ons land - focus

 

De Frankische Periode - De Merovingers
Hoe leefden de eerste Franken?
De Bekering van Vlaanderen (500-751)
De Frankische Periode - De Karolingers
De Karolingen in de Nederlanden
De Bekering van Vlaanderen (751-987)
Karel De Grote
De schok van nieuwe invasies
"Van de Noormannen, verlos ons Heer"
Boudewijn met de Ijzeren Arm
schaakt Judith
Home
           
banner
Karel de Grote

Karel de Grote en het buitenland - De heidense buren: de Saksen

Kaart van het Rijk der Saksen.

In 775 had Karel de Grote zich in een bloedige oorlog gestort, die erop was gericht de Saksen te verslaan en, belangrijker voor onze doeleinden, te kerstenen. De gruwelijkheden van dit conflict zijn moeilijk te overschatten. De Saksische adel stemde toe in een bondgenootschap met Karel de Grote en een serie massa-doopsels, met zijn hoogtepunt in 777, na een reeks succesvolle campagnes van Karel de Grote. De Saksen hielden zich echter niet aan hun woord, en bleven niet alleen hun eigen goden vereren, maar kwamen ook meerdere malen in opstand tegen Karel de Grote, gedurende de rest van de 8e eeuw (ze zouden pas in 804 definitief onderworpen worden). Karel reageerde genadeloos op zulke eedbraak en afvalligheid, met massaexecuties van gevangenen en door de heilige plaatsen in het bos van de Saksen te verwoesten. De Saksen begonnen op hun beurt kerken te verbranden als vergelding. Aken was Karel's uitvalsbasis voor deze oorlog, en de nabijheid van de stad tot dit conflict is duidelijk te zien op bovenstaande kaart.

De verovering en de integratie van het Langobardische rijk paste binnen het verbond dat de paus en de koning hadden gesloten. Zonder een eigen, geïnstitutionaliseerde heerschappij aan de andere kant van de Alpen was het voor Karel trouwens onmogelijk om als beschermheer op te treden. De militaire stap die Karel in oostelijke richting over de Rijn zette en die later ook politiek en administratief werd ingevuld, kon eerder worden gezien als een poging om het machtspotentieel van de Franken te demonstreren, na de succesvolle tocht over de Loire naar Aquitanië. Ook om het charisma van de jonge koning kracht bij te zetten, maar Karel had zeker ook het doel om een einde te maken aan de frequente invallen in het rijk van over de Rijn. De voor 772 aangekondigde Saksische expeditie mondde uit in een hevige en verbeten confrontatie en werd door Einhard als volgt becommentarieerd: Geen enkele [van deze oorlogen] was heftiger en gruwelijker en zwaarder voor het Frankische volk, en: aan beide kanten werd de oorlog met scherpe vijandschap gevoerd, drieëndertig jaar lang, en zowel de Saksen als de Franken leden aanzienlijke verliezen. De twee volkeren onderhielden als buren al lang contacten met elkaar, wat ook een bescheiden vorm van grensverkeer en uitwisseling van goederen met zich mee had gebracht. In de annalen werden ook een tiental Frankische veldtochten genoteerd. Vanaf 753 moesten de Saksen een tribuut van 300 paarden betalen, in plaats van hetzelfde aantal runderen zoals tevoren. Dit wijst erop dat de Saksen paarden fokten en ook dat de ruiterregimenten in Karels leger steeds belangrijker werden. Saksen en Franken hadden het gevoel dat ze tot een afzonderlijke wereld behoorden en dus ook een verschillend wereldbeeld hadden.

De verwoesting van de Irminsul, een belangrijk heiligdom voor de Saksen, door Karel de Grote was de aanleiding van de Saksenoorlogen. (Afbeelding: Heinrich Leutemann, 1882).

De verwoesting van de Irminsul, een belangrijk heiligdom voor de Saksen, door Karel de Grote was de aanleiding van de Saksenoorlogen. (Afbeelding: Heinrich Leutemann, 1882).

