikkelde manier van koken, opslag en transport van vloeistoffen nodig geweest zijn.

Aardewerk uit de metaaltijden

Aardewerk uit de metaaltijden.

Uit gevonden aardewerkscherven valt een datering af te leiden. Hierbij gaat men ervan uit dat in verschillende periodes en op verschillende locaties aardewerk werd gemaakt volgens een bepaalde methode en met bepaalde soorten klei en versiering. Door de snelle ontwikkeling van de wetenschap en de techniek, onder meer door de mogelijkheid om via nieuwe methoden steeds nauwkeuriger een datum van oorsprong te bepalen, wordt onze kennis van het oude aardewerk steeds bijgesteld.

Bronstijdaardewerk is tamelijk zeldzaam. Waarschijnlijk maakte elk huishouden zijn eigen potten. Bronstijdaardewerk werd gemagerd met zand, aardewerkgruis of gebroken kwarts. Het werd versierd met de scherpe kant van een plankje waar een touw omheen gewikkeld was. Dit 'wikkeldraadstempeltje' herinnert nog sterk aan de bekers van de late nieuwe steentijd. De verschillen zijn echter duidelijk: de vorm van de bekers (die soms een oor bezitten), het voorkomen van lijkbegraving in noord/zuid gerichte grafkuilen (in plaats van oost/west) en de versiering door groeflijnen, vingerindrukken en zelden met het getande spateltje. Beide laatste technieken, evenals de sporadische versiering op de binnenrand, het gebruik van zeer grote potten en van vuurstenen dolken, wijzen op contact met het Veluwse Klokbekervolk.

Aardewerk en sieraden

Aardewerk en sieraden

Kleding

Textiel uit de bronstijd wordt in België zelden aangetroffen omwille van de vergankelijkheid van het materiaal. Weefgewichten en spinklosjes verwijzen indirect naar het vervaardigen van stoffen. Met name in Denemarken zijn wél textielvondsten gedaan, zoals lange wollen rokken die in de taille gerimpeld waren en die met een band bijeengehouden werden. In de Lage Landen zijn schoenen gevonden uit de late nieuwe steentijd en de late bronstijd.

De smid in actie

De Lage Landen waren tijdens de bronstijd een sterk achtergebleven gebied. Onze Hilversum-cultuur kende slechts een povere eigen industrie. De meeste mensen leefden in de bronstijd niet anders dan in de nieuwe steentijd. Maar onder invloed van immigranten ging de bevolking er toe over om de lichamen van de afgestorvenen te verbranden en hun as te verzamelen in urnen.

Over de godsdienst van de prehistorische bewoners tijdens het bronstijdperk is weinig met zekerheid te zeggen. Wat vaststaat, is dat de natuurverering een belangrijke rol moet gespeeld hebben. Denk bijvoorbeeld aan bronnen, bomen, moerassen en rivieren. Soms werden mensen ter dood gebracht en in een moeras gelegd. Was het een straf of een offer? Door het zure water zijn de skeletten grotendeels vergaan, maar de huid is gelooid en bewaard gebleven. In Drenthe in Nederland zijn tal van deze veenlijken teruggevonden. In de bronstijd was er een toename van het gebruik om kostbare voorwerpen te offeren. Ze werden met opzet op een bijzondere plek begraven, aan de rand van een moeras bijvoorbeeld. Archeologen spreken van depots.

Landbouw

Een maalsteen gevonden in de Noorderkempen.

In onze regio hadden de mensen in de bronstijd voornamelijk een boerenbestaan. De komst van het brons bracht geen grote veranderingen in hun leven. Er is bekend dat de landbouwers emmertarwe, gerst, pluimgierst, erwten en lijnzaad verbouwden. De veeteelt werd intensiever. Zowel in Groot-Brittannië als in Denemarken zijn resten van eergetouwen (d.i. de voorganger van de ploeg) gevonden. Daar kon men voren mee trekken, maar de grond werd niet omgedraaid. De uitvinding van de door dieren voorgetrokken ploeg was een enorme stap vooruit. Tot ver in de 20ste eeuw zouden de landbouwwerktuigen nauwelijks veranderen. Terreinen met eersporen tonen aan dat akkers vaak langdurig in gebruik waren, soms onderbroken door een nederzettingsverplaatsing of een periode van braak. Vanaf de bronstijd werd graan opgeslagen in graanspiekers en graankuilen. Ook werden fragmenten van houten wielen gevonden. Die bestonden uit drie planken die ten opzichte van elkaar werden verzekerd door houten pennen. De planken werden bij elkaar gehouden door buigzame spiesen die in lange gebogen kanalen werden geslagen.

Bewoning

Evenals in de nieuwe steentijd woonden de mensen gedurende de bronstijd in verspreid liggende hoeven (Einzelhöfe) of in nederzettingen bestaande uit een paar huizen. In de middenbronstijd werden drieschepige huizen gebouwd. Dit betekent dat er in het huis twee parallelle rijen staanders stonden om het dak te ondersteunen. De boerderijen werden veel langer en men ging het vee tijdens de wintermaanden in huis stallen. Vanaf dan hadden de boerderijen een woon- en een stalgedeelte. De boerderijen varieerden sterk in afmeting. Sommige waren achttien meter lang en vijf meter breed, andere hadden een lengte tot 65 meter. In de late bronstijd werden de boerderijen weer kleiner.

