ons land - focus

 

De Vroege Middeleeuwen
Het H. Roomse Rijk van de Duitse Natie
Ontstaan en bloei van de vorstendommen (Vlaanderen en Brabant)
De Kruistochten
Godfried van Leuven wordt hertog van Neder-Lotharingen
Nieuwpoort krijgt zijn stadsrecht
De Vlamingen winnen de
Guldensporenslag
De hertogen van Brabant bezweren de Blijde Inkomst
Ontstaan en bloei van de vorstendommen (Henegouwen en Luik)
Limburg in de Middeleeuwen
Limburgse middeleeuwse steden
Home
           
banner
De Guldensporenslag (11 juli 1302).

De Middeleeuwen - De Vlamingen winnen de Guldensporenslag
(11 juli 1302)

Woensdagmorgen 11 juli 1302, feestdag van Sint-Benedictus. Het ziet er die ochtend niet naar uit dat het graafschap Vlaanderen een 'gebenedijde' dag zal beleven. Een Frans leger maakt zich op om de Vlaamse opstandelingen te verpletteren en het gezag van de Franse koning Filips IV de Schone in het graafschap te herstellen. Dat leger bestaat uit meer dan 2.000 zwaarbewapende ruiters en minstens dubbel zo veel voetvolk. De Vlamingen staan met dr rug naar Kortrijk, van de Groeningeabdij tot bij de stadswal: om en bij 10.000 krijgers, zowat 600 edelen inbegrepen. Hoewel numeriek in het voordeel, stelt dat nauwelijks geoefend voetvolk weinig voor. Een ervaren ridder is wel tien voetknechten waard.

Het Groeningemonument uit 1906 in Kortrijk van beeldhouwer Godfried De Vreese. De Maagd van Vlaanderen steekt triomfantelijk een (vermeende) goedendag omhoog. Het voetstuk toont taferelen uit de veldslag, zoals o.a. de gevallen Robert II van Artois.

Het Groeningemonument uit 1906 in Kortrijk van beeldhouwer Godfried De Vreese. De Maagd van Vlaanderen steekt triomfantelijk een (vermeende) goedendag omhoog. Het voetstuk toont taferelen uit de veldslag, zoals o.a. de gevallen Robert II van Artois.

Achter de Groeningebeek en de Sint-Jansbeek wachten de Vlamingen de charge op. Men had hen op het hart gedrukt in geen geval hun egelstelling van pieken en 'goedendags' te verbreken, ook niet om buit of krijgsgevangenen te maken. 'Sla vooral op de paarden en dood de vijanden', klinkt het bevel.

Graaf Gewijde van Vlaanderen zit in Frankrijk gevangen. Theoretisch moet het opperbevel dan in handen liggen van Gewijde van Namen, een zoon, en de geestelijke Willem van Gulik, een kleinzoon van de graaf. Toch wordt het Vlaamse leger aangevoerd door de Zeeuwse ridder Jan III van Renesse, een trouwe aanhanger van de Vlaamse graven. Hij is tegelijk de bevelhebber van de achterhoede. Die omringt de strijdwagen met de Vlaamse standaard: een zwarte leeuw met rode tong en klauwen op gouden achtergrond.

Net voor de slag slaat Gewijde van Namen (zoon van Gewijde van Vlaanderen), een vijftigtal getrouwen tot ridder.

Het standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck, de twee lokale volkshelden die in 1302 een grote rol speelden in het Vlaamse verzet tegen de Franse koning, met de Guldensporenslag tot gevolg. Het standbeeld werd opgericht in 1887, de periode van het historisch romantisme. Door de wrijvingen tussen het Vlaamsgezinde Breydelcomité en het Franstalige stadsbestuur is het standbeeld twee keer ingehuldigd geweest: op 11 juli 1887 en tussen 14 en 22 augustus 1887.

Onder hen Pieter de Coninck, leider van de Brugse ambachtslieden in hun verzet tegen de Franse bezetters. Zijn nu spreekwoordelijk geworden kompaan, vleeshouwer Jan Breydel, is daar niet te bespeuren, net zo min als nadien op het slagveld. Hij speelde echter wel een rol in het Vlaamse verzet tegen de Franse koning, die de Guldensporenslag tot gevolg had.

Voor de Vlamingen duurt het wachten lang. Willen de Fransen ze uit hun stelling lokken en uitputten? Blijkbaar niet. In de Franse commandotent is men het niet eens over de te volgen strategie. De meesten willen niet langer talmen maar persoonlijke tegenstellingen houden de aanval tegen. Koning Filips heeft de legerleiding toevertrouwd aan Robrecht van Artois. Ambtshalve zou dat de 'connétable' Raoul van Nesle moeten zijn maar blijkbaar wordt die niet vertrouwd. Eerder al had Nesle het gouverneurschap over Vlaanderen moeten afstaan aan Jacques de Châtillon. Nu wil de connétable langer wachten met de aanval. Waarop Artois hem van vooringenomenheid beschuldigt en hem zijn familiebanden met het Vlaamse gravenhuis onder de neus wrijft. Zijn dochter was immers gehuwd met een zoon van de graaf van Vlaanderen.

Plattegrond van de Guldensporenslag en de stad Kortrijk.

Plattegrond van de Guldensporenslag en de stad Kortrijk.

Op de middag laat Artois zijn boogschutters de aanval inzetten. De Vlamingen wijken achteruit voor de pijlenregen. Daarmee geven ze terrein prijs achter de beken. In die ruimte zou de Franse cavalerie zich kunnen groeperen. De Franse ridders vrezen dat de eer van de overwinning naar het voetvolk zal gaan, en zetten zich meteen in beweging. De gepikeerde connétable wil absoluut zijn loyaliteit bewijzen en jaagt zijn afdeling vooruit nog voor de ruiterij één lijn vormt. Zo verzwakt hij de frontale charge, vooral omdat het eigen voetvolk zijn ruiters hindert.

De Guldensporenslag in volle strijd, zoals voorgesteld in de reeks 's Lands Glorie (J.-L. Huens). Het wapen dat de man op de voorgrond van de afbeelding hanteert, werd jarenlang benoemd als een goedendag. Dit klopt echter niet: het hier afgebeelde wapen betreft een strijdvlegel. Verder in de tekst word een echte goedendag getoond.

De Guldensporenslag in volle strijd, zoals voorgesteld in de reeks 's Lands Glorie (J.-L. Huens). Het wapen dat de man op de voorgrond van de afbeelding hanteert, werd jarenlang benoemd als een goedendag. Dit klopt echter niet: het hier afgebeelde wapen betreft een strijdvlegel. Verder in de tekst word een echte goedendag getoond.

