ons land - focus

 

De Frankische Periode - De Merovingers
Hoe leefden de eerste Franken?
De Bekering van Vlaanderen (500-751)
De Frankische Periode - De Karolingers
De Karolingen in de Nederlanden
De Bekering van Vlaanderen (751-987)
Karel De Grote
De schok van nieuwe invasies
"Van de Noormannen, verlos ons Heer"
Boudewijn met de Ijzeren Arm
schaakt Judith
Home
           
banner
Karel de Grote

Keizerschap en opvolging - Macht en heerschappij

De geschriften van Augustinus, en dan vooral zijn werk "De Goddelijke Stad", behoorden tot de favoriete lectuur van Karel de Grote. Het werk was waarschijnlijk zijn belangrijkste inspiratiebron voor het koningsschap.

De geschriften van Augustinus, en dan vooral zijn werk "De Goddelijke Stad", behoorden tot de favoriete lectuur van Karel de Grote. Het werk was waarschijnlijk zijn belangrijkste inspiratiebron voor het koningsschap.

Karel voerde zijn gezag op basis van bepaalde grondbeginselen. Volgens oorkonden, brieven en andere geschreven bronnen waren dat: handhaving van de vrede, doorvoeren van recht en gerechtigheid en tot stand brengen en bestendigen van algemene welvaart. Dat waren de wezenlijke opgaven van het koningschap. In een bevelschrift, een capitularium uit 802 aan de koningsbodes, maakt Karel dat bij wijze van inleiding als volgt kenbaar: Over de vrede: dat allen die daartegen een misdrijf begaan rekenschap moeten afleggen. Over het koninklijke recht: dat er ongevraagd, volldig aan voldaan wordt. Over het koninklijke recht: dat er ongevraagd, volledig aan voldaan wordt. Over dat [wat gebeuren moet] wanneer honger, ongeluk, pest, achteruitgang van de munt of een andere klacht voorkomt, dat in dat geval niet ons edict moet afgewacht worden, maar meteen Gods hulp mag worden ingeroepen. En dat in de hongersnood van dat jaar ieder aan de zijnen geeft wat hij kan en zijn graanoogst niet al te duur verkoopt en dat buiten ons rijk niet een gave (graan) mag worden verkocht. Daarbij kwam zijn bekommernis voor de kerk, haar instellingen, en vooral haar uitbreiding en de vestiging van het christelijke geloof. Hij oriënteerde zich wat dat betreft op het voorbeeld van de koningen uit het Oude Testament: David, Salomon en Joshua. Met die laatsten voelde hij zich nauw verwant in zijn regulerende en controlerende functie, die ook betrekking had op de tempel als 'res sacra' (reorganisatie van het priesterschap). De belangrijkste invloed op Karels voorstellingen van legitieme koninklijke macht is wellicht de Goddelijke Stad van Augustinus geweest, die volgens Einhard tot zijn lievelingslectuur behoorde. Hier kon de koning een soort vorstenspiegel vinden. Want wij prijzen, zo zegt de kerkvader, vele christelijke keizers gelukkig, niet omdat ze lang geregeerd hebben of een zachte dood stierven en hun macht aan hun zonen konden overdragen [...]. Maar we noemen ze gelukkig omdat ze rechtvaardig heersen, en zich ondanks alle vleiende, dweperige en kruiperig onderdanige woorden, niet superieur voelen en niet vergeten dat ze mensen zijn, wanneer ze hun macht ten dienste van zijne Majesteit stellen en de verering van God [...] vergroten, [...] wanneer ze traag zijn met straffen en graag blijk geven van consideratie [...] als ze strenge decreten met mild mededogen en goedhartige vrijgevigheid compenseren [...]. Dergelijke christelijke keizers noemen we gelukkig; De kerkvader ziet als voorbeeld van een gelukkig staatsbestuurder Constantijn de Grote, die door God speciaal was gezegend: Hij liet hem zelfs een stad stichten die aandeel zou hebben aan de Romeinse heerschappij, als een dochter van Rome, maar zonder enige tempels en beelden van afgoden. [...] [Hij] stierf een vreedzame dood door zwakheid op oude leeftijd en liet zijn rijk aan zijn zonen na.

