ons land - focus

 

De Frankische Periode - De Merovingers
Hoe leefden de eerste Franken?
De Bekering van Vlaanderen (500-751)
De Frankische Periode - De Karolingers
De Karolingen in de Nederlanden
De Bekering van Vlaanderen (751-987)
Karel De Grote
De schok van nieuwe invasies
"Van de Noormannen, verlos ons Heer"
Boudewijn met de Ijzeren Arm
schaakt Judith
Home
           
banner
Karel de Grote

Keizerschap en opvolging - Cultuur: 'Renaissance' en 'Correctio'

De Paltskapel te Aken is zonder enige twijfel het beroemdste voorbeeld van de Karolingische Renaissance. De kapel werd door de paus officieel ingewijd in 805. Karel de Grote liet deze kapel bouwen nadat hij zo onder de indruk was van onder andere de San-Vitalekerk in Ravenna. Een kerk die behoord tot de Byzantijnse bouwkunst. Kenmerkend is de achthoekige grondvorm en de centrale hoogbouw.

De Paltskapel te Aken is zonder enige twijfel het beroemdste voorbeeld van de Karolingische Renaissance. De kapel werd door de paus officieel ingewijd in 805. Karel de Grote liet deze kapel bouwen nadat hij zo onder de indruk was van onder andere de San-Vitalekerk in Ravenna. Een kerk die behoord tot de Byzantijnse bouwkunst. Kenmerkend is de achthoekige grondvorm en de centrale hoogbouw.

Sinds het verschijnen van het boek van Erna Patzelt in 1924 wordt het tijdperk van Karel de Grote met de 'Karolingische renaissance' als eerste bewuste heropleving van de klassieke Oudheid beschouwd. In de tiende en twaalfde eeuw volgden verdere vernieuwingsbewegingen die de voorlopers waren van de eigenlijke 'renaissance' van de 14e en 15e eeuw.

Maar deze culturele stroming die aan het koninklijke hof tot stand kwam, had in werkelijkheid veel bescheidener doelstellingen. De aandacht was niet gericht op het herstel van de antieke vormen en inhouden in de schilder- en beeldhouwkunst, stedenbouw en 'publieke' ruimtes op zich, maar lag in de wens om de taal en de uitdrukkingskracht van het Latijn, een van de drie heilige talen, nieuw leven in te blazen. De strijd werd aangebonden tegen de Merovingische verwildering en daarmee de verloedering van het Latijn in de Romaanse volkstalen. Het aanpassingsproces van het Frankenrijk aan oudere standaarden van de overlevering, wat de Karolingische renaissance wordt genoemd, was van een dwingende noodzakelijkheid om de ver verspreide landsdelen, vooral de streken tussen de Rijn en de Elbe, te laten ontwikkelen als een geheel dat tot meer in staat was dan louter overleven. Alleen de voorbije 'Romeinse' periode - het 'Gouden Tijdperk' van de taal en literatuur die in de geschriften van de kerkvaders terug te vinden was - kon als dergelijke 'standaard' dienst doen. Met behulp van die taal kon het evangelie ook als boekreligie ten noorden van de Alpen vast worden verankerd en tegelijk afgestemd op het pausdom van Rome als hoofd van de Latijnse christelijke kerk. Duizenden handschriften reproduceerden antieke en patristieke ideeën en geschriften en legden op die manier de grondslag voor de westerse beschaving.

De Abdij van Corbie (op de foto de Abdijkerk) was een van de bakermatten van de Karolingische Renaissance en de Correctio. De abdij van Corbie is een voormalig benedictijnenklooster in de Franse plaats Corbie in het dal van de Somme op zo'n 15 kilometer van de stad Amiens.

De Abdij van Corbie (op de foto de Abdijkerk) was een van de bakermatten van de Karolingische Renaissance en de Correctio. De abdij van Corbie is een voormalig benedictijnenklooster in de Franse plaats Corbie in het dal van de Somme op zo'n 15 kilometer van de stad Amiens.

