ons land - focus

 

De Vroege Middeleeuwen
Het H. Roomse Rijk van de Duitse Natie
Ontstaan en bloei van de vorstendommen (Vlaanderen en Brabant)
De Kruistochten
Godfried van Leuven wordt hertog van Neder-Lotharingen
Nieuwpoort krijgt zijn stadsrecht
De Vlamingen winnen de
Guldensporenslag
De hertogen van Brabant bezweren de Blijde Inkomst
Ontstaan en bloei van de vorstendommen (Henegouwen en Luik)
Limburg in de Middeleeuwen
Limburgse middeleeuwse steden
Home
           
banner
Oude kaart van Leuven

De Middeleeuwen - De hertogen van Brabant bezweren de Blijde Inkomst

Het is zondag 3 januari 1356. Afgevaardigden van de geestelijkheid, de adel en de steden van Brabant ontvangen officieel Johanna, oudste dochter van de overleden hertog Jan III, als hun nieuwe vorstin. Leuven is het toneel van de inhuldiging als bakermat van het hertogelijke geslacht en traditioneel de leidende stad in Brabant. Haar echtgenoot Wenceslas, hertog van Luxemburg, blijft voorloorlopig volledig op de achtergrond.

Een van de gaaf bewaarde exemplaren van de Blijde Inkomst van Brabant met de zegels van de hertogen en hun raadsheren.

Een van de gaaf bewaarde exemplaren van de Blijde Inkomst van Brabant met de zegels van de hertogen en hun raadsheren.

De hertogen van Brabant hielden traditioneel hun blijde intrede in het centrum van Leuven. Het uitzicht van het plein onderging sinds 1356 grondige wijzigingen door de bouw van een nieuw stadhuis en de nieuwe Sint-Pieterskerk.

Misschien is hij wel te Kortenberg gebleven. In de abdij daar worden de voorwaarden die de Brabanders aan de opvolging van Johanna en Wenceslas verbinden, besproken en op schrift gesteld. Gerard van Herentals, de stadsklerk van Leuven, en zijn gelegenheidshelpers leggen daar de laatste hand aan de orkonde daarover. Zeven perkamenten exemplaren hebben zij zorgvuldig neergepend. De steden Leuven, Brussel, Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Nijvel en Tienen willen elk een eigen document, evenals Walter Bac, de abt van Tongerlo, als vertegenwoordiger van de geestelijkheid. Voor zijn inspanningen ontvangt Gerard het respectabele bedrag van vijftig goudstukken.

Stamboom van Hertog Jan III van Brabant

Stamboom van Hertog Jan III van Brabant.

Enkele dagen later komen de stedelijke afgevaardigden met de oorkonden naar het hertogelijke verblijf. De bewaarder van het hertogelijk zegel, Jan van Luxemburg, en vijf adellijke raadslieden van de hertog als getuigen bezegelen er de documenten. Jan van Luxemburg en zijn bedienden ontvangen voor hun tussenkomst respectievelijk dertig en tien goudstukken.

De 'Blijde Inkomst' van Brabant is nu echt rechtsgeldig. Pas daarna wordt het stoffelijk overschot van Johanna's vader Jan III door de steden vrijgegeven. Hij was overleden op 5 december van het voorafgaande jaar. Pas op 23 februari 1356, bijna drie maanden na zijn overlijden, wordt hij in monnikspij bijgezet in de abdij van Villers. We weten niet of hij werd gebalsemd of dat de 'Duitse gewoonte' werd gevolgd. Die bestond erin dat het lijk werd gekookt om het vlees van het geraamte te scheiden; het vlees werd begraven en alleen het geraamte werd opgebaard en in het graaf gelegd. Pas na de bijzetting is het tijd voor het hertogelijke paar om echt zijn intrede te houden in Leuven.

Portret van Johanna van Brabant, gemalin van Wencelaus I, door Pieter de Jode (II), Joannes Meyssens, na 1661 - 1663

Portret van Johanna van Brabant, gemalin van Wencelaus I, door Pieter de Jode (II), Joannes Meyssens, na 1661 - 1663

Aan de grens van het stadsgebied, bij de kapel van het leprozenhuis te Terbank-Heverlee, wachten de stedelijke autoriteiten en de delegaties van geestelijkheid, adel en andere steden van het hertogdom de vorsten op. Stoetsgewijs gaat het over de Tervuursestraat, die voor de gelegenheid is gelijkgemaakt, naar het centrum. Klokkengelui overspoelt de stad. Als teken van hun machtsaanvaarding luiden de hertogen eigenhandig de grote stadsklok in de Sint-Pieterskerk. Dat is wel de romaanse voorgangster van de huidige hooggotische kerk, die er vanaf 1410 geleidelijk wordt over- en rondgebouwd. Van het romaanse kerkgebouw blijven alleen de grondvesten onder de huidige kerk over en de grafbeelden van een aantal vooruders van Johanna die er zijn begraven.

Daarna zweren zij met de hand op een Evangeliarium alle voorrechten te eerbiedigen zoals ze opgetekend staan in het charter, dat voortaan als 'Blijde Inkomst' bekend staat. Op het nu verdwenen stadhuis in of naast de lakenhal op de Oude Markt en in de andere huizen van de stad tegenover de Sint-Pieterskerk, waar Leuven vanaf 1448 zijn nieuwe trotse gotische stadhuis zal optrekken, op de pleinen daarvoor en elders in de stad word er natuurlijk gefeest en vloeit de wijn rijkelijk. De stad biedt de hoge bezoekers als welkomstgeschenk 41 hl wijn, zes rollen duur wollaken en zes ossen aan.

De eed in de Sint-Pieterskerk

De ronde gedachteniskapel die bij het begin van de elfde eeuw werd aangebouwd tegen de romaanse Sint-Pieterskerk in Leuven. Het nu verdwenen gewelf rustte op een centrale zuil en acht pijlers. Het werd in 1425 gesloopt tijdens de bouw van de gotische kerk (foto hoger in de tekst). Deze centraalbouw was bedoeld om de macht en het gezag  van het Leuvense gravenhuis uit te drukken. Het zijn de enige resten van betekenis die overblijven van de romaanse kerk die Johana en Wenceslas in 1356 bij hun blijde intrede aandeden.