Afbeelding die de doop van Constantijn de Grote voorstelt. Karel de Grote richtte zich wat betreft het koningschap op deze voormalige Romeinse keizer, de eerste die zich liet dopen.

Afbeelding die de doop van Constantijn de Grote voorstelt. Karel de Grote richtte zich wat betreft het koningschap op deze voormalige Romeinse keizer, de eerste die zich liet dopen.

Het lag voor Karel dan ook voor de hand om zich te richten op Constantijn, de eerste christelijke keizer en stichter van steden, en in het algemeen vanuit verschillende elementen een nieuwe voorstelling van macht te ontwikkelen waarin vooral ook de oudere richtlijnen van het Germaans-Frankische koningschap lagen besloten. Als basis voor de machtsuitoefening gold de genade van God, die vergezeld werd door het behoud van de Frankische overlevering en traditie die met haar 'barbara et antiquissima carmina', met haar 'barbaarse en oeroude gezangen' tot in een duister en ver verleden reikte. Karel wist zijn heerschappij ingebed in kerkelijke structuren, maar het gevolg dat hij aanvoerde had een veel oudere oorsprong. Karel voelde zich ondanks alle vernieuwing en renaissance vooral een Frank en zijn 'imperium vel regnem', zijn 'rîche', was het Frankenrijk. Daarom liet hij de volksrechten verzamelen en optekenen, daarom liet hij ook de heldendichten neerschrijven - als getuigenis is ons een fragment van het Hildebrandslied overgeleverd - en daarom liet hij een jaarkalender opstellen met overwegend volkse omschrijvingen van de maanden, ontleend aan het arbeidsmilieu van boeren en wijnbouwers. Daarom zag hij ook af van een hoofs ceremonieel naar het voorbeeld van de basileus, en tenslotte vond hij het voldoende om eenvoudig begraven te worden, in het atrium van zijn paltskapel in Aken - naar het voorbeeld van zijn ouders in de voorhal van St.-Denis, zozeer voelde hij zich aan hen verplicht. Er wordt in de verschillende bronnen uit die tijd niets vermeld over een bijzetting in de 'heidense' Proserpina-sarcofaag die sinds de Middeleeuwen naar Akense traditie als laatste rustplaats van de keizer gold. Het zou ook helemaal niet gepast hebben bij Karels opvattingen van een heerser.

Munt uit de tijd van Karel de Grote met opschrift "Christiana Religio".

Munt uit de tijd van Karel de Grote met opschrift "Christiana Religio".

Over de principiële problemen om de keizerlijke decreten en wilsuitingen in de dagelijkse praktijk om te zetten, is in geen enkele bron letterlijk iets te vinden. We zijn aangewezen op indirecte getuigenissen: herhaalde klachten in officiële brieven en andere bekendmaktingen, de telkens weer vernieuwde paragrafen in een stroom van capitularia, die tegen het einde van Karels regeerperiode steeds groter wordt. Het zijn niet te miskennen aanduidingen dat de uitvoering halfslachtig gebeurde of zelfs mislukte. Recht en wet heersten nog steeds niet, de goddelijke staat op aarde, het Imperium Christianum, liet zich niet zomaar realiseren. Het devies op de keizerlijke munten, 'Christiana Religio', strookte geenszins met de rauwe werkelijkheid van het Frankische Rijk. Dit ideale doel conflicteerde met de feitelijke machtsstructuren en tradities van semi-archaïsche koningsmacht, die door het volk nog altijd werd begrepen als gericht op plundering en verovering. Het was slechts een kleine, geschoolde elite die vertrouwd was met de koningen van het Oude Testament en met het laat-antieke christendom. Het gevolg hiervan was dat de herformulering van de macht, gericht op vrede, gerechtigheid, welvaart en tegelijk op hemelse beloning, moest falen vanwege de nog steeds ontoereikende of zelfs tegenwerkende bestuurlijke onderbouw. De centrale staat, op antieke leest geschoeid, was niet eens in de voorstelling van de heerser en zijn entourage aanwezig als model voor het besturen van het reusachtige rijk, laat staan in de dagelijkse realiteit.

