ons land - focus

 

IJzertijdperk - Algemeen
De Hallstatt-cultuur
De Kemmelberg
De La Tène-cultuur
De Kelten - Algemeen
Godsdienst bij de Kelten
De Belgae
Home

De Hallstatt-cultuur (800 jaar v. Chr. tot 450 jaar v. Chr.)

           
banner
Boerderij uit de ijzertijd
Kaart van de Gallische Stammen ten tijde van de Hallstatt-cultuur
Hallstatt zoals het er nu uitziet
Oudste tekeningen van opgravingen bij Hallstatt
Ton armbanden

(Ton armbanden)

Buiten proportie grote, in brons vervaardigde voorwerpen uit de late bronstijd, zoals mantelspelden (fibulae), tot 48 centimeter lang (!), gespen met een breedte van 18 centimeter (in plaats van de gebruikelijke 4 centimeter), logge niet te hanteren zwaarden, speren en bijlen, waarvan de juiste functie nog niet achterhaald is, werden eveneens opgegraven. Ook de typische Keltische kleine ronde gouden plaatjes waarop tegenover elkaar, als in spiegelbeeld, een oud stroef gezicht en een jong lachend gelaat zijn afgebeeld, behoorden tot de gaven.

In de 'krijgersgraven', diepten de onderzoekers onderdelen van borstplaten op, ijzeren- en bronzen bijlen, ritueel gebogen of gebroken zwaarden, dolken met gedecoreerde gevesten, lanspunten, maliënkolders, helmen, paardentuig, enzovoort.

Een van de bijzonderste relicten die op de dodenakker van Hallstatt werd opgegraven is een zwaard waarvan het handvat is ingelegd met ivoor en barnsteen.

'Krijgerstombes' uit de Hallstatttijd komen ook buiten Oostenrijk voor, onder meer in het Groothertogdom Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en in eigen land, onder meer in Court-Saint-Etienne, Wavre en Limal.

(Kaart van West-Europa met situering van het dorpje Hallstatt).

De Hallstatt-cultuur, genoemd naar het dorpje Hallstatt in de Steyrmark, is de eerste Keltische cultuurvorm die tijdens de overgang van de late bronstijd naar de vroege ijzertijd zich ontwikkelde aan het meer van Hallstatt, nabij Salzburg. Ze verspreidden zich eerst over Centraal Europa (Zuid-Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Noord-Italië, Tsjechië en Hongarije) waarna de rest van Europa volgde. Deze cultuur heeft vele vondsten nagelaten.

(Hallstatt zoals het er nu uitziet)

De leefgemeenschap die zich in de vallei en op de scherpe hellingen in Hallstatt vestigde, behoorde met Biskupinit (Polen) en het Sloveense Sticna tot de belangrijkste economische centra van de Keltische wereld, oostelijk van de Alpen. Hallstatt (zoutmijnen) en Sticna (ijzererts) onderhielden gedurende eeuwen een bloeiende handel, over land, met de Griekse stadsstaten. De cultuur wordt tegenwoordig graag gezien als een vroege Keltische stam, die aan de La Tène-periode vooraf ging. In het begin van de twintigste eeuw bracht men ze in verband met de Illyriërs. Omdat we echter geen schriftelijke bronnen hebben en hun taal en hun denkwereld niet kennen, is het eigenlijk onmogelijk daar iets met zekerheid over te zeggen.

Geschiedenis van de archeologie

(Oudste tekeningen van opgravingen bij Hallstatt).

In 1734 werd in de steenzoutmijn te Hallstatt in de Salzberg een gemummificeerde mijnwerker gevonden, die dateerde uit de zesde tot vierde eeuw voor onze jaartelling. Deze mijnwerker was ooit om het leven gekomen doordat de mijn overstroomde. Helaas werden deze vondsten vernietigd voor ze door de moderne wetenschap onderzocht konden worden.

