ons land - focus

 

De Frankische Periode - De Merovingers
Hoe leefden de eerste Franken?
De Bekering van Vlaanderen (500-751)
De Frankische Periode - De Karolingers
De Karolingen in de Nederlanden
De Bekering van Vlaanderen (751-987)
Karel De Grote
De schok van nieuwe invasies
"Van de Noormannen, verlos ons Heer"
Boudewijn met de Ijzeren Arm
schaakt Judith
Home
           
banner
Karel de Grote

Keizerschap en opvolging - Het politieke testament van 806

Fragment uit het beroemde Divisio regnorum, het politieke testament van Karel de Grote opgesteld in 806 te Diedenhof (het huidige Thionville in Frankrijk, regio Metz-Nancy).

Fragment uit het beroemde Divisio regnorum, het politieke testament van Karel de Grote opgesteld in 806 te Diedenhof (het huidige Thionville in Frankrijk, regio Metz-Nancy).

Hoe belangrijk het voor Karel ook was om als gelijkwaardige politieke partner van Byzantium beschouwd te worden, toch was hij zeer bewust van de gevaren die zijn pauselijke benoeming op kerstdag 800 voor de toekomst kon inhouden. Daarvan getuigt Einhards verslag over Karels onwil, dat bewijst ook het politieke testament, het beroemde Divisio regnorum, opgesteld in 806 te Diedenhof (Thionville) in de buurt van Metz, de stad van de heilige Arnulf, een van de voorouders van de Karolingers aan de Midden-Moezel.

Afbeelding van Lodewijk de Vrome, de uiteindelijke opvolger van Karel de Grote. In zijn politieke testament daterend uit 806, verdeelde Karel zijn rijk onder zijn drie oudste zonen uit zijn huwelijk met Hildegard van Alemannië. Omdat twee van zijn zonen, Karel (811) en Pippijn (810), voor Karel zelf stierven, ging het volledige rijk over naar Lodewijk de Vrome, zijn derde zoon, alsook zijn keizerstitel.

Afbeelding van Lodewijk de Vrome, de uiteindelijke opvolger van Karel de Grote. In zijn politieke testament daterend uit 806, verdeelde Karel zijn rijk onder zijn drie oudste zonen uit zijn huwelijk met Hildegard van Alemannië. Omdat twee van zijn zonen, Karel (811) en Pippijn (810), voor Karel zelf stierven, ging het volledige rijk over naar Lodewijk de Vrome, zijn derde zoon, alsook zijn keizerstitel.

Door dit document, dat door paus Leo III werd ondertekend, beschikte Karel met al zijn macht over het rijk. Zoals door het Frankische erfrecht bepaald, verdeelde hij zijn land tussen zijn drie zonen - Karel, Pippijn en Lodewijk - uit het huwelijk met Hildegard, zijn Alemannische echtgenote uit de stam die in 783 was uitgestorven. Ze krijgen elk de heerschappij over een gelijk deel van het regnum vel imperium (tegelijk koning- en keizerrijk). Karel (vader) richtte zich naar het politieke status-quo van het jaar 806, waardoor Lodewijk een rijk kreeg met centrum in het zuiden, in Aquitanië en Gascogne, met daarbij nog delen van Bourgondië en stroken kust aan de Middellandse Zee, Pippijn kreeg Italië, waar Beieren en Alemannië ten zuiden van de Donau aan werden toegevoegd, en de 'rest', Francia, het kerngebied, was voor Karel, de oudste zoon, samen met de gebieden ten oosten van de Rijn. De modaliteiten voor de verdeling van Francia tussen Lodewijk en Pippijn - rondden deze bepalingen af. Maar ook het intrederecht van geschikte kleinzonen wordt als mogelijk alternatief gegeven voor de voortzetting van de heerschappij in de afzonderlijke rijken. Over het keizerschap en de voortzetting ervan wordt niets gezegd bij de verdeling in drie gebieden, hoewel de koning de toekomstige binnen- en buitenlandse politiek zeer gedetailleerd laat voorschrijven. Blijkbaar wist Karel niet goed of, en hoe en aan wie hij eventueel deze instelling, die in tegenstelling tot het koningschap niet deelbaar was, moest doorgeven. Hij liet het probleem voorlopig liggen - ook de oostelijke 'broeder' was in die tijd nog niet erkend - waardoor hij een conflict vermeed zoals later zijn opvolger Lodewijk de Vrome zou overkomen toen deze zonder hoogdringendheid al in 817 zijn oudste zoon Lotharius tot medekeizer en erfgenaam van het imperium maakte, vóór Pippijn en Lodewijk, zijn jongere erfgenamen.