Toch slaan ze een bres in het centrum van de Vlaamse gelederen. Renesse, de enige die te paard is gebleven, merkt het gevaar en kan de doorbraak met zijn afdeling verhinderen. Nu worden de Fransen langs drie zijden ingesloten. Veel ruiters worden geveld, anderen worden teruggedrongen en belanden in de beken. Artois snelt met zijn reserves ter hulp en geraakt over de beken tot diep in het krijgsgewoel. Naar verluidt wordt hij neergeslagen door Willem van Saeftinge, een lekenbroeder van de abdij Ter Doest, 'een man die wel een beer kan binden'. Artois bidt nog om genade... voor zijn paard, maar paard en ruiter worden zonder pardon afgemaakt.

Boven: gulden sporen, geïnspireerd op de sporen die teruggevonden werden op het slagveld na afloop van de Guldensporenslag. Onder: metalen pinnen, met versterking in de vorm van een ring, die op een lange steel werden bevestigd. Een dergelijke 'goedendag' kon dienen als slag- en steekwapen.

Boven: gulden sporen, geïnspireerd op de sporen die teruggevonden werden op het slagveld na afloop van de Guldensporenslag. Onder: metalen pinnen, met versterking in de vorm van een ring, die op een lange steel werden bevestigd. Een dergelijke 'goedendag' kon dienen als slag- en steekwapen.

Omstreeks drie uur is de beslissing gevallen. De Franse achterhoede vlucht. Op het slagveld verzamelen de overwinnaars honderden gulden riddersporen. Ze worden met achtergelaten banieren in de Kortrijkse Onze-Lieve-Vrouwkerk opgehangen.

Het Guldensporenmonument op de Groeningekouter in Kortrijk. Het koperen kunstwerk naar ontwerp van Catherine Balde werd ingehuldigd op 11 juli 1995. Het ontwerp is een moderne interpretatie van twee ineengehaakte gulden sporen.

Het Guldensporenmonument op de Groeningekouter in Kortrijk. Het koperen kunstwerk naar ontwerp van Catherine Balde werd ingehuldigd op 11 juli 1995. Het ontwerp is een moderne interpretatie van twee ineengehaakte gulden sporen.

Een onmogelijke overwinning

De ontwaarschijnlijke triomf van een leger 'wevers, volders en boeren' op de bloem van de Franse ridderschap baarde opzien. Het gaf aan dat de tactische waarde van de zware ruiterij begon te wankelen. De zege versterkte het Vlaamse zelfvertrouwen in het verzet tegen Frankrijk. In overdreven mate zelfs, want elke Vlaming meende met zijn goedendag wel twee ridders de baas te kunnen.

In Vlaanderen werd de overwinning als bovennatuurlijk ervaren. Wonderlijke voortekens en de sterren hadden ze voorspeld, Sint-Joris en O.L. Vrouw (van Groeninge!) waren tussengekomen. Volgens de Fransen was hun nederlaag te wijten aan de valsheid van hun tegenstanders die in het slagveld moordkuilen hadden gegraven. Met loopse merries zouden ze de mannelijke strijdrossen van de Fransen er hebben naar toe gelokt. Nog in de jaren 1890 vochten de Belgische historicus H. Pirenne en zijn Franse collega F. Funck-Brentano daarover een pennenstrijd uit. Door die overwinning in 1302 word in Vlaanderen nog altijd Nederlands gesproken. Mocht de Franse koning die dag gewonnen hebben, had hij zijn macht opnieuw daadwerkelijk tot aan de Schelde gevestigd. Dan had landvoogd Châtillon zijn zin gekregen. Eerder al had die ermee gedreigd om in het hele graafschap het 'Diets' (de Vlaamse volkstaal) uit te roeien ten voordele van het Frans. Ook in Brabant, onderdeel van het Duitse Rijk, zou die ontwikkeling zich hebben voorgedaan. Godfried, een oom van de jonge Brabantse hertog, was immers van plan zijn neef af te zetten en het hertogdom als een deel van Frankrijk te regeren. Godfried en zijn aanhangers, zoals de heren van Wezemaal, Boutersem en Walem, sneuvelden echter in de Franse rangen in 1302.

Erediploma voor de medewerkers aan de historische stoet die in 1902 te Kortrijk ter herdenking van de Guldensporenslag had moeten uitgaan en door het slechte weer moest worden uitgesteld tot 9 augustus 1903.

Erediploma voor de medewerkers aan de historische stoet die in 1902 te Kortrijk ter herdenking van de Guldensporenslag had moeten uitgaan en door het slechte weer moest worden uitgesteld tot 9 augustus 1903.

In 1788 verheerlijkten de Brugse vleeshouwers in een brochure 'de kloekmoedige daden' van hun voorgangers bij Kortrijk. Na 1830 ging de 'Guldensporenslag' pas echt tot de verbeelding spreken, met vooral de historische roman 'De Leeuw van Vlaanderen' van Hendrik Conscience. Het jonge België zag de overwinning te Kortrijk als een eerste stap naar zijn onafhankelijkheid. De Nederlandstalige Belgen putten er bezieling uit voor hun strijd tegen de verfransing en voor meer autonomie. In strijd met de historische werkelijkheid heeft heel Nederlandstalig België uiteindelijk de naam en de symbolen van het graafschap Vanaf 1887 volgden de jaarlijkse herdenkingen van de Guldensporenslag zich op. Sinds 1973 geldt 11 juli als de officiële feestdag van de hele Vlaamse gemeenschap.

Bedreigingen van buitenaf (1276 - 1333)

Detail van een schoolplaat van Edmond Van Offel uit de twintigste eeuw met de voorstelling van de intocht van het Franse koningspaar in Brugge in 1301. Naar verluidt was de koningin erg gebeten over de 'royale' praal van de Brugse dames.

Detail van een schoolplaat van Edmond Van Offel uit de twintigste eeuw met de voorstelling van de intocht van het Franse koningspaar in Brugge in 1301. Naar verluidt was de koningin erg gebeten over de 'royale' praal van de Brugse dames.