De voorhistorische necropool van Hallstatt en de duizendjarige mijngangen van Salzkammergut werden in 1846 ontdekt door Bergmeister (mijndirecteur) Johan Georg Ramsauer (1795-1874). Hij was de eerste die systematische opgravingen deed in het grafveld bij Hallstatt. In opdracht van het kaiserlich königliches Münz- und Antikenkabinett. De Oostenrijker koppelde zijn kennis als mijndeskundige aan zijn talent als tekenaar, waardoor hij een pionier van de moderne archeologie werd. Ramsauer maakte schetsen en tekeningen van de bijzonderste artefacten die hij tussen het jaar van zijn ontdekking en 1863 opgroef of in de gangen van de prehistorische zoutmijn aantrof. De voorwerpen die hij catalogiseerde, werden voor de archeologen na hem de standaarden van de in Midden- en West-Europa verspreide Hallstattcultuur (800 tot 450 v. Chr.). Hij legde in totaal 980 graven bloot waarvan er enkele tientallen tot de zogenaamde 'krijgersgraven' behoorden. Het waren graftombes waarin rijke bronzen en ijzeren funeraire giften werden gevonden.

De relicten die Ramsauer opgroef, maken tegenwoordig deel uit van de collecties van het Natuurhistorisch Museum van Wenen, het Provinciaal Museum van Opper-Oostenrijk in Linz en het Voorhistorisch Museum van Hallstatt.

Sinds 1846 zijn 1300 van de 3000 à 4000 prehistorische grafkuilen door wetenschappers geïnventariseerd. Dit resulteerde o.a. in een monografie die in 1868 door Eduard Freiherr von Sacken (1825-1883), de beheerder van het Kabinett, geschreven werd. Het begrip Hallstatt Kultur werd dan weer in 1876 geïntroduceerd door de archeoloog Hans Hildebrand.

Omdat het onderzoek van de Hallstatt-cultuur zo vroeg is begonnen, is de naam niet alleen in gebruik voor de cultuur zelf, maar ook en voornamelijk om de vroege ijzertijd aan te duiden. De Hallstatt-kultur is dus niet per se hetzelfde als Hallstatt-zeitlich, hetgeen nogal eens voor verwarring wil zorgen.

Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw worden de prehistorische zoutmijnen gedetailleerd onderzocht en zijn op vele plaatsen grafheuvels, grafvelden en nederzettingen gevonden. Niet alleen in Hallstatt, maar verspreid over heel centraal- en westelijk Europa. Met name de aanleg van het ICE-traject heeft vele vondsten uit deze tijd opgeleverd.

Graven en grafgiften

De graven in Hallstatt zijn overwegend vlakgraven die met zand, kiezel of stenen zijn afgedekt. In een horizontale houding, met het hoofd naar de ingang van de vallei gericht, werden de doden op een diepte van één tot anderhalve meter ter aarde besteld. Enkelen onder hen rusten op een bed van gebakken klei. De lichamen van vijfenvijftig procent van de overledenen werd aan de aarde toevertrouwd, vijfenveertig procent, waaronder de meerderheid van de 'krijgers', werd gecremeerd.

Tot de grafgiften van het type Hallstatt (eerste ijzertijd) behoorden keramiek, ijzeren en bronzen wapens en gebruiksvoorwerpen. Het oudste Hallstatt-aardewerk is herkenbaar aan de Kerbschnitt, een zigzagpatroon dat veelvuldig op houtsnijwerk voorkomt. De jongere Hallstatt-urnen - bijzetpotjes en andere keramiek - werden versierd met vingerindrukken. Dit aardewerk, dat naar een vindplaats in Neder-Oostenrijk werd genoemd (Kalenderberg), heeft afwisselende vlakken die horizontaal, schuin of verticaal kunnen zijn. Aan het einde van de eerste fase van de ijzertijd vertoonde het keramiek gekartelde versierselen die met een spateltje, vingers of een takje werden aangebracht (Harpstedt). De wanden van dit type aardewerk werden door de pottenbakkers met een kleipapje ruw gemaakt.

De keramiek uit de Hallstattbeschaving is ook herkenbaar aan de opvallende, veelal ingewikkelde, geometrische patronen waarin ruiten, drie- en rechthoeken door zigzaggende of doorlopende en parallelle lijnen worden begrensd.

De diversiteit van de voorwerpen die in de necropool van Hallstatt werden aangetroffen, is groot: armbanden in brons en ijzer, nagelvijlen, scharen met ogen, miniatuurtjes van runderen in brons, gespen met variaties op meetkundige figuren, borst- en mantelspelden, torques, bronzen vaat, spiesen voor het braden van vlees, vruchtbaarheidsbeeldjes, scheermessen, enzovoort.