Het verbeteren en zuiveren van de taal was de voornaamste bekommernis - het is niet zonder reden dat vaak over 'correctio' werd gesproken in plaats van over 'renaissance' - als basisvoorwaarde voor de algemene verbetering van het culturele niveau. Dergelijke inspanningen om aan te sluiten bij oude tradities en Romeinse voorbeelden bleven zeker niet beperkt tot het koninklijk hof, dat sowieso pas na 795 een vast organisatie en plaats - in Aken - kan hebben gevonden. Vooral in kloosters zoals in St.-Denis, Corbie en Tours, maar ook in St.-Riquier, St.-Amand en Chelles en zeker ook Lorsch, St._Gallen, Reichenau en Fulda en in de domscholen van Keulen, Reims of Salzburg, werd een brede basis gelegd voor een taalkundige en inhoudelijke vernieuwing die gebaseerd was op het verleden. Aan deze kloosters heeft Europa te danken dat teksten werden bewaard en veilig gesteld die aansluiten bij de klassieke Oudheid. Ook de ontwikkeling van de geschreven taal als instrument van de overlevering ging van die scriptoria uit.

Karel de Grote mag de onbetwiste Spiritus Rector van deze hervormingsbeweging worden genoemd. Hij was het die na de verovering van het rijk der Langobarden spoedig uitstekende experten om zich heen verzamelde, zoals de taalkundige Petrus uit Pisa, Paulus Diaconus, die de leermeester van de Langobardische prinsessen was geweest en met zijn geschiedenis van het bisdom Metz de nieuwe koningsdynastie in het juiste licht plaatste, Paulinus, de latere patriarch van Aquilaia, als theologisch expert, de Westgoot Witiza, die als Benedictus van Aniane opklom tot 'rijksabt' onder Lodewijk de Vrome, de hoftheoloog Theodulf van Orléans, de anonieme Ier die bekend werd als Hibernicus Exul, een van de meest begaafde dichters uit zijn tijd, en vooral Alcuinus, de Angelsaks uit de kathedraalschool van York die Karels mentor was en de leiding had over de 'hofschool'. De ontzaglijke hoeveelheid brieven die hij heeft nagelaten, levert ons een schat aan informatie over het tijdperk en de politiek van Karel de Grote.

Dionysius Exiguus was een Scytische monnik die leefde van circa 470 tot circa 540. We hebben aan hem de Paastabel (berekening van alle toekomstige paasdatums) te danken. Zijn werken hebben de tand des tijds doorstaan omwille van het minutieuze werk dat de vele monniken in de scriptoria in het Karolingische Tijdperk verrichtten.

Dionysius Exiguus was een Scytische monnik die leefde van circa 470 tot circa 540. We hebben aan hem de Paastabel (berekening van alle toekomstige paasdatums) te danken. Zijn werken hebben de tand des tijds doorstaan omwille van het minutieuze werk dat de vele monniken in de scriptoria in het Karolingische Tijdperk verrichtten.

Los van de binding met Rome door de overlevering en exegese van de teksten, werd het succes van de 'correctio' en de 'renaissance' bepaald door de vernieuwing in de studie van het Latijn, die uitging van het trivium grammatica, dialectica en retorica als drie-eenheid. In de klooster- en domscholen werd gewerkt met de uitgebreide lectuur van teksten uit de Oudheid, die op die manier een status van 'klassieke literatuur' meekregen. Ze brachten de woordenschat, de stijlfiguren en de zinsbouw aan van voorbeelden van perfecte latiniteit. Het succes bleef niet uit. Ook in de koninklijke kanselarijen werd al na enkele decennia geschreven in een taal die zich in beeldende kracht onderscheidde van oudere pogingen. Bij de studie van het Latijn kwam in de negende eeuw het quadrivium als onderdeel van de Artes Liberales, de 'vrije kunsten', met aritmetica, geometrie, muziek en astronomie, waarbij het laatste onderscheiden werd van astrologie. Vanuit Rome werden handschriften ingevoerd die als norm in scholen en erediensten werden gebruikt: sacramentariën (misteksten), homilieën (verzamelingen van preken) en ook decretalen (verzameling van pauselijke wetten), zoals die van Dionysius Exiguus en paus Hadrianus I, werden verspreid ten noorden van de Alpen. De Gregoriaanse kerkgezangen werden uit Rome ingevoerd en een originele kopie van de regels van de orde der benedictijnen uit Monte Cassino werd in de kloosters verspreid ter navolging. De Karolingische scriptoria zorgden voor de overlevering van een schat aan teksten uit de Oudheid, niet alleen van de hand van dichters, filosofen en geschiedschrijvers, maar ook wetenschappelijke werken van Plinius, Vegetius, Vitruvius en Columella over natuurgeneeskunde, oorlogsvoering, architectuur en landbouw.

