ons land - focus

 

De Frankische Periode - De Merovingers
Hoe leefden de eerste Franken?
De Bekering van Vlaanderen (500-751)
De Frankische Periode - De Karolingers
De Karolingen in de Nederlanden
De Bekering van Vlaanderen (751-987)
Karel De Grote
De schok van nieuwe invasies
"Van de Noormannen, verlos ons Heer"
Boudewijn met de Ijzeren Arm
schaakt Judith
Home
           
banner
Karel de Grote

Getuigenissen

Standbeeld van Karel de Grote te Parijs.

Standbeeld van Karel de Grote te Parijs.

Met uitzondering van de tekst van Montesquieu worden alleen poëtische getuigenissen en meningen over Karel uit de achtste en negende eeuw weergegeven, die al op de vroege verheerlijking van de persoonlijkheid van de Frankische koning wijzen.

Alcuinus
De hoogste waardigheidsbekleders van Uwe Genade kwamen van het hof, o godgeliefde, o David, naar Flaccus [Horatius = Alcuinus] en brachten naar ons Uw vrome gaven van het heil, dat de almachtige God, zoals ik verlang, mag vergroten.
Gij zijt de roem, de hoop voor de Uwen, gij zijt de vreugde van uw ganse rijk, gij sieraad van de Kerk, haar bestuurder, beschermer en vriend.
Carnina, 796? MGH Poetae I, p. 245 Nr. XXVI

Hibernicus Exul
Opschrift op het graf van Karel
Sinds de heerlijke hemelszoon, geboren uit de maagd, voor de zonde van de wereld de juiste gedaante had aangenomen, was het veertiende jaar na 800 al bijna voorbij, het jaar waarin Karel, de trots van het Frankische volk, de gunst verwierf om de razende zeeën van de bruisende tijdelijkheid te overschrijden en een rustige haven te bereiken.
Al na achthonderd jaar vervloog het veertiende jaar, waarin Karel, de ster van de roem van het Frankische volk, het verdiende om de bruisende oppervlakten van de zee van het door golven bewoge hemelse tijdperk te overvaren en de rustige haven te bereiken.
Deze man, die meer dan 46 jaar gelukkig de scepter van het rijk in handen hield, en er als koning koninkrijk na koninkrijk aan toevoegde, verliet op 28 januari als een oude man die 70 jaar geleefd had het aardrijk.
Daarom vraag ik u, o lezer, die deze verzen leest en openstaat voor gebed, te spreken: "Moge de ziel van Karel de gesternde hemelsburcht bewonen!"
Carmina 814. MGH Poetae I, p. 407 nr. XIX

Paderborner Epos
Hij [de wind] stuwt me voorwaarts, om met grote stappen naar boven te snellen, waar Europa's uitstekende lichttoren schittert: waar koning Karel zijn machtige naam tot aan de sterren verbreidt.
De zon straalt met haar stralen: zo verlicht David met het sterke licht van zijn genade de aarde.
(V. 12 - 16)
De hoogste onder de koningen is ook de grootste wijsgeer op aarde en een schitterend redenaar. Want zijn aanspraken overtreffen de heerlijke woorden van de voortreffelijke Cato, zijn redevoeringen stellen op het vlak van welluidendheid die van Cicero in de schaduw, en zelfs Homerus, die meesterlijk de taal beheerst, verbleekt bij zijn woorden. Ook in de kunst van de dialectiek overtreft koning Karel de oude meesters. (V. 70 - 77)
Ook ik voel me overweldigd door de daden die de rechtvaardige koning heeft volbracht, het hoofd van de wereld, de lieveling, het sieraad van zijn volk, de eerbiedwaardige grootste man van Europa, de goedhartige vader, de held, de verhevene. Hij is ook de heer van de stad [Aken], waar tijdens een bloeiperiode een tweede Rome in een grootse vorm ten hemel rijst, met hoge koepelgewelven tot aan de sterren rijken. (V. 92 - 96)
De Karolo rege et Leone papa, 800-804.

Einhard
Hoe groot Karel zich ook toonde in de uitbreiding van zijn rijk en in de onderwerping van vreemde volkeren en hoezeer hij daardoor onophoudelijk in beslag wer genomen, toch richtte hij op verschillende plaatsen nog vele bouwwerken op en voltooide er vele, om het rijk te verfraaien en te dienen. (Hfst. 17)
Rijkelijk vloeiden de woorden hem uit de mond; en wat hij wilde, kon hij zonder moeite en helder uitdrukken. Maar aan zijn moedertaal had hij niet genoeg, hij legde zich ook toe op het leren van vreemde talen. Hij kende zo goed Latijn dat hij het sprak als zijn moedertaal, Grieks daarentegen kon hij beter verstaan dan het zelf te spreken. Hij was zo welbespraakt dat hij zelfs als een kletser kon overkomen. De zeven Vrije Kunsten bedreef hij met veel liefde, en zij die ze onderwezen waardeerde hij enorm en liet hen hoge eer toekomen. (Hfst. 25)
Hier [in het atrium van de Mariakerk in Aken] werd hij op dezelfde dag van zijn overlijden bijgezet en werd een vergulde boog met een portret en een inschrift boven het graf opgericht. Daarop stond de volgende tekst: "Onder dit bouwwerk rust Karel, de grote en vrome keizer, die het rijk der Franken roemrijk uitgebreid en zevenenveertig jaar lang met succes geregeerd heeft. Hij stierf op de leeftijd van zeventig jaar, in de zevende indichtie, op 28 januari in het jaar des Heren 814." (Hfst. 31)
Vital Karoli, 825-829