Een tumulus in Court-Saint-Etienne

(Een tumulus in Court-Saint-Etienne)

Een bijzondere reeks krijgersgraven waarop professor Sigfried J. De Laet in zijn boek Prehistorische Culturen in het Zuiden van de Lage Landen wijst, bevindt zich in de provincie Namen (Gedinne en Louette-Saint-Pierre). De inhoud van deze graven verschilt van andere krijgerstombes omdat in geen ervan paardentuig voorkomt. Waarom dat zo is, werd nog niet achterhaald. Hoogstwaarschijnlijk rust dit rituele verschil op een culturele eigenheid van de leefgemeenschap die zich eertijds in de zuidelijke punt van Namen vestigde.

De vele waardevolle grafgiften die in de necropool aan het meer van Hallstatt voorkomen, onderstrepen het economische belang en de rijkdom van de Oostenrijkse nederzetting in de eerste fase van de ijzertijd. Vondsten als het met barnsteen en ivoor versierde zwaard duiden op de handelscontacten van de nederzetting met Scandinavië en Klein-Azië. Andere sporen van handelsverkeer leiden naar Polen, de Baltische Staten, Hongarije, Noord-Italië en over de Karpaten, naar Thracië, Dalmatië en Macedonië.

Hallstatt is voor de eerste periode van de ijzertijd de noordelijkste plaats in Europa waar afgewerkte glasproducten uit het Middellands Zeegebied zijn opgediept.

Sociale differentiatie

De weelde van de nog steeds niet in kaart gebrachte nederzetting van de Oostenrijkse stad blijkt, te oordelen naar de inhoud van de graven, tot alle geledingen van de bevolking te zijn doorgedrongen. De hiërarchische verhoudingen tussen de sociale klassen zijn duidelijk, maar niet herleid tot een verhouding arm-rijk. Iedereen deelde tot een bepaalde hoogte in de luxe. Dat blijkt als de inhoud van andere tombes in de omstreken van de site en Salzburg ermee wordt vergeleken.

Mijnbouw, ijzer, koper en zout

De mijnbouw in het gebied rond Hallstatt en Dürnnberg dateert al van de midden-bronstijd. Dit werd aangetoond door vondsten van gereedschappen in de zoutmijnen. In de 18e eeuw werden zelfs de mummies van verongelukte prehistorische mijnwerkers gevonden, maar deze zijn later vernietigd. Er werd in die mijnen voornamelijk zout gewonnen, wat in die dagen een zeer waardevol handelsgoed was. Deze zoutwinning was wellicht de bron van de rijkdom die in zovele grote graven tentoon wordt gespreid.

Reconstructie van de zoutmijn in Hallstatt

(Reconstructie van de zoutmijn in Hallstatt)

Het winnen en verhandelen van zout maakte Hallstatt dus rijk. Zout was een voornaam betaalmiddel en ook onontbeerlijk voor het conserveren van vlees en vis. Deze eigenschappen van het mineraal maakten van de stad het voornaamste handelscentrum van de vroege ijzertijd uit het Alpengebied. Naast zout werden op grote schaal ook kopererts uit plaatselijke mijnen, huiden en honing verhandeld. Ook werd ijzer gedolven, met name in de Kalkalpen, maar aangezien ijzer vrij wijdverspreid voorkomt (als rood- en bruin-ijzer in gebergten en als ijzeroer in de vlakten) is dit waarschijnlijk nooit handelswaar geweest.

Door de bijzondere omstandigheden in de zoutmijnen zijn ook leer en textiel bewaard gebleven. Zodoende weten we dat de mijnwerkers veelal gekleed waren in een leren overkleed, met daaronder wollen onderkleding. Deze kleding was niet nieuw, maar heeft kennelijk een tweede leven als 'werkkleding' gekregen. Hierdoor zijn ook enkele voormalige 'pronkstukken' bekend. Aan de hand van de schoenmaten van het (veelvuldig) gevonden schoeisel kunnen we afleiden dat niet alleen volwassenen in de zoutmijnen gewerkt hebben maar ook kinderen van verschillende leeftijden.

Uit verschillende analyses is inmiddels bekend dat het om een min of meer professionele vorm van mijnbouw ging, bedreven door een groep die door zouthandel in hun levensonderhoud voorzag, waarbij omliggende land- en bosbouwgebieden voor de nodige ondersteuning in de vorm van hout, leer en voedsel zorgden.

