ons land - focus

 

IJzertijdperk - Algemeen
De Hallstatt-cultuur
De Kemmelberg
De La Tène-cultuur
De Kelten - Algemeen
Godsdienst bij de Kelten
De Belgae
Home

De La Tène-cultuur (450 jaar v. Chr. tot 57 jaar v. Chr.)

Algemeen

           
banner
Boerderij uit de ijzertijd
Situering La Tène gebied
Luchtfoto van La Tène

(Luchtfoto van het huidige La Tène aan het meer van Neuchâtel).

De La Tène-cultuur ontwikkelde zich zonder enige culturele onderbreking uit de vroege ijzertijdse Hallstatt-cultuur, gelijk met mediterrane invloeden van de Griekse nederzettingen in pre-Romeins Gallië en de daarop volgende Etruskische cultuur. In de 4e eeuw v. Chr. had een verschuiving in het belang van de gevestigde centra plaats.

Spiegel uit de La Tène periode

(Een spiegel uit de 1e eeuw v. Chr. in Desborough, Northants gevonden, met spiraal en trompet thema).

Artefacten uit de La Tène-periode zijn over een wijd gebied opgegraven, tot in delen van Ierland en Groot-Brittannië en Noord-Spanje. Ontdekking van een uitgebreide grafcultuur bracht tevens een wijd handelsnetwerk aan het licht. Exportlijnen naar de Middellandse Zee regio toe steunden vooral op de winning van zout, tin, koper, barnsteen, de vervaardiging van wol en leder, bont en gouden voorwerpen. De Keltische metaalsmeedkunst genoot algemene waardering.

Tijdsindeling

Met betrekking tot de ijzertijd - die uit twee delen bestaat, de jonge ijzertijd (Hallstatt) en de oude ijzertijd (La Tène) - past de meerderheid van de archeologen in België de tijdsindeling van Reinecke-Müller toe voor Hallstatt (zie pagina over de Hallstatt-cultuur) en het dateringsysteem van Dèchelette als het La Tène betreft.

La Tène (late of oude ijzertijd):

(Het systeem van Dèchelette is gebaseerd op de stillistische kenmerken van juwelen, sieraden, gebruiksvoorwerpen en wapens).

De scheidingslijn tussen de jonge en oude ijzertijd is onduidelijk en sticht daarom verwarring, ook in wetenschappelijke kringen. Ondanks het feit dat de La Tène-tijdsindeling van Dèchelette in de Benelux, Oost-Frankrijk, Zuidwest-Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Hongarije en Tsjechië als dateringsnorm wordt gehanteerd, verschillen de identificaties van de onderzoekers sporadisch. Dit is onder meer het geval voor het alombekende graf van de 'Prinses van Vix' uit Bourgogne dat, afhankelijk van het oordeel van de archeoloog of historicus, als uit de vroege of late ijzertijd wordt herkend.

Langgerekte dieren en planten

In tegenstelling tot Hallstatt, dat algemeen wordt aanvaard als de bakermat van de gelijknamige beschaving uit de eerste ijzertijd, zoekt men tot vandaag tevergeefs naar het centrum waar de tweede fase van het laatste tijdperk van de metaaltijd aanvatte. De wetenschappelijke wereld vermoedt dat de wieg van de 'La Tène'-periode noordelijker dan de Zwitserse plaats aan het meer van Neuchâtel ligt waaraan de cultuurstroming, dankzij een reeks ophefmakende archeologische ontdekkingen, haar naam dankt. Het werkelijke hart van de La Tène-cultuur wordt door de meerderheid van de historici in het weidse gebied tussen de Marne en de bovenloop van de Donau gezocht.

De Hallstatt-cultuur werd, zonder aan eigenheid in te boeten, omwille van de handelscontacten eeuwenlang, door de Griekse beschaving beïnvloed, net zoals de Assyrische, Egyptische en Perzische kunstvormen ook inwerkten op de Helleense bouw- en beeldende kunsten. Deze invloed zorgde voor een langzame evolutie die naast Griekse ook Etruskische elementen in zich droeg.

Het aardewerk, de sieraden, wapens en gebruiksvoorwerpen werden door de Keltische kunstenaars en ambachtslieden van de late ijzertijd met vernuft versierd en gevormd binnen de criteria van een nieuwe stijl: La Tène.