De ronde gedachteniskapel die bij het begin van de elfde eeuw werd aangebouwd tegen de romaanse Sint-Pieterskerk in Leuven. Het nu verdwenen gewelf rustte op een centrale zuil en acht pijlers. Het werd in 1425 gesloopt tijdens de bouw van de gotische kerk (foto hoger in de tekst). Deze centraalbouw was bedoeld om de macht en het gezag van het Leuvense gravenhuis uit te drukken. Het zijn de enige resten van betekenis die overblijven van de romaanse kerk die Johana en Wenceslas in 1356 bij hun blijde intrede aandeden.

Leuven was in 1356 de grootste en belangrijkste stad van Brabant. Er woonden zo'n 20.000 mensen. Hét centrum van de macht lag aan de Oude Markt waar het stadhuis was. Niet ver daar vandaag stond de romaanse Sint-Pieterskerk, waar voorouders van Johanna in een crypte lagen begraven. De kerk die er nu staat, is vanaf 1410 opgetrokken in glorieuze Brabantse gotiek. De grondvesten van de romaanse voorgangster zijn er nog onder verborgen. Het was op die plek dat Johanna en haar man Wenceslas in het voorjaar van 1356 hun handen legden op het Evangelieboek en ten overstaan van een hoge geestelijke en voor het oog van God plechtig zwoeren zich te houden aan de Blijde Inkomst.

De schepenen van de stad en andere keken toe. Hun machtscentrum lag even verderop aan de Oude Markt, in het schepenhuis, waar ook de oorkonden door de klerken waren geschreven. Ook dat onderkomen is verdwenen. De macht van de steden nam toe en nog geen honderd jaar na deze plechtige gebeurtenis kon Leuven zich tegenover de nieuwe Sint-Pieterskerk de bouw van een prachtvol nieuw stadhuis veroorloven.

Een eerste grondwet

De Blijde-Inkomstoorkonde is een soort contract tussen vorst en onderdanen. Daardoor lijkt het op een grondwet. In de maanden na de inhuldiging van Johanna en haar man brak een oorlog om de Brabantse troon los tussen de graaf van Vlaanderen en hertog Wenceslas. Het charter verloor daarbij alle rechtsgeldigheid. In 1404 - Wenceslas was inmiddels overleden - overleed hertogin Johanna kinderloos en haar neef Anton moest haar opvolgen. De Brabanders grepen de gelegenheid aan om haar opvolger een soortgelijk landsprivilege af te dwingen. Na hem bezwoer elke Brabantse hertog een 'Blijde Inkomst'.

De Brabanders deden steeds een beroep op deze oorkonde als ze zich als eersten verzetten tegen vorsten die de rechten van hun onderdanen miskenden: Filips II in de jaren 1560 en Jozef II in 1789. De opstand tegen die laatste heette niet voor niets de 'Brabantse Revolutie' en was de voorbode van de Belgische Revolutie van 1830, met de Brabantse driekleur en de Brabançonne. Toch speelde de Blijde Inkomst bij de opstelling van de Belgische grondwet van 1831 geen enkele rol.

Het volk roert zich (1334-1381)

De lotsverbondenheid tussen de Brabanders en hun hertog was ook al eerder gebleken. In 1332-1334 boden ze het hoofd aan wel 'zeventien' vijandige landsheren. Die hielden Brabant gevangen 'als in een kooi'. Aan hun blokkade kwam een einde door bemiddeling van koning Filips VI van Frankrijk.

Een middeleeuws straatbeeld volgens J.-L. Huens ('s Lands Glorie). De smalle straat verengt naar boven toe door de vooruitspringende gevels en door de talrijke uithangborden. De huizen zijn nog grotendeels in hout.

Een middeleeuws straatbeeld volgens J.-L. Huens ('s Lands Glorie). De smalle straat verengt naar boven toe door de vooruitspringende gevels en door de talrijke uithangborden. De huizen zijn nog grotendeels in hout.

De toenemende spanning tussen Frankrijk en Engeland mondde in 1338 uit in de Honderdjarige Oorlog. Hertog Jan III had afstand genomen van de Franse koning en de kant van Edward III van Engeland gekozen. Daardoor moest Edward de Engelse woluitvoer wel naar Brabant ombuigen. Tegelijk strafte hij het graafschap Vlaanderen, omdat de graaf Frankrijk trouw bleef. In Vlaanderen vielen de weefgetouwen stil...

Gent was toen de grootste industriestad van het graafschap, zo niet van West-Europa. In de eerste dagen van 1338 gaf de stad zichzelf eigenmachtig een nieuw bestuur, buiten de graaf om. Spil daarvan was Jacob van Artevelde. Hij slaagde er in de Vlaamse neutraliteit zowel door Engeland als door de Franse koning te laten erkennen. Daarmee was de aanvoer van de Engelse wol opnieuw veilig gesteld. De machteloze graaf Lodewijk van Nevers ontvluchtte Vlaanderen en week uit naar Frankrijk.

Romantische voorstelling van Jacob van Artevelde uit de historiserende prentenreeks 's Lands Glorie. De 'wijze man van Gent' spreekt zijn medeburgers toe. (J.-L. Huens)

Romantische voorstelling van Jacob van Artevelde uit de historiserende prentenreeks 's Lands Glorie. De 'wijze man van Gent' spreekt zijn medeburgers toe. (J.-L. Huens)

Om zijn positie nog te versterken, liet Artevelde op 26 januari 1340 Edward III op de Vrijdagmarkt te Gent zelfs als koning van Frankrijk inhuldigen. Onmiddellijk verplaatste die de centrale markt van de Engelse wol naar Brugge.

Een ooggetuige vertelt

De koning van Engeland Edward III, de hertog van Brabant Jan III en de Vlaamse steden onder leiding van Jacob van Artevelde gingen op expeditie tegen Frankrijk. De strijd eindigde in 1340 voor de muren van Doornik. Hertog Jan III liet niet veel geestdrift zien, een houding waar Jacob van Artevelde zich vreselijk aan ergerde. Een ooggetuige noteerde wat er toen gebeurde in de tent van de Engelse koning.

Jacob van Artevelde ontmoette koning Edward III van Engeland en verkreeg dat de Engelse wol opnieuw naar Vlaanderen zou verzonden worden. Hij redde zo het graafschap van ellende. In ruil beloofde hij aan Edward III de neutraliteit van Vlaanderen in de Frans-Engelse oorlog.