De Hallstattbeschaving werd niet alleen een begrip voor de overheersende cultuur in Midden-Europa, maar ook de norm om voorwerpen uit de eerste Europese ijzertijd onder te verdelen en te dateren:

Hoofdkarakteristieken Fases Hallstatt A tot D:

De ontdekkingen van Johan Georg Ramsauer in de zoutmijn van Salzkammergut zijn toereikend om een realistische beeldvorming van het leven in en buiten de mijn te maken. Dankzij ideale bewarende omstandigheden, een luchtvochtigheidsgraad van 5 %, hebben de lichamen van de verongelukte kompels, hun kledij, gereedschappen, werktuigen en etensresten de tijd overleefd.

Keltenmuseum te Hallein, reconstructie van een blokhut

(Keltenmuseum te Hallein, reconstructie van een blokhut).

De zoutmijn van Salzkammergut nam in belang af toen rond 600 v. Chr. een meer toegankelijke mijn in het naburige Hallein bij Salzburg werd ontgonnen. Het toen 'internationale' belang van deze nieuwe zoutmijn schuilt nog steeds in het Welshe woord 'Hallein' dat zout betekent!

De chiefdoms

De mooiste en rijkste graven, die tot op heden nog niet in Hallstatt zelf zijn blootgelegd, maar wetenschappelijk als Hallstatt te boek staan, zijn de luxueuze zogenaamde 'prinsengraven' uit het Alpengebied. Deze graven kwamen ook aan de oppervlakte in ver van Hallstatt en de Alpen verwijderde landstreken: onder andere in Vix (Frans-Bourgondië) en Oss (Nederland). De veronderstelling dat deze tombes toebehoorden aan uitzwermende krijgers uit Hallstatt wordt door hedendaagse wetenschapslui betwist. Naar waarschijnlijkheid zijn deze tombes uit de overgangfase tussen de jonge en oude ijzertijd, de laatste rustplaatsen van lokale 'prinsen' die met het eerbetoon van 'Hallstatt' werden begraven.

Wijnkruik uit het graf van de 'prinses' te Vix.

(Wijnkruik gevonden in het graf van de 'prinses' te Vix. Dit type van kruik werd gebruikt om de stroperige wijn te vermengen met water).

Toen de Griekse kolonies rond 600 v. Chr. het handelsverkeer over land naar de zee en de grote rivieren verplaatsten, ebde de economische belangrijkheid van Hallstatt, Biskupinit en andere Midden-Europese handelsnederzettingen weg. Hun commerciële functie werd door pre-stedelijke heuvelburchten, noordelijk van de Rhône, overgenomen. De voornaamste 'chiefdoms' (kleine koninkrijken) waren: Heuneburg (Zuid-Duitsland), Châtillon s/ Glâne, Hochdorf (Zwitserland), Vix en Mont Lassois (Franrkijk).

Fragmenten van zoutcontainers uit de Hallstatt periode

(Fragmenten van zoutcontainers zoals ze werden teruggevonden in Nederland en Vlaanderen - Deze werden teruggevonden in de Nederlandse plaats Oss).

Verscheidene onderzoekers veronderstellen dat de vroegste nederzetting op de Kemmelberg (zie aparte pagina over de vondsten op de Kemmelberg) tot dit type van vestiging behoorde. Ook de voorhistorische site van de Kesselberg, Kester en Kooigem komen dankzij rijke funeraire vondsten en hun geografische inplantingen als 'Fürstensitzen' in aanmerking. Professor Bourgeois veronderstelt dat de kans op het ontdekken van een vijfde vestiging op het Kempisch Plateau, met controle over de Maasvallei, groot is. Hierbij verwijst hij naar de territoriale spreiding van de vier reeds in Vlaanderen ontdekte hooggelegen versterkingen die natuurlijk afgebakende gebieden beheersen: de kuststrook en de Leievallei (Kemmelberg), het land tussen Leie en Schelde (Kooigem), de landstreek van Dender tot Zenne (Kester) en het gebied tussen Dijle en Demer (Kesselberg).

De Glauberg

(De Glauberg, een "Fürstensitze" of chiefdom).