Parallelle lijnen, geometrische figuren en chevrons uit de Hallstatt-periode maakten in deze nieuwe cultuuruiting plaats voor palmetten, cirkels, spiralen, afbeeldingen van het gelaat, maskers en onderwerpen waartoe ook langgerekte dieren en planten behoorden.

De eerste 'La Tène'-voorwerpen werden in 1857 door Hanslin Kopp, een amateur-archeoloog, in de 'lieu dit' La Tène bij het Meer van Neuchâtel in Zwitserland aangetroffen. Tijdens een wandeling in de omgeving van Marin-Epagnier werd zijn aandacht getrokken door palen die, omdat de waterspiegel van het meer was gezakt, voor het eerst zichtbaar waren. Tussen de palen trof hij in ondiep water 40 Keltische ijzeren zwaarden aan!

(Kaart van Europa met situering van het La Tène gebied en de gebieden die onder invloed stonden van deze cultuur).

De La Tène-periode of La Tène-cultuur is een periode in de ijzertijd, genoemd naar de archeologische vindplaats van La Tène, aan de noordkant van het Meer van Neuchâtel in Zwitserland, waar een rijke vondst werd gedaan door Hanslin Kopp in 1857.

De La Tène-periode die wordt geassocieerd met de Kelten liep tijdens de late ijzertijd (vanaf 450 v. Chr. tot de Romeinse periode in de 1e eeuw v.Chr.) en wordt gebruikt als periodisering in Oost-Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, België, Zuidwest-Duitsland, Tsjechië en Hongarije.

Er is echter geen algemene norm voor het in de tijd indelen of splitsen van de cultuurstromingen die bepalend waren voor de aanvang en evolutie van de diverse beschavingen uit de Europese metaaltijden. Nooit ontwikkelde een cultuur zich op meerdere plaatsen op dezelfde wijze of tijdstip.

De introductie van respectievelijk koper, brons en ijzer verschilt op het Europese continent in tijdruimtes, die afhankelijk van het gebied, in decennia of eeuwen worden uitgedrukt. De precieze aanvang of evolutie van een fase of beschaving is altijd streekgebonden. Snelle of wispelturige patronen van verspreiding zijn het gevolg van veranderende handelswegen, veroveringstochten of -oorlogen, gebieden die niet door natuurlijke hindernissen worden gescheiden, rivierboorden en dergelijke.

Huizen uit La Tène periode

(Typische huizen uit het La Tène-tijdperk)

Kopps ontdekking vormde voor de gereputeerde Zwitserse archeoloog Frederik Keller de basis van zijn 'Pfahlbautheorie' (paalwoningentheorie). Dat standpunt is inmiddels achterhaald, maar als archeologisch begrip geldt het nog steeds voor het duiden van voorhistorische houten verblijven aan de oevers van waterlopen en meren.

Na Keller groef de internationaal vermaarde geoloog Edoard Desor die in Afrika, Scandinavië en Noord-Amerika als gletsjerdeskundige faam vergaarde, de oever van het meer af. Hij concludeerde dat de palen bij La Tène, de steunpunten waren van een wapenzaal die zich eertijds boven het niveau van het meer verhief.

De weerklank van de vondsten nabij Marin-Epagnier, was zo groot dat tijdens het internationale Archeologisch en Antropologisch Congres van Stockholm (1874) 'La Tène' tot de wetenschappelijke benaming voor de late ijzertijd in Europa werd gepromoveerd.

Toen het waterpeil van de Zwitserse meren tijdens de tweede helft van de 19e eeuw gedurende enkele decennia daalde, vatte Emile Vouga, een plaatselijk leraar uit Marin-Epagnier, in 1880 opgravingen aan. Zijn ontdekkingen waren opzienbarend. Hij legde twee bruggen, steigers en vijf huizen bloot! De eerste brug die hij naar de geoloog Desor noemde dwarste La Tène. De tweede trof hij bij Cornaux aan, drie km verwijderd van La Tène. Onder het puin van de brug trof Vouga skeletten van mensen (volwassenen en kinderen) aan evenals bronzen en ijzeren objecten. In het spoor van zijn vader zou Paul Vouga de archeologische sites van La Tène en Cornaux nog verder verkennen en uitbouwen tot het einde van de eerste wereldoorlog (1918).