'Terwijl de koning die materie met de hertog van Brabant besprak, was Jacob van Artevelde daar aanwezig en zei tot deze laatste dat buiten hem alle vorsten vele bestormingen tegen de stad hadden uitgevoerd en dat de hertog (Jan III) er het minst van allen had verricht. Een ridder van de Brabantse hertog evenwel die dat hoorde, voegde Artevelde woedend toe dat hij daarmee moest ophouden en beter naar Gent zou gaan om er mededrank te brouwen en dat een zo grote macht een man als hij niet paste. Op staande voet doorstak Jacob hem met zijn lans of piek en doode hem. Wanneer de hertog van Brabant dat zag, verliet hij onmiddellijk de tent. En de koning van Engeland greep de teugel van zijn paard en vroeg hem dat hij dat aan Jacob zou vergeven, die, alhoewel een verrader en een slechterik, hem niettemin zeer nuttig en onmisbaar voor zijn oorlogsvoering was. Daarna liet de Brabantse hertog het lijk van zijn ridder naar Brabant brengen. En de koning van Engeland liet een groots banket klaarmaken en de hertog en Jacob zaten ermee aan ter versterking van de vrede.'

Het kostbare laken dat met de Engelse wol werd geweven, werd in Vlaanderen verkocht in de lakenhalle. Een prent van Edmond Van Offel.

Het kostbare laken dat met de Engelse wol werd geweven, werd in Vlaanderen verkocht in de lakenhalle. Een prent van Edmond Van Offel.

De expeditie van Edward en zijn bondgenoten tegen Frankrijk strandde bij het bolwerk Doornik. De Brabanders toonden maar weinig geestdrift. Er waren aanhoudend conflicten tussen hen en de Vlamingen en dat verlamde de belegering. De koning van Frankrijk opende daarenboven geheime vredesonderhandelingen met Brusselse en Leuvense vooraanstaanden. In die twee Brabantse steden staken oproerlingen de kop op. De Brabanders waren helemaal niet gelukkig met de economische voordelen waarmee Edward III hun Vlaamse concurrenten bedacht. Tot overmaat van ramp bleek hij ook niet in staat zijn oorlogsinspanningen vol te houden. Zijn bondgenoten kregen de beloofde subsidies niet uitbetaald. Jan III was dan ook opgelucht toen hij in 1340 een wapenstilstand kon bewerken.

Kwade maandag, goede dinsdag

De graaf van Vlaanderen was afwezig, terwijl in de textielsteden zich de volders roerden. Dit waren de arbeiders die de wollen lakense stoffen een laatste belangrijke bewerking gaven en vonden dat ze onderbetaald werden. Door gelddevaluaties in 1337 en 1343 was hun loon in waarde bijna gehalveerd, terwijl het graan schaars en dus duurder werd. De fabrikanten en de wevers verzetten zich tegen loonsverhogingen. Die zouden hun productiekosten alleen maar doen stijgen. Op 2 mei 1345, Kwade Maandag, onderdrukten Gentse wevers op bloedige wijze een oproer van de volders. Het imago van Jacob van Artevelde kreeg een flinke knauw. Hij had altijd het algemeen belang op de voorgrond geplaatst, maar nu toch partij gekozen voor de wevers. Het gerucht deed zelfs de ronde dat Artevelde Vlaanderen aan de Engelse koning wilde verkopen. Op 17 juli 1345 viel een bende wevers hem aan en sloeg hem dood. De oorzaak van Arteveldes val was niet zozeer zijn pro-Engelse politiek maar persoonlijke naijver, met name vanwege Gerard Denys, de deken van de wevers. Gent bleef de koning van Engeland trouw.

Schoolprent door Edmond Van Offel met de voorstelling van de moordaanslag in 1345 op Jacob van Artevelde, in de Paddenhoek, de steeg achter zijn woning op de Kalandenberg in Gent.

Schoolprent door Edmond Van Offel met de voorstelling van de moordaanslag in 1345 op Jacob van Artevelde, in de Paddenhoek, de steeg achter zijn woning op de Kalandenberg in Gent.

Na de moord op Artevelde deden de wildste geruchten over zijn 'verraad' de ronde. Veertig jaar later was de stemming omgeslagen. Nu was de 'wijze man van Gent' een symbool waar Gent in moeilijke tijden naar teruggreep om zich een leider te geven. Dat gebeurde het eerst in 1381 in de persoon van zijn zoon Filips van Artevelde.

Historische stoet tijdens de Gentse feestweek van 1894. Jacob van Artevelde, vooraan links, begeleidt het Engelse vorstenpaar (net buiten beeld van deze foto).

Historische stoet tijdens de Gentse feestweek van 1894. Jacob van Artevelde, vooraan links, begeleidt het Engelse vorstenpaar (net buiten beeld van deze foto).

In de negentiende eeuw, tuk op 'nationale' en burgerlijke helden, werd Artevelde opgenomen in de galerij van grote mannen uit de Belgische en Vlaamse geschiedenis.

Niet lang na Arteveldes dood sneuvelde de graaf van Vlaanderen in 1346 in Frankrijk. Zijn jonge zoon, Lodewijk van Male, werd zonder veel tegenstand, zelfs met een zekere opluchting als graaf onthaald. Zijn onderdanen zetten hem meteen onder druk om met de dochter van de Engelse koning te trouwen, zodat de banden met Engeland hecht bleven en de aanvoer van wol gewaarborgd bleef.

Hoe Everard Tserclaes Brussel redde

In 1356 leek het alsof de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male, het in Brabant voor het zeggen had. Hij zetelde zelfs in Brussel. In de loop van het jaar echter keerden de kansen en heroverden hertogin Johanna en haar man vele Brabantse steden. Brussel kregen zij in handen met hulp van Everard Tserclaes. Een Brusselse dichter die daar bij was herinnerde zich vijftig jaar later nog in geuren en kleuren hoe dat plaatsvond.

Tserclaes-monument op de hoek van de Grote Markt en de Karel Bulsstraat in Brussel.

Tserclaes-monument op de hoek van de Grote Markt en de Karel Bulsstraat in Brussel.