Pagina uit de Admonitio Generalis (Algemene aanmaning), een programmatisch geschrift uit 789.

Pagina uit de Admonitio Generalis (Algemene aanmaning), een programmatisch geschrift uit 789.

Programmatische geschriften van het niveau van de 'Admonitio generalis' ('Algemene aanmaning') van 789 en niet veel later de rondzendbrief 'De litteris colendis' ('De zorg der wetenschappen') leidden tot het verscherpte bewustzijn dat alleen een correcte vorm garant kan staan voor een correcte inhoud. Aan de spelling werd een haast magische betekenis toegekend. Tot slot van deze inspanningen om te corrigeren stond de emendatie van de volledige bijbel. Ook hier weer zijn de protagonisten Alcuinus als abt in Tours en Theodulf als bisschop van Orléans. Ook Karel zelf werkte op oudere leeftijd mee om met behulp van deskundigen - Grieken en Syriërs - de vier evangelieteksten 'zo goed mogelijk te corrigeren'. Karel was goed opgeleid, wist zich van het Latijn te bedienen en kon geleerde synodes voorzitten. Volgens Einhard verstond hij zelfs Grieks. Volgens de algemeen bekende anekdote van Einhard zou hij op hoge leeftijd nog zijn best hebben gedaan om te leren schrijven. Dat was een vaardigheid die, in tegenstelling tot het lezen, voor de adel en zelfs voor een koning geen deel uitmaakte van de algemene vorming.

Op de afbeelding een voorbeeldtekst geschreven in de Karolingische minuskel. Dit lettertype zou een grote opgang maken en uiteindelijk het standaard lettertype van de Middeleeuwen worden.

Op de afbeelding een voorbeeldtekst geschreven in de Karolingische minuskel. Dit lettertype zou een grote opgang maken en uiteindelijk het standaard lettertype van de Middeleeuwen worden.

Deze culturele omwenteling of zelfs schoolatmosfeer leidde niet tot een nieuw Athene, zoals Karel had gehoopt, en bracht ook geen tweede Ovidius of Horatius voort en ook Cicero en Augustinus ondergingen geen wedergeboorte. Maar het werk van verzamelen en verbeteren lag aan de oorsprong van de middeleeuwse latiniteit. Die wordt vaak spottend kerk- of zelfs keukenlatijn genoemd, maar verleende aan de westerse wereld in wording, aan Europa, via het medium van de godsdienst, zijn geestelijke basis en verbondenheid en vooral zijn kennis. Daar kwam ook nog de schrifthervorming bij, de ontwikkeling van de zogenaamde Karolingische minuskel. Dit schrijfschrift verving het Merovingische cursief, een in elkaar vloeiend, proportieloos en relatief onleesbaar schrift en leidde tot het gebruik van vierregelige schema's, specifieke lettervormen met duidelijke halen naar onder of boven, tot woordsplitsing en spaarzaam gebruik van afkortingssymbolen. Dit schrift zou toekomst maken - zelfs de pausen lieten halverwege de 11e eeuw hun eigen schrifttype, het zogenaamde curiaal schrift, achterwege. Naast het Latijn als lingua franca van het avondland en de zilveren denarius als algemene munteenheid betekende het nieuwe schrift als verder communicatiemiddel een derde element in de Europese eenheidscultuur van de Middeleeuwen.