Karel moest in zijn rijk terdege rekening houden met invloedrijke en rijke aristocratische families. Eén van die families waren de Welfen. Op de foto het Welfen kasteel dat nu deel uitmaakt van de Universiteit van Hannover.

Karel moest in zijn rijk terdege rekening houden met invloedrijke en rijke aristocratische families. Eén van die families waren de Welfen. Op de foto het Welfen kasteel dat nu deel uitmaakt van de Universiteit van Hannover.

Het bestuur, voor zover die term kan worden gebruikt, bestond wezenlijk uit functies aan het hof met de paltsgraaf als eerste vertegenwoordiger van de koning in het gerecht en de hoge militairen die verantwoordelijk waren voor de voorziening en de voorbereiding van strijdkrachten, hofmaarschalk, schenker, baljuw en maarschalk ('paardenknecht'). Het huis en de macht van de huisvader vormen het 'politieke' model, ook voor de koninklijke macht. De verantwoordelijken voor de vorstelijke godsdienst van de kapel en de kanselarij, de bewaring van de relikwieën en het schriftelijke verkeer horen daar ook nog bij. Taken en functies van moderne regeringsapparaten namen deze hovelingen niet waar, ook al werden ze af en toe ingezet als legeraanvoerders of gezanten met bijzondere bevoegdheden. Graven en hun helpers vormden de onderbouw van deze macht. Oorspronkelijk waren dat de verantwoordelijken in de steden voor justitie, belastingsheffing en later kwamen daar militaire bevoegdheden bij. Ze kregen dan ook de 'pagi', de gouwen in de veroverde gebieden toegewezen, bijvoorbeeld in 782 en in de daaropvolgende jaren in Saksen. Deze instelling was geen landoverkoepelend netwerk en ook geen uniek instrument van de koninklijke macht. Eerst en vooral behoorde het graafschap in de regel toe aan het machtspotentieel van een familie en moest dienen om haar eigen belangen te behartigen. De koninklijke macht moest met deze machtige 'warlords', die heel vaak door huwelijken verwant waren aan elkaar, zelfs rekening houden. Zonder een steeds weer vernieuwd verbond met deze 'rijksaristocratie' van krijgsheren was het vroegmiddeleeuwse koningschap ondenkbaar, ook al vond er tijdens de regeerperiode van Karel een verschuiving plaats in het voordeel van de 'centrale macht'. Consensus en participatie bleven de belangrijkste elementen van de koninklijke macht. Met deze 'groten' - waartoe onder andere de Welfen en de Robertijnen behoren - en met hun overheersende aanspraak op prestige en bezit moest rekening worden gehouden. Enkel met hun toestemming kon de koning zijn macht uitoefenen. Het hertogdom als instituut raakte na de val van Beieren in onbruik - zijn zonen Pippijn en Lodewijk als koningen in Italië en Aquitanië waren allebei dubbel ondergeschikt aan hun vader en grootkoning (en keizer). Het inrichten van prefecturen en markgraafschappen was van wezenlijk belang voor de organisatie van het militaire potentieel in grensgebieden (Friaul, Spaanse en Bretoense mark). Karel gaf ook geen kans aan de potentiële concurrentie van schoonzoons. Dat was een niet onbelangrijke reden waarom zijn dochters ongehuwd bleven.

Historische kaart van Mainz met links de Abdij van St. Alban die opgericht werd door Richulf, Aartsbisschop van Mainz in 787 (tijdens de heerschappij van Karel de Grote). De aartsbisschoppen en metropolieten waren ook invloedrijke personen waar Karel rekening mee moest houden. Karels vierde vrouw, Fastrada, overleden in 794, ligt hier begraven.