'Een uitgelezen ridder, geboortig van Brussel, geheten heer Everard Tserclaes... was niet in de veldslag voor Brussel (tegen het leger van graaf Lodewijk van Male), maar bij hertog Wenceslas, die in die tijd met zijn gevolg in Overmaas was gelegerd. Toen hij naar waarheid vernam dat graaf Lodewijk Brussel had verlaten en weggereden was naar Vlaanderen, vergaderde hij in het geheim, met grote voorzorg en in alle stilte zijn vrienden en verwanten, van wie hij er velen had. Toen die verzameld waren, kwam hij op een nacht te Brussel tot in de stadsgracht aan de voet van de stadsmuur op een plaats die hij goed kende. Die heette toen het Warmoesbroek. In die tijd waren de buitenste stadsmuren nog niet begonnen... dat gebeurde pas het jaar daarna. Aldus geraakte heer Everard in de gracht tot aan de muur en heeft hij ladders tegen de muur opgericht en ze beklommen...

Dat wisten de Vlamingen, die er toen vanwege graaf Lodewijk waren achtergebleven, niet en zij hielden tijdens de nacht maar een kleine wacht... Als hij (Everard) in de stad was gekomen, bezette hij het huis van die heren, sprak zijn vrienden die hij ook daarbinnen had, toe en trok onmiddellijk met zijn aanhangers de banier van graaf Lodewijk van het stadhuis en van de stadspoorten af en stak er met groot eerbewijs de banier van zijn heer, de edele hertog Wenceslas, die God behoede, uit... Toen de lieden van Brussel dat gewaar werden, zijn zij bij hem samengekomen op de markt... Wanneer de Vlamingen die te Brussel lagen omdat de graaf ze daar had gelaten, dat zagen, trokken zij heimelijk weg...'

Willem, graaf van Holland en Henegouwen, bemiddelde tussen Brabant en Vlaanderen. Op 4 juni 1357 wees hij Antwerpen en Mechelen aan Vlaanderen toe. In Brabant vertelde men dat Willem, als hemelse straf om die partijdige uitspraak, 'subyt' van zijn zinnen werd beroofd.

Loonse opvolgingsperikelen

Twintig jaar voor de dood van Jan III was de graaf van Loon overleden. Lodewijk IV stierf op 22 januari 1336 en dat was pas echt een probleem omdat hij zelfs geen dochters naliet. Lodewijk had zijn neef Diederik (van Heinsberg) als opvolger aangewezen. Het graafschap Loon was theoretisch onderhorig aan de prinsbisschop van Luik. Het Luikse Sint-Lambertuskapittel, het hoogste gezag in het prinsbisdom na de bisschop, en de Luikse steden drongen er op aan dat de bisschop Loon zou opeisen. Om zijn positie te verstevigen besloot Diederik wat met zijn spierballen te rollen. Hij sloot een verbond met de hertog van Brabant en verhoopte dat de paus in Luik ingreep. De prinsbisschop bond in en erkende in 1346 Diederik als graaf van Loon.

Diederik van Heinsberg overleed tussen 17 en 21 januari 1361 in zijn burcht te Stokkem. Aangezien de abdij van Herkenrode de officiële begraafplaats van de Graven van Loon was. Werd zijn stoffelijk overschot naar de abdij van Herkenrode gevoerd om er bijgezet te worden in de crypte naast zijn voorgangers. In Herkenrode weigerden abdis Aleidis van Waanrode en haar zusters echter de graaf te laten begraven, overtuigd dat de hij nog geëxcommuniceerd was door de Romeinse curie. De prior van de Hasseltse Augustijnen trachtte te bemiddelen in dit conflict en liet de overleden graaf overbrengen naar zijn klooster waar hij zijn laatste rustplaats kreeg.

Diederik van Heinsberg overleed tussen 17 en 21 januari 1361 in zijn burcht te Stokkem. Aangezien de abdij van Herkenrode (foto) de officiële begraafplaats van de Graven van Loon was. Werd zijn stoffelijk overschot naar de abdij van Herkenrode gevoerd om er bijgezet te worden in de crypte naast zijn voorgangers. In Herkenrode weigerden abdis Aleidis van Waanrode en haar zusters echter de graaf te laten begraven, overtuigd dat hij nog geëxcommuniceerd was door de Romeinse curie. De prior van de Hasseltse Augustijnen trachtte te bemiddelen in dit conflict en liet de overleden graaf overbrengen naar zijn klooster waar hij zijn laatste rustplaats kreeg.

Maar toen Diederik in 1361 overleed, nam de prins-bisschop wél de titel van graaf van Loon op. En hij wilde er om vechten: Luikse troepen namen Stokkem in en dreigden Loon te overrompelen. Troonpretendent Arnold van Rummen verzette zich hardnekkig in zijn versterking te Rummen. De zes weken durende belegering, met buskruit (september 1365), liet van het prachtige slot niet veel over. Loon werd bij het prinsbisdom ingelijfd, als een afgescheiden administratieve eenheid.

Gent weerspannig

Gent en haar twee zustersteden, Brugge en Ieper, beheersten het graafschap Vlaanderen. De 'Drie Leden', zoals zij zich noemden, deelden het graafschap in drie invloedssferen op en zetten de graaf bijna buitenspel. Van bij zijn troonsbestijging in 1346 kon graaf Lodewijk van Male daarom alleen rekenen op de adel en de kleinere steden. In de jaren 1350 riep Lodewijk een 'Vierde Lid' als concurrent naast de drie steden in het leven: het Brugse Vrije. Het was een groepering van kleine steden, dorpen en adellijke heren rond Brugge. Lodewijk werkte gestaag aan de versterking van zijn gezag. In 1355 lijfde hij Dendermonde bij het graafschap in. In 1369 deed hij hetzelfde met de streek Rijsel, Dowaai (Douai) en Orchies, als prijs voor het huwelijk van zijn erfdochter met Filips van Bourgondië.

Pieter Coutereel verscheurt de voorrechten van de Leuvense Sint-Pietermannen, zoals schilder André Hennebicq dat in 1890 op het doek schilderde.

Pieter Coutereel verscheurt de voorrechten van de Leuvense Sint-Pietermannen, zoals schilder André Hennebicq dat in 1890 op het doek schilderde.

In de nacht van 21 op 22 juli 1360 was het zo ver. Wevers en andere ambachtslui bliezen verzameling. Zij bezetten het stadhuis en eisten rekenschap over de stadsbelastingen. Traditioneel werd de inning daarvan op 22 juli aan de meest biedende verpacht. 's Anderdaags verscheurde Couthereel de oorkonden waarop het politieke alleenrecht van de Sint-Pietermannen (de oudste geslachten van de stad) steunde.