De missionering door de Friezen had in de eerste helft van de achtste eeuw een zekere uitstraling gekend in het gebied van de Saksen, waar de twee Ewalden, Lebuin en Willehad - zij het met beperkt succes - de blijde boodschap hadden verkondigd. Maar de nieuwe leer bleek niet veel invloed te hebben op de Saksen, en vijandelijkheden vanaf de beide fronten waren dagelijkse kost. Karel had zich wellicht voorgesteld dat hij in Saksen snel en zonder al te veel problemen voor rust en vrede zou kunnen zorgen, maar het liep anders. Het Saksische volk viel uiteen in verschillende etnische takken, die werden volgens de geografische ligging Westfalen, Oostfalen en Noordalbingers genoemd. Daar kwamen centraal nog de Engeren, in de driehoek tussen de Elbe en de Weser de Wigmodiërs, en aan de oostelijke periferie, in de buurt van de Elbe ook nog de bewoners van de Bardengau bij. Elke overeenkomst met hoogwaardigheidsbekleders van een bepaalde stam was dan ook slechts voor een gedeelte van de Saksen geldig, en leidde niet tot verplichtingen voor de andere clans. De Saksen beschikten niet over één institutionele leider, zoals het koningschap dat kende, en waarbij overkoepelende beslissingen werden genomen. Dit was het gevolg van de Saksische 'wetgeving', en het scherp afgelijnde Saksische standenrecht.

Kaart van Saksen met onderverdeling in de belangrijkste leefgebieden van de verschillende volkeren.

Kaart van Saksen met onderverdeling in de belangrijkste leefgebieden van de verschillende volkeren.

Maar ook op ideologisch vlak was er geen eenheid te bespeuren bij de verschillende clans. De Saksen vereerden per streek verschillende goden, gekoppeld aan een cultus van de voorouders, en hun begrafenisrituelen pasten niet binnen het kader van het christelijk monotheïsme en geloof in het hiernamaals. De boeken van het Oude en Nieuwe Testament beschouwden ze eerder als magisch wapen dan als heilige teksten, want voor hen was het wel duidelijk dat het christendom niet meer dan een instrument van de onderdrukking was. De Franken daarentegen zagen het hardnekkige vasthouden aan het Saksische ongeloof als kwaadaardigheid, zelfs als het werk van de duivel.

Het conflict escaleerde enkele jaren later. Eerst streefde Karel vooral nog naar rust en veiligheid in de grensgebieden, maar later probeerde hij, door gedwongen dopen en onderwerping van hele gebieden, de volledige integratie van Saksen in het Frankische rijk te bewerkstelligen. Wie in opstand kwam riskeerde zelfs volledig vernietigd te worden.

Bonifatius laat de Donareik omkappen (723).

Bonifatius laat de Donareik omkappen (723).

De vijandige acties begonnen in de zomer van 772, nadat op een rijksdag met een paukenslag een heervaart in de traditie van Bonifatius, de "Apostel der Duitsers", werd aangekondigd. Ooit had Bonifatius in het Hessische Geismar de beroemde Donareik geveld als bewijs dat zijn god het heidense geloof in bomen kon overwinnen (afbeelding hierboven). Na hakte Karel - na de verovering van de versterking Eresburg - de 'Irminsul' (letterlijk: zuil van het uitspansel) om, een zeer oude eik waarvan de Saksen geloofden dat het hemelgewelf erop steunde (afbeelding bovenaan tekst). De Saksen waren hierdoor zo verweldigd dat ze gijzelaars leverden en plechtig beloofden dat ze geen problemen meer zouden veroorzaken. Daarmee leek het alsof de Franken zeker konden zijn van de overwinning. Dit was een vergissing, zoals gauw zou blijken. Saksische krijgers maakten in 773 in Opper-Italië gebruik van de afwezigheid van het Frankische leger om de door de Franken versterkte Eresburg te vernietigen, ze bestormden de Büraburg die als bisschoppelijke zetel was voorbestemd, en verbrandden op hun tocht het Hessische Fritzlar, waarbij zelfs de kerk werd vernietigd. De koning, die midden 774 uit Italië was teruggekeerd, lanceerde een behoorlijk geslaagde tegenaanval, maar de situatie bleef gespannen. Samen met zijn raadsheren besliste hij de strijd aan te wakkeren tijdens de winter, een periode die normaal gezien als een rustperiode werd beschouwd, omdat het weer en de toestand van de wegen dan te slecht waren. Buiten de Romeinse Limes, ten oosten van de Rijn, was de toestand van het wegennet zeker problematisch. De Saksen stonden voor de keuze om het christelijke, dus Frankische geloof aan te nemen of een zekere ondergang tegemoet te gaan.