Fresco van het graf van Bernard van Italië tesamen met Anselmo I de aartsbisschop van Italië. Bernard was de onwettige zoon van Pippijn van Italië en werd op dertienjarige leeftijd koning van Italië na de dood vaFresco van het graf van Bernhard van Italië tesamen met Anselmo I de aartsbisschop van Italië. Bernard was de onwettige zoon van Pippijn van Italië en werd op dertienjarige leeftijd koning van Italië na de dood van zijn vader in 810. Karel de Grote erkende dit koningschap in 812.

Fresco van het graf van Bernhard van Italië tesamen met Anselmo I de aartsbisschop van Italië. Bernard was de onwettige zoon van Pippijn van Italië en werd op dertienjarige leeftijd koning van Italië na de dood van zijn vader in 810. Karel de Grote erkende dit koningschap in 812.

In 806 liet Karel de bescherming van de Roomse kerk, en dan vooral van het pausdom, niet langer afhangen van de keizerlijke macht, maar stelde die protectie tot plicht en algemene taak van elke familie. De dood van zijn oudste zonen Karel en Pippijn, in 810 en 811, maakte zijn politieke testament overbodig. Hij liet in 812 wel Italië nog over aan zijn kleinzoon Bernhard, de zoon koning Pippijn, maar de rest van het keizerrijk zou na de dood van Karel onder de alleenheerschappij van Lodewijk van Aquitanië vallen. Met deze 'monarchie' werd de kans geboden om opnieuw na te denken en te beslissen over de toekomst en de voortzetting van het keizerschap. Pas laat, bijna op het einde van zijn lange regeerperiode, was de koning van de Franken bereid tot deze stap. Op een vergadering in Aken in september 813 vroeg hij volgens een kroniekschrijver aan het publiek van de grootste tot de kleinste [van de groten] of het hen zou bevallen als hij zijn naam, namelijk die van keizer, zou doorgeven aan zijn zoon Lodewijk, en werd met applaus onthaald. Een paar dagen later werd Lodewijk - overeenkomstig het Byzantijnse gebruik om een zoon tot medekeizer te benoemen - in de dom van Aken door Karel onder talrijke aanmaningen in zijn nieuwe functie aangesteld en gekroond, als Lodewijk al niet zelf zijn kroon opzette. De religieuze dienst en de aanwezigheid van hoge prelaten, onder meer de aartskapelaan en de aartsbisschop Hilduin van Keulen vormden wel een geestelijk kader, maar in tegenstelling tot de gebeurtenissen van dertien jaar eerder bepaalde de heerser zelf met 'zijn' Franken de procedure. De paus en de Romeinen kwamen aan de kroning of als 'goedkeurend staatsvolk' niet te pas.

Na zijn kroning tot medekeizer door zijn vader, werd Lodewijk de Vrome in hetzelfde jaar (813) nogmaals tot keizer gekroond door paus Stefanus IV.

Na zijn kroning tot medekeizer door zijn vader in 813, werd Lodewijk de Vrome in 816 nogmaals tot keizer gekroond door paus Stefanus IV.

Deze manier om een zoon tot (mede)keizer te kronen bleef een uitzondering. De paltskapel in Aken kon de Sint-Pietersbasiliek in Rome niet vervangen als kroningsplaats van de keizer, en ook kon de paus uiteindelijk niet worden uitgesloten bij het aanstellen van de keizer. Stefanus IV 'corrigeerde' de gebeurtenis van 813 reeds in Aken door eigenhandig Lodewijk de Vrome in 816 in Reims te kronen met het diadeem dat blijkbaar nog aan keizer Constantijn had toebehoord. Lotharius I, medekeizer sinds 817, werd in 823 opnieuw door paus
Paschalis I op de juiste plaats, in de Sint-Pieterskerk, tot keizer gekroond en uitgeroepen. In de regel bleef het ook zo. En ten slotte ontving Karel V nog uit de hand van paus Clemens VII in 1530 - maar dan in Bologna - de keizerskroon. Karels eigen keizerskroning werd voor eeuwenlang een maatstaf.

Reconstructie van de Akener Koningspalts zoals ze er ten tijde van Karel de Grote moet uitgezien hebben.

Reconstructie van de Akener Koningspalts zoals ze er ten tijde van Karel de Grote moet uitgezien hebben.