De burgers van Vlaanderen en Brabant deden er alles aan om hun verworven rijkdom ook politiek te vertalen. De graaf en de hertog konden niet anders dan aan die verzuchtingen tegemoet komen, wilden ze hun eigen positie niet hypothekeren. Aan de andere kant druiste de Vlaamse zucht naar zelfstandigheid in tegen de belangen van de Franse koning, leenheer van Vlaanderen. De graven van Vlaanderen kwamen daarmee tussen hamer en aambeeld terecht. Enerzijds waren ze gebonden door hun eed van trouw aan Frankrijk, anderzijds waren ze voor het eigen inkomen afhankelijk van de economisch sterke steden. Ook de Brabantse hertogen hadden het steeds moeilijker hun gezag te handhaven en moesten de steden vergaande vrijheden toestaan. Grijnzende toeschouwer achter de schermen: de koning van Engeland. Zowel Vlaanderen als Brabant waren voor hun economie afhankelijk van de Engelse wol.

koning Edward I van Engeland (1272-1307) in het Parlement, afbeelding uit het Wriothesley Manuscript. Koning Alexander van Schotland gezeten aan de linkerzijde en Prins Llywelyn van Wales aan zijn rechterzijde. Het manuscript dateert van omstreeks 1520 en deze illustratie portretteerd een Tudoriaans concept van een middeleeuws Parlement. (The Royal Collection © 2009, Her Majesty Queen Elizabeth II).

koning Edward I van Engeland (1272-1307) in het Parlement, afbeelding uit het Wriothesley Manuscript. Koning Alexander van Schotland gezeten aan de linkerzijde en Prins Llywelyn van Wales aan zijn rechterzijde. Het manuscript dateert van omstreeks 1520 en deze illustratie portretteerd een Tudoriaans concept van een middeleeuws Parlement. (The Royal Collection © 2009, Her Majesty Queen Elizabeth II).

Leliaards boven

In de meeste steden verzette een groot deel van de bevolking zich tegen de machtsmisbruiken van de exclusieve groep van zijn bestuurders. Gewijde van Dampierre, de graaf van Vlaanderen, probeerde de stedelijke financiën onder zijn toezicht te brengen waarop onlusten uitbraken. Gent riep koning Filips ter hulp. Voor de Franse koning was dat aanleiding om het graafschap onder zijn rechtstreekse gezag te plaatsen. Hij verbood Vlaanderen handel te drijven met Engeland en eiste dat er alleen zijn munten naast die van de graaf gebruikt werden. De in zijn macht beknotte Gewijde koos in 1297 de kant van Edward I van Engeland, de erfvijand van Frankrijk. Daarop bezette een Frans leger het graafschap en Gewijde en zijn oudste zoon Robrecht werden gevangen gezet.

Gewijde van Dampierre was de tweede zoon van Willem II van Dampierre en Margaretha van Constantinopel. Na de dood van zijn oudere broer Willem III van Dampierre, die werd vertrapt door paarden tijdens een toernooi in 1251 in Trazegnies, werd hij de erfopvolger van het graafschap Vlaanderen. Door zijn huwelijk met Mathilde van Béthune (ook Machteld van Béthune en Dendermonde genoemd) in 1246 had hij reeds de heerlijkheden Béthune en Dendermonde verworven.

Gewijde van Dampierre was de tweede zoon van Willem II van Dampierre en Margaretha van Constantinopel. Na de dood van zijn oudere broer Willem III van Dampierre, die werd vertrapt door paarden tijdens een toernooi in 1251 in Trazegnies, werd hij de erfopvolger van het graafschap Vlaanderen. Door zijn huwelijk met Mathilde van Béthune (ook Machteld van Béthune en Dendermonde genoemd) in 1246 had hij reeds de heerlijkheden Béthune en Dendermonde verworven.

Nogal wat vooraanstaande Vlamingen schaarden zich achter Filips van Frankrijk. Die 'Leliaards', genoemd naar de lelies van het koninklijke wapenschild, stonden tegenover de 'Liebaards' of 'Klauwaards'. Hun benamingen verwezen naar de luipaardachtige klauwende leeuw op het grafelijke schild.

Tijdens zijn bezoek aan zijn nieuw kroondomein won Filips de sympathie van de Gentenaren door de drankbelasting af te schaffen. Zijn intocht te Brugge daarentegen verliep kil, omdat de bestuurders verboden hadden de vorst om een soortgelijke gunst te vragen. De ontstemming bij de ambachtslieden groeide toen de stadsbestuurders de onkosten voor de koninklijke ontvangst op de bevolking wilden verhalen. Pieter de Coninck en andere oproerkraaiers werden opgesloten, maar door het volk bevrijd. Landvoogd Châtillon strafte de stad en liet een deel van de muren slopen. De bevolking haalde evenwel de Coninck terug en erkende het gezag van Willem van Gulik, kleinzoon van graaf Gewijde, en Gewijde van Namen, een jongere gravenzoon. Zij moesten de stad echter snel ontruimen voor de troepen van Châtillon.

Brugse Metten of 'Goede Vrijdag'

Tijdens een nachtelijke verrassingsaanval, op vrijdag 18 mei 1302, later de Brugse Metten genoemd, doodden de Bruggelingen een aantal leden van het Franse garnizoen in hun stad. Jacques de Châtillon, landvoogd voor de Franse koning die leenheer van het graafschap Vlaanderen was, had de stad kort tevoren bezet. Hij kon die nacht ternauwernood ontsnappen.

Tijdens een nachtelijke verrassingsaanval, op vrijdag 18 mei 1302, later de Brugse Metten genoemd, doodden de Bruggelingen een aantal leden van het Franse garnizoen in hun stad. Jacques de Châtillon, landvoogd voor de Franse koning die leenheer van het graafschap Vlaanderen was, had de stad kort tevoren bezet. Hij kon die nacht ternauwernood ontsnappen.

In de morgen van vrijdag 18 mei 1302 slopen de vluchtelingen de stad weer in en overvielen de Fransen in hun slaap weer in en overvielen de Fransen in hun slaap. Met de hulp van de stedelingen verdreven zij de bezetters. Een honderdtal Leliaards bleef dood. De kreet 'Schild en Vriend' gold als herkenningsteken, want Fransen konden het eerste woord ervan niet behoorlijk uitspreken. Die wandaad, voor Brugge een 'Goede Vrijdag', voor latere historici de 'Brugse Metten', kon Filips niet ongewroken laten.

Een ooggetuige vertelt: Het Passieverhaal van de Fransen volgens de Vlamingen

In de roes van de overwinning van 1302 schreef een monnik in de Brugse abdij van den Eeckhoute tot vermaak van zijn medebroeders daarover een spottend verhaal in het Latijn. Zoals wel meer voorkwam zocht hij zijn komische effecten vooral in het gebruik van min of meer letterlijke ontleningen aan liturgische teksten, die de middeleeuwers vertrouwd in de oren klonken.