Afbeelding Majestas Domini uit het Godescalc-evangelistarium. Dit werk werd gemaakt in opdracht van Karel de Grote en zijn echtgenote Hildegard tussen 781 en 783. Het wordt beschouwd als een van, zoniet hét, pronkstuk van de Karolingische Dynastie.

Afbeelding Majestas Domini uit het Godescalc-evangelistarium. Dit werk werd gemaakt in opdracht van Karel de Grote en zijn echtgenote Hildegard tussen 781 en 783. Het wordt beschouwd als een van, zoniet hét, pronkstuk van de Karolingische Dynastie.

Een vroege getuigenis van dit schrift is het zogenaamde Godescalc-evangilistarium dat tussen 781 en 783 ontstaan is en dat in opdracht van de koning en zijn echtgenote Hildegard na het tweede verblijf van Karel in Rome in 781 door de schriftkunstenaar Godescalc geschreven werd. In die codex, die heel luxueus werd uitgevoerd, met zes miniaturen van een hele bladzijde groot, op perkament dat in purper werd gedrenkt en met gouden en zilveren letters beschreven is, werd het gedicht in de opdracht al in de nieuwe kleine letter geschreven. Het handschrift lijkt uit het niets op te duiken en het ligt voor de hand Godescalc in een van de bekende scriptoria te situeren. Mogelijk was hij werkzaam in Metz of in Lorsch. De zogenaamde hofschool is in ieder geval een stevige instelling geworden sinds Aken in 795 werd uitgebouwd. Even raadselachtig is de afkomst van Dagulf, de schrijver van het naar hem genoemde psalmboek dat de koning liet maken als geschenk voor paus Hadrianus I, nog voor 795, het jaar waarin deze stierf. In dit boek dat klein werd uitgevoerd zijn nog maar weinig initialen op het formaat van een hele bladzijde te vinden en het ziet af van elke illustratie - misschien passend in de strijd van de Frankische kerk tegen de beeldenverering. Maar de palmtekst werd wel omgeven door verschillende versies van de geloofsbekentenis als teken van Frankische orthodoxie. In het psalmboek van Dagulf waren wel nog kostbare ivoren panelen (uit Italië) als versiering opgenomen. Verder is er nog slechts één codex bekend in het sobere handschrift, dat zich vandaag in de Romeinse Vallicelliana bevindt en dat volgens een aantekening van de schrijver onmiddellijk teruggaat op een initiatief van Karel. Dat toont aan dat voorzichtig moet worden omgesprongen met toewijzingen van rijk geïllustreerde boekbanden aan het hof en met name aan de 'hofschool' of zelfs aan Karel zelf. Zo bestaat er geen enkel bewijs voor de afkomst van de zogenaamde Ada-groep die zo werd genoemd volgens een codex uit Trier, en ook niet voor de groep van het Weense kroningsevangeliarium uit een koninklijk scritorium. Ook de herkomst van ivoren platen uit koninklijke werkplaatsen (aan deze zijde van de Alpen) is niet te achterhalen. Ze zouden - als ze al uit die tijd stammen - kunnen ontstaan zijn in kloosters of zelfs uit het laat-antieke Ravenna afkomstig kunnen zijn zoals de voortreffelijke platen uit het evangelium van Lorsch. In Aken zijn bij opgravingen in 1911 wel sporen ontdekt van ateliers die daar werden vermoed en waar de vijf deuren van de dom en het smeedwerk van het doksaal tot stand zouden zijn gekomen. De zuilen, kapitelen en vloermozaïeken zijn daarentegen grotendeels herbruikte elementen van antieke bouwwerken uit Rome, Ravenna en Trier.