Historische kaart van Mainz met links de Abdij van St. Alban die opgericht werd door Richulf, Aartsbisschop van Mainz in 787 (tijdens de heerschappij van Karel de Grote). De aartsbisschoppen en metropolieten waren ook invloedrijke personen waar Karel rekening mee moest houden. Karels vierde vrouw, Fastrada, overleden in 794, ligt hier begraven.

Bij dit wereldlijk-administratieve niveau kwam ook nog het geestelijke niveau vande aartsbisschoppen, gesteund door bisschoppen en abten. Ze stonden als metropolieten aan het hoofd van een groot machtsgebied. Aan het einde van Karels regeerperiode waren er op die manier 22 metropolieten, waaronder, in het latere 'Duitse' rijksdeel: Keulen, Mainz, Trier en Salzburg. De overgrote meerderheid is naar analogie met voorbeelden uit de late antieke Oudheid, in Gallia en Italia te vinden. Heel vaak waren het graafschap en de zetel van de metropoliet gekoppeld aan het machtsbereik van de koningsbode - bijvoorbeeld in Parijs - die sinds 802 steeds meer belangrijke bestuursopgaven in dienst van de koning toegewezen kreeg. Met behulp van de 'missi dominici', meestal een groep van geestelijke en wereldlijke vooranstaanden, bisschoppen of abten, probeerde Karel zijn verordeningen door te zetten, de rechtspraak te verstevigen, interne vijandelijkheden te bestrijden en het militaire potentieel samen te brengen. Naast het bekleden van ambten en de indeling in machtsgebieden waren vanaf de jaren zeventig van de achtste eeuw persoonlijke relaties tussen kroon en adel een rol gaan spelen. Dit kaderde in de feodaliteit die in die tijd tot stand kwam op basis van een overeenkomst tussen heer en vazal, en was gestoeld op 'consilium et auxilium', raad en hulp. Dit partnerschap, oorspronkelijk uit het lagere sociale taalgebruik ontstaan - 'vassus' komt overeen met het Keltische 'gvas' en betekent 'knecht' - had met de onderwerping van hertog Tassilo van Beieren onder de Frankische koning in 787 zijn hoogtepunt bereikt en herkent men in afbeeldingen nog aan de gevouwen handen van de man, die ze in de handen van zijn heer legt. Op die manier kon het koningschap los van de toekenning van ambten als graaf, bisschop of abt, andere leden van belangrijke families aan zich binden. Dit model van persoonlijke netwerkvorming in de 'société feodale' (Marc Bloch) was gericht op de toekomst. Een aantal leenheren zorgde op die manier voor een aflossing van het 'volksleger'. Er werd een beroepsleger gevormd dat voornamelijk uit ruiters bestond. Een ruiter te paard moest minstens twaalf boerderijen hebben om te kunnen voorzien in een gevechtsuitrusting. De 'miles', ruiter of ridder, kondigt zich aan als exemplarische figuur uit de hoge Middeleeuwen.

Afbeelding uit de 15e eeuw waarin de Merovingische Koning Dagobert de in aanbouw zijnde abdij van St.-Denis bezoekt. De Abdij van St.-Denis was een van de 'huisabdijen' van Karel de Grote, en ontving dan ook talrijke gunsten. Karels' ouders, Pepijn de Korte en Bertrada van Laon liggen in de kathedraal van St.-Denis begraven.

Afbeelding uit de 15e eeuw waarin de Merovingische Koning Dagobert de in aanbouw zijnde abdij van St.-Denis bezoekt. De Abdij van St.-Denis was een van de 'huisabdijen' van Karel de Grote, en ontving dan ook talrijke gunsten. Karels' ouders, Pepijn de Korte en Bertrada van Laon liggen in de kathedraal van St.-Denis begraven.