Op 1 september 1360 regelde Wenceslas dat de vertegenwoordigers van de anbachtslieden enige politieke inspraak kregen. De hertog benutte de situatie om de stad bergen geld af te persen, zijn invloed op de samenstelling van de stadsraad te versterken en om Leuven te verbieden de Raad van Kortenberg opnieuw leven in te blazen. Die Raad van Kortenberg was in 1312 ingesteld als hoogste gerechtshof in Brabant, maar in de woelige jaren 1356-1357 buiten werking geraakt.

Eens die doeleinden bereikt, verkocht Wenceslas zijn steun afwisselend aan de Sint-Pietermannen en de ambachten. Hij had daarbij 'meer geld uit Leuven getrokken dan als hij het van top tot bodem in zijn geheel had verkocht'! In 1363 moest Coutereel de wijk nemen voor de in hun macht herstelde Sint-Pietermangeslachten, maar hij en zijn aanhangers bleven de Leuvenaars nog jaren lastig vallen.

In 1378 verordende Wenceslas dat de 'geslachten', een zestigtal families, in het stadsbestuur een nipte meerderheid behielden op de leden van de ambachten. Die regeling zou min of meer van kracht blijven tot bij de Franse verovering in 1792.

De partijstrijd in de stad bleef echter verder woeden. Leden van de textielambachten en leden van de leidende geslachten stonden elkaar haast doorlopend naar het leven. Dieptepunten waren de moord op de burgemeester van de ambachten in Brussel en de doodslag van een vijftiental leden van de geslachten in het Leuvens stadhuis, die door de volksmassa uit de ramen werden gegooid. Uiteindelijk omsingelde een hertogelijk leger de stad in 1383. De wevers werden ontwapend en hun leider werd voor het stadhuis onthoofd. De rust keerde weer, maar de stadskas was hopeloos leeg en de stedelijke economie had een zware knak gekregen.

Voor de Leuvense geschiedschrijvers uit de zestiende eeuw was Coutereel een despoot die zich op stadskosten had verrijkt. In de negentiende eeuw werd hij geroemd als democraat, een 'volksheld'.

Het standbeeld van Pieter Coutereel - opgericht in 1936 - op het Smoldersplein te Leuven.

Het standbeeld van Pieter Coutereel - opgericht in 1936 - op het Smoldersplein te Leuven.

Zelfs in 1936, toen een standbeeld voor Coutereel werd opgericht, was dat nog aanleiding tot een hoogoplopende partijtwist in de stad.

Herstel van de Raad van Kortenberg

Hertog Wenceslas deed manhaftige pogingen om zijn blazoen op te poetsen na de nederlaag tegen de Vlaamse graaf. Hij zocht daartoe gebiedsuitbreiding aan Maas en Rijn, waar hij namens zijn broer de keizer optrad als leider van de landvrede. Dat was een verbond van vorsten en steden die in de region rust en veiligheid wilden brengen. Toen Brabantse kooplui in 1370 in het gebied van de graaf van Gulik werden uitgeschud, terwijl de graaf de andere kant uitkeek, verklaarde Wenceslas hem de oorlog. Hij trok op met een enorm ridderleger. In de vlakte van Bäsweiler bij Aken leed hij op 22 augustus 1371 een verpletterende nederlaag. De hertog en honderden Brabantse edelen werden krijgsgevangen genomen.

In die noodsituatie vernieuwden de Brabantse steden hun verbond en eisten de wederoprichting van de Raad van Kortenberg, het hoogste gerechtshof in Brabant. De twee afgevaardigden daarin van Antwerpen werden vervangen door één van Lier en één van Herentals. Ook het landsprivilegie van 1314, dat de steden inspraak in de regering toekende, werd bekrachtigd. Bovendien eisten steden en edelen een onderzoek naar het gedrag van de hertogelijke ambtenaren over de laatste twintig jaar. Wel stonden de steden, het platteland en de kloosters in 1374 Wenceslas 940.000 gouden 'mottoenen' toe (ongeveer 2.792 kg goud!) als uitzonderlijke toelage om de losgelden en de geleden schade te voldoen.

De Raad van Kortenberg stierf een stille dood rond de jaarwisseling 1375-1376. Het heeft er alle schijn van dat de aanslepende beroerten te Leuven en enige overmoed van de grote steden de Raad hebben verlamd.

Lakenhal te Lier uit de jaren 1360

Het gotische belfort in Lier bij het achttiende-eeuwse stadhuis in een sobere rococostijl. Het stadhuis is gebouwd op de grondvesten van de oude lakenhal.

Het gotische belfort in Lier bij het achttiende-eeuwse stadhuis in een sobere rococostijl. Het stadhuis is gebouwd op de grondvesten van de oude lakenhal.

In de jaren 1360 was er malaise in de Lage Landen. Maar niet elke stad had er even veel last van. In Lier ging het dusdanig goed dat een nieuwe lakenhal gebouwd kon worden.

'Al was al het laken papier, dat men maakt te Lier...', nog zou een dergelijke hoeveelheid niet volstaan om de domme streken van de boeren op te tekenen, spotte rond 1400 een zelfbewuste stedeling. De kleine Brabantse stad werd nog maar recent gerekend tot de Zuid-Nederlandse lakencentra, maar haar wolindustrie bleek na 1360 levenskrachtiger dan die van haar grote voorgangers in Vlaanderen en Brabant. Die bloei was in elk geval voldoende om de oude lakenhal op de markt in de jaren 1360 te vervangen door een prestigieus gebouw, deels schepen- en raadhuis, deels lakenhal. Boven de ingangsdeur kwam in 1383 een Mariabeeld te staan, geflankeerd door twee engelfiguren. Beelden en deur flonkerden van het verguldsel. Op de grondvesten van het gebouw trok de rococobouwmeester J.P. van Bauerscheit in de jaren 1740-1742 het huidige stadhuis op.

Daarnaast verrijst nog altijd de grote klokkentoren van de stad die in 1369 door bouwmeester-aannemer Hendrik Meys uit Mechelen werd aangezet. Het huidige uitzicht van de toren kwam pas na een verbouwing en verboging in 1411 tot stand. Toen vernieuwde men meteen de gevel van de pas in 1383 aangevatte Sint-Jacobskapel achter het stadhuis. Zij werd na de Eerste Wereldoorlog ingrijpend hersteld. Meester Meys uten Ankere, de bouwmeester van de stadstoren, kreeg in 1378 de aanbesteding van de toren van de Sint-Gummaruskerk waaraan tot 1515 diverse beroemde architecten hebben gewerkt.