Afbeelding van de Palts te Nijmegen, een van de bouwwerken die tot stand kwamen tijdens de de Karolingische renaissance.

Afbeelding van de Palts te Nijmegen, een van de bouwwerken die tot stand kwamen tijdens de de Karolingische renaissance.

Voor wat betreft de bouwwerken die Karel liet optrekken, baseren we ons bewust op Einhards competente inschattingen, aangezien hij instond voor het toezicht bij de bouwwerken in Aken, en later in Steinbach en Seligenstadt in het Odenwald zelf bouwheer was. Als belangrijkste getuigenissen van koninklijke architecturale passie noemt hij de dom van Aken, de houten brug over de Rijn bij Mainz en de beide 'palatia' (zuilengangen) en de paltsen in Ingelheim en Nijmegen. Verder heeft hij lovende woorden voor Karel omdat hij zorgt voor de instandhouding en het herstel van oude en vervallen kerken. In deze context wordt ook gewag gemaakt van de heropleving van de scheepsbouw ter bescherming van de kuststreken. De brug over de Rijn, in haar dimensies zeker de belangrijkste constructie uit die periode om een rivier te overbruggen, werd nog tijdens Karels leven door een brand verwoest en de heropbouw in steen volgens de plannen (naar het voorbeeld van antieke bruggen in Rome of Ravenna) werd niet meer uitgevoerd. De palts in Nijmegen is verdwenen, elementen ervan werden later herbruikt bij bouwwerken van de Hohenstaufen, en in Ingelheim zijn in de Aula Regia, die vandaag in haar fundamenten en restanten van muren wordt blootgelegd, duidelijk de contouren van de antieke keizersbasiliek van Trier te herkennen. In Aken - het lievelingspaleis van Karel en tegelijk zijn residentie - is de Aula Regia opgegaan in het laatgotische stadhuis. Van de stenen verbindingsgang tussen de aula en de paltskapel zijn nog resten van een dwarsgebouwtje te vinden waarvan de betekenis onbekend is, maar de kerk is ondanks gotische aanpassingen en toevoegingen in de 19e en 20e eeuw als octogoon in haar oorspronkelijke vorm grotendeels behouden gebleven. De domkerk werd gebouwd op de restanten van een vroegmiddeleeuwse kerk die op haar beurt op een Romeinse badinrichting was opgetrokken. De dom van Aken roept vele raadsels op, want qua concept gaat hij niet terug op de dubbele koorbouw zoals in het voorbeeld van Keulen, Fulda of Lorsch, noch op het bouwtype van de oude Sint-Pieterskerk. De paltskapel, tegelijk de parochiekerk van de stad Aken, is duidelijk schatplichtig aan het voorbeeld van de antieke centrale bouwvorm zoals die in Rome opvallend aanwezig is in het Pantheon dat kort na 609 werd omgebouwd tot Mariakerk en in de Santa Costanza en de San Stefano Rotondo, maar vooral in het oorspronkelijk achthoekige baptisterium van de Lateraanse basiliek.

De Hagios Sergios en Bacchos in Constantinopel (Istanbul) ook wel de kleine Hagia Sophia genoemd, was het voorbeeld voor de San Vitale in Ravenna en dus indirect ook het voorbeeld voor de Paltskapel in Aken.

De Hagios Sergios en Bacchos in Constantinopel (Istanbul) ook wel de kleine Hagia Sophia genoemd, was het voorbeeld voor de San Vitale in Ravenna en dus indirect ook het voorbeeld voor de Paltskapel in Aken.