'Te dien tijde riep de koning van de Fransen, Filips, zijn leerlingen bijeen en sprak tot hen in het geheim: "Wie zeggen de mensen dat de graaf van Vlaanderen is?" Een onder hen, Pierre Flotte was zijn naam, zei: "Heer, Gij zijt de koning van Vlaanderen". Hierom zeide de koning tot hem: "Zalig zijt gij, Petrus, want niet vlees en bloed hebben U dit geopenbaard... En ik zeg U: Gij zijt Petrus (steen) en op deze steenrots zal ik mijn raad bouwen." De koning dan, na zijn gezanten te hebben ontboden, zei hun: "Gaat naar Vlaanderen en zegt aan de Vlamingen: Indien zij van mijn rijk afscheiden, zal ik hun huizen afbreken, mijn zwaard zal ik zwaaien en mijn koninklijke macht zal ze onderwerpen."

Zij kwamen dan in Vlaanderen aan en zeiden tot de Vlamingen, zoals de koning het bevolen had. Maar de Vlamingen antwoordden: "Onze steden en omwalde nederzettingen hebben wij zelf met pracht gebouwd... Uw koning moet niet een herder maar eerder een wolf genoemd worden omdat hij wil dat de schapen verscheurd en aan de wolf onderworpen worden." En: "Omdat wij geen kuikens zijn, zijn wij niet geneigd ons onder zijn vleugels te scharen." Toen de gezanten dit antwoord hadden ontvangen, vertrokken zij om de koning te melden alles wat zij gehoord en gezien hadden. De koning ontbood de graaf van Artois en zijn andere medeleerlingen en zei: "Gaat in de hele wereld en verkondigt alle volkeren de weerbarstigheid van de Vlamingen... En wanneer gij Vlaanderen zult doortrekken, doodt alle Vlamingen in de moederschoot en zelfs nog jonger...".

De dood van Robert II, graaf van Artois, tijdens de Guldensporenslag (11 juli 1302).De dood van Robert II, graaf van Artois, tijdens de Guldensporenslag (11 juli 1302).

En de graaf verzamelde zijn hele legerbende en vertrok onmiddellijk en kwam in Vlaanderen toe. En toen dit aan Pieter de Coninck gemeld was, trok deze hem tegemoet met een gevolg van honderdduizend manschappen... En Pieter trok dan zelf het zwaard en sloeg hem (Artois) het rechter oorlelletje af... Pieter sloeg andermaal toe... En de graaf viel ter aarde en zei biddend: "Vader, indien het mogelijk is, laat dan deze kelk aan mij voorbijgaan. Nochtans niet mijn wil, maar Uw wil geschiede, Petrus." En er ontstond een grote aardbeving vanaf het derde uur (middag) tot het negende uur. En op het negende uur riep de graaf met luide stem zeggende: "Bayard, Bayard (zijn paard), où es tu? Pour quoi m'as-tu refusé?" Dat is: "Mijn paard, mijn paard, waarom hebt gij mij verlaten?"

En na deze woorden gaf hij de geest... En een van de Vlamingen zegde: "Waarlijk, deze was een verfoeieling van God." En vele andere dingen zijn geschied, die niet in dit boek zijn opgeschreven... En, na de raad te hebben gekregen, niet naar de Vlamingen, die paraat stonden om te strijden, terug te keren, is hij (de koning) langs een andere weg naar zijn eigenland teruggekeerd."

Nieuwe kloof tussen graaf en onderdanen

De band tussen het Franstalige gravenhuis en zijn Nederlandstalige onderdanen kwam onder druk te staan. Brugge behield wel zijn stadszegel waarop het na 1302 de leeuw van het grafelijke schild had aangebracht, maar tijdens rellen in 1305 sloeg Jan Breydel de grafelijke vertegenwoordiger op straat neer. In 1302 en volgende jaren won de volkstaal in officiële documenten veld. Toch bleef Filips van Chieti, tussen 1303 en 1305 'tenans le gouvernement de Flandres' voor zijn vader Gewijde en zijn broer Robrecht, in stukken voor Nederlandstalige steden het Frans gebruiken.

De slag bij Pevelenberg (Mons-en-Pévèle) op 18 augustus 1304, waar hun overmoed de Vlamingen duur te staan kwam. Ook hier hanteren de Vlamingen hun goedendags tegen de Franse ruiters.

De slag bij Pevelenberg (Mons-en-Pévèle) op 18 augustus 1304, waar hun overmoed de Vlamingen duur te staan kwam. Ook hier hanteren de Vlamingen hun goedendags tegen de Franse ruiters.

Robrechts populariteit verbeterd allerminst toen hij in 1312 van het door Filips bezette Frans-Vlaanderen afzag voor een aandeel in de betalingen die deze in 1305 waren toegezegd. Om zijn eigen deel te innen moest Filips aanhoudend met dwangmaatregelen dreigen. Zo dreef hij Robrecht opnieuw tegen zich in het harnas. In 1320 werd het geschil beëindigd door de overdracht van Frans-Vlaanderen aan Frankrijk en het huwelijk van Robrechts kleinzoon Lodewijk met een Franse koningsdochter.

Deze Lodewijk van Nevers volgde in 1322 Robrecht op. Om de steun van de steden te winnen, leverde hij het platteland aan hun dominantie uit. Brugge, Ieper en Gent verdeelden het graafschap in drie invloedssferen en bestreden krachtdadig de plattelandsindustrie. Niettemin rebelleerde Brugge toen Lodewijk Sluis aan zijn oudoom Jan van Namen overdroeg. De stad voelde zich in haar zeehandel bedreigd. Tegelijk broeide in Kust-Vlaanderen ontevredenheid over de belastingen en de knoeierijen daarmee, en over de eisen van de kerkelijke en adellijke grootgrondbezitters. Begin november 1322 barstte de opstand los. Een van de aanvoerders was Niklaas Zannekin. In de steden kozen de werklieden, vooral de wevers, partij voor het oproer.

Lodewijk II van Nevers of Lodewijk I van Vlaanderen (Nevers, ± 1304 – Slag bij Crécy, 26 augustus 1346), ook Lodewijk van Crécy genoemd, was graaf van Vlaanderen en van Nevers (1322-1346), en graaf van Rethel (1322-1346).

Lodewijk II van Nevers of Lodewijk I van Vlaanderen (Nevers, ± 1304 – Slag bij Crécy, 26 augustus 1346), ook Lodewijk van Crécy genoemd, was graaf van Vlaanderen en van Nevers (1322-1346), en graaf van Rethel (1322-1346). Zijn vader Lodewijk (voor Nevers bekend als Lodewijk I van Nevers - de hier besproken graaf wordt ook kortweg Lodewijk van Nevers genoemd) was de zoon van Robrecht III van Bethune uit diens tweede huwelijk met Yolande van BourgondiŽ; hij was niet de volgende graaf van Vlaanderen omdat hij twee maanden vroeger dan zijn vader overleed. Als kleinzoon en opvolger van graaf Robrecht († 17 september 1322), werd Lodewijk opgevoed aan het hof te Parijs, waar hij in 1317 als dertienjarige trouwde met Margaretha, de achtjarige dochter van koning Filips V.