Harde tijden

De woedeuitbarsting van de textielarbeiders in de jaren 1360 en 1361 hield rechtstreeks verband met de schaarste aan graan en de algemene levensduurte. In februari 1361 was de rogge ongeveer drie maal duurder dan in de vorige jaren. Duur graan kwam geregeld voor, ongeveer eens in de elf jaar, als gevolg van ongustig weer of van oorlogstoestanden, die het vervoer belemmerden en de akkerbouw teisterden.

De hertogen van Brabant hielden traditioneel hun blijde intrede in het centrum van Leuven. Het uitzicht van het plein onderging sinds 1356 grondige wijzigingen door de bouw van een nieuw stadhuis en de nieuwe Sint-Pieterskerk.
Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen. Deze afbeelding is geïnspireerd op een portret dat na 1550 werd gekopieerd van een laatmiddeleeuws schilderij.

Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen. Deze afbeelding is geïnspireerd op een portret dat na 1550 werd gekopieerd van een laatmiddeleeuws schilderij.

Lodewijk wilde echter niet en vluchtte naar Frankrijk. In Vlaanderen was men echter zo langzamerhand de dictatuur van Gent en van de wevers beu. Lodewijk herstelde zijn gezag. Gent bood als laatste weerstand, maar op 13 januari 1349, Goede Dinsdag, werden de wevers er volledig verslagen.

Erfenisperikelen in Brabant

Na het hachelijke avontuur in Doornik zocht Jan III van Brabant toenadering tot Frankrijk. In 1347 werd hij, met steun van de Franse koning en de zegen van de paus, door de Luikse prins-bisschop officieel in het bezit van Mechelen gesteld. Graaf Lodewijk van Male aanvaardde de regeling en kreeg de hand van Margaretha, een dochter van hertog Jan III. Zij zou later Antwerpen en Mechelen erven. Die belofte werd angstvallig voor de Brabantse onderdanen geheim gehouden omdat zij nogal hoog opliepen met de integriteit van het Brabantse territorium.

De oudste dochter van Jan III, Johanna - slechts vijfentwintig en al weduwe - huwde met de elf jaar jongere Wenceslas van Luxemburg. Hij was een broer van de Duitse keizer. Die keizer regelde ook in 1349 met een 'Gouden bul' dat de Brabanders alleen in het hertogdom konden terechtstaan.

Twee jaar later stierf Godfried, Jans laatste nog levende zoon. Wie moest nu opvolgen als Jan zou sterven? Een opdeling van Brabant was voor de steden onaanvaardbaar. In 1353 voorzag Jan III bij testament dat Johanna hem in al zijn landen zou opvolgen en haar jongere zusters respectievelijk 120.000 en 80.000 gouden schilden (544 en 363 kg goud!) zouden ontvangen. Het testament voorzag bovendien legaten voor een zestal bastaarden. De overige van zijn zowat twintig natuurlijke kinderen hadden vooraf giften ontvangen. Toen Jan III in 1356 dan eindelijk was begraven, eiste Lodewijk van Male direct Antwerpen en Mechelen op die aan zijn vrouw Marareha waren toegezegd. Hij stuurde zijn zwager Wenceslas, Johanna's gemaal, een regelrechte oorlogsverklaring:

'Hertog van Luxemburg (niet van Brabant!), wij, graaf van Vlaanderen, Nevers en Rethel, doen u kond dat wij klaar inzien en oordelen dat gij ons onrecht doet in onze erfrechten en in ons recht, wat ons leed is en ons van harte mishaagt vanwege u en allen van het land van Brabant die u daarin geholpen hebben of willen helpen. Wij zullen dat bij gevolg herstellen zo snel mogelijk als wij het zullen kunnen. Uit Brugge, onder ons zegel, woensdag 15 wedermaand (juni) 1356.'

Een Vlaamse vloot nam Antwerpen in; een landleger bezette zonder noemenswaardige weerstand Brussel, Leuven en Tienen. Lodewijk lijfde daarenboven de handelscentra Mechelen en Antwerpen in en werd als hertog van Brabant ontvangen. Meteen was het Blijde-Inkomstcharter dat Johanna en Wenceslas een paar maanden ervoor in de Sint-Pieterskerk in Leuven hadden bezworen niet langer van kracht.

Na enkele maanden echter keerden de krijgskansen. Johanna en Wenceslas konden de meeste Brabantse steden herwinnen. Brussel werd veroverd door toedoen van Everard Tserclaes.

Verspreiding van de Zwarte Dood (Builenpest) in Europa (14e eeuw).

Verspreiding van de Zwarte Dood (Builenpest) in Europa (14e eeuw).

Sind 1348 kwam daar een verschrikkelijke dreiging bij: de builenpest, de Zwarte Dood. De plaag en de nieuwe sterftegolven van 1360-1361 en 1367-1369 verlamden het economische leven. In Leuven droeg men in 1367 tot drie maal toe het 'Zwarte kruis' in processie rond 'voor de sterfte'. In Gent legde men in augustus 1379 nieuwe kerkhoven aan 'om de grote menigte van volk die... dagelijk van leven ter dood komt'. In het Brugse klaagde men het jaar daarop over misoogsten 'wegens de erg hoge sterfte en de troebelen van de oorlog en de regen'.

De plagen maaiden veel geschoolde werkkrachten weg, maar tastten tegelijk de afzet van het Zuid-Nederlandse laken in West-Europa aan. De wolindustrie, belangrijkste bestaansbron van de Vlaamse en Brabantse steden, ondervond al moeilijkheden genoeg vanwege de opkomende Engelse concurrentie. Tegelijk ondermijnde de mode de vraag naar laken.

Schets van de Leuvense lakenhal met het oorspronkelijk dak. Die constructie was bedoeld om zo veel mogelijk licht en lucht binnen te laten.

Schets van de Leuvense lakenhal met het oorspronkelijk dak. Die constructie was bedoeld om zo veel mogelijk licht en lucht binnen te laten.