Er waren twee ingangen. Ze bevonden zich tegenover elkaar in het midden van de lange zijde. Middenin de boerderij was er een openhaardplaats. In de stal stonden kleine tussenwanden dwars op de buitenwand. Deze worden geïnterpreteerd als boxen voor het vee. Op sommige erven zijn plattegronden van één- of drieschepige gebouwtjes gevonden. Dat waren spiekers (opslaghuisjes voor granen). Andere opslagwijzen voor graan waren kuilen of cirkelvormige greppels met in het midden het niet gedorst graan. De grootte van het erf kan een kwart tot een halve hectare geweest zijn.

Begraafplaatsen

De grafheuveltraditie uit de late nieuwe steentijd werd in de bronstijd voortgezet. Men bleef voor sommige doden (ongeveer 15% van de bevolking) aarden heuvels opwerpen over centrale lijkbegravingen. De bronstijdgrafheuvels waren groter en hoger dan die uit de nieuwe steentijd. De doorsnede bedraagt zo'n vijftien tot twintig meter en ze zijn tot drie meter hoog. Vaak werden oudere grafheuvels gewoon opgehoogd met opgestapelde heideplaggen. In de middenbronstijd kregen de heuvels steeds vaker een markering aan de voet, zoals rechtop geplaatste paalcirkels of ringsloten. Vaak waren ze voorzien van een aarden wal. De doden werden begraven in houten kisten of uitgeholde boomstammen. Meestal werden in één grafheuvel meerdere personen begraven, soms wel twintig of meer. Uit de middenbronstijd werden bijzettingen gevonden aan de heuvelvoet.

Aan het einde van de bronstijd (omstreeks 1.100 v. Chr.) kregen de doden een individueel grafmonument in plaats van een plekje in een familiegrafheuvel. Hierdoor ontstonden de 'urnenvelden', uitgestrekte grafvelden met individuele monumentjes die gedurende meerdere generaties in gebruik bleven en die dienden voor een hele groep van verspreid staande boerderijen. De doden werden gecremeerd en de verbrande resten werden in urnen, in een doek of los in een kuil begraven. Daarna werd over het graf een heuveltje opgeworpen, omgeven door een greppel. Er zijn nauwelijks bijgaven gekend, wat wijst op een grote gelijkheid in de samenleving, dit in tegenstelling met de situatie in Centraal-Europa. Urnenvelden bleven in gebruik tot in de ijzertijd (ongeveer 500 v. Chr.). Door de intensiteit van latere landbouwactiviteiten zijn ze volledig verdwenen.

Grafheuvel te Goirle (Nederland, tegen de Belgische grens, regio Turnhout)

Werktuigen, wapens en sieraden

Bronzen voorwerpen waren bij ons uiterst zeldzaam. In onze streek werden bronzen voorwerpen pas rond 2.000 v. Chr. of later gebruikt. De handel in brons gebeurde door reizende smeden die langs de rivieren trokken. Ze verkochten niet alleen bronzen voorwerpen maar verzamelden ook versleten of kapotte exemplaren om er ter plaatse nieuwe van te maken. Brons had een aantal voordelen tegenover vuursteen. Het was sterker, kon glanzen als goud en werd tot vrijwel elke vorm bewerkt. Enerzijds werd het door verhitting vloeibaar gemaakt en in mallen gegoten. Maar het was anderzijds ook voldoende zacht om uit te hameren naar eenvoudige messen, bijlen en beitels. Verder kon de snijdende kant dunner en gemakkelijker weer scherp gemaakt worden. Brons werd bovendien omgesmolten om nieuwe voorwerpen te maken. Toch werden tijdens de bronstijd nog stenen werktuigen gebruikt. Dat materiaal was voor iedereen beschikbaar. Vooral pijlpunten, dolken en sikkels werden nog lange tijd van vuursteen gemaakt.

Brons was vooral belangrijk op militair gebied. Mensen hadden tot dan toe stenen en houten wapens gebruikt. In de nieuwe steentijd kende men sten strijdhamers en vuurstenen dolken. Van brons werden nieuwe en zeer gevaarlijke wapens gemaakt, zoals zwaarden en lansen met scherpe punten en snijkanten. In Zuid-Europa, het Midden-Oosten en Egypte werden hele oorlogen uitgevochten met bronzen wapens, helmen en schilden. Of er bij ons ook gevochten is, weten we niet.

Bronzen bijlen waren de belangrijkste landbouwwerktuigen. De eerste bronzen bijlen leken sterk op de platte versie van hun stenen voorgangers. In de middenbronstijd kregen ze rondere vormen en was er een sterke toename van het aantal bronzen voorwerpen. In de late bronstijd waren kokerbijlen het meest in zwang. Deze waren hol waardoor de houten steel in de kop van de bijl bevestigd kon worden. Bij ons werden ook bronzen sieraden gemaakt, maar de meeste (kleding)spelden, armbanden en halsringen lijken ingevoerd te zijn. Er waren ook bronzen toiletartikelen zoals scheermessen en pincetten.