De overname van de keizerlijke waardigheid ging gepaard met een nieuwe fase van doelgerichte binnenlandse politiek. Het bezoeken van de belangrijkste centra van het rijk gebeurde te paard en beperkte zich meer en meer tot de seizoenen met gunstige weersomstandigheden. Van oktober tot maart hield de heerser 'hof', voornamelijk in zijn palts in Aken, die tot een vaste residentie was uitgebouwd en waarvan de domkerk of Mariakapel met onderdelen van antieke bouwwerken uit Ravenna en Rome (en Trier!) was opgesmukt. De Aula Regia kon vast niet wedijveren met de grootsheid en de pracht van de keizerlijke paleizen van Constantinopel, laat staan met de pronkzuchtige luxe van de nieuwe metropool van de kalief in het tweestromenland, Bagdad. Als geloof mag worden gehecht aan de latere anekdote die door Notker van St.-Gallen werd neergeschreven, kon Karel zelfs vanaf zijn balkon met gemak alles wat in zijn residentie gaande was overzien. In ieder geval was Aken wat conceptie en aankleding betreft duidelijk verheven boven andere paltsplaatsen, voor zover onze archeologische bronnen een vergelijking toelaten.

Digitale reconstructie van de Aula Regia in de Keizerspalts van Ingelheim.

Digitale reconstructie van de Aula Regia in de Keizerspalts van Ingelheim.

Een status van 'antieke' stad probeerde ook Ingelheim uit te stralen, dat met zijn paleiszaal (foto hierboven) met concha (halfcirkelvormige koepel), exedra (nissen met verhoogde zitplaats) en zuilengang de bouwstijl van de keizerlijke basiliek van Trier probeerde te evenaren. Over Nijmegen, dat door Einhard als derde opmerkelijke stenen bouwwerk van Karel wordt geroemd, valt door de vernietigingen weinig te zeggen. Een kostbare getuigenis van de receptie van klassieke Romeinse architectuur gecombineerd met christelijke sacrale bouwstijlen is de zogenaamde poorthal van Lorsch, met op de benedenverdieping een Romeins drieledig poortgewelf en daarboven een kapel. Het klooster Lorsch was eigendom van de koning en een cultuurcentrum bij uitstek, waarbinnen een belangrijk scriptorium en een grote bibliotheek zich ontplooiden. De versieringen van het gebouw, de randversieringen van de consoles, pilasters en kapitelen, is meesterlijk ontleend aan antieke voorbeelden en bestaat gedeeltelijk uit authentieke Romeinse elementen.

Afbeelding van de "missi dominici' met Karel de Grote.

Afbeelding van de "missi dominici' met Karel de Grote.

Aken werd niet alleen residentiestad, maar ontwikkelde ook een administratieve infrastructuur, die de koning en keizer toelieten een zekere mate van controle uit te oefenen over de ongeschikte instanties: graven, bisschoppen, abten en kroonvazallen. Het zijn de 'missi dominici' die nu hun ambtsgebieden bereizen, de koningsbodes die alleen uit de hogere standen worden gekozen en vaak, liefst tegelijk, ook als bisschop. Hun taak bestaat onder meer uit rechtspleging, vredehandhaving en mobilisering van het leger. Karel als nieuwe David, Salomon en Joshua, maar ook Constantijn, werkte aan de vervolmaking van de samenleving via staat en kerk. Een overvloed aan wetten en verordeningen (capitularia) werd over het imperium verspreid: clerici en monniken werden opgeroepen om hun ambtelijke plichten te vervullen en zich in hun dagelijks bestaan volgens de regels te gedragen en ook leken moesten plechtig beloven zich aan de wetten te houden. Naar buiten toe was het rijk gevestigd, het kwam er nu op aan een innerlijk draagvlak voor een toekomst van gerechtigheid en vrede te creëren als maatstaf voor een christelijke samenleving. Het is vooral deze geestelijk-spirituele dimensie die het rijk van Karel verheft boven de heerschappij van de Merovingers en het tot in de verre toekomst een enorme uitstraling gaf.

In tegenstelling tot de 'buitenlandse' politiek met haar invloedrijke acties en reacties, wordt de 'binnenlandse' politiek van Karel in grote mate door de bestaande maatschappelijke verhoudingen gekenmerkt en bepaald. De invloed van regeringsbeslissingen op economie, sociale structuren en technische vernieuwingen is dan ook miniem. Tegen het einde van zijn legislatuur werden wettelijke maatregelen doorgevoerd die tijdelijk effect hadden, zoals bijvoorbeeld de hierboven vernoemde aanstelling van koningsbodes (missi dominici) als controleorgaan. Omwille van de structurele zwakheden van het Frankische rijk zag Karels biograaf Einhard, in tegenstelling tot zijn voorbeeld Suetonius, af van een apart hoofdstuk dat de regeringspraktijk en de binnenlandse gebeurtenissen aan een systematische nadere beschouwing zou onderwerpen. Ook voor de annalen en andere historische bronnen uit die tijd is 'binnenlandse politiek' geen thema.