Blijkbaar waren de Franken overtuigd dat duurzame vrede met de Saksen niet mogelijk was, zolang ze niet tot het christendom waren bekeerd. Het was dan ook noodzakelijk om vaste steunpunten, zoals burchten en paltsen, in het land van de vijand te beschermen en te versterken.

De Eresburg lag in het tegenwoordige Marsberg. De burcht lag boven op de heuvel waar nu het stadsdeel Obermarsberg gelegen is.

De Eresburg lag in het tegenwoordige Marsberg. De burcht lag boven op de heuvel waar nu het stadsdeel Obermarsberg gelegen is.

De Eresburg werd weer opgebouwd en uitgebreid, de Hohensyburg werd veroverd en als eerste koninklijke zetel werd Paderborn, de 'urbs Karoli', aangelegd. Massadopen en de onderwerping van talloze Saksische clans moesten bewijzen dat dit de juiste manier van handelen was. Al in 777 vond in Paderborn, op Saksisch grondgebied, een drukbezochte rijksdag plaats. Dat wees meteen al op het begin van de Saksische integratie in het Frankische rijk. De politieke machtsverhoudingen - de macht van de adellijke families, de 'warlords' - werden in stand gehouden, en ook de sociale en economische structuren bleven bestaan. In de schaduw van de onderwerping werd een begin van de doopmissionering duidelijk. Zo kan bijvoorbeeld omstreeks 778 in de driehoek van de Onder-Elbe en de Onder-Weser de aanwezigheid op het het vasteland worden aangetoond van de Angelsaks Willehad, een nakomeling van Bonifatius en van andere missionarissen die over zee wargen gekomen, terwijl in de zuidelijker streken vooral het Hessische klooster Fulda de geestelijke last van de evangelisatie moest dragen.

Widukind, hier een standbeeld te Herford (Noordrijn-Westfalen), was Hertog van Saksen en kwam in opstand tegen Karel de Grote in 778.

Widukind, hier een standbeeld te Herford (Noordrijn-Westfalen), was Hertog van Saksen en kwam in opstand tegen Karel de Grote in 778.

De vredige schijn was echter bedrieglijk. De Saksen werden in het jaar 778 afvallig en sloegen terug, onder leiding van de Westfaalse aanvoerder Widukind, die zich op het treffen in Paderborn niet had laten zien en naar de Denen was gevlucht. Volledig in overeenstemming met de algemene oorlogsgebruiken van die tijd stootten de opstandelingen moordend en brandend door tot aan de Rijn in Deutz, tegenover Keulen, en bereikten op de rechter Rijnoever de hoogte van Koblenz, aan de samenvloeiing van de Moezel en de Rijn. Zonder schepen konden ze niet aan de overkant komen. Paderborn, de 'urbs Karoli' werd toen vernietigd.

De tegenaanval van de koning, die roemloos en met een nederlaag van zijn Spaanse veldtocht was teruggekeerd en door deze openlijke opstand van de Saksen in de mogelijk zwaarste crisis van zijn heerschappij was beland, liet niet lang op zich wachten. Het Frankische leger trok de volgende jaren op verkenning tot aan de Oker en nog verder oostwaarts tot aan de Ohre. In 782 komt het tot een nieuwe escalatie: Saksen wordt met een enorm militair machtsvertoon in de buurt van Lippspringe ingelijfd bij het rijk van Karel en de Frankische wetgeving wordt er ingevoerd. De graven die worden aangesteld zijn vooral plaatselijke edellieden, collaborateurs. Om de situatie juridisch veilig te stellen vaardigde de koning strenge regels uit, de 'Capitulatio de partibus Saxionae'. Op weerstand tegen kerk, clerus, eredienst en Frankische bezetting en op de uitoefening van heidense gebruiken stonden strenge straffen, heel vaak zelfs de doodstraf. De Saksen werden gedwongen om kerken te bouwen, ze moesten tienden betalen op iedere oogst en de priesters kregen een soort superviserende rol. Het respecteren van de zondag was een belangrijk gebod, het eten van paardenvlees werd niet meer toegelaten en de heidense begraafplaatsen mochten niet langer worden gebruikt.

Van evangelisatie was geen sprake, het ging alleen over onvoorwaardelijke onderwerping aan het schijnbaar zachtaardige juk van het christendom. Een Saksische (!) bron uit de negende eeuw beschrijft Karel - zonder negatief accent! - als 'prediker met de ijzeren tong', die gedeeltelijk met de wapens, gedeeltelijk met geschenken het christendom in Saksen heeft ingevoerd.