Op grond van het verdrag van Athis-sur-Orge liet de Franse koning Vlaanderen in de kerkban slaan en alle Vlaamse handel met Engeland verbieden. De opstand hernam nog gewelddadiger. Een Jocob Peyt zou zelfs verklaard hebben dat hij 'slechts één geestelijke op aarde wenste te zien, en dan nog opgeknoopt'. In 1328 verpletterde een Frans leger de opstandelingen bij Cassel. Duizenden bleven dood. De repressie hield meer dan drie jaar aan. Graaf Lodewijk bedolf zijn onderdanen onder bijkomende schattingen en eigende zich opnieuw het toezicht op de stedelijke financiën en de aanstelling van de stadsmagistraten toe. Zijn verdere regering bleef hij trouw aan zijn beschermer en meester, de Franse koning.

Aleidis, een geslepen weduwe in Brabant

Op de afbeelding Hertog Hendrik III van Brabant, te samen met zijn echtgenote Aleidis van Bourgondië. Na het overlijden van haar echtgenoot, trad Aleidis op als regentes van hun zwakbegaafde zoon Hendrik IV. Ze bleef deze taak uitvoeren tot aan de inhuldiging van haar tweede zoon, Jan als Hertog van Brabant.

Op de afbeelding Hertog Hendrik III van Brabant, te samen met zijn echtgenote Aleidis van Bourgondië. Na het overlijden van haar echtgenoot, trad Aleidis op als regentes van hun zwakbegaafde zoon Hendrik IV. Ze bleef deze taak uitvoeren tot aan de inhuldiging van haar tweede zoon, Jan als Hertog van Brabant.

Intussen had Hertog Hendrik III van Brabant - hij was overleden in 1261 - slechts minderjarige kinderen nagelaten. Om zijn onderdanen aan hen te binden, had de hertog bij testament meer vrijheid en rechtszekerheid beloofd. Voor een land zonder volwassen vorst dreigden nogal wat gevaren. Daarom besloten de Brabantse steden eendrachtig de wettige erfgenaam Hendrik IV en de 'landsvrouw' te steunen. Hertogin-weduwe Aleidis speelde de op het regentschap beluste hertogelijke verwanten sluw tegen elkaar uit en zo kon ze de regering zelf in handen houden.

Te Kortenberg liet zij door de abten, edelen en steden goedkeuren dat de jongere Jan zijn gehandicapte broer Hendrik IV op de troon zou vervangen. Arnold van Wezemaal verzette zich hier tegen en kreeg daarbij de steun van onder meer de 'Colneren', een van de leidende clans te Leuven. Met behulp van ambachtslieden verdren zijn hun rivalen, de Blankaarden. Een tijdje konden ze Aleidis en haar zonen zelfs gevangen houden. Na de nederlaag van de Colneren kon Jan I in 1267 toch de troon bestijgen. Om het opstandige Leuven te straffen, zou de hertog voortaan Brussel als residentiestad verkiezen.

Harba lori fa, zong hertog Jan

De Slag van Woeringen volgens Nicaise De Keyser. De romantische spektakelschilder uit Antwerpen penseelde dit doek in 1839 als een Brabantse tegenhanger van de Vlaamse Guldensporenslag die hij enkele jaren voordien had afgeleverd. In de Belgische geschiedschrijving van die tijd werden de twee veldslagen beschouwd als de grondslagen voor de Belgische onafhankelijkheid tegenover Duitsland en Frankrijk. Het schilderij bevindt zich in het Keulense Wallraf-Richartz-Museum.

De Slag van Woeringen volgens Nicaise De Keyser. De romantische spektakelschilder uit Antwerpen penseelde dit doek in 1839 als een Brabantse tegenhanger van de Vlaamse Guldensporenslag die hij enkele jaren voordien had afgeleverd. In de Belgische geschiedschrijving van die tijd werden de twee veldslagen beschouwd als de grondslagen voor de Belgische onafhankelijkheid tegenover Duitsland en Frankrijk. Het schilderij bevindt zich in het Keulense Wallraf-Richartz-Museum.

Vermaard als tornooivechter en dichter van minneliederen verwierf Jan I in 1288 nog meer roem als de overwinnaar van Woeringen (bij Keulen) en veroveraar van Limburg. Dat was een hertogdom rond het gelijknamige slot in de omgeving van Verviers. Jan had de erfrechten ervan gekocht en kon ze vijf jaar later te Woeringen tegen de overige pretendenten hard maken.

De Brabantse steden hadden zich afzijdig gehouden. Noodgedwongen moesten zij wel met het hele land bijdragen om de hertogelijke schulden aan te zuiveren, al was het maar om in het buitenland niet te worden aangehouden. De zeven 'goede' steden Leuven, Brussel, Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Tienen, Nijvel en Zoutleeuw, betaalden daarvan traditioneel een derde. Natuurlijk lieten zij zich vergoeden met bijkomende privilegies. Voor de plattelandsbevolking liet de hertog in 1292 bovendien het strafrecht op schrift stellen.

Op 3 mei 1294 bezweek Jan op een tornooi te Bar (Frankrijk). Het skelet werd te Reims ontvleesd en te Brussel bijgezet in de Minderbroederskerk.

Een hertog met zakenzin

Jan II van Brabant (?, 27 september 1275 - Tervuren, 27 oktober 1312), bijgenaamd de Vreedzame, was hertog van Brabant en Limburg van 1294 tot aan zijn dood. Hij is bijgezet in de Kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele te Brussel. Hij was een zoon van Jan I en Margaretha van Dampierre. Op buitenlands vlak voerde hij in de rivaliteit tussen Frankrijk en Engeland een neutraliteitspolitiek zodat hij zowel de wolinvoer uit Engeland als de lakenuitvoer naar Frankrijk veiligstelde. Op het binnenlandse vlak had hij af te rekenen met sociale onrust in de steden, waarbij hij het patriciaat steunde. In 1306 versloeg hij de opstandige Brusselse ambachtslieden. Op het einde van zijn leven moest hij, door de toenemende macht van de steden en de deplorabele toestand van de financiën, in het Charter van Kortenberg (27 september 1312) grote concessies doen aan de standen.