Vanaf de jaren 1330 werd de mannelijke klederdracht drastisch ingekort en vernauwd, terwijl de opkomst van het décolleté en de verenging van het bovendeel van de kledij bij de dames zich doorzetten. Voor de textielarbeiders, bijna de helft van de beroepsbevolking in de steden, kwamen die beproevingen zwaar aan na de werkloosheid van de jaren 1330. Om Brabant en Vlaanderen te dwingen zijn kant te kiezen, had de Engelse koning Edward III toen immers de Engelse woluitvoer tijdelijk gestopt en gemanipuleerd. Zijn bijkomende heffingen op die schaars geworden onmisbare grondstof hadden de prijzen ervan de hoogte ingejaagd. De concurrentiekracht van de Zuid-Naderlandse lakenindustrie was daarmee ingrijpend aangetast. De devaluaties waarmee Lodewijk van Male in Vlaanderen en Wenceslas in Brabant hun schatkist probeerden te spijzen, hebben ongewild de concurrentiepositie van het Zuid-Nederlandse laken voor een stuk gevrijwaard. De productiekosten werden laag gehouden door de lonen niet aan de devaluaties aan te passen. Die aantasting van hun koopkracht dreef de loontrekkenden nog verder tot wanhoop en opstandigheid. Rebellie en stakingen, door de overheid trouwens streng beteugeld, ontredderden het economische leven nog meer.

Geselaars en joden

Voorstelling van veertiende-eeuwse flagellanten (geselaars) zoals ze werden voorgesteld door J.-L. Huens ('s Lands Glorie).

Voorstelling van veertiende-eeuwse flagellanten (geselaars) zoals ze werden voorgesteld door J.-L. Huens ('s Lands Glorie).

In dat klimaat van angst en vertwijfeling stelden velen hun hoop op de Hemel. Vanaf juni 1349 doorkruisten groepen boetedoeners het land. Gehuld in zwarte gewaden bestikt met een rood kruis trokken deze 'geselbroeders' op. Vaandels met afbeeldingen van heiligen, toortsen en een kruis gingen hen vooraf. In de steden vormden zij op de markt een kring en geselden zich onder het zingen van het lied: 'Nu slaat uzeer, om Christus' eer, om God laat nu de zonden varen'. Ten slotte lazen zij een brief voor waarin God aankondigde dat hij afzag van zijn besluit de wereld te verdelgen. Overal werden zij gastvrij onthaald en sloten honderden zich bij hen aan voor een boetetocht van 33 dagen. Dat aantal verwees naar de levensjaren van Christus. Omdat de beweging aan het kerkelijk gezag ontsnapte, verbood de paus ze en veroordeelde hij meteen hun acties tegen de joden.

Verbranding der Joden, miniatuur uit de kroniek van Aegidius (Gilles) li Muisit, Doornik. Datering uit de periode van de Zwarte Dood; 1349-1353.
De Gentse Opstand was een opstand van Gent onder leiding van Jan Hyoens, Frans Ackerman en Filips van Artevelde tegen Lodewijk II van Male, graaf van Vlaanderen en vond plaats van 1379 tot en met 18 december 1385. In 1379 had graaf Lodewijk een machtiging gegeven aan Brugge om een kanaal te graven tot aan de Leie. Onder leiding van Hyoens vielen de Gentse Witte Kaproenen de gravers van het kanaal aan. De Gentse rebellen versloegen in 1382 graaf Lodewijk van Male op het Beverhoutsveld en namen Brugge in. Na deze nederlaag riep Lodewijk van Male de hulp van koning Karel VI van Frankrijk in. In de Slag bij Westrozebeke versloeg hij hiermee de troepen onder leiding van Filips van Artevelde, die hierbij het leven liet. Frans Ackerman nam samen met Pieter van den Bossche, de algemene leiding over en zegevierde in de Slag bij Duinkerke. De opstand eindigde met de Vrede van Doornik , een overeenkomst gesloten op 18 december 1385 tussen de Bourgondische hertog Filips de Stoute en de stad Gent onder aanvoering van Frans Ackerman. De Vrede van Doornik zorgde ervoor dat alle Gentse privileges gehandhaafd bleven en voor elke vorm van verzet amnestie gold. Alleen moest Gent zijn verbond met Engeland opgeven en de koning van Frankrijk als zodanig erkennen. De opstand heeft sterk nadelige gevolgen gehad op de handel en economische activiteit in Vlaanderen.

De Gentse Opstand was een opstand van Gent onder leiding van Jan Hyoens, Frans Ackerman en Filips van Artevelde tegen Lodewijk II van Male, graaf van Vlaanderen en begon in 1379. In 1379 had graaf Lodewijk een machtiging gegeven aan Brugge om een kanaal te graven tot aan de Leie. Onder leiding van Hyoens vielen de Gentse Witte Kaproenen de gravers van het kanaal aan. De Gentse rebellen versloegen in 1382 graaf Lodewijk van Male op het Beverhoutsveld (afbeelding) en namen Brugge in.

De rust in het graafschap werd in september 1379 verstoord. Aanleiding was het kanaal dat de Bruggelingen, met toestemming van de graaf, wilden graven tussen hun stad en de Leie. Daarmee zou Gent het alleenrecht op het scheepsvervoer, hoofdzakelijk van Noord-Frans graan, langs Schelde en Leie verliezen. Jan Hyoens voerde de Gentse schippers aan en gesteund door de Gentse stadsmilities, de Witte Kaproenen, overvielen ze de Brugse vaartdelvers nabij Deinze. De meeste steden kozen hun kant. In Brugge en elders grepen de textielarbeiders en de wevers, die zwaar leden onder de levensduurte, naar de macht. Oproer alom. In het graafschap Vlaanderen bleven alleen Dendermonde en Oudenaarde als grafelijke steunpunten over. De andere vorsten waren echt bevreesd voor de troebelen en zegden Lodewijk hun steun toe. Ondertussen had de hogere burgerij, met de hulp van de middenstanders, te Ieper en Brugge de macht heroverd. Gent volhardde echter in de boosheid.

Coutereel: schoft of volksheld?

De jonge hertog Wenceslas kon moeilijk verkroppen dat de Brabantse steden hem het Blijde-Inkomstcharter hadden afgedwongen en hem nauwelijks hadden gesteund tijdens de Vlaamse inval van 1356-1357. De Vlaamse bezetting had wel het Blijde-Inkomstprivilegie opgeschort, maar de steden konden zich nog altijd beroepen op eerdere landsprivileges. Tegen een bundeling van hun krachten aan mensen en kapitaal stond de hertog machteloos.