Karel de Grote met Alcuinus, zijn mentor en vertrouweling.

Karel de Grote met Alcuinus, zijn mentor en vertrouweling.

Er werd nauwelijks kritiek geleverd op deze manier van werken. De Angelsaksische Alcuinus, Karels mentor en vertrouweling, beklaagde zich bijvoorbeeld - maar toch pas in 796 - in een brief aan de koning betreffende de missionering van de overwonnen Avaren over de methoden die werden gebruikt om de Saksen te bekeren en waarschuwde voor een herhaling van het experiment dat vooral door de inning van de tienden was mislukt: Hoe kunnen we de onwetenden onder een juk brengen dat noch wij noch onze broeders kunnen verdragen? [...] We weten dat de inning van de tienden werkelijk goed is voor onze vermogens, maar het is beter om die te verliezen dan om het geloof te verliezen. Wij echter, katholiek van geboorte, van opvoeding en van onderwijs, kunnen niet aanvaarden dat op ons volledige bezit tienden worden geheven. Het is dus zeer waarschijnlijk dat zij met hun zwakke geloof, met hun kinderlijke verstand en met hun vrekkige ingesteldheid zullen weigeren dit te betalen. Moedige woorden!

Het bijbelse gebod van de tienden moest bij de vrije Saksen als cijns overkomen die ze als onderworpen volk aan de overwinnaar en aan God moesten afstaan, maar niet als algemene bijdrage om kerken te bouwen of te onderhouden, los van sociale status, en om christelijke barmhartigheid uit te oefenen.

Het jaar 782 staat meteen al voor een verdere toespitsing van het conflict tussen Saksen en Franken. In de noordwestelijke streken, tussen Hunte en Hase, in Oost-Friesland, in Largau aan de Weser, zelfs in Dithmarschen, kwam de bevolking in opstand. Christenen werden vervolgd, zo ook in Bremen, dat in deze samenhang voor het eerst wordt vermeld. Er werd een grootse Frankische tegenaanval ingezet onder leiding van een paar hoge militairen die aan de Süntel een zware nederlaag leden. De hovelingen hadden overhaast gereageerd in de hoop de overwinning op hun naam te kunnen schrijven, maar ze werden gedood.

Gedenkplaats te Verden (Nedersaksen) waarmee het bloedbad uit 782 herdacht wordt.

Toen Karel over de nederlaag hoorde, verzamelde hij zo snel mogelijk alle beschikbare troepen, hoewel het herfst was en het leger dus uit de dienst was ontslagen. Hij rukte op naar de streek van de Weser en de Aller, het centrum van de weerstand. In Verden kwam het tot de beruchte strijd, die het 'bloedbad van Verden' wordt genoemd en vandaag nog steeds tot de verbeelding van de historici spreekt. Volgens de rijksannalen heeft de koning op één dag niet minder dan 4500 Saksen, aanvoerders en opstandelingen, laten terechtstellen en zelfs onthoofden. Dergelijke hoge en afgeronde cijfers moeten, zeker in de Middeleeuwen, wel met een korrel zout worden genomen. Ze tonen vooral aan dat het over een uitzonderlijk hoog aantal gaat. Als er werkelijk meer dan 4000 strijders zouden zijn gevangen genomen, dan hadden beide partijen over een enorm troepencontingent beschikt, wat onmogelijk was. Op dat moment van het jaar kon Karel niet zomaar duizenden Franken onder de wapens roepen, en ook de Saksen konden uit hun dunbevolkte gebieden onmogelijk zoveel strijders bij elkaar krijgen. De mogelijkheden om terechtstellingen uit te voeren waren in die tijd bovendien te beperkt voor dergelijke massale executies, om van de psychische gevolgen van zo'n excessen maar helemaal te zwijgen. De schijnbaar zo exacte getallen symboliseerden eerder een drastische verandering in de aanpak van de tegenstander. Het was niet langer voldoende dat het verslagen volk zijn onderworpenheid toonde, de eed van trouw aflegde en gijzelaars stelde, zoals tot dan toe gebruikelijk was geweest. Nu werd er een draconisch strafgerecht ingesteld dat inderdaad enkele tientallen Saksen uit de hoogste klassen ter dood veroordeelde om te laten zien hoe meedogenloos de Frankische koning op afvalligheid reageerde.