Jan II van Brabant (?, 27 september 1275 - Tervuren, 27 oktober 1312), bijgenaamd de Vreedzame, was hertog van Brabant en Limburg van 1294 tot aan zijn dood. Hij is bijgezet in de Kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele te Brussel. Hij was een zoon van Jan I en Margaretha van Dampierre. Op buitenlands vlak voerde hij in de rivaliteit tussen Frankrijk en Engeland een neutraliteitspolitiek zodat hij zowel de wolinvoer uit Engeland als de lakenuitvoer naar Frankrijk veiligstelde. Op het binnenlandse vlak had hij af te rekenen met sociale onrust in de steden, waarbij hij het patriciaat steunde. In 1306 versloeg hij de opstandige Brusselse ambachtslieden. Op het einde van zijn leven moest hij, door de toenemende macht van de steden en de deplorabele toestand van de financiën, in het Charter van Kortenberg (27 september 1312) grote concessies doen aan de standen.

Zijn zoon Jan II verbleef sinds zijn huwelijk met de Engelse koningsdochter Margaretha aan het Engelse hof. Hij spoedde zich naar Brabant, want zijn oom Godfried maakte aanstalten voor een machtsgreep met Franse steun. Godfried zou, zoals hierboven reeds gezegd, in 1302 sneuvelen in de rangen van de Fransen.

Jan II bleef aanleunen bij Engeland, met enorme economische voordelen voor zijn onderdanen. Tussen 1295 en 1298 was de officiële markt van de Engelse wol gevestigd te Antwerpen, waaraan de hertog de Engelse kooplui met uitgebreide voorrechten hoopte te binden. Die wol was bijzonder welkom omdat de Brabantse steden, aangemoedigd door de tijdelijke terugval van de lakenhandel in Vlaanderen, hun wolindustrie verder ontwikkelden. Brabants laken verscheen vanaf de jaren 1270 op vele Europese markten, onder meer in Frankrijk. Daar had Filips de Schone de Brabantse handelaars in 1304 zelf uitgenodigd om de Vlamingen te treffen.

Overal spanden stadsbesturen samen met de gilden van lakenkooplui en -producenten om de lonen van de eenvoudige wevers laag te houden. In Brabant onderdrukte Jan II de opstand van de textielarbeiders toen die na 1302 en naar Vlaams voorbeeld daartegen in actie kwamen. In 1306 liet hij als straf veel Brusselse wevers levend begraven.

Verenigingen van werknemers en stakingen om looneisen werden verboden. Zo kregen de gilden van de lakenkooplui opnieuw het meesterschap over het lakenbedrijf. Alleen wie het hoge lidgeld van de gilde kon betalen en geen handenarbeid verrichtte, kon onbeperkt lakens verkopen.

De Raad van Kortenberg

De abdij van Kortenberg, op een afbeelding van Antionius Sanderus, uit ca. 1659. In deze abdij werd het charter van Kortenberg (27 september 1312) opgesteld.

De abdij van Kortenberg, op een afbeelding van Antionius Sanderus, uit ca. 1659. In deze abdij werd het charter van Kortenberg (27 september 1312) opgesteld.

Voor Jan II naar Parijs vertrok voor de behandeling van zijn nierstenen, effende hij het pad voor zijn minderjarige opvolger. Met het charter dat hij op 27 september 1312 te Kortenberg bezegelde, kwam hij zijn onderdanen tegemoet. Het bekrachtigde de voorrechten die zijn voorouders al hadden verleend en stelde een Raad in die om de drie weken te Kortenberg als opperste gerechtshof van Brabant zou zetelen. Die Raad keek nauwgezet toe op het respecteren van de rechten van de Brabanders door de vorst of zijn ambtenaren. Inbreuken hierop werden door de Raad veroordeeld. Bij niet naleving daarvan konden de onderdanen de hertog gehoorzaamheid weigeren. De Raad bestond uit veertien raadsheren: vier ridders, drie afgevaardigden van Leuven, drie van Brussel en telkens een van Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Tienen en Zoutleeuw.

Het standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck, de twee lokale volkshelden die in 1302 een grote rol speelden in het Vlaamse verzet tegen de Franse koning, met de Guldensporenslag tot gevolg. Het standbeeld werd opgericht in 1887, de periode van het historisch romantisme. Door de wrijvingen tussen het Vlaamsgezinde Breydelcomité en het Franstalige stadsbestuur is het standbeeld twee keer ingehuldigd geweest: op 11 juli 1887 en tussen 14 en 22 augustus 1887.
Voorstelling door J.-L. Huens ('s Lands Glorie) van de beruchte Brugse Metten in de nacht van 17 op 18 mei 1302. De strijdkreet waarmee de Bruggelingen de slapende Fransen overvielen en voor een deel doodden, was waarschijnlijk geïnspireerd op een psalm: "God is mijn helper. Hij is mijn schild".

Voorstelling door J.-L. Huens ('s Lands Glorie) van de beruchte Brugse Metten in de nacht van 17 op 18 mei 1302. De strijdkreet waarmee de Bruggelingen de slapende Fransen overvielen en voor een deel doodden, was waarschijnlijk geïnspireerd op een psalm: "God is mijn helper. Hij is mijn schild".

Een indrukwekkend leger kwam de Vlamingen mores leren. Ondanks de Vlaamse overwinning in de Guldensporenslag sleepten de vijandelijkheden aan. Op 18 augustus 1304 ontsnapten de Vlamingen te Pevelenberg, nabij Rijsel, ternauwernood aan de verplettering.

Met de vrede van Athis-sur-Orge in juni 1305 zag Filips de Schone af van de inlijving van het graafschap, maar behield de districten Rijsel, Dowaai (Douai) en Bethune voor zich.

Vlaanderen kreeg verpletterende boetes opgelegd en riskeerde kerkelijke straffen bij elke schending van het verdrag. Robrecht van Bethune, die zijn overleden vader opvolgde, legde er zich bij neer en betaalde zo zijn vrijlating, tot ergernis van zijn onderdanen. Die bleven de uitvoering met alle middelen tegenwerken, zeker toen de koning door een muntrevaluatie het drievoudige van de overeengekomen sommen wilde opeisen.

Jan III (?, rond 20 oktober 1300 - Brussel, 5 december 1355) was hertog van Brabant en Limburg van 1312 tot 1355, en volgde in die functie zijn vader Jan II op. Vanaf 1327 was hij twaalf jaar lang de heer van Breda. Zijn beleid werd gekenmerkt door de uitbouw en de versteviging van het machtsapparaat en door de dominante rol van de steden. Wegens het voortijdige overlijden van zijn beide zonen Hendrik (? 1349) en Godfried (? 1352) werd Jan III na zijn dood opgevolgd door zijn oudste dochter Johanna. De betwisting van deze erfregeling door Vlaanderen en Gelre leidde tot de Brabantse Successieoorlog en de Vrede van Aat.