Zeker tijdens de eerste decennia van zijn regeertijd bracht Karel inspectiereizen aan zijn uitgebreide clientèle, die als materiële basis over uitgestrekte landerijen en een omvangrijk economisch netwerk beschikten. Met uitzondering van Karel V († 1557) heeft geen enkele andere koning te paard een dergelijke actieradius bereikt, die van het land Hadelnen aan de Noordzeekust tot Capua en Saragossa en van Boulogne-sur-Mer tot in het Hongaarse Savary reikte. Verder ontmoetten koning en onderdaan elkaar op rijksvergaderingen die meestal om het jaar werden gehouden op het 'magnus campus', het 'grote kamp', verkeerdelijk met 'meiveld' vertaald, waarbij elke krijgstocht beraadslaagd en voorbereid werd. Dergelijke toch wel traditionele ontmoetingen werden tijdens Karels latere regeerperiode aangevuld met hele reeksen synodes of provinciale concilies, die als voorbereiding op latere parlementen verschillende thema's in het belang van staat en kerk, koningschap en maatschappij, toelichtten en omzetten in wetsvoorstellen. Hieruit volgde dan weer een stijgend aantal capitularia, verordeningen van de koning (en de betrokken hoge edelen), die de hele materie in hoofdstukken indelen, zonder oonderscheid tussen geestelijke en profane inhoud. Als deze 'verordeningen van staatsmacht' (François Louis Ganshof) algemene geldigheid en inachtneming mochten veronderstellen, dan kon de koning zijn aanhang nog verstevigen en uitbreiden door speciale gunstregelingen, schenkingen en privileges, meerbepaald voor kerken en abdijen waar hij een bijzondere band mee had of die speciale taken kregen. Voorbeelden van ontvangers van dergelijke gunsten zijn vooral St.-Denis, Lorsch en Prüm als 'huisabdijen', en Fulda en Hersfeld als centra van missionering. Zo verleende de koning bescherming en immuniteit en bijgevolg de uitbreiding van grafelijke macht, aanspraak op uitgebreide bezittingen, die naast de economische machtsversterking van de geestelijke inrichtingen ook in het voordeel van de kroon speelden. Lorsch bijvoorbeeld kreeg de mark Heppenheim en daarmee grote delen van het Odenwald, en ook uitgestrekte gebieden rechts van de Rijn. Fulda kreeg het rijke Hammelburg aan de Frankische Saale.

In hun globaliteit werden contacten in die semi-archaïsche tijden zichtbaar door ceremoniële ontmoetingen, die in het ruilen van geschenken in de vorm van jaargiften ('dona annuaria') of 'eulogiae' (gaven) uitmondden. Gift en tegengift versterkten de band, de trouw van de een stond voor de munificens (gulheid) van de ander. Ze bevestigden de bestaande orde.

Op de afbeelding Karel en zijn zoon Pippijn de Gebochelde. Karel was altijd beducht voor opstanden tegen zijn gezag. In 792/793 smoorde hij een opstand in de kiem van zijn zoon Pippijn (de Gebochelde) nadat hij hem uitgesloten had als zijn opvolger omwille van zijn handicap.

Op de afbeelding Karel en zijn zoon Pippijn de Gebochelde. Karel was altijd beducht voor opstanden tegen zijn gezag. In 792/793 smoorde hij een opstand in de kiem van zijn zoon Pippijn (de Gebochelde) nadat hij hem had uitgesloten als zijn opvolger omwille van zijn handicap.