Nithard
Toen ter zalige nagedachtenis van Karel, door alle volkeren welverdiend grote keizer genoemd, op hoge leeftijd omstreeks het derde uur van de dag overleed, liet hij heel Europa achter, vervuld met alle goeds. Want hij was een man die in elke vorm van wijsheid en deugd de mensen van zijn tijd zo overtrof, dat hij alle mensen op aarde vreeswekkend toescheen, tegelijk de liefde en de bewondering waard, en zo op die manier maakte hij zijn regeerperiode, zoals voor iedereen duidelijk was, op elke manier eervol en heilvol. Maar naar mijn mening verdient vooral het volgende bewondering, dat hij - een werk dat zelfs Rome niet vermocht te volbrengen - de wilde en ijzeren harten van de Franken en Barbaren, hij alleen, door gematigde verschrikking zo kon in bedwang houden dat ze openlijk niets tegen zijn rijk probeerden te ondernemen, behalve wat in overeenstemming was met het algemeen welzijn en nut. Hij regeerde tweeëndertig jaar gelukkig als koning en leidde ook het keizerrijk veertien jaar lang met succes. (Boek I, hfst. I)
Historiarum libri IV, 841-843

Notker van St.-Gallen
Nu zag de roemrijke Karel dat in zijn hele rijk de wetenschappen tot bloei kwamen, maar ze bereikten niet het niveau van de vroegere kerkvaders, en dat deed hem pijn en was een bron van immens verdriet. Totaal moedeloos sprak hij: "Had ik maar een tiental dergelijke geestelijken, zo geleerd en zo perfect wat wijsheid betreft als Hieronymus en Augustinus dat waren!" Daarop antwoordde de geleerde Albinus [Alcuinus], die zichtzelf in vergelijking met hen terecht als zeer ongeleerd beschouwde, met een moed die geen enkel ander sterfelijk wezen voor de ogen van de gevreesde Karel zou hebben gehad, vervuld van enorme tegenzin, die hij echter niet liet uitschijnen: "De schepper van hemel en aarde heeft niet meer mensen zoals zij, en u zou er tien van willen!" (Boek I, hfst. 9)
Karels daden, wellicht 887

Montesquieu
Karel de Grote wilde de macht van de adel inperken en een einde maken aan de onderdrukking van de geestelijkheid en de vrije mannen. Binnen de staat stemde hij de standen zo op elkaar af, dat ze in evenwicht bleven en dat hij heer en meester bleef. Het geheel werd samengehouden door de kracht van zijn geniale geest. Hij liet de adel van de ene veldtocht naar de andere trekken. Vrije tijd om zelf plannen te smeden liet hij de edellieden niet, maar hij liet hen voortdurend zijn eigen plannen realiseren. Het rijk werd bij elkaar gehouden door de grootsheid van de man die aan het hoofd ervan stond. Hij was groots als heerser, maar nog grootser als mens. Zijn kinderen waren als koningen zijn opperste ondergeschikte, de instrumenten van zijn machtsuitoefening, voorbeelden in gehoorzaamheid. Hij vaardigde de meest uitzonderlijke regeringsbesluiten uit, maar zag er vooral op toe dat ze uitgevoerd werden. Tot in de verste uithoeken van zijn rijk was zijn geniaal verstand voelbaar. In de wetten van deze heerser is een vooruitziendheid aan het werk, die alles begrijpt, en een zekere kracht, die allen meesleurt. [...] Telkens weer rezen er problemen op, en telkens weer wist hij de situatie onder controle te krijgen. Er was geen enkele machtshebber die beter gevaren wist te trotseren, die ze wist te omzeilen. [...] Deze almachtige heerser was uiterst gematigd. Hij was mild van karakter, leefde eenvoudig. Hij hield van gezelschap van de mensen aan het hof. Misschien liet hij zich al te snel bekoren door het vrouwelijke schoon, maar er mag al iets door de vingers gezien worden bij een koning die zijn hele leven lang zelf regeerde en een zwaar leven had. Hij hield op een bewonderenswaardige manier orde in zijn uitgaven: de waarde van zijn domeinen deed hij vermeerderen met wijsheid, aandacht en spaarzaamheid. Een familiehoofd had uit zijn wetten kunnen leren hoe hij aan zijn huishouden leiding moest geven.