Gedenkplaats te Verden waarmee het bloedbad uit 782 daar herdacht wordt.
Afbeelding waarop de doop van Widukind, de legendarische Saksische aanvoerder en aartsvijand van Karel de Grote, wordt weergegeven.

Afbeelding waarop de doop van Widukind, de legendarische Saksische aanvoerder en aartsvijand van Karel de Grote, wordt weergegeven.

Tijdens twee latere veldslagen, de enige die Karel zelf in tientallen jaren van oorlog heeft aangevoerd, werden bij Detmold en Osnabrück complete Saksische legers in de pan gehakt en talrijke gevangenen naar Francia overgebracht. De Saksen konden tot dan toe wel militair voordeel halen uit hun 'guerillatactiek', door aan te vallen en snel terug te trekken in moerassige weilanden of bossen, maar in open veld waren ze niet opgewasse tegen het Frankische leger met zijn sterke cavalerie. Sinds het midden van de jaren tachtig van de achtste eeuw was de zwaarste weerstand gebroken. Een duidelijk bewijs daarvan was de onderwerping van de verzetsleider Widukind in 785 in de oude Merovingische palts Attigny, en zijn doopsel, met de koning als peter. Met zijn doopsel verdwijnt de held uit de geschiedenis. De mythe die hem omgeeft als aan Karel gewaagde tegenstander werd al ten tijde van de Saksische geschiedschrijvers in de 10e eeuw gecultiveerd en houdt tot vandaag stand - om te beginnen in het bekende 'Lied van de Nedersaksen'. Widukinds kleinzoon Waltbert en zijn andere nakomelingen maakten in Frankische dienst snel carrière. Met de overbrenging van het gebeente van de heilige Alexander van Rome naar het geestelijk familiebezit in Wildeshausen in 851, creëerden ze een sacraal centrum dat een bedreiging werd voor de domkerk van Bremen. Leden van hun familie zijn later als bisschoppen van Hildesheim en Verden aangesteld. Op het eind van de tiende eeuw is zelfs keizer Otto in Wildeshausen bij hen te gast geweest. Veel adellijke Saksische families wisten zo op te klimmen, zeker ook de later naar hen genoemde Ottonen. Ze konden hun macht snel uitbreiden of opklimmen binnen de geestelijke hiërarchie door diensten te verlenen, aan het hoofd van een graafschap te staan of zelfs in koninklijke dienst te treden. Het is niet voor niets dat Einhard een generatie later al vaststelt dat Franken en Saksen één volk zijn geworden, waarbij de bekering tot het christendom een sleutelrol heeft gespeeld. In het midden van de negende eeuw waren er nog opstanden onder leiding van de lagere Saksische klassen, maar die richtten zich even goed tegen de Frankische veroveraars als tegen de eigen 'edelingen'.

Kaart van de Elbe-Weser Driehoek waar de opstand tegen de Franken nog lang voortduurde.

Kaart van de Elbe-Weser Driehoek waar de opstand tegen de Franken nog lang voortduurde.

Na de doop van Widukind trad een fase van rust in, maar niet overal werden de wapens neergelegd. In de jaren negentig kwam het vooral aan de Weser en de Elbe in Wigmodië nog vaak tot ongeregeldheden. Het Frankische gezag en het kerkelijk leven stortten hier zelfs helemaal in elkaar. Het bisdom Bremen dat in 789 werd gesticht, bleeft tot 804 de facto verlaten. Religieuze centra zoals Münster, Osnabrück, Minden en Paderborn konden pas na die periode hun structurele machtsbasis verstevigen en uitbouwen. Karel reageerde op verschillende manieren tegen die regionale opstanden, soms met militaire ingrepen, soms door gebieden volledig te ontvolken en er Frankische families te vestigen. Einhard spreekt van 10.000 gedeporteerden, alleen al uit Wigmodië. Gezien de geringe bevolkingsdichtheid in die gebieden, die steeds door overstromingen werden bedreigd, is dit cijfer wellicht niet juist, ook al is het aannemelijk dat er massaal gijzelaars werden meegenomen. In de streek rond Würzburg en in Würtemberg zijn er plaatsnamen terug te vinden die verwijzen naar de Saksen en waar dus op die manier werd opgetreden. Ook oorkonden uit latere jaren bewijzen dat dergelijke gedwongen verhuizingen wel degelijk plaats hebben gevonden.