De zogenaamde 'chiefdoms' werden geleid door leden van aristocratische kasten die zich in hooggelegen vestingen terugtrokken (Fürstensitze), van waaruit zij de regionale handel beheersten en de overslag van goederen uit het noorden (Noord-, Noordwest- en Midden-Europa) en het Zuiden (Zuid-Europa en het Middellands Zeegebied) controleerden. De meerderheid van de chiefdoms ontwikkelden zich westelijk van de Alpen.

Archeologisch onderzoek in de prinselijke nederzettingen en necropolen van Heuneburg aan de Donau, Hirschlanden (Duitsland) en Hochdorf (Zwitserland) steunen de veronderstelling dat de opkomst van de chiefdoms bruuske hiërarchische verschuivingen in de Keltische maatschappij veroorzaakten. De kleine funeraire verschillen tussen arm, bemiddeld en rijk uit de bronstijd werden door de 'prinsengraven' uit de chiefdomperiode oeverloos uitgediept. De machthebbers en potentaten lieten zich onder metershoge tumuli met een doorsnede van tientallen meters begraven. Hun grafkamers waren met eiken balken gestut en sporadisch met zijde afgewerkt. De overledenen rustten op of naast een ceremoniële vierwielige kar of rijk gedecoreerde praalwagen, uitzonderlijk op een bronzen bed naar Grieks model. Het gebeurde ook dat de wagen of kar gedemonteerd in de grafkamer werd bijgezet.

Tot de grafgiften behoorden voor de mannen offensieve en defensieve wapens en paardentuig. 'Prinsessen' werden veelal aan de aarde toevertrouwd met bronzen vaatwerk, siervoorwerpen en juwelen. Zonder onderscheid van sekse behoorden bronzen drinkbekers en - hoorns, samen met mengvaten en gouden torques, tot de standaard grafgaven. Het was opvallend hoeveel aandacht werd besteed aan het opslaan van wijn en water. Dat water was nodig om de stroperige wijn drinkbaar te maken.

Een chiefdom bestond uit verwante clans of stammen die zich onder het gezag van een heerser plaatsten die persoonlijk verantwoordelijk was voor de voor- en tegenspoed van zijn medestanders. Het chiefdom was, ruim duizend jaar avant la lettre, de voorloper van het vroeg middeleeuwse castrum: onafhankelijk, zelfbedruipend en afgelijnd hiërarchisch gestructureerd.

Opgravingen brachten aan het licht dat de versterkingen waarin de chiefdoms gedijden gemiddeld 2,5 à 5 hectare groot waren en over afzonderlijke kwartieren voor krijgers en ambachtslieden beschikten.

Het is evident te veronderstellen dat de machthebbers, geestelijke leiders en belangrijkste krijgers tot de adel behoorden. Een keure van handelaars en ambachtslui vormden de middenklasse, een derde groep bestond uit vrije of niet-vrije ambachtslieden, handlangers, knechten en arbeiders

Moord en verderf

De bloei van de chiefdoms stokte nog voor het einde van de vroege ijzertijd (helft van de 5e eeuw v. Chr.). Onderlinge wedijver en zwervende Keltische krijgsstammen die vanuit het noorden oprukten, vernietigden in korte tijd de 'Fürstensitzen' tot in de kiem. Organisatie en versterkte vestigingen konden niet optornen tegen de agressieve losbandigheid van de Keltische krijgersbenden die plundertochten, diefstal en moord tot gerespecteerde socio-maatschappelijke handelingen maakten.

Het opstaan van de Keltische krijgersbenden had plaats op het moment dat de invloed van de Italische culturen, met als voornaamste de Etruskische en Romeinse, de economische invloed van de Helleense kolonies overvleugelde.

Het zwaartepunt van het handelsverkeer verlegde zich van de westelijke Alpen naar de Brennerpas waardoor nieuwe landstreken economisch belangrijk werden: Champagne, de Marnestreek en het Midden-Rijngebied.

Omstreeks deze tijd werden in Vlaanderen en Henegouwen, Waals-Brabant en Nederland urnenvelden uit de late bronstijd en jonge ijzertijd opnieuw in gebruik genomen. Het aantal graven met zogenaamde greppelomlijning nam af ten gunste van vlakgraven zonder omsluiting. Onder de grafgiften doken voor het eerst de sierlijke dunwandige urnen van het Marnetype op die met duidelijke Hallstattkenmerken, meetkundige figuren, werden verfraaid.