Hij meende evenwel een geschikt instrument te vinden in Pieter Coutereel. Die had als meier al eens eerder geprobeerd de aanmatiging van de Leuvense stadsbestuurders te breken. Een meier was de vertegenwoordiger van de hertog en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de openbare orde in de stad. Toen Wenceslas in oktober 1356 weer meester van Leuven werd, stelde hij Coutereel opnieuw als meier aan. Na nauwelijks twee jaar kwam het tot een incident. Volgens de Leuvense rechtbank had Coutereel een onwettige aanhouding verricht. Wenceslas plaatste Coutereel daarom over naar Nijvel. Van daaruit zette die, met medeweten van de hertog, een machtsgreep te Leuven op het getouw.

Verbranding der Joden, miniatuur uit de kroniek van Aegidius (Gilles) li Muisit, Doornik. Datering uit de periode van de Zwarte Dood; 1349-1353.

De geselaars beschuldigden joden en melaatsen ervan de drinkwaterputten te vergiftigen en zo de pest te verspreiden. Te Brussel en Leuven leidde dit tot plunderingen van hun huizen en tal van joden kwam op de brandstapel om. Amper twee decennia later werden de Brusselse joden beticht van ontwijding van hosties. Die zouden uit de Brusselse Kapellenkerk zijn gestolen om ze in de synagogen met een dolk te doorboren, uitgerekend op Goede Vrijdag, de herdenking van Christus' kruisdood. Samen met geloofsgenoten uit Leuven en Antwerpen werden de Brusselse joden op de brandstapel omgebracht, hun goederen werden door de hertog geconfisqueerd.

Vrome en minder vrome leken

Rond die 'bloedende hosties' ontstond een ware cultus die aansloot bij de toenemende devotie tot het Heilig Sacrament. Glasramen, tapijten en andere kunstwerken hielden in de volgende eeuwen de herinnering daaraan levendig.

Glasraam in de kathedraal van Sint-Goedele (Brussel): de Joden doorsteken de hosties

Glasraam in de kathedraal van Sint-Goedele (Brussel): de Joden doorsteken de hosties.

Vooral sinds 1340 ontstonden overal kapellen en broderschappen, vrome verenigingen en meestal leken, die met bidstonden en misvieringen de H. Maagd en de lijdende Christus vereerden.

Dat belette niet dat in Brugge de tong van Herbrecht Zeghere in 1375 en Pol Haestinghe in 1377 werd afgesneden, mét verbanning uit Vlaanderen. Zij hadden zich beledigend uitgelaten over de H. Maagd. In Brugge en Antwerpen daalde het aantal stichtingen van kapelanijen in de jaren na 1355 tot de helft. Klaarblijkelijk had de heersende economische onzekerheid nadelige invloed op de godsvrucht. Misschien ook boezemde de Kerk met haar hiërarchie minder vertrouwen in. Het aantal intreden in de abdij Ter Duinen slonk bijvoorbeeld na 1354 tot een vijfde. De politieke partijdigheid en het wereldse gedrag van sommige geestelijken ondermijnden het kerkgezag.

Brabant was voor een deel onderhorig aan de bisschop van Luik maar zag in die kerkvorst meer een vijandige nabuur dan een zielenherder. Vlaanderen had last van de paus van Avignon die het graafschap om politieke reden veroordeelde. In 1348 staken Vlamingen zelfs het paleis van de bisschop van Terwaan in brand. Toen er tussen 1378 en 1417 zelfs twee pausen, een te Avignon en een te Rome, waren, was het moreel gezag van de Kerk helemaal geschonden.

Wellicht daarom zochten sommige gelovigen hun zielenheil in een persoonlijke godsdienstbeleving. De kerkelijke overheid klaagde over de vele ketters in het graafschap Vlaanderen die op een te persoonlijke manier hun godsdienst beleefden. Ook de dichteres Heilwich Bloemardinne, dochter van de Brusselse schepen Bloemaerts, die door haar persoonlijke vroomheid hoog in aanzien stond, bleef niet vrij van verdachtmaking.

De Ruusbroec-miniatuur in het handschrift K.B. Brussel, 19.295-97. In deze gestileerde voorstelling zien wij een monnik (links) die Ruusbroec zal voorstellen met in zijn linkerhand een wastafeltje en in zijn rechterhand een griffel, bezig met het schrijven van een tekst. Hiertoe lijkt hij geïnspireerd te worden door de Heilige Geest, die in de symbolische gedaante van een (witte) duif rondvliegt. Rechts zien wij hoe een andere monnik, een kopiist, gezeten aan een schrijftafel, de tekst van een wastafel kopieert op een vel perkament. Aan hun beider voeten ligt het eindproduct: een codex, het met de hand geschreven middeleeuwse boek met een publieke functie.

De Ruusbroec-miniatuur in het handschrift K.B. Brussel, 19.295-97. In deze gestileerde voorstelling zien wij een monnik (links) die Ruusbroec zal voorstellen met in zijn linkerhand een wastafeltje en in zijn rechterhand een griffel, bezig met het schrijven van een tekst. Hiertoe lijkt hij geïnspireerd te worden door de Heilige Geest, die in de symbolische gedaante van een (witte) duif rondvliegt. Rechts zien wij hoe een andere monnik, een kopiist, gezeten aan een schrijftafel, de tekst van een wastafel kopieert op een vel perkament. Aan hun beider voeten ligt het eindproduct: een codex, het met de hand geschreven middeleeuwse boek met een publieke functie.

Na haar werd Jan van Ruusbroec er het slachtoffer van. Hij was een geestelijke die door het Brusselse Sint-Goedelekapittel was ingehuurd om bij kerkdiensten in te springen. Het gedrag van zijn opdrachtgevers ergerde hem zodanig dat hij zich in 1343 met enkele gezellen terugtrok in een kluis in het Zoniënwoud. Daar in Groenendaal (Hoeilaart) schreef hij verder aan zijn mystieke handleidingen over de trappen waarlangs een ziel tot de Godheid kon opstijgen. Door hun bloemrijke stijl en bezieling behoren zij tot de beste middeleeuwse prozawerken in onze taal. Kort na Groenendaal ontstonden in het Zoniënwoud soortgelijke kloostergemeenschappen, onder meer in 1366 het Roodklooster te Oudergem, die mee aan de basis lagen van een nieuwe of 'moderne' devotie, die in de Nederlanden aanhang vond.