Jan III (?, rond 20 oktober 1300 - Brussel, 5 december 1355) was hertog van Brabant en Limburg van 1312 tot 1355, en volgde in die functie zijn vader Jan II op. Vanaf 1327 was hij twaalf jaar lang de heer van Breda. Zijn beleid werd gekenmerkt door de uitbouw en de versteviging van het machtsapparaat en door de dominante rol van de steden. Wegens het voortijdige overlijden van zijn beide zonen Hendrik (? 1349) en Godfried (? 1352) werd Jan III na zijn dood opgevolgd door zijn oudste dochter Johanna. De betwisting van deze erfregeling door Vlaanderen en Gelre leidde tot de Brabantse Successieoorlog en de Vrede van Aat.

Toen Jan II een maand later overleed, toonden de regenten van de minderjarige Jan III weinig aanstalten om het charter van Kortenberg na te leven en nog minder om de beloofde afbouw van de hertogelijke schuldenberg uit te voeren. Zijn voornaamste geldschieters waren de steden. Die vormden daarom een liga om hun belangen te verdedigen. Op 12 juli 1314 kwamen zij met de regenten tot overeenstemming. Een eerste oorkonde bepaalde dat alle schade die Brabanders door de hertogelijke schulden leden, zou vergoed worden. De hertog moest zijn inkomsten en de hem toegekende toelagen in de eerste plaats aanwenden om zijn financiën aan te zuiveren. De muntslag kwam onder toezicht van de steden en de heffingen voor het onderhoud van de wegen moesten daar ook effectief aan worden besteed. Een tweede oorkonde stelde de hertogelijke schatkist en de benoeming van hoge vorstelijke ambtenaren onder toezicht van de vertegenwoordigers van de onderdanen.

Groeningeabdij te Kortrijk

De Groeningevlakte en de gelijknamige abdij zijn aan de latere Kortrijkse stadsuitbreidingen ten offer gevallen. Het oorspronkelijk terrein, bij het in 1906 opgerichte Groeningemonument, herinnert met vele straatnamen aan de gebeurtenissen van 1302. De befaamde Groeningebeek is nu grotendeels overdekt. Een fragment is nog zichtbaar in de tuin van de Sint-Antoniuskliniek.

De Groeningepoort is een herdenkingsmonument in de Belgische stad Kortrijk. De triomfboog werd gebouwd naar aanleiding van de 600ste verjaardag van de Guldensporenslag en geeft toegang tot het Groeningepark waar tijdens de middeleeuwen het Groeningeveld lag. In dit Groeningepark bevindt zich tevens het vergulde Groeningemonument. De Groeningepoort werd in 1908 in Ardense steen opgetrokken en draagt als opschrift 1302 – Groeningheveld.De Groeningepoort is een herdenkingsmonument in de Belgische stad Kortrijk. De triomfboog werd gebouwd naar aanleiding van de 600ste verjaardag van de Guldensporenslag en geeft toegang tot het Groeningepark waar tijdens de middeleeuwen het Groeningeveld lag. In dit Groeningepark bevindt zich tevens het vergulde Groeningemonument. De Groeningepoort werd in 1908 in Ardense steen opgetrokken en draagt als opschrift 1302 – Groeningheveld.

'Ter plaatse alwaar de veldslag is geschied, zegt men nog somtijds te zien verschijningen van nachtlichten... Somtijds hoort men het gerucht van enige veldwagens, met een geraas als van jagend volk, hetwelk haastelijk voortloopt, totdat het schijnt in een gracht ofte poel te verdwijnen...', zoals men nog rond 1870 kon horen vertellen.

De Sint-Michielskerk bewaart het dertiende-eeuwse beeldje van Onze Lieve Vrouw dat in de Groeningeabdij werd vereerd. In feite won het pas na 1634 faam door zijn miraculeuze hulp tijdens de pest. De gotische O.-L.-Vrouwkerk, waar de gulden sporen en de Franse vaandels na 1302 werden opgehangen, werd van die trofeeën beroofd tijdens een nieuwe Franse inval in 1382.

Dergelijke sporen en andere voorwerpen, die met de slag in verband staan, zijn nu ondergebracht in het voormalige Groeningeklooster (in het Begijnhofpark). Dat gebouw lieten de zusters van Groeninge binnen de stadsmuren optrekken toen in de decennia voor 1600 hun oorspronkelijke vestigingsplaats te onveilig was geworden. Het stadsmuseum is er in volle uitbreiding en plant voor een nabije toekomst filmvoorstellingen en een interactieve presentatie over de slag.

Uiteraard waren de regenten niet gelukkig met die beperkingen van hun macht. De steden dreven hun wil evenwel door en tot 1320 regeerden ze praktisch het hertogdom, met de steun van enkele ridders. Nu de steden het zelf voor het zeggen hadden, was de Raad van Kortenberg overbodig. Toen Jan III in 1320 meerderjarig werd en de troon besteeg, dacht de hertog er vanzelfsprekend niet meer aan zich met een dergelijk controleorgaan op te zadelen.

Het stedenbewind nam vooral de economische en commerciële belangen ter harte. Toen de heer van Valkenburg in 1318 nieuwe tollen eiste, ging een Brabants leger hem tot andere gevoelens brengen. Antwerpen werd tussen 1315 en 1320 opnieuw de verplichte markt voor de Engelse woluitvoer. Kooplui uit Duitsland, Engeland en Italië kregen er voordelen om ze van Brugge weg te lokken. Ze doken trouwens in heel Brabant op, in 1311 zelfs in Turnhout.

Kaart van Antwerpen uit de 17e eeuw (1627). Antwerpen was het centrum van de wolhandel in het Hertogdom Brabant en vocht met Brugge een concurrentiestrijd uit om de grootste wolmarkt van het land te zijn.

Kaart van Antwerpen uit de 17e eeuw (1627). Antwerpen was het centrum van de wolhandel in het Hertogdom Brabant en vocht met Brugge een concurrentiestrijd uit om de grootste wolmarkt van het land te zijn.

Tijdens zijn persoonlijk bewind zette Jan III deze politiek verder. Te Lier, Vilvoorde en Herentals erkende hij gilden van lakenkooplui en te Antwerpen begunstigde hij de vreemde handelaars. De hardleerse heer van Valkenburg werd opnieuw tot de orde geroepen en zag zijn bezit ingelijfd. Jan sloeg daarbij de bemiddeling van de Franse koning Filips VI af en ontving een uit Frankrijk verbannen rebel gastvrij. Filips sloot zich daarom aan bij een anti-Brabantse coalitie. Ook de Graaf van Vlaanderen, met wie Jan overhoop lag over het bezit van Mechelen en het gezag over de Schelde, trad in dat verbond toe. De verbonden 'zeventien landsheren' belegerden tot tweemaal toe het hertogdom in 1332-1334. Jan doorstond glansrijk hun aanvallen, mede dank zij de steun van zijn onderdanen. In ruil voor hun financiële en militaire hulp konden de steden hun invloed opnieuw versterken en de Raad van Kortenberg werd nu operationeel.

