ons land - focus

 

De Vroege Middeleeuwen
Het H. Roomse Rijk van de Duitse Natie
Ontstaan en bloei van de vorstendommen (Vlaanderen en Brabant)
De Kruistochten
Godfried van Leuven wordt hertog van Neder-Lotharingen
Nieuwpoort krijgt zijn stadsrecht
De Vlamingen winnen de
Guldensporenslag
De hertogen van Brabant bezweren de Blijde Inkomst
Ontstaan en bloei van de vorstendommen (Henegouwen en Luik)
Limburg in de Middeleeuwen
Limburgse middeleeuwse steden
Home
           
banner
De Kruisvaarders behalen een overwinning tegen de Islamieten.

De Middeleeuwen - De Kruistochten - De Eerste Kruistocht

De jammerlijke kruistocht van het volk

De paus had verwacht, dat de vorsten van Europa zich eensgezind en onverwijld met hun legers op weg zouden begeven naar het Heilige Land. Het waren echter niet de ridders, maar de armsten van de armen die als eersten een rood kruis op hun schamele kleding naaiden. Ze werden daartoe aangezet door slimme volkspredikers als Peter de Kluizenaar, die meestal meer belangstelling hadden voor hun geldkist dan voor hun bijbel.

Het eerste kruisleger bestond uit horigen en lijfeigenen, bedelaars en dagdieven, schavuiten en verarmde boeren. Hun primitieve bewapening bestond voornamelijk uit knuppels en dorsvlegels en hun proviand uit geroofd vee en gestolen wijn. Op 12 april 1096 vertrok Peter de Kluizenaar met ongeveer 10.000 man uit Keulen. Dat aantal zou onderweg aangroeien tot 20.000. Hun spoor door de Europese landen leek op dat van een aanzwellende zwerm sprinkhanen.

De Volkskruistocht was de eerste volksoptocht van mensen die gehoor gaven aan de oproep van Paus Urbanus II, in 1095, om Jeruzalem te bevrijden. Deze kruistocht ging nog voor de eigenlijke kruistochten van start en staat ook bekend als de Boerenkruistocht. Ze duurde zes maanden, van april tot oktober 1096, en werd geleid door Walter Sans-Avoir en Peter de Kluizenaar, waarna het grootste gedeelte van het leger op 21 oktober 1096 werd omgebracht door Seltsjoekse sultan Kilij Arslan I nabij de stad Hersek, aan de kust van Bithynië.

De Volkskruistocht was de eerste volksoptocht van mensen die gehoor gaven aan de oproep van Paus Urbanus II, in 1095, om Jeruzalem te bevrijden. Deze kruistocht ging nog voor de eigenlijke kruistochten van start en staat ook bekend als de Boerenkruistocht. Ze duurde zes maanden, van april tot oktober 1096, en werd geleid door Walter Sans-Avoir en Peter de Kluizenaar, waarna het grootste gedeelte van het leger op 21 oktober 1096 werd omgebracht door Seltsjoekse sultan Kilij Arslan I nabij de stad Hersek, aan de kust van Bithynië.

De eerste vorst die de horde bandeloze mannen aan zijn grenzen zag verschijnen, was koning Columbanus van Hongarije. Vol wantrouwen verleende hij het leger havelozen de doortocht. Maar hij liet Peter de Kluizenaar uitdrukkelijk beloven, dat zijn mannen niet zouden plunderen. Maar een ruzie over de verkoop van een paar schoenen liep uit op een ware veldslag. De stad Semlin werd geplunderd en 4.000 Hongaren, geloofsgenoten van de kruisvaarders, werden gedood.

Daarna werd een deel van het volksleger het werktuig van meedogenloze roofridders. Deze eerloze ridders, die zich bedreigd voelden door rijke handeldrijvende joden, ontketenden een wrede jacht op de joden. Ze maakten de onontwikkelde kruisvaarders wijs, dat de joden een even grote bedreiging voor het christendom vormden als de muzelmannen. De joden hadden immers Christus zelf vermoord en dat was veel erger dan wat de mohammedanen deden tegenover de christenen. Joden werden als wild opgejaagd, bij honderden afgeslacht en hun bezittingen werden geroofd.

Kaart waarop de tocht van de verschillende groepen van de Volkskruistocht, staat afgebeeld.

Kaart waarop de tocht van de verschillende groepen van de Volkskruistocht, staat afgebeeld.

Op Byzantijns gebied aangekomen, vergrepen de kruistocht-benden zich aan de bewoners, die ze eigenlijk als bondgenoten moesten beschouwen. De stad Belgrado werd platgebrand achtergelaten. Ten slotte hakten Byzantijnse troepen, op wraak belust, op de horden in. Peter de Kluizenaar raakte daarbij niet alleen een flink gedeelte van zijn volksleger kwijt, maar hij verspeelde bovendien de hem zo dierbare geldkist...

Keizer Alexius van Byzantium, die van de pauselijke oproep tot strijd tegen de muzelmannen had gehoord, had door ridders geleide huurtroepen verwacht. In plaats daarvan zag hij ongeregelde benden onder de muren van Constantinopel hun tenten opslaan en de omgeving onveilig maken. Hij liet de ongewenste bondgenoten ijlings met zijn schepen naar de overkant van de Bosporus brengen. De Bosporus was de smalle zeestraat die Constantinopel scheidde van Klein-Azië, waarde mohammedaanse Turken heer en meester waren. Zo leverde keizer Alexius de kruisvaarders uit aan de muzelmannen...

Gebrek aan manieren

Het Byzantijnse hof was onthutst over het gebrek aan manieren van de westerse ridders. De hovelingen vonden hen 'grof van natuur, onbeschaamd, geldziek en niet in staat weerstand te bieden aan hun ongebreidelde fantasie'. Bovendien vonden ze de ridders de 'grootste kletskousen ter wereld'.

De ridders drongen van de vroege ochtend tot de late avond het keizerlijk paleis binnen en bekommerden zich niet in het minst om de strenge regels aan het hof. Ze maakten het de keizer lastig met hun eindeloze gesprekken en 'achtervolgend hem tot in zijn slaapvertrekken met hun verzoeken om geld en gunsten...'.

Hinderlaag

In Klein-Azië werd het volksleger een prooi van de Turken. De restanten van het nauwelijks bewapende bedelaars- en plunderaarsleger lipen in een hinderlaag.

Vrijwel alle kruisvaarders werden afgeslacht tijdens een nachtelijke achtervolging. Peter de Kluizenaar, de geslepen schurk in monnikspij, was geen getuige van de ondergang van de volkskruistocht. Hij was wijselijk naar Constantinopel teruggegaan om keizer Alexius om hulp te vragen.

De adel werd kruisdrager

De volkskruistocht, die in 1096 een jammerlijk einde vond, word niet tot de officiële kruistochten gerekend. Die begonnen pas, toen goedbewapende soldaten onder leiding van edelen en hoge geestelijken de veldtocht naar het Heilige Land ondernamen.

Terreur in naam van God: vanuit Londen, Parijs, Milaan, Regensburg en andere steden maakten de kruisvaarders zich op om de heilige stad van de christenen uit de handen van de andersgelovigen te "bevrijden". Bovenstaande kaart toont de route van de eerste kruistocht.

Terreur in naam van God: vanuit Londen, Parijs, Milaan, Regensburg en andere steden maakten de kruisvaarders zich op om de heilige stad van de christenen uit de handen van de andersgelovigen te "bevrijden". Bovenstaande kaart toont de route van de eerste kruistocht.

De Eerste (officiële) Kruistocht was een goedvoorbereide militaire onderneming, maar werd toch niet geleid door staatshoofden. Noch de Engelse koning, noch de Franse koning, noch de keizer van het Duitse rijk behoorden tot de kruisdragers. Het waren wel hun leenmannen, die hun wapenrusting tooiden met het vlammend rode teken van de kruisvaarders.

De kerkelijke leider van de veldtocht was de bekwame en betrouwbare Franse bisschop Adhémar. Onder zijn opperbevel schaarde zich verschillende ridderlegers uit voornamelijk Franse leengebieden. De ridders die het bevel voerden waren de krijgshaftige Godfried van Bouillon en Robert van Vlaanderen.

Godfried van Bouillon en Robert van Vlaanderen leggen de eed af bij Alexis Komnenos.

Godfried van Bouillon en Robert van Vlaanderen leggen de eed af bij Alexis Komnenos.

Maar ook graven en hertogen met een meer bedenkelijke reputatie waren van de partij: de wrede Raymond van Toulouse, de opschepperige Bohemund van Tarente, de drankzuchtige Robert van Normandië en de onbetrouwbare Boudewijn van Boulogne.

Raymond IV van Toulouse zweert bij Adhemar van Monteil om Jeruzalem te bevrijden.

Raymond IV van Toulouse zweert bij Adhemar van Monteil om Jeruzalem te bevrijden.

Het dubbele spel van keizer Alexius

Vier legergroepen rukten op korte afstand van elkaar op naar Constantinopel. Met Kerstmis 1096 kwamen ze in de stad aan. Keizer Alexius liet de legeraanvoerders zweren, in ruil voor goud en juwelen, dat ze de te bevrijden steden opnieuw onder Byzantijnse heerschappij zouden plaatsen. In de maanden die volgden, verzamelden zich in Constantinopel ongeveer 100.000 kruisvaarders.

Afbeelding van Keizer Alexius I (keizer van het Byzantijnse Rijk van 1081 tot 1118).

Afbeelding van Keizer Alexius I (keizer van het Byzantijnse Rijk van 1081 tot 1118).

Tegen Pasen 1097 liet keizer Alexius de kruislegers de Bosporus overvaren. Voor hen lag Klein-Azië, vijandig door de wrede Turken, het broeierige klimaat en de dorre natuur. De gelederen raakten verdeeld door op macht en buit beluste legeraanvoerders. De verdeeldheid werd nog versterkt door de taalverschillen tussen de groepen kruisvaarders uit de verschillende delen van Europa. Het humeur van de soldaten werd er niet beter op, toen al snel de proviand opraakte.

De kruislegers rukten op naar Nicea, de hoofstad van de Turken. Nicea was vroeger een Byzantijnse stad geweest en lag aan het Meer van Ascane. De stad vormde toegangspoort tot de eeuwenoude hoofdweg door Klein-Azië.

De Turkse sultan die Nicea bezet hield, had de gemakkelijke afslachting van het armzalige volksleger nog vers in het geheugen. Daardoor onderschatte hij de dreiging van de legers van de kruisridders. Toen de hongerige kruisvaarders de muren van Nicea bereikten, vocht de sultan ergens anders een veldslag uit. Gewaarschuwd kwam hij snel terug, maar zijn wanhopige poging tot ontzet van de stad werd in bloed gesmoord. De kruisridders bleven de stad belegeren.

Het Beleg van Nicea. De kruisvaarders gooiden de afgehakte hoofden van de Turken, die een stadsuitbraak wilden forceren, terug de stad Nicea in. Tekening Gustave Doré, 19e eeuw.

Het Beleg van Nicea. De kruisvaarders gooiden de afgehakte hoofden van de Turken, die een stadsuitbraak wilden forceren, terug de stad Nicea in. Tekening Gustave Doré, 19e eeuw.

Maar de belegerde Turken hielden vol en lieten zich bevoorraden door een poort, die aan het Meer van Ascane was gebouwd. Keizer Alexius, die van boodschappers van het beleg van Nicea had gehoord, stuurde een vloot om de waterweg naar de stad af te grendelen. De keizer speelde daarmee dubbel spel. Hij wilde de stad in handen krijgen en daarom wilde hij plundering voorkomen.

De admiraal van de Byzantijnse vloot onderhandelde in het geheim met de Turken. Hij beloofde hun een vrijgeleide en zelfs geschenken, als ze de stad ontruimden. Daarna spiegelde hij de kruisridders voor, dat ze de muren met zonsopgang moesten bestormen. Nicea zou dan rijp zijn voor overgave.

Maar 's morgens vroeg bleek boven de stad reeds de Byzantijnse vlag te wapperen. De Byzantijnse admiraal vertelde de verbaasde kruisridders, dat hij bij verrassing de stad door de poort aan het meer had genomen. Het duurde niet lang of het dubbele spel lekte uit. Maar de overwinning had slechts weinig slachtoffers gekost en aan het voedselgebrek was een einde gekomen. Daarom wonden de kruisvaarders zich niet zo erg op over het vreemde spel van de Byzantijnen. Maar vele ridders voelden zich toch wel zó bedrogen, dat ze hun eed aan keizer Alexius dat de veroverde steden Byzantijns zouden worden, niet meer serieus namen.

De hongertocht naar Antiochië

De kruislegers torkken verder. Ze wisten niet dat de Turken een reusachtig leger hadden samengetrokken en op wraak uit waren. Plotseling dreigde een vloedgolf van 150.000 Turken de legers van Bohemund en Raymond te overspoelen. Net op tijd viel het leger van bisschop Adhémar de Turken in de rug aan en joeg hen op de vlucht.

Kaart van de kruisvaardersstaten, met rechtsboven het Graafschap Edessa.

Kaart van de kruisvaardersstaten, met rechtsboven het Graafschap Edessa.

De kruislegers veroverden de stad Edessa. Daar bleef Boudewijn van Boulogne achter als 'graaf van Edessa', met een garnizoen om de stad zonodig te kunnen verdedigen.

De Turken pasten de tactiek van de verschroeide aarde toe. Ze brandden alle dorpen en akkers plat, zodat de kruislegers in de verre omtrek geen kruimel voedsel konden vinden. Bij een genadeloos brandende zon teisterden honger, dorst en ziekte de uitgeputte kruislegers. De soldaten pelden het weinige overgebleven graan tussen hun vingers en aten het rauw op. Veel buit en wapenrusting werden weggeworpen.

In de bergen die de legers moesten oversteken, werd de lijdensweg een ware martelgang. Vermoeide ruiters en lastdieren stortten in diepe ravijnen.

Dodelijk vermoeid bereikten de weinige overgebleven manschappen in oktober 1097 de stad Antiochië. Voor de stadsmuren van soms 18 meter hoog, waarboven 400 schitterende torens blonken in de zon, sloegen de kruisvaarders hun tenten op. Tijdens het zeven maanden durende beleg van de stad werden de gelederen nog meer uitgedund door honger, ziekte en dood.

Gravure uit 1490 die het Beleg van Antiochië voorstelt.

Gravure uit 1490 die het Beleg van Antiochië voorstelt.

Op 2 juni 1098 viel de stad door verraad. Een inwoner van Antiochië die vroeger christen was geweest, liet de kruisridders de stad binnen. Even flakkerde de geestdrift van de soldaten op, toen ze eindelijk de stad konden binnentrekken.

Het wonder van de lanspunt

Maar nauwelijks hadden de kruislegers bezit genomen van Antiochië, of er naderde een groot Turks leger. Toen werden de belegeraars op hun beurt belegerd. De voedselvoorraad slonk met de dag. Op de rijpaarden na werden alle dieren geslacht, zelfs de trouwe pakezels.

De situatie was vrijwel hopeloos toen een pelgrim, Peter Bartholeus, beweerde dat hij in een visioen de apostel Andreas had gezien. Die zou hebben verteld, dat de lans die de zijde van Christus had doorboord, begraven lag onder de kerk van Antiochië, die de Turken als paardenstal hadden gebruikt. Dat relikwie maakte zijn eigenaar onoverwinnelijk!

Gravure uit de 19e eeuw die het Godsoordeel van Peter Bartholeus in Antiochië voorstelt.

Gravure uit de 19e eeuw die het Godsoordeel van Peter Bartholeus in Antiochië voorstelt.

Het 'wonder' voltrok zich. De lanspunt, waarschijnlijk heimelijk in de grond gestopt, werd gevonden. De kruisvaarders waanden zich toen onoverwinnelijk, rukten de poort uit en vervsloegen de Turken.

Niet langer bedreigd, sloegen de overwinnaars aan het plunderen. Bloedige twisten braken daarop uit. Toen bovendien de onbaatzuchtige opperbevelhebber bisschop Adhémar aan een besmettelijke ziekte bezweek, was het met de discipline van de legers helemaal gedaan.

Het beleg van Jeruzalem

Bohemund van Tarente en Raymond van Toulouse betwistten elkaar het bezit van Antiochië, een strijd die door Bohemund werd gewonnen. Andere, meer gewentsvolle ridders hadden de grootste moeite hun soldaten zover te krijgen dat ze verder trokken. Eindelijk trokken in januari 1099 Godfried van Bouillon en Raymond van Toulouse aan het hoofd van hun morrende troepen zuidwaarts. De ridders wilden Jeruzalem zien en veroveren.

Bethlehem, de geboorteplaats van Jezus, werd met een nachtelijke aanval ingenomen en van de Turken bevrijd. Op 7 juni 1099 stonden de kruislegers ten slotte aan de poorten van Jeruzalem, de Heilige Stad. Het aantal overgebleven kruisvaarders bedroeg nog slechts 12.000 man. Jeruzalem werd niet bezet gehouden door de Turken, maar door een mohammedaans volk uit Egypte. De sultan van Jeruzalem had tot in de verre omtrek het vee laten weghalen, de akkers laten afbranden en de waterputten laten vergiftigen. Slechts één bron was overgebleven. Omdat die bron maar één keer per drie dagen water gaf, vertrapten de dorstige kruisvaarders elkaar om tenminste één slok te kunnen drinken.

Het Beleg van Jeruzalem (19e eeuwse gravure).

Het Beleg van Jeruzalem (19e eeuwse gravure).

Godfried van Bouillon liet een vloot naar Palestina komen, die touwen en onderdelen van gevechtstorens op het strand afleverde. Het zware materiaal werd over een afstand van 60 km op de ruggen van gevangenen naar Jeruzalem gevoerd. De kruislegers bereidden zich voor op de bestorming van de stad.

Op 8 juli 1099 trokken de kruisvaarders ongewapend, met ontblote hoofden en barrevoets om de muren van de Heilige Stad. In hun processie voerden ze banieren, kruisen en relikwieën mee. Vanaf de hoge muren werden ze bespot door de toekijkende muzelmannen...

De bevrijding van de Heilige Stad

De aanval werd ingezet in de nacht van 12 op 13 juli 1099. Een regen van pijlen, stenen en vuur daalde neer op de kruisridders. Enorme met natte huiden beschermde houten gevechtstorens werden tot vlak tegen de hoge muren gereden. Tientallen zwaarbewapende ridders bemanden deze torens. Na twee dagen van verbeten strijd slaagde een ridder erin vanaf een gevechtstoren op de stadsmuur te springen. Met zijn lange zwaard woest in het rond zwaaiend, sloeg hij een gat in de opeengehoopte verdedigers. Andere ridders volgden zijn voorbeeld, de dappere Godfried van Bouillon. Langzaam vochten de ridders zich een weg door de fel strijdende muzelmannen, in de richting van de poort. Een ridder deed een uitval naar het mechanisme waarmee de zware deuren werden geopend. Hij werd neergestoken door vele zwaarden en van de muur geworpen.

Olieverfschilderij op doek dat de Bevrijding van Jeruzalem na de Eerste Kruistocht voorstelt. Geschilderd door Emile Signol (19e eeuw). Het doek is te bewonderen in het Kasteel van Versailles (Frankrijk).

Olieverfschilderij op doek dat de Bevrijding van Jeruzalem na de Eerste Kruistocht voorstelt. Geschilderd door Emile Signol (19e eeuw). Het doek is te bewonderen in het Kasteel van Versailles (Frankrijk).

Andere ridders vormden daarop een menselijke muur rond de deuren en begonnen aan de zware wielen te draaien. Langzaam en kreunend weken de deuren vaneen. Van buiten de poort glipte een soldaat naar binnen. Daarna weer twee. Toen zwaaiden de deuren wijd open en de kruislegers stroomden de stad binnen. Het was 15 juli 1099. Jeruzalem was veroverd!