De enorme uitgestrektheid van het rijk - van de Elbemonding in het noorden tot Rome in het zuiden, bedroeg de afstand ongeveer 1500 kilometer - de slechte toestand van de wegen, die in het beste geval ten oosten van de Rijn karrenwegen waren, de gebrekkigheid van het communicatienetwerk, vooral in de wintermaanden, de aanzienlijke verschillen in civilisatiegraad tussen de diverse landsgebieden - de streken in Gallicië en Italië die door de steden waren beïnvloed, en de moeras-, bos- en heidegebieden tuusen Rijn en Elbe die voorheen heidens en grotendeels schriftloos waren geweest - konden niet worden geleid door een centraal bestuursorgaan met een antiek of modern karakter. In de praktijk werd geregeerd met behulp van een systeem van bijstand, dat wezenlijk berustte op de autoriteit en de mentale kracht van de koning - en op de instemming van zijn aanhang. Karel slaagde erin om snel een einde te maken aan regionale opstanden, zoals de opstand van Hartrad, de graaf van Thüringen, in 786. Ook protesten binnen de familie wist hij snel in de kiem te smoren, zoals in 792/793 die van zijn oudste zoon Pippijn de Gebochelde, die hij ruim tien jaar eerdere onder het voorwendsel van zijn handicap had uitgesloten van de aanspraak op de troon. Verder greep de koning (en keizer) altijd uiterst voorzichtig in de bestaande traditionele regionale structuren van zijn rijk in. Het optekenen van de afzonderlijke stam- of volksrechten, 'leges', zoals van de Franken (Saliërs en Riuariërs), Alemannen, Beieren, Thüringen en Friezen, uitgebreid met koninklijk recht, maakt duidelijk dat de zorg bestond over een geregeld samenleven van verschillende volksstammen binnen het geheel. Zolang de suprematie van de koning en zijn macht niet in vraag werden gesteld, viel er weinig te merken van bevoogding door de centrale staat.

Quierzy, een plaats in het noorden van Frankrijk, Picardië, was een van de weinige plaatsen in het voormalige Merovingische rijk, dat Karel regelmatig bezocht. Er bestond reeds een kasteel (eerder een versterkte villa) in deze plaats in de Merovingische tijd. Momenteel is Quierzy een rustig, klein dorpje met een mooi kasteel op de heuvel die het dorpje overschaduwd. Belangrijk is ook dat Quierzy de sterfplaats is van Karel Martel, de grootvader van Karel. Er wordt soms zelfs beweerd dat Karel zelf in Quierzy werd geboren.

Quierzy, een plaats in het noorden van Frankrijk, Picardië, was een van de weinige plaatsen in het voormalige Merovingische rijk, dat Karel regelmatig bezocht. Er bestond reeds een kasteel (eerder een versterkte villa) in deze plaats in de Merovingische tijd. Momenteel is Quierzy een rustig, klein dorpje met een mooi kasteel op de heuvel die het dorpje overschaduwd. Belangrijk is ook dat Quierzy de sterfplaats is van Karel Martel, de grootvader van Karel. Er wordt soms zelfs beweerd dat Karel zelf in Quierzy werd geboren.

Zeker na de veldtocht tegen de Avaren in 791 zat het rijk militair en economisch stevig in het zadel, waardoor Karel in staat werd gesteld om Aken uit te bouwen als zijn residentie en belangrijkste vestiging, zeker voor de wintermaanden. Een argument voor Aken waren zijn warmwaterbronnen, die weldadig waren voor de koning die op latere leeftijd aan reuma leed, maar ook de nabijheid van het familiedomein, dat bezit was geweest van Pippijn 'van Herstal' († 639), een van zijn voorvaderen langs vaders kant, aan de lager gelegen gebieden van de Maas, niet ver van Luik. In de decennia voor Aken werd uitgebouwd hadden de Rijn, de Main, de Maas en de Moezel als verkeersaders ook de reiswegen van Karel gemarkeerd. Zo hield hij zich vaak op in Worms, Frankfurt, Ingelheim, Luik, Nijmegen en Düren, en ook in Diedenhofen aan de Moezel. Slechts zelden op zijn reisweg te vinden is het Merovingische paltslandschap, gelegen ten zuidwesten van deze linie, tussen Maas en Seine, Aisne en Oise, met de plaatsen Compiègne, Ver of Corbeny en de steden Reims, Soissons of Parijs. Een opvallende uitzondering hierop is Quierzy, die als plaats van schenking voor de Roomse kerk zes keer werd bezocht. De hoogste kracht van rijk, ten tijde van Saliërs en Staufen 'maxima vis imperii' genoemd, lag blijkbaar in de gebieden van de Arnulfingisch-Pippijnse bezittingen tussen de Maas en de Moezel. Verder was Karels aanwezigheid in de buurt van de Rijn en de Main vaak vereist door de oorlogen tegen de Saksen, waar later nog de Donau bijkwam met Regensburg als voorstad van het Beierse hertogdom en dat als uitvalsbasis voor de opmars tegen de Avaren dienst deed. In Italië domineerden Pavia - hoofdstad van het oude Langobardische rijk - Rome en zeker ook Ravenna, dat ooit een Byzantijnse basis aan de Adriatische kust was.

Detail van een miniatuur waarop Karel staat weergegeven tijdens een ontmoeting met vier koningen uit zijn rijk. In de afbeelding is duidelijk de hogere rang van Karel zichtbaar in vergelijking met de andere 'koningen'.

Detail van een miniatuur waarop Karel staat weergegeven tijdens een ontmoeting met vier koningen uit zijn rijk. In de afbeelding is duidelijk de hogere rang van Karel zichtbaar in vergelijking met de andere 'koningen'.

Tegen het einde van zijn heerschappij moest Karel verbitterd vaststellen hoe ver hij nog verwijderd was van het vooropgestelde doel, onder het motto van de 'christiana religio' een op geloofsbasis gestoelde samenleving te vormen. Omkoping en verduistering waren aan de orde van de dag, rechtsweigering en massale onderdrukking van de 'armen' bijna de regel. Het paraat houden van troepen werd niet gerespecteerd, pastoors en monniken leefden niet volgens de geboden, ambtelijke voorschriften en regels, maar volgden qua levenswijze en bezitsaccumulatie het voorbeeld van de leken. De herders bleken niet in staat hun kudde te leiden, noch het evangelie en zijn waarheden juist en heilzaam aan de schapen over te brengen. Karel heeft zich met verbazingwekkende openheid en sarcasme geuit over al die onderwerpen, wat de verordeningen uit zijn latere jaren - hier 811 - laten zien. Zo formuleerde hij bitter: Wij wiilen hun die de Heilige Schrift niet alleen zelf leren maar ook aan anderen moeten onderwijzen, vragen wie de mannen zijn tot wie de apostel roept: Weest mijn opvolgers, en van wie hij zegt: Een strijder van God mengt zich niet in wereldse aangelegenheden, en dat ze de apostel moeten volgen en de oorlogsdienst van God moeten vervullen. Vervolgens moeten ze ons de waarheid zeggen over wat het voor hen betekent om afstand te nemen van de wereld, of waaraan zij die afstand nemen van de wereld verschillen van hun volgelingen, of zij zich alleen maar onderscheiden doordat ze geen zwaard dragen en niet officieel getrouwd zijn. Ook moet men hun vragen of zij die van de wereld afstand gedaan hebben en die dag na dag op alle denkbare manieren hun bezittingen vermeerderen door de belofte van de zaligheid van het hemelrijk, niet met de eeuwige pijn van de hel bedreigd worden, doordat ze in de naam van God of een of andere heilige zowel rijken als de eenvoudige armen van hun goed beroven, de rechtmatige erfgenamen hun erfdeel ontnemen, daardoor een groot aantal mensen in armoede storten en zo aanzetten tot misdrijven en wandaden; zij worden namelijk bijna gedwongen tot misdrijven en wandaden; zij worden namelijk bijna gedwongen om te stelen en te roven, omdat het vaderlijke erfdeel hun ontnomen is. We moeten erover nadenken hoe iemand de wereld zal verlaten, die brandt van verlangen naar de dingen die hij anderen ziet bezitten, en die mensen betaalt om die zaken te kunnen krijgen, zodat ze een valse afleggen en vals getuigen, die niet een rechtvaardige en godsvruchtige, maar een harde, hebzuchtige, gewetenloze voogd of proost zoekt, die bij het verwerven van iets niet vraagt naar het 'hoe', maar naar het 'hoeveel'. De mannen die hierdoor aangsproken werden gingen gebukt onder zijn meedogenloze woorden als onder zweepslagen. De mens was en bleef uiteindelijk de oude Adam.