Brabants-Vlaamse verbond

In de volgende jaren koos Jan III de kant van Engeland, niet zonder financiële voordelen voor hemzelf en commerciële en economische voordelen voor zijn onderdanen.

Brabant en Vlaanderen waren sinds 1340 in een offensief en defensief verdrag verbonden; het voorzag zelfs een gemeenschappelijke munt. Toch waren de verschillen tussen Brabanders en Vlamingen opmerkelijk, zelfs toen ze samen met de Engelsen, Frankrijk binnenvielen. In Vlaanderen waren de steden de druivende krachten. Daar hadden de ambachtslieden een stem in het kapittel. In Brabant daarentegen lag de politieke leiding bij de hertog, maar zijn steden bezaten bezegelde documenten die zijn gezag aan banden legden. De corporaties van ambachtslui hadden er nauwelijks inspraak in de stadsbesturen. Terwijl in Vlaanderen de machtige en op macht beluste Franse koning geregeld tussenkwam, kon de zwakke Duitse keizer in Brabant nauwelijks gewicht in de schaal leggen.

Gezicht op het hertogelijk Hof in Brussel. Sinds hertog Jan I hebben de opeenvolgende vorstelijke bewoners de gebouwen aanhoudend uitgebreid. Uiterst links de sporen van de oude hertogelijke burcht.

Gezicht op het hertogelijk Hof in Brussel. Sinds hertog Jan I hebben de opeenvolgende vorstelijke bewoners de gebouwen aanhoudend uitgebreid. Uiterst links de sporen van de oude hertogelijke burcht.

In de jaren 1330 beleefden Vlaanderen en Brabant het toppunt van hun economische bloei. In heel West-Europa had die zijn weerga niet. Ten noorden van de Alpen was geen streek zo dicht bevolkt en met steden bezet. Alleen Parijs, Londen en Keulen konden zich meten met Gent (ongeveer 60.000 inwoners), Brugge (meer dan 40.000 inwoners) of zelfs met Ieper, Mechelen, Brussel en Leuven (rond 20.000 inwoners). De steden dankten hun bloei aan hun superieure wolindustrie. Door de doorgedreven arbeidsverdeling en -specialisatie werkten aan een luxelaken wel een dertigtal wevers, volders en andere vaklui. Een derde tot de helft van de stadsbevolking vond er zijn bestaan in. In Vlaanderen was die toestand bereikt voor 1300. De politieke verwikkelingen remden verdere groei af. De tweestrijd tussen Frankrijk en Engeland zette er de invoer van wol op de helling.

De Brabantse steden konden hun achterstand daardoor ophalen. Kort na 1300 getuigde een Frans rijmelaar: 'Die van Gent en Ieper en ook Dowaai en Mechelen en Brussel moet ik wel vermelden als de mooiste die er te zien zijn.'

In 1315 schatte men dat Leuven en Brussel binnen de kortste keren 31.000 lakens naar de jaarmarkten van Champagne zouden versturen. In Mechelen steeg de productie van ongeveer 13.000 stuks in 1314 tot 30.000 in 1334. Tegelijk slonk de Ieperse productie van 50.000 stuks tot op de helft. Die lakens waren behoorlijke zware weefsels. 1,5 tot 2 meter breed en ongeveer 32 m lang.

De rampjaren 1315-1316

Van de Apocalyps in een Biblia Pauperum, geïllumineerd in Erfurt ten tijde van de Grote Hongersnood. De Dood "(Mors") zit schrijlings op een leeuw, waarvan de lange staart eindigt in een bal van vuur, die de hel voorstelt. Hongersnood ("Fames") wijst naar haar hongerige mond.
Van de Apocalyps in een Biblia Pauperum, geïllumineerd in Erfurt ten tijde van de Grote Hongersnood. De Dood "(Mors") zit schrijlings op een leeuw, waarvan de lange staart eindigt in een bal van vuur, die de hel voorstelt. Hongersnood ("Fames") wijst naar haar hongerige mond.

Jan van Boendale, sinds 1312 vermeld als stadsklerk van Antwerpen, 'van Tervuren geboren', zoals hij zelf zegt, schreef in de Scheldestad niet alleen de stadsrekeningen en de brieven voor de schepenen, hij was ook een vruchtbaar dichter. Zoals bij vele tijdgenoten hebben de rampjaren 1315-1316 een sterke indruk bij hem nagelaten:

'In het jaar Ons Heren, weet voor waar,
Dertien honderd en nog vijftien jaar,
Toen begonnen die drie godsplagen
Die men voor eeuwig zal beklagen
Die God als straf voor de mensheid zond.
Als eerste van die plagen ontstond
Al in de maand van mei de regen
Die het hele jaar door bleef duren
Zodat de meeste vruchten en graan
Zo doende zijn verloren gegaan.'

Twee andere plagen vloeiden daaruit voort;
de levensduurte en de hongersnood.

'Want het geween en al de klachten
Van de armen waren bij machte
Geweest om stenen te vermurwen,
Zoals zij langs de straten lagen,
Hun buiken dik van de hongersnood.
Velen bleven er van armoe dood.
Zij werden met spoed zo samen geworpen
Met tientallen bijeen in putten.'

Hoervruchten

De bevolkingsdichtheid riep om verdere verbeteringen in de landbouw. Al voor 1250 werd die hier intensief bedreven op eerder kleine bedrijfjes. Er werd afgestapt van het strikte drieslagstelsel. In plaats van een akker na twee jaar bewerking een jaar braak te laten liggen om weer aan vruchtbaarheid te winnen, werden er nu 'hoervruchten' op geteeld: peulvruchten en vooral rapen, de laatste als 'navrucht' in het stoppelveld dat na de roggeoogst braak lag. Rapen waren geschikt als voedsel voor mens en vee en het raapzaad leverde olie voor de voedselbereiding en de verlichting.

Voor het verven van de lakens werden wede, meekrap en wouw geteeld voor respectievelijk een blauwe, rode en gele kleurstof. Voor de lakenbewerking teelde men kaardendistels. Die planten bezetten echter meer dan één jaar de akkers.

Voorbeeld van een typische middeleeuwse markt: boeren verkochten er de opbrengst van hun gewassen. Verder zien we op de afbeelding mooi gekleurde lakens, die werden behandeld met bepaalde planten om hun mooie kleuren te verkrijgen.

Voorbeