ons land - focus

 

De Vroege Middeleeuwen
Het H. Roomse Rijk van de Duitse Natie
Ontstaan en bloei van de vorstendommen (Vlaanderen en Brabant)
De Kruistochten
Godfried van Leuven wordt hertog van Neder-Lotharingen
Nieuwpoort krijgt zijn stadsrecht
De Vlamingen winnen de
Guldensporenslag
De hertogen van Brabant bezweren de Blijde Inkomst
Ontstaan en bloei van de vorstendommen (Henegouwen en Luik)
Limburg in de Middeleeuwen
Limburgse middeleeuwse steden
Home
           
banner
De Middeleeuwen in onze streken word vooral gekenmerkt door de opkomst van de steden. Hier op de afbeelding de stad Luik.

De Middeleeuwen - Nieuwpoort krijgt zijn stadsrecht (1163)

Het is 1163. De precieze dag is in de nevelen van het verleden vervlogen, maar Nieuwpoort verkeert in feeststemming. Klerken bevestigen het zegel aan het document waarmee de stad haar eigen recht krijgt. Deze stadskeure is de oudst bewaarde in Vlaanderen. Ze wordt later die dag bekrachtigd door de jonge Filips van de Elzas. Die moet zijn twintigste verjaardag nog vieren maar is toch al zes jaar graaf van Vlaanderen.

Zijn vader Diederik was in 1157 op kruisvaart naar het Heilig Land vertrokken en had de macht overgedragen aan zijn toen veertienjarige zoon. Twee jaar later kwam Diederik terug. Maar de oude graaf toonde weinig interesse meer in het dagelijkse reilen en zeilen in zijn graafschap. Integendeel, hij maakte meteen nieuwe reisplannen om weer naar Palestina te vertrekken.

De stadsrechtkeure die Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen, in 1163 verleende aan Nieuwpoort. Op het zegel het ruiterportret van Filips.

De stadsrechtkeure die Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen, in 1163 verleende aan Nieuwpoort. Op het zegel het ruiterportret van Filips.

De tekst van de keure van Nieuwpoort

De keure van Nieuwpoort is de oudst bewaard gebleven geschreven stadskeur in Vlaanderen. Ze toont hoe de graaf van Vlaanderen niet alleen de rechtspraak, maar ook het bestuur van de stad regelde. De rol van schepenen, stadsbestuurders, rechters en zijn eigen ambtenaren werd vastgelegd. De keure bevat ook een tollijst, die de economische activiteiten van de stedelingen in kaart brengt.

'Het zij bekend aan allen, in de toekomst en in het heden, dat ik Filips, bij de gratie Gods graaf van Vlaanderen, volgend recht heb verleend aan de stedelingen, inwoners van de "Nieuwe Stad" (Nieuwpoort):

1. Wie iemand heeft gedood, zal met zijn hoofd boeten voor dat hoofd en hij zal daarvoor geen verzoening krijgen, tenzij van de verwanten en van de rechter.

2. Indien er een klacht komt dat iemand 's nachts een andere verwondt, zal de beschuldigde, wanneer de schepenen dat gepast achten, zijn onschuld bewijzen met het gloeiende ijzer. Indien hij zich verbrandt, zal hij zijn hand verliezen.

7. Wanneer in aanwezigheid van de schepenen, iemand tegenover een andere een schuld aangaat en hij die schuld op de afgesproken dag niet terug betaalt, zullen de gerechtsofficier en de schepenen de schuldeiser toelaten om machtig te worden over alles wat de schuldenaar bezit; en indien de schuldenaar niets bezit, dan zal de schuldenaar zelf in de macht komen van de schuldeiser. Voor dit misdrijf moet hij twaalf penningen geven aan de gerechtsofficier en twee schellingen (24 penningen) aan de schuldeiser.

10. Wie hier een jaar en een dag verblijft zal vrij zijn.

14. Ik heb toegestaan aan al mijn inwoners van Nieuwpoort, dat wie hier verblijft vrij zal zijn van alle tollen, behalve van de landtol en de tol op pluimvee.

29. Wanneer een schip de haven binnenkomt, zal niemand er iets uit kopen voordat het schip aangelegd heeft; de overtreder moet drie ponden betalen.'

Volgt een lange reeks producten waarop tol moet worden betaald: huiden, wol, Engelse kaas, Vlaamse kaas, boter, lood, tin, koper, ijzer, was, peper, verfstoffen, graan, garen, honing, as, molenstenen, laken en andere stoffen, bier, wijn en een groot aantal vissoorten.

Op het stadszegel van Nieuwpoort uit 1163 word een kogge voorgesteld, een schip dat vanaf de twaalfde eeuw bijna drie eeuwen lang het zeeverkeer in het Noordzeegebied zou beheersen.

Filips regeert over een opmerkelijk vorstendom. Vlaanderen kent al enkele decenia een ongekende economische groei, hoewel er in de aanpalende vorstendommen in Noord-Frankrijk en Brabant veel rijkere akkerbouwgebieden liggen. Tientallen jaren lang is het kustgebied ingepolderd om het te beschermen tegen overstromingen. Dat harde werk begint zijn vruchten af te werpen. Meer nog dan de vooruitgang van de landbouw kent het graafschap een opmerkelijke bloei van handel en nijverheid. In nauwelijks honderd jaar zijn de grote steden Gent, Brugge, Rijsel en Sint-Omaars uitgegroeid tot belangrijke industriële centra. Allerlei Vlaamse textielproducten overspoelen de Europese markt. Vlaamse kooplieden zijn actief in Engeland en op de jaarmarkten van Champagne, de belangrijkste ontmoetingsplaats van de Europese handel. In Noordwest-Europa zijn alleen Parijs en Londen, qua omvang en concentratie van kennis en rijkdom, vergelijkbaar met de Vlaamse steden. Ieper tracht zelfs Gent en Brugge naar de kroon te steken.

Filips bekijkt dit uiteraard met een goedkeurende blik. Wat goed is voor het graafschap is ook goed voor zijn eigen beurs. Toch maakt de spectaculaire groei hem ongerust. Met de groeiende welvaart neemt immers ook de macht van de steden toe. Nog voor zijn vader aan het bewind was gekomen, hadden de grote steden hun politieke macht duidelijk getoond. Sinds de moord op Karel de Goede in 1127 bepalen ze min of meer wie graaf mag worden. Tijd dus voor een nieuw machtsevenwicht, liefst met een versterkte positie van de graaf.

Hertekend machtsevenwicht

Nieuwpoort was als gestichte stad heel planmatig aangelegd met een zeer regelmatig stratenpatroon, zoals te zien is op dit plan door Jacob van Deventer uit het midden van de zestiende eeuw. Het is ook nog tot de dag van vandaag merkbaar in het rechthoekige stratenpatroon.

Nieuwpoort was als gestichte stad heel planmatig aangelegd met een zeer regelmatig stratenpatroon, zoals te zien is op dit plan door Jacob van Deventer uit het midden van de zestiende eeuw. Het is ook nog tot de dag van vandaag merkbaar in het rechthoekige stratenpatroon.

Met de keure van Nieuwpoort denkt Filips twee vliegen in een klap te slaan. De keure past in zijn ambities om het graafschap administratief te veranderen en de greep op zijn onderdanen te verstevigen. Daarvoor moet hij eerst korte metten maken met de machtspositie van de adel, die allerlei bestuurlijke ambten in erfelijk bezit houdt. Daarnaast moet hij de groeiende macht van de steden binnen de perken zien te houden. Met zijn administratieve rechterhand, Robrecht van Aire, maakt hij plannen om overal in het graafschap afzetbare gerechtelijke officieren te installeren. Samen willen ze ook de grafelijke financiën reorganiseren.

Nieuwpoort bijt hierbij de spits af: het nieuwe stadje krijgt een eigen stedelijk recht en een raad van schepenen die in de stad met juridische en bestuurlijke bevoegdheden worden bekleed. De belastingen van de stad worden vastgelegd en er wordt ook een nieuwe grafelijke gerechtsofficier aangesteld. Dat net Nieuwpoort het eerst aan bod komt, is een strategische keuze. Het plaatsje ligt immers aan de monding van de IJzer en is het sluitstuk van de inpolderingen in het gebied. Filips wil deze ligging maximaal uitbuiten. Aan zijn medewerkers vraagt hij om de tollen op handelsverkeer en visvangst nadrukkelijk in het privilege op te nemen. Filips heeft nog altijd binnenpretjes bij de wanhoop van zijn klerken toen die de vissoorten uit dit kustgebied naar het Latijn van de keure moesten vertalen. Ten einde raad lieten zij dan maar de Vlaamse benamingen staan voor 'pladijs', 'schelvis' en 'walvis'.

De keure van Nieuwpoort is voor Filips geen eindpunt. Ook de grote steden Atrecht (Arras), Brugge, Dowaai (Douai), Rijsel (Lille), Sint-Omaars (Saint-Omer), Gent en Ieper krijgen nieuwe keuren opgedrongen. In feite beknot hij daarmee de zelfstandigheid van de stadsbestuurders en dringt hij hen een meer rationele rechtspraak op met daarin een vooraanstaande plaats voor de graaf en zijn officieren.

Aan de andere kant wil Filips de economie van zijn gebied verdere impulsen geven. Zo bevoordeelt hij een aantal kleinere nederzettigen die hij graag wil zien uitgroeien tot volwaardige steden. Die moeten de posities van de adel en van de grote steden verder aantasten. Zo mogen bestaande kleine steden op grafelijke steun rekenen. Filips denkt vooral aan een hele reeks nieuwe kustplaatsen van Grevelingen tot Biervliet. Het zwaartepunt van de grafelijke bezittingen ligt immers in het ingepolderde kustgebied, en door het consolideren van deze nieuwe ontginningen genereert hij meteen nieuwe inkomsten voor zichzelf.

De steden komen op (1129 - 1275)

In dezelfde jaren dat Nieuwpoort zijn voorrechten kreeg, werd rond Leuven een stadsmuur opgetrokken. Fragmenten ervan staan nog steeds in de Handbooghof.

In dezelfde jaren dat Nieuwpoort zijn voorrechten kreeg, werd rond Leuven een stadsmuur opgetrokken. Fragmenten ervan staan nog steeds in de Handbooghof.

De eerste middeleeuwse steden kregen vorm in de negende en tiende eeuw, eerst in het Maasbekken, vervolgens ook in het kustgebied en het Schelde-Leiebekken. Tussen de tiende en de veertiende eeuw ontwikkelde Vlaanderen zich tot een wereld van stedelingen en stedelijke waarden. Tegen de vijftiende eeuw woonde meer dan een derde van de Vlamingen en de Brabanders in een stad. Zelfs voor het dichtbevolkte platteland was de stad een dagelijkse realiteit.

Schoolplaat uit de twintigste eeuw met een romantisch beeld op de haven- en handelsactiviteiten in het middeleeuwse Brugge (Edmond Van Offel).

Schoolplaat uit de twintigste eeuw met een romantisch beeld op de haven- en handelsactiviteiten in het middeleeuwse Brugge (Edmond Van Offel).

De Vikingen die in de nadagen van het rijk van Karel de Grote in onze gewesten binnenvielen, waren niet toevallig geïnteresseerd in de nieuwe, kleine handelsplaatsen langs de rivieren. Die groeiden al in de negende en tiende eeuw uit tot steden. Het zwaartepunt van deze eerste fase lag nog duidelijk in het Maasbekken, in het huidige Noord-Frankrijk en in enkele belangrijke bisschopssteden zoals Doornik.

In de loop van de tiende en elfde eeuw breidde het aantal steden uit. Kleinere plaatsen smolten samen met de eerste handelsnederzettingen. Vaak betrof het centra die in de schaduw van een versterking of van een belangrijk domein uitgroeiden tot marktplaatsen voor de streek. Sommige nederzettingen kregen snel een nieuwe, meer internationale dimensie door de ontwikkeling van de textielnijverheid en de oprichting van verschillende jaarmarkten. Vooral in Vlaanderen kwam er een sterke verstedelijking op gang, waarbij naast de oude kernen Gent, Brugge, Sint-Omaars, Rijsel en Atrecht, ook Ieper een sterke groei kende. In Brabant werden Leuven, Brussel, Antwerpen belangrijke knooppunten, maar ook kleinere plaatsen als Tienen en Zoutleeuw groeiden uit tot stadjes.

De oude stadsmuren van Leuven

Schematische plattegrond van Leuven in de Middeleeuwen met de eerste stadsmuur uit de twaalfde eeuw en de tweede uit de veertiende eeuw.

Schematische plattegrond van Leuven in de Middeleeuwen met de eerste stadsmuur uit de twaalfde eeuw en de tweede uit de veertiende eeuw.

Een stad was pas echt een stad als er een omwalling met stadspoorten omheen lag. Van die middeleeuwse stadsmuren is in het algemeen maar weinig bewaard gebleven. In Leuven zijn nog belangrijke fragmenten van de eerste stadsomwalling uit omstreeks 1160 te vinden.

Een van de opvallendste kenmerken van de vroegmiddeleeuwse steden waren de stadsmuur en -poorten. Zij waren de monumentale uitdrukking van de samenhorigheid van de stedelingen. Ze vormden de scheiding met de omliggende boerenbevolking en boden bescherming en veiligheid tegen vijanden en andere ongewenste bezoekers. Daarnaast waren ze een uitstekend middel om de aanvoer en uitvoer van goederen te controleren en te belasten.

Van de muren van voor 1200 zijn doorgaans niet veel omvangrijke resten overgebleven. Door de groei van de steden en de aanleg van ruimere wallen werden de oudste muren overbodig en nogal eens als makkelijke steengroeven aangeboord of door de bebouwing opgeslorpt. In de meeste steden is het verloop van die oude, binnenste stadsmuur bijna uitsluitend te bespeuren in de min of meer cirkelvormige kring van straten rond het centrum.

Leuven heeft echter een aantal opmerkelijke restanten van zijn oude muur van omstreeks 1160 bewaard. De belangrijkste zijn de 70 meter lange onderbouw in de Handbooghof (in de Brusselsestraat, langs de Dijle). En het fragment van de onderbouw op het oorspronkelijke talud en een torenruïne in het huidige stadspark. Ook elders in de stad zijn toren- en muurfragmenten overgebleven.

Stadsmuur van rond 1160 in de Leuvense Handbooghof.

Stadsmuur van rond 1160 in de Leuvense Handbooghof.

Het geheel moet ongeveer 2.740 meter lang zijn geweest. De ommuring telde dertig torens, ongeveer om de 90 meter, daarnaast elf poorten plus een Waterpoort over de Dijle. Aan de buitenzijde werd de muur beschermd door natuurlijke of kunstmatige waterlopen, nu grotendeels drooggelegd. De funderingen, in het aangelegde talud, bestonden uit peilers die ongeveer 5,5 meter van elkaar lagen. Zij droegen bogen van ongeveer twee meter hoog en daarop een 0,70 meter dikke muur. Aan de binnenzijde werden tegen die muur eveneens bogen opgetrokken. De muur was in het totaal circa 1,70 meter dik en drie meter hoog. Voor de verdediging liep bovenop, beschermd door manshoge kantelen, een gang van bijna een meter breed.

In de late elfde en vooral in de twaalfde eeuw werden de Zuidelijke Nederlanden een waar stedenland. Het zwaartepunt van de verstedelijking verschoof stilaan noordwaarts, naar het Nederlandstalige gedeelte van het graafschap Vlaanderen en naar het zuiden van het hertogdom Brabant. De grote steden werden er groter en wonnen aan economisch en politiek belang. Bevolkingscijfers ontbreken, maar sommige steden waren voor die tijd reusachtig groot. Gelijktijdig nam ook het aantal kleinere steden voortdurend toe.

Gent was met ongeveer 64.000 inwoners in de veertiende eeuw de grootste stad in onze gewesten. Na Parijs en Londen was het de grootste stad in Europa ten noorden van de Alpen. Het schilderij dateert uit 1534.

Gent was met ongeveer 64.000 inwoners in de veertiende eeuw de grootste stad in onze gewesten. Na Parijs en Londen was het de grootste stad in Europa ten noorden van de Alpen. Het schilderij dateert uit 1534.

Plaatsen als Oudenaarde, Kortrijk, Geraardsbergen, Aalst, Dendermonde volgden in het spoor van Gent. In het kustgebied waren de kleinere steden steunpunten in het inpolderingsbeleid. In Brabant groeiden kleinere steden in de schaduw van Brussel en Leuven. Enkel woeste gebieden, zoals de Kempen of het Meetjesland, bleven voorlopig een uitsluitend landelijk gebied.

Langdurige economische groei

Van de tiende tot het einde van de dertiende eeuw was er een trage maar gestage economische groei. De bevolking nam sterk toe en in de dertiende eeuw sprak men van een 'volle wereld'. Elk lapje grond dat in aanmerking kwam voor landbouw, was in gebruik. Bosgebieden, heideland en veenstreken werden waar mogelijk ontgonnen. Talloze dorpen werden gesticht. In de kustgebieden was er een actieve politiek van inpolderingen. Naarmate de vraag naar bewerkers van de nieuwe gronden steeg, werden boeren ook vrijer van hun grondheer. Vanaf de twaalfde eeuw verpachtten grondbezitters steeds meer grond voor vastgelegde periodes aan de boeren. Die overeenkomsten konden periodiek worden aangepaste om door geldontwaarding uitgeholde vaste inkomsten op peil te houden.

Het stadhuis werd het belangrijkste bestuursgebouw in de stad. Het dertiende-eeuwse stadhuis van Aalst is een van de oudste voorbeelden in Vlaanderen. Stadhuizen als paleizen van het stadsbestuur zijn eerder laattijdig in het stadsbeeld verschenen. Voordien waren het vooral de commerciële hallen en in Vlaanderen de belforttorens die de stedelijke onafhankelijkheid en welvaart moesten verbeelden.

Het stadhuis werd het belangrijkste bestuursgebouw in de stad. Het dertiende-eeuwse stadhuis van Aalst is een van de oudste voorbeelden in Vlaanderen. Stadhuizen als paleizen van het stadsbestuur zijn eerder laattijdig in het stadsbeeld verschenen. Voordien waren het vooral de commerciële hallen en in Vlaanderen de belforttorens die de stedelijke onafhankelijkheid en welvaart moesten verbeelden.

Landbouwtechnieken verbeterden. Paardentrekkracht en nieuwe zwaardere ploegen verhoogden de productiviteit van de landbouwbedrijven. Primitieve vormen van braaklegging, toegepast om uitputting van de bodem te voorkomen, werden steeds complexer. In het drieslagstelsel werden de teelt van zomergraan, wintergraan en het braakliggen afgewisseld en kon het bodemgebruik worden geoptimaliseerd. Later verving men de braak zelfs door de teelt van bodemverrijkende gewassen en begon men op grotere schaal groenten en stikstofrijke gewassen te telen. Industriegewassen (kleurstofplanten, vlas) en veeteelt maakten de boeren minder afhankelijk van de graanoogst en verbeterden de kwaliteit van de bodem door een betere bemesting.

Hongerige monden

Toch kon de groei van de landbouw de groeiende bevolking niet helemaal volgen. Al in de twaafde eeuw kende men lange periodes van hongersnood. Landbouwbedrijven werden bovendien door erfdeling steeds kleiner. De druk werd groter om naar de steden uit te wijken. Of zelfs verder, naar nieuwe kolonistengebieden in Centraal- en Oost-Europa. Het evenwicht tussen de te voeden monden en de landbouwproductie wankelde steeds meer. Pas na 1300 zou dit evenwicht worden verbroken. In de periode ervoor al stonden de lonen onder druk door een te groot aanbod van arbeid. De levensomstandigheden van gewone mensen werden er niet beter op.

Vanaf de 11de eeuw kende de Leie ‘tusschen brugghen’ een groeiende handelsactiviteit en werd de eigenlijke haven van Gent. Aan weerszijden van de Leie, in de onmiddellijke nabijheid van de middeleeuwse haven, kwamen de St.-Michiels- en de St.-Niklaaskerk tot stand, St.-Nicolaas zijnde de schutspatroon van schippers en graanhandelaars. Met de Koornmarkt vormden de Gras- en Koornlei het centrale punt van de Vlaamse graanhandel. Een groot deel van de huidige bebouwing herinnert dan ook sterk aan de verschillende havenactiviteiten die hier vroeger plaats vonden en weerspiegelen de bloei van de Gentse ambachten en neringen.

Vanaf de 11de eeuw kende de Leie ‘tusschen brugghen’ een groeiende handelsactiviteit en werd de eigenlijke haven van Gent. Aan weerszijden van de Leie, in de onmiddellijke nabijheid van de middeleeuwse haven, kwamen de St.-Michiels- en de St.-Niklaaskerk tot stand, St.-Nicolaas zijnde de schutspatroon van schippers en graanhandelaars. Met de Koornmarkt vormden de Gras- en Koornlei het centrale punt van de Vlaamse graanhandel. Een groot deel van de huidige bebouwing herinnert dan ook sterk aan de verschillende havenactiviteiten die hier vroeger plaats vonden en weerspiegelen de bloei van de Gentse ambachten en neringen.

Toch waren de Lage Landen in vergelijking met andere gebieden in Europa verre van slecht af. Door de commerciële expansie waren Vlaanderen en Brabant kerngebieden van handelsactiviteit. Bovendien lagen ze niet ver van de rijke landbouwgebieden in Noord-Frankrijk. Via de Schelde, Leie en Dender ontstond een intense graanhandel. Deze alternatieve voedselbevoorrading maakte dat steden bleven groeien in moeilijke omstandigheden. Gaandeweg kregen enkel steden, in de eerste plaats Gent, de graanhandel onder controle. Getuigen daarvan zijn de gebouwen op de Gentse Graslei, het zenuwcentrum van deze vitale rivierhandel.

Een nieuwe omgeving

De steden waren een nieuw fenomeen in de Middeleeuwen. Hier en daar was wel een vroegere Romeinse stad blijven overleven. Vooral de oude bisschopssteden hadden veelal Romeinse antecedenten. De belangrijkste middeleeuwse steden waren nieuwe plaatsen. Echte stadsstichtingen dateren pas van later in de twaalfde eeuw. Steden waren vaak spontane bewoningsconcentraties, met aan de basis de ontwikkeling van een regionale economie. Steden waren knooppunten van regionale handel of politieke residenties. Meestal een combinatie van beide. Vaak lagen ze op belangrijke verkeersknooppunten en hadden ze een rivierhaven.

De stadspoorten bewaakten niet alleen de toegang tot de stad, zij werden vaak ook gebruikt als opslagruimte voor allerlei wapentuig en soms, zals hier de Brusselse Lakensepoort, dienden ze ook als gevangenis.

De stadspoorten bewaakten niet alleen de toegang tot de stad, zij werden vaak ook gebruikt als opslagruimte voor allerlei wapentuig en soms, zals hier de Brusselse Lakensepoort, dienden ze ook als gevangenis.

Daarom werden ze soms 'portus' genoemd. Vandaar de Nederlandse benaming 'poort' voor stad en 'poorter' voor burger van een stad. Zo was Gent in de tiende eeuw gegroeid uit twee nederzettingen: een kleine rivierhaven aan de Schelde rondom de latere Sint-Baafskathedraal en een verzorgingscentrum van het grafelijke domein aan de Leie (in de buurt van het latere Gravensteen).

Ook Brugge en Antwerpen groeiden in de omgeving van een dergelijke versterking. De gevolgen van het verstedelijkingsproces waren erg belangrijk. De concentratie van mensen maakte efficiëntere handel en nijverheid mogelijk. Steden werden markten voor het omliggende platteland, ze dienden als verzamelpunten voor de bevoorrading van boeren en edellieden. Gespecialiseerde ambachtslieden konden er hun activiteiten ontwikkelen en arbeidsdeling, de sleutel tot industrieel succes, werd erdoor mogelijk. Steden werden bovenal eilanden met een eigen recht dat sterk afstak tegen dat van het omliggende platteland. De organisatie van allerlei groeperingen (koopliedengilden, later ook ambachten) was mogelijk en voor hun stadsheer waren zij een bron van niet onaanzienlijke inkomsten. De steden slaagden erin een specifiek juridisch statuut en allerlei belastingsvoordelen en tolvrijstellingen te verwerven.

Strijd om de macht

Stamboom van de Graven van Vlaanderen (12e-13e eeuw) beginnend bij Diederik van de Elzas.

Stamboom van de Graven van Vlaanderen (12e-13e eeuw) beginnend bij Diederik van de Elzas.

De moord op graaf Karel de Goede in Brugge, en de daarop volgende gebeurtenissen van 1127 tonen aan dat politieke macht van de landsheer niet onomstreden was. Na de versplintering van het oude Karolingische rijk, waren enkele belangrijke heren er gaandeweg in geslaagd om hun machtsbasis te vergroten ten koste van de andere edellieden. De Vlaamse graven en de Brabantse hertogen waren machtige vorsten geworden die heersten over gebieden die voldoende inkomen konden garanderen om zich min of meer onafhankelijk op te stellen tegenover hun leenheren: de Franse koning en de Duitse keizer. Bovendien konden ze de lagere adel aan zich binden.

Vrij huis, vrij erf

De Gentenaars etaleerden hun rijkdom graag met het oprichten van 'stenen'. In de dertiende eeuw werden in de stad ettelijke weelderige stadspaleizen gebouwd.

De kooplieden en grondbezitters in de grote steden slaagden erin om in de twaalfde en dertiende eeuw de politieke en economische macht in de steden te monopoliseren. Zij vielen op door hun rijkdom en levensstijl, waarmee zij de adel naar de kroon wilden steken. Zo lieten zij ware stadspaleizen bouwen. Vaak hoorder er een stenen toren bij als statussymbool en met het opschrift 'vrij huis, vrij erf'. Als symbool van hun welvaart, hun status en hun politieke macht. In deze versterkte huizen konden zij zich in alle veiligheid terugtrekken in tijden van oproer en burgeroorlog.

Het dertiende-eeuwse huis Kleine Sikkel in de Gentse Nederpolder.
Het dertiende-eeuwse huis Kleine Sikkel in de Gentse Nederpolder.

Vooral in het Gentse stadscentrum zijn mooie voorbeelden van dergelijke romaanse 'stenen' bewaard gebleven. Die werden in de loop van de twaalfde en dertiende eeuw opgetrokken in Doornikse kalksteen. Het bekendste is wellicht het Geraard de Duivelsteen aan de Schelde. De grootste concentratie is de rij huizen in de Hoogpoort, een van de belangrijkste straten van het middeleeuwse Gent. Ook de graaf liet in Gent zijn eigen 'steen' bouwen.


Het Gravensteen in Gent werd door graaf Filips van de Elzas gebouwd om de opstandige stad te beheersen.

Het Gravensteen werd op de plaats van een oudere grafelijke versterking opgetrokken door Filips van de Elzas rond 1180. Dat had uiteraard de bedoeling om de trotse stedelingen beter onder controle te houden en diende als altijd aanwezig symbool van zijn macht.

Door een strategische huwelijkspolitiek en door het laken naar zich toe te trekken in grensconflicten, wisten middeleeuwse landsheren hun macht uit te breiden en te consolideren. Een efficiënter bestuur en de beknotting van de lokale adel moesten hun politieke gezag verdiepen. Filips van de Elzas kreeg door een ambitieuze huwelijkspolitiek grote gebieden in Noord-Frankrijk onder controle. Hij legde er de grondslag van een doeltreffende en moderne staatsinrichting. Rechtspraak werd gerationaliseerd. Afzetbare en betaalde ambtenaren zoals de baljuws (gerechtsofficieren op lokaal niveau) werden toegevoegd aan de administratie en justitie. Vlaanderen werd zo een van de modernste gebieden in Europa.

De opvolger en zwager van Filips van de Elzas, Boudewijn VIII van Vlaanderen, tevens graaf van Henegouwen, zette deze politiek voort. Boudewijn IX, een van de leiders van de vierde kruistocht, werd in 1204 zelfs de eerste Latijnse keizer van Constantinopel. Maar al dit Vlaams succes was een doorn in het oog van de leenheer, de koning van Frankrijk. Het koninklijke leger van Filips Augustus, in zijn kindertijd nog onder de voogdij van Filips van de Elzas, versloeg in 1214 bij Bouvines een sterke coalitie.

Een ooggetuige vertelt: Een valse graaf Boudewijn

Graaf Boudewijn IX van Vlaanderen en Henegouwen was in 1204 na de inname van Constantinopel tijdens de vierde kruistocht daar tot keizer van het Byzantijnse rijk uitgeroepen. Het volgende jaar verdween hij spoorloos toen hij tijdens een veldtocht tegen de Bulgaren in een hinderlaag viel.

In 1225 slaagde een kluizenaar uit de streek van Doornik erin om zich een tijd als graaf van Vlaanderen te laten erkennen. De kroniekschrijver Boudewijn, een monnik uit de premonstratenzerabdij in Ninove, was daar sterk van onder de indruk. Hij was ongetwijfeld een tijdgenoot, want hij vertelt dat hij in zijn jeugd de zonsverduistering van 1191 heeft beleefd.

Afbeelding van de "Valse Boudewijn" uit de bekende reeks "'s Lands Glorie". Verscheidene jaren na de dood van Boudewijn van Constantinopel verscheen in Vlaanderen een avonturier die zich voor Boudewijn liet doorgaan. Hij vond aanhangers en veroorzaakte onlusten. Zijn bedrog werd echter ontdekt en hij werd ter dood veroordeeld. Het betrof hier hoogstwaarschijnlijk ene Bertrand van Rais.
Afbeelding van de "Valse Boudewijn" uit de bekende reeks "'s Lands Glorie". Verscheidene jaren na de dood van Boudewijn van Constantinopel verscheen in Vlaanderen een avonturier die zich voor Boudewijn liet doorgaan. Hij vond aanhangers en veroorzaakte onlusten. Zijn bedrog werd echter ontdekt en hij werd ter dood veroordeeld. Het betrof hier hoogstwaarschijnlijk ene Bertrand van Rais.

'1225. Rond het Paasfeest (30 maart) trok een zekere Bertrand, naar men vertelt, uit Valenciennes uit. Hij gaf voor graaf Boudewijn te zijn. Die was al lang na zijn aanvaarding van de keizerstroon van Constantinopel gestorven. Bertrand voelde zich gesterkt door de raad en de steun van de burgers van Valenciennes en van sommige Henegouwse edelen. Met een leger en een gewapende troep doorkruiste hij Henegouwen en Vlaanderen en kwam aan te Gent, waar hij met alle eer werd ontvangen. Hij trok heel Vlaanderen door en allen juichten hem toe en vierden haast feest, want zij geloofden dat zij hun ware heer en de vader van hun land ontvingen. Evenwel, Johanna, gravin van Vlaanderen en Henegouwen, dochter van voornoemde graaf en echtgenote van graaf Ferrand, die nog te Parijs de gevangene van de Franse koning was, en Arnold, heer van Oudenaarde, haar baljuw, en de overige edele baronnen van Vlaanderen onttrokken zich aan de aanwezigheid van de genoemde indringer en durfden niet voor hem verschijnen. Tenslotte werd hij door Lodewijk (IX), de koning van Frankrijk, opgeroepen voor een gesprek in Peronne. Naar verluidt antwoordde hij verkeerd op de vragen en werd hij door de koning afgekeurd. Geleidelijk door de zijnen verlaten, nam hij de vlucht. Uiteindelijk gevat, werd hij aan gravin Johanna voorgesteld; zij hield hem enige tijd in de boeien. Voor allen bekende hij graaf Boudewijn niet te zijn en werd te Rijsel opgehangen.'

Een grote speler

Aan de andere kant van de Schelde trachtten de hertogen van Brabant, iets later dan in Vlaanderen, dezelfde politiek door te voeren. De graven van Leuven waren er in 1106 in geslaagd om de hertogelijke titel te verwerven en Brabant werd zo een belangrijke speler in de Nederlanden. Het hertogdom, met zwaartepunt in Brussel en Leuven, was immers strategisch gelegen op de belangrijke handelsweg van Brugge naar het Rijnland. De hertogen streefden ernaar hun invloed oostwaarts uit te breiden in de richting van de Maas. In de dertiende eeuw verkregen zij van de keizer een grotere invloed in deze regio, door de controle over onder meer Maastricht.

Afbeelding van Maastricht in de Middeleeuwen. In 1204 werd Maastricht door de keizer in leen gegeven aan de hertog van Brabant. Vanaf dat moment had Maastricht twee heren, de (prins-)bisschop van Luik en de hertog van Brabant, het begin van de tweeherigheid van Maastricht. Rond 1400 kwam Brabant, en dus ook een deel van Maastricht, in bezit van de hertog van Bourgondië. Karel de Stoute, en later Karel V en Filips II, verbleven meermaals in de stad en logeerden dan in het Brabants Gouvernement. Maastricht heeft nooit stadsrechten in de zin van een stadsbrief gehad. Wel kreeg de stad in 1229 van hertog Hendrik I van Brabant toestemming om de bestaande aarden wal rond de stad te vervangen door een stenen stadsmuur.

Afbeelding van Maastricht in de Middeleeuwen. In 1204 werd Maastricht door de keizer in leen gegeven aan de hertog van Brabant. Vanaf dat moment had Maastricht twee heren, de (prins-)bisschop van Luik en de hertog van Brabant, het begin van de tweeherigheid van Maastricht. Rond 1400 kwam Brabant, en dus ook een deel van Maastricht, in bezit van de hertog van Bourgondië. Karel de Stoute, en later Karel V en Filips II, verbleven meermaals in de stad en logeerden dan in het Brabants Gouvernement. Maastricht heeft nooit stadsrechten in de zin van een stadsbrief gehad. Wel kreeg de stad in 1229 van hertog Hendrik I van Brabant toestemming om de bestaande aarden wal rond de stad te vervangen door een stenen stadsmuur.

In beide gewesten Vlaanderen en Brabant werden de steden een belangrijke nieuwe machtsfactor. In Vlaanderen kregen de grote steden inspraak in het grafelijk bestuur. Gaandeweg zouden ze de oude adel verdringen. Vanaf de dertiende eeuw beheersten aanvaringen tussen de graaf en zijn steden het politieke landschap. In Brabant is het nooit zo ver gekomen en bleven adel en geestelijkheid belangrijk in de beslissingsorganen van het hertogdom. Toch slaagden ook hier de steden erin om een belangrijke stem in het kapittel te verkrijgen. In tegenstelling tot Vlaanderen gebeurde dit meer door overleg dan door conflict.

Revolutionaire communes

De groei van de steden vertaalde zich geleidelijk ook in een nieuwe maatschappelijke en politieke organisatie. Steden kregen hun eigen recht. Vaak waren de landsheren er snel bij om deze nieuwe elementen op te nemen in de organisatie van hun gebied. Daarvoor moesten regels worden uitgewerkt en afspraken gemaakt.

De eerste stedelijke vrijheden waren niet echt een overwinning van een nieuw en 'democratisch' bestel op een elitaire samenleving. De steden waren immers al aparte eenheden die zich juridisch en politiek trachtten te emanciperen. Ze worden in deze vorm vaak 'communes' genoemd: plaatsen waar een gemeenschappelijk bestuurssysteem de gemeenschappelijke belangen moest garanderen.

Het stadszegel van Leuven uit 1262 toont hoe belangrijk versterkingen en poorten voor het bewustzijn van de stedelingen wel waren.

Het stadszegel van Leuven uit 1262 toont hoe belangrijk versterkingen en poorten voor het bewustzijn van de stedelingen wel waren.

De 'gemeenten' waren, zeker in Noord-Frankrijk, autonome en revolutionaire verbonden van stadsinwoners die zich als eed of zelfs als 'samenzwering' opstelden tegen het geldende machtsbestel van adellijke en kerkelijke grootgrondbezitters. Vaak konden steden hun commune laten erkennen door hun vorst of stadsheer. Uiteraard werd dit gemeentelijke bestuursmodel gedomineerd door de oorspronkelijke elites van handelaars en grondbezitters. Restanten uit het twaalfde-eeuwse gemeentelijke model bleven origens nog lange tijd in het stedelijke bestuur aanwezig. In veel steden heetten leden van de stadsraad daarom nog lang 'gezworenen' en droegen hun leiders vaak de titel van 'communemeesters'.

Recht voor de stad

Veel stedelijke vrijheden werden uitgevaardigd op initiatief van de vorst met de bedoeling ze te erkennen, maar ze tegelijk ook aan banden te leggen. Vaak was het stadsrecht in de praktijk gegroeid en werden deze 'gewoonten' oogluikend toegestaan door de stadsheer. Erkenning gebeurde mondeling en de rechten werden pas in een later stadium opgetekend en opnieuw bevestigd.

Deze negentiende-eeuwse muurschildering van A. De Vriendt in het Brugse stadhuis toont hoe een welwillende graaf Filips Brugge haar keure verleende. In werkelijkheid kwamen de stedelijke privileges vaak tot stand na een machtsstrijd tussen de graaf en zijn onderdanen.

Deze negentiende-eeuwse muurschildering van A. De Vriendt in het Brugse stadhuis toont hoe een welwillende graaf Filips Brugge haar keure verleende. In werkelijkheid kwamen de stedelijke privileges vaak tot stand na een machtsstrijd tussen de graaf en zijn onderdanen.

De oudst gekende stadsrechten in het graafschap Vlaanderen zijn deze van de kleine stad Geraardsbergen uit 1067-1070 en van enkele Vlaamse steden in het huidige Noord-Frankrijk. Die van Hoei, in het prinsbisdom Luik, is net een jaar ouder. De formele en schriftelijke toekenning van stadsrechten gebeurde duidelijk in golven. Soms was dit na een moeilijke politieke periode, zoals na de moord op de Vlaamse graaf Karel de Goede in 1127, als de steden vaak zeer gunstige privileges konden afdwingen. Soms was er ook sprake van een bewuste strategie van de landsheer om de stedelijke expansie beter onder controle te krijgen. Vooral in de tweede helft van de twaalfde eeuw waren de Vlaamse graven en Brabantse hertogen zeer actief op dat vlak. Vaak werd ook het recht van een bepaalde stad als uitgangspunt genomen, wanneer andere steden eigen vrijheden kregen. Vooral het Leuvense recht werd een voorbeeld voor andere steden.

Filips van de Elzas vaardigde tussen 1168 en 1177 nogal restrictieve keuren uit voor zijn grote Vlaamse steden Gent, Brugge, Ieper, Rijsel, Dowaai en Atrecht. Maar ook kleinere steden kwamen aan de beurt. Filips' pogingen om de steden beter in de hand te houden, riepen stevig verzet op. Na zijn dood kon Gent in 1191 van zijn weduwe een nieuwe keure afdwingen die heel wat gunstiger was voor de stad, en teruggreep naar oudere rechtsregels.

In Brabant kwam de optekening van de stedelijke rechten iets later op gang. De oudste teksten voor de grote steden Leuven, Brussel en Antwerpen dateren pas van de eerste helft van de dertiende eeuw. Ook hier was er voordien al een mondelinge fase. Kleinere steden ontvingen van de hertogen al eerder geschreven privileges: Tienen in 1168, Nijvel in 1184, Vilvoorde in 1194, 's Hertogenbosch omstreeks 1195.

Nieuwe steden

's-Hertogenbosch kreeg in 1184 stadsrechten van graaf Godfried III van Leuven, die ook hertog van Neder-Lotharingen was als Godfried VII. Enige tijd daarvoor was het op grondgebied van Orthen ontstaan als een nederzetting van handelaren aan de samenloop van de Aa en de Dommel.

's-Hertogenbosch kreeg in 1184 stadsrechten van graaf Godfried III van Leuven, die ook hertog van Neder-Lotharingen was als Godfried VII. Enige tijd daarvoor was het op grondgebied van Orthen ontstaan als een nederzetting van handelaren aan de samenloop van de Aa en de Dommel.

Niet alle steden waren spontaan ontstaan door het initiatief van kooplui of ambachtslieden. Enkele steden werden door een of andere machthebber gesticht. Vaak, maar niet altijd, was dit de graaf in Vlaanderen of de hertog in Brabant. Zij deden dat om bepaalde gebieden te ontsluiten of om handelsverbindingen te verbeteren. In de poldergebieden van het Vlaamse kustgebied heeft vooral Filips van de Elzas heel wat steden gesticht: Grevelingen en Nieuwpoort in 1163, Damme in 1180 en Biervliet in 1183. Ook in Brabant waren de hertogen Hendrik I (1190-1235) en meer nog Hendrik II (1235-1248) bijzonder actief in dat verband. Vooral 's-Hertogenbosch, opgericht als sluitstuk van de ontginning en verdediging van Noord-Brabant, was een groot succes. De stad groeide uit tot een van de vier hoofdsteden van het hertogdom, naast Brussel, Leuven en Antwerpen.

Nieuwe herders

De kerk kreeg eveneens te maken met de steden. Oorspronkelijk stonden de geestelijken bijzonder argwanend tegenover het nieuwe fenomeen. De oude orde was gebaseerd op de driedeling van de maatschappij in standen: zij die vechten, zij die bidden en zij die de grond bewerken.

Handelaren en ambachtslieden vielen buiten dat schema. Steden werden daarom lange tijd beschouwd als zondepoelen, waar woeker en geldbejag het zielenheil in de weg stonden. De grote religieuze hervormingsbewegingen waren dan ook aanvankelijk in de kloosterwereld te vinden, ver weg van de stad.

Benedictijnen, cisterciënzers en norbertijnen beheersten tot in de twaalfde eeuw het religieuze leven, maar waren gericht op het platteland.

Vanaf de dertiende eeuw vestigden de bedelorden zoals de franciscanen en de dominicanen zich in de steden, waar zij in hun bestaan konden voorzien door te bedelen en tegelijk ook voor een stedelijk publiek konden prediken. Gaandeweg bouwden zij indrukwekkende kloosters, zoals hier het nu verdwenen Gentse Franciscanenpand.

Vanaf de dertiende eeuw vestigden de bedelorden zoals de franciscanen en de dominicanen zich in de steden, waar zij in hun bestaan konden voorzien door te bedelen en tegelijk ook voor een stedelijk publiek konden prediken. Gaandeweg bouwden zij indrukwekkende kloosters, zoals hier het nu verdwenen Gentse Franciscanenpand.

Toch moest ook de kerk in het reine komen met de stad: steden waren er immers om te blijven. Pas in de eerste helft van de dertiende eeuw kwam daar verandering in, met de bedelorden. Franciscanen, dominicanen, augustijner-eremieten en karmelieten waren afhankelijk van aalmoezen en die konden ze in de eerste plaats in de stad krijgen. Deze orden richtten zich dan ook snel op hun stedelijke roeping en vestigden zich massaal in de grotere steden van Vlaanderen en Brabant. Gent telde rond 1300 niet minder dan vijf kloosters van mannelijke bedelorden, Brugge en Ieper elk vier. En al snel volgden ook enkele kloosters in kleinere steden zoals Oudenaarde, Diest en Tienen.

De begijnen, vrouwen die voor een devoot en vooral ook een zelfstandig leven kozen, werden bijzonder populair in de late Middeleeuwen, maar ze werden ook met argwaan bekeken door de kerk. Hier op de afbeelding: begijnen dragen het reliekschrijn van Gent.

De begijnen, vrouwen die voor een devoot en vooral ook een zelfstandig leven kozen, werden bijzonder populair in de late Middeleeuwen, maar ze werden ook met argwaan bekeken door de kerk. Hier op de afbeelding: begijnen dragen het reliekschrijn van Gent.

Niet alleen bedelorden kleurden het stedelijke religieuze leven. In de marge ontstonden ook andere bewegingen die soms zeer node door het kerkelijke 'establishment' werden toegestaan. De belangrijkste waren ongetwijfeld de begijnen en hun mannelijke tegenhangers de begarden. De begijnen waren groepen vrouwen die zich in een religieuze gemeenschap verzamelden, maar die zich, in tegenstelling tot de vrouwelijke kloosterorden, niet terugtrokken uit de maatschappij. Net zoals de bedelorden kende de begijnenbeweging een ongelooflijk succes. De grote steden hadden vaak meer dan één begijnhof en vaak nog enkele kleinere begijnenconventen.

Hoekstenen van stedelijke groei

De steden dankten hun succes aan een enorme economische activiteit, gericht op het omringende platteland en op de internationale handel. De eerste lag aan de basis van de verdichting van het stedelijke netwerk. Steden waren markt- en dienstencentra voor de boeren. Je vond er allerlei activiteiten: gespecialiseerde beroepn, markten voor specifieke goederen, culturele en religieuze activiteiten, politieke en juridische instellingen. Kleinere steden hadden vaak enkel deze functies.

Op het stadszegel van Nieuwpoort uit 1163 word een kogge voorgesteld, een schip dat vanaf de twaalfde eeuw bijna drie eeuwen lang het zeeverkeer in het Noordzeegebied zou beheersen.
Na de slag bij Bouvines in 1214 kon de Franse koning Filips Augustus zijn macht over het graafschap Vlaanderen opnieuw bevestigen. Schilderij van Horace Vernet (1789-1863). Te bezichtigen in het Kasteel van Versailles (Frankrijk).

Na de slag bij Bouvines in 1214 kon de Franse koning Filips Augustus zijn macht over het graafschap Vlaanderen opnieuw bevestigen. Schilderij van Horace Vernet (1789-1863). Te bezichtigen in het Kasteel van Versailles (Frankrijk).

Die coalitie bestond uit de Engelse koning, de Duitse keizer en de Vlamingen onder leiding van Ferrand van Portugal. Hij was de echtgenoot van gravin Johanna van Constantinopel, dochter van Boudewijn IX. Ferrand werd door de Fransen gevangen genomen en pas in 1227 weer vrij gelaten.

Door deze nederlaag verloor Vlaanderen heel wat invloed. De veldslag luidde ook een lange periode in van Vlaams-Franse conflicten, die tot diep in de vijftiende eeuw zouden voortduren.

Illustratie uit de reeks ''s Lands Glorie' met de voorstelling van een jaarmarkt. De markt was een kleurrijk spektakel van kopers en verkopers, maar was ook de plaats waar vrouwen een prominente plaats in het economische leven konden hebben (J.-L. Huens).

Illustratie uit de reeks ''s Lands Glorie' met de voorstelling van een jaarmarkt. De markt was een kleurrijk spektakel van kopers en verkopers, maar was ook de plaats waar vrouwen een prominente plaats in het economische leven konden hebben (J.-L. Huens).

Grotere steden hadden een meer gevarieerde economie. Gent, Brugge, Ieper, Brussel, Leuven en Mechelen waren gericht op markten ver buiten de Nederlanden. Ze ontwikkelden een eigen textielnijverheid voor de export. Hun kooplieden waren op haast alle Europese markten actief. Het is trouwens de wolnijverheid die de enorme groei van de Vlaamse en Brabantse steden in de Middeleeuwen kan verklaren.

Kooplieden waren in deze steden de dominerende groep. Zij waren de eerste echte kapitalisten. Vaak waren ze zelf actief als ondernemers in de textielnijverheid, maar vooral controleerden zij de handel in grondstoffen en afgewerkte producten.

Handel werd de hoeksteen van de stedelijke welvaart. Maar ook van politieke macht in de stad en erbuiten. Om deze handel efficiënter te organiseren en om zich beter te beschermen tegen de onveilige wereld buiten de stadsmuren, verenigden de kooplieden zich in gilden. Kooplieden uit een of meerdere steden bundelden hun krachten. Als groep konden zij bovendien allerlei gunstige voorwaarden afdwingen. In steden als Brugge was het lidmaatschap van een gilde overigens een voorwaarde om te kunnen deelnemen aan de politieke macht. De belangrijkste vereniging in deze periode van actieve handel was ongetwijfeld de 'hanze' geleid door Brugge.

Kaart van de Honzesteden in Noord- en Oost-Europa. Op de kaart worden zowel de grote als de kleine Hanzesteden getoond. De grote Hanzesteden (Kontors) waren Stalhof, Londen (VK), Brugge (België), Bergen (Noorwegen) en Veliki Novgorod (Rusland).

Kaart van de Honzesteden in Noord- en Oost-Europa. Op de kaart worden zowel de grote als de kleine Hanzesteden getoond. De grote Hanzesteden (Kontors) waren Stalhof, Londen (VK), Brugge (België), Bergen (Noorwegen) en Veliki Novgorod (Rusland).

Brugge organiseerde de handel op Engeland met onder meer de voor de lakennijverheid cruciale Engelse wol. De 'Hanze van de Zeventien Steden' was vooral op de vijf jaarmarkten van Champagne actief. Op deze jaarmarkten, die naadloos aansloten bij die van Ieper, Brugge, Torhout, Rijsel en Mesen, ontmoetten de kooplieden uit de twee meest verstedelijkte gebieden van Europa elkaar: Vlamingen en Italianen.

Sociale spanningen: einde van de groei

De dominantie van grote kooplieden en textielondernemers veroorzaakte gaandeweg ook spanningen. De arbeidsdeling in de grote steden, die de groei van de lakennijverheid had mogelijk gemaakt, vergrootte alleen maar de concentratie van economische macht in handen van enkelen. Arbeiders in het productieproces waren de eersten om klappen te krijgen bij diep ingrijpende wijzigingen in handel en productie. In de dertiende eeuw kregen Vlaamse en Brabantse lakenproducenten steeds meer concurrentie op de internationale markt. Ze verloren hun dominante positie. Bovendien kampten ze met de verplaatsing van industriële activiteiten naar kleinere steden of naar andere gewesten. Daar bovenop dicteerden afwisselende modeverschijnselen een toenemende specialisering in duurdere stoffen. Daar waren steeds beter geschoolde arbeidskrachten en duurdere grondstoffen voor nodig. Arbeidsonzekerheid en politieke spanneningen leidden onvermijdelijk tot moeilijkheden.

In september 1280 breekt er een verschrikkelijke oproer uit die we leren kennen onder de naam "Kokerulle". De opstand is slechts een voorloper van veel sociale onrust en verdere opstanden. Er zijn veel mensen mistevreden in de stad. En niet zonder reden: de schepenen nemen van langs om meer maatregelen die het gewone volk en de ambachtslieden schade berokkenen.

In september 1280 breekt er een verschrikkelijke oproer uit die we leren kennen onder de naam "Kokerulle". De opstand is slechts een voorloper van veel sociale onrust en verdere opstanden. Er zijn veel mensen mistevreden in de stad. En niet zonder reden: de schepenen nemen van langs om meer maatregelen die het gewone volk en de ambachtslieden schade berokkenen.

Opstande in Brugge en Ieper in de jaren 1280, de zogenaamde Moerlemaaie en Kokerulle, kondigden al de revolutie van rond 1302 aan. De ambachtsgilden die in deze periode ontstonden, zouden het economische en sociale landschap van de laatmiddeleeuwse stad volledig hertekenen.