Tekening van de La Tène site

(Waarheidsgetrouwe tekening van de La Tène site)

Sinds de ontdekking van Hanslin Kopp in 1857 werden ongeveer 3000 overwegend ijzeren objecten in La Tène opgegraven. Onder de voorwerpen zijn er opvallend weinig vrouwelijke attributen aangetroffen. Het overgrote deel van de vondsten betreft offensieve en defensieve wapens: ijzeren zwaarden, metalen onderdelen van schilden, speren en lansen, helmen, borst- en beenstukken. Ook werktuigen, fragmenten van kruiwagens, karren en tweewielige strijdwagens kwamen in La Tène aan het licht.

Het grote aantal wapens en militaire uitrustingsstukken dat aan de oevers van het meer van Neuchâtel werd gevonden, motiveert de overtuiging dat de site bij Marin-Epagnier eertijds een offerplaats was. Deze visie wordt onderbouwd door de grote hoeveelheid nooit gebruikte zwaarden en dolken die in het water werden geworpen. Een tweede optie die overleeft, maakt van La Tène een militair wapendepot.

Andere veronderstellingen die door sommige archeologen en historici worden weerhouden schetsen rampscenario's waarbij La Tène zou vernield zijn door overstromingen of gewapende strijd. Nog meer onbeantwoorde vragen blijven tot vandaag de betekenis of het verband tussen La Tène en het nabijgelegen oppidium (versterkte prestedelijke site) op de Mont Vully en de opgeworpen wallen in Marin-Epagnier, die een defensief vierkant vormen.

Lapjesschaal als maatstaf

De aanvang van de late ijzertijd manifesteerde zich in onze contreien met een overvloed aan aardewerk van het zogenaamde Marnetype. Het gaat veelal om keramiek met sierlijke hoge cilindrische halzen, donkerbruin of zwart van kleur. De vondsten uit een waterput in Lede (Oost-Vlaanderen) staan model voor het aardewerk van deze vroegste periode uit de tweede fase van de ijzertijd. De keramiek voor dagelijks gebruik was grofwandig, het sieraardewerk en de keramiek die verhandeld werd, gracieus en dunwandig. Het is niet uitzonderlijk tijdens opgravingen fraai beschilderde potten, kopjes en schalen uit deze tijdsperiode van de ijzertijd aan te treffen.

Voor het dateren van zaken uit de vroegste La Tène-fase geldt in onze contreien de veel voorkomende lapjesschaal als maatstaf. Deze ronde schaal, die in de drie landsgedeelten voorkomt, heeft een rand als van neerwaarts geknikte bloemblaadjes. Aan het einde van de 5e eeuw v. Chr. zette deze tendens van geknikt aardewerk zich verder. Ook situlavormige (profiel van emmer of vat) potten kwamen algemeen voor, veelal met geometrische patronen als versiering. Het 'Belgisch' keramiek werd uitzonderlijk verfraaid met astrologische tekens.

In onze steken (Koningsbos, Nederlands Limburg), werden in het zogenaamde 'Keltisch vrouwengraf' (300 v. Chr.), typische La Tène-juwelen en siervoorwerpen gevonden. Er zijn onder meer een langgerekte driekhoekige bronzen gordelhaak, twee beenringen of armbanden in gegoten brons en een grote in ijzer gevlochten fibula (mantelspeld) opgedolven.

Reconstructie van een "oven" waarin zout werd gewonnen uit zeewater in de zogenaamde "briquetages"

(Reconstructie van een "oven" waarin zout werd gewonnen uit zeewater in de zogenaamde "briquetages").

In het kustgebied en het hinterland werden onder meer door het wetenschappelijk team van professor Hugo Thoen (RUG) zogenaamde 'briquetages' opgediept. De aanwezigheid van dit lichtgebakken aardewerk dat verschaald werd met organisch materiaal, wijst ontegensprekelijk op zoutwinning (De Panne, Veurne en Brugge). De briquetage was een grofwandig bakje dat met zeewater werd gevuld en daarna in een oven werd verhit tot het water verdampte, zodat het zout overbleef.

In tegenstelling tot meer zuidelijke streken kwam het in onze gebieden tijdens de laatste fase van de La Tène-periode (vanaf 200 v. Chr.) niet tot preverstedelijking (oppida). Vlaanderen en Wallonië lagen buiten de invloedssfeer van de belangrijke handelsverbindingen van noord naar zuid en oost naar west.

Deze nadelige ligging maakte van beide landstreken gedurende de gehele metaaltijd een economisch marginale zone. Nieuwe cultuurstromingen zetten zich er minder snel door. Handel voeren behield er tot in de Romeinse tijd een lokaal karakter. Om deze redenen gebeurt het maar zelden dat kunstvoorwerpen uit het kerngebied van La Tène in onze contreien worden opgegraven.