Ook andere voorbeelden kunnen invloed hebben uitgeoefend. Sinds geruime tijd verwijst het kunsthistorisch onderzoek naar de San Vitale in Ravenna, een van de hoofdkerken van de hoofdstad aan de Adriatische kust, zetel van de exarch en verschillende keren door Karel bezocht. San Vitale is op haar beurt een navolging van de kerk Hagios Sergios en Bacchos in Constantinopel en in haar ruimtelijk effect tegelijk ook van de beroemde Hagia Sofia die in de jaren 532 tot 537 door keizer Justinianus I werd gebouwd. Het is bekend dat Karel Ravenna goed kende, van daar liet hij het standbeeld van Theodorik - dat verloren is gegaan - naar Aken overbrengen, ook zuilen en marmeren incrustaties van het paleis van de exarch liet hij over de Alpen brengen. Het Byzantijnse voorbeeld had een gigantische invloed. Evenwaardigheid aan Constantinopel en de basileus was het streefdoel. Maar de metropool aan de Bosporus was niet te evenaren, noch in de enorme dimensies van haar bouwwerken, noch in aantal inwoners of in luxe van paleizen en schittering van kerken of in heilzame kracht van hun relikwieën. Ook hert voorbeeld van Ravenna bleef tot op de dag van vandaag torenhoog uitsteken boven het schamele noorden van Europa. Daarnaast hebben wellicht andere Italiaanse kerken invloed uitgeoefend, zoals de achthoekige kapel van de heilige Aqiulinus, vroeger gewijd aan de heilige Genesius, in de kerk San Lorenzo Magno in Milaan, een bouwwerk uit de Romeinse keizertijd met centraal grondpatroon. Deze octogoon kan eventueel dienst hebben gedaan als doopkapel. Sinds kort wordt mogelijk beschouwd dat Keulen voorbeeld heeft gestaan voor Aken, zowel met de kerk St.-Gereon als met pretorium, de zetel van de Romeinse stadhouder. Zelfs gebouwen buiten de Europese regio kunnen als inspiratiebron gediend hebben. We weten bijvoorbeeld dat de tijdgenoten van Karel de Grote de Mariakerk van Aken als de nieuwe tempel van Salomon zagen, waardoor duidelijk wordt dat er een verband is met de Rotskerk van de Omaijaden op de Tempelberg in Jerusalem, die ook acht hoeken heeft en waarvan de koepel als gewelf op de zuilen rust. Van binnen is ze zoals de dom van Aken met marmer bekleed en voorzien van een doorlopende inscriptie. Zoals eerder vermeld, werd de Rotskerk al in een reisverslag van 870 gelijkgesteld aan de legendarische vernielde tempel van de zoon van David. Volgens de laatste dendrochronologische onderzoeken zouden de marmeren platen die voor de troon van Karel in de dom van Aken werden gebruikt zelfs afkomstig zijn uit de Heilge Grafkerk.

Het Triclinium Leonium (eetzaal Lateraans Paleis te Rome) stond model voor de paleiszaal in de palts te Aken.

Het Triclinium Leonium (eetzaal Lateraans Paleis te Rome) stond model voor de paleiszaal in de palts te Aken.

De paleiszaal in de palts van Aken, het laatgotische stadhuis, was in zijn basisvorm geïnspireerd door een pauselijk gebouw in Rome, het Triclinium, de eetzaal van het Lateraans paleis dat Leo III na zijn aanstelling, maar voor het jaar 800 liet bouwen en dat op zijn beurt naar het model van late Byzantijnse voorbeelden was opgetrokken. Karels 'renovatio imperii' stoelt dus op voorbeelden uit de antieke Oudheid, uit Ravenna en Rome, Milaan, Keulen en zelfs Jeruzalem kunnen als inspiratiebron hun deel hebben bijgedragen.

Het is dan beslist ook geen toeval dat het zogenaamde kronings-evangeliarium dat sinds de late Middeleeuwen deel uitmaakt van de rijksinsignes die vandaag in Wenen worden bewaard, wat de kostbare afbeeldingen van de evangelisten betreft helemaal schatplichtig is aan de laatantiek- Byzantijnse expressieve sichilderstijl. Het zijn blijkbaar Griekse kunstenaars die waarschijnlijk in opdracht van de keizer deze sublieme portretten hebben gemaakt. Constantinopel is en blijft het lichtende voorbeeld voor Aken, ook in de artistieke vormgeving van exquise manuscripten.