Kaart van Nedersaksen met in het rood aangeduid het Land van Hadeln.

Kaart van Nedersaksen met in het rood aangeduid het Land van Hadeln.

De relatie tussen de bezetter en de overwonnenen normaliseerde snel, dat blijkt uit de afzwakking van de maatregelen tegen de Saksen in het zogeheten 'Capitulare Saxonicum' van 797. De Saksen kregen grotendeels dezelfde rechten als de Franken en principiële toestemming om met geld handel te drijven. Hetzelfde wordt aangetoond in de 'Lex Saxonum', de schriftelijke neerslag van het Saksische stammenrecht. Karel was intussen uitstekend vertrouwd met zijn land en zijn mensen. Hij is bijvoorbeeld de enige middeleeuwse vorst die ooit de Noorzeekust heeft gezien, zoals toen hij in 797 een kort bezoek bracht aan het land van Hadeln in het huidige Noord-Duitsland (zie kaart hierboven).

Pas tijdens de laatste jaren van zijn bewind richtte Karel zijn blik op het grondgebied van de Transalbingen, toen de Denen onder leiding van de agressieve koning Godofrid ermee dreigden de Elbe over te steken. Als reactie richtte Karel in Esesfeld-Itzehoe (Holstein) omstreeks 810 een vesting op en stuurde daarna een priester naar de Hammaburg (Hamburg), waardoor de missionering van de gebieden over de Elbe mogelijk werd. De expansieve politiek van de Denen was gedeeltelijk bedoeld om te imponeren, maar werd afgeremd door de spanningen binnen het eigen koningshuis. Het gaf wel al een klein voorsmaakje van de gevaarlijke kracht van de 'Noormannen' en hun roofzuchtige optreden in het binnenland. Niet voor niets dreef Karel vanaf 808 aan de Atlantische kust en zeker in de buurt van de riviermondingen de scheepsbouw op en installeerde hij op verschillende plaatsen een kustwacht.

De stad Maagdenburg aan de Elbe beschikte over een versterkt bruggehoofd om hen te beschermen tegen invallen van de Denen.

De stad Maagdenburg aan de Elbe beschikte over een versterkt bruggehoofd om hen te beschermen tegen invallen van de Denen.

De Elbe en de Saale werden - en bleven - ten tijde van Karel de 'natte grenzen' van het Frankische koninkrijk, in elk geval in het oosten. Bruggenhoofden en versterkingen aan rivieren zoals in Maagdenburg of Halle moesten het beperkte grensverkeer in het hinterland tegen de vijand beschermen. Er werden wel expedities ondernomen tot over de Elbe en de Saale, zelfs tot in Bohemen, maar uiteindelijk berustten de politieke acties voornamelijk op diplomatiek overleg. De afspraken i.v.m. de beveiliging van de grenzen (en het handelsverkeer) waren in het belang van de verschillende, onderling rivaliserende Slavische volksstammen. Het Frankische rijk heeft in zijn eigen belang de Elbe en de Saale niet overschreden en zag in Slavisch gebied af van landinname of missionering. Bewuste afgrenzing van het rijk maakte deel uit van Karels succesvolle buitenlandse politieke instrumentarium.

Met de tactische beslissing om zich te beperken tot de inlijving van de Saksen in het grote Frankische rijk, werd meteen ook de basis gelgd voor het latere Oostfrankisch-Saksische rijk dat na het Verdrag van Verdun in 843, in de lange periode dat Lodewijk de Duitser († 876) aan de macht was, vaste vorm kreeg. Het latere Duitsland - de 'tiutsche landen' - is ondenkbaar zonder Saksen, dat er als kernzone tussen Rijn en Elbe in de tijd van Karel werd aan toegevoegd. De 'natte grenzen' tussen west en oost vormden ook een soort taalgrens doorheen de verschillende dialecten. Ten oosten van Rijn en Moezel bestonden er wel taalgebieden die aansluiting vonden in het westen, er werd een Romaanse taal gesproken die uit het volkse Latijn was ontstaan. Ten oosten van Rijn en Main domineerden vroege stadia van wat later Nederduits zou worden genoemd, en Opperduitse dialecten die pas vele eeuwen later een gemeenschappelijke gesproken en geschreven taal zouden vormen.