Terwijl in Zwitserland en tussen de Marne en de bovenloop van de Donau de funeraire traditie wijzigde - de overledenen werden in stenen 'kisten' aan de aarde toevertrouwd - bleven hier de grafrituelen uit de late brons- en jonge ijzertijd in voege. De doden werden nog steeds overwegend gecremeerd en begraven in zogenaamde vlakgraven. Zuidelijk van Samber en Maas kwamen in deze fase van de late ijzertijd tumuli (grafheuvels) voor en zoals in andere delen van Europa ook krijgersgraven met tweewielige strijdwagens, al dan niet uit elkaar gehaald.

Rond het begin van de 2e eeuw voor onze tijdrekening verschijnt het eerste La Tèneglas in onze streken in de vorm van sierlijke glazen armbanden. Onderzoek wees uit dat deze overwegend diepblauwe en donker purpere, soms ook groene, bruine of doorzichtige sieraden alleen door vrouwen werden gedragen, om de pols of bovenarm. Op basis van het aantal gevonden fragmenten van deze armbanden wordt verondersteld dat haast iedere Keltische vrouw ze droeg!

Ze kwamen voor in een groot gebied, van Hongarije tot in onze streken (onder meer Wijnegem). Oorspronkelijk werden deze sieraden uit het kerngebied van de La Tène-beschaving geïmporteerd, later hier gesmolten uit ingevoerde glasstaven. De grootte van het gebied waarin deze glazen armbanden voorkwamen, wijst op een drukke handel tussen de diverse oppida op het Europese vasteland.

Deze oppida, grote versterkte nederzettingen (van tientallen tot honderden hectare groot!) beheersten en controleerden de 'internationale' handelswegen te land en over water, van op strategische hoogtes.

De oppida, Keltische hoofdsteden van stamstaatjes en -staten kwamen op het continent alléén voor onder de denkbeeldige lijn Mont-Saint-Michel (Normandië) - Titelberg (Groothertogdom Luxemburg) - Stradonice (Tsjechië). De oppida waren ommuurd met hoge aarden wallen en omringd door grachten. Zij waren overwegend dichtbevolkt en onderverdeeld in meerdere stadsdelen (woonwijken, handelskwartieren, ambachtelijke wijken, enzovoort). De straten sneden elkaar in dambordpatroon aan.

Helm uit de La Tène-periode

(Helm uit de La Tène II-periode. Agris, Frankrijk).

De voornaamste oppida waren aan het einde van de La Tène: Alesia, Gergovia en Bibracte in Frankrijk, Manching in Duitsland en Titelberg op enkele kilometers van de Belgische grens in het zuiden van het Groothertogdom Luxemburg. Alesia bevond zich in de omgeving van het huidige Alise-Sainte-Reine in de streek van de Côte d'Or, Gergovia op de hoogten van Clermont-Ferrand. Bibracte lag op de Mont-Beuvray (Glux-en-Glenne/Nièvre). Manching overvleugelde haar omgeving nabij Ingoldstadt in Neder-Beieren en Titelberg was ingeplant ter hoogte van Pétange (drielandenpunt Luxemburg, Frankrijk en België).

In zijn studie over de aanvang van de ijzertijd somt professor Bourgeois het materiaal op waarmee de omwalling van een van de grootste

oppida, Manching (380 hectare ommuurde oppervlakte), werd opgetrokken: 250.000 kubieke meter aarde en rotssteen (!), het hout van circa 60.000 bomen en 17,5 ton smeedijzeren spijkers om de stammen met elkaar te verbinden!

Andere typische versterkte bouwwerken uit de La Tèneperiode zijn de duizenden restanten van tijdelijke en permanente vestigingen die in de gebieden waar de Kelten huisden, voorkomen. Deze 'vluchtburchten' waren meestal enkele hectare groot en op steile heuvel- of bergkammen gebouwd. In de Ardennen treft men deze versterkingen o.a. aan in Berismenil (omgeving La Roche), Cugnon (Semoisvallei), Etalle, Buzenol (Belgisch Lotharingen), Salm-Château (Vielsalm) en Châtelet (oostelijk van Charleroi). Noordelijk en zuidelijk van de taalgrens werden achttien versterkte burchten uit de ijzertijd blootgelegd, waarvan slechts twee in Vlaanderen: Kemmelberg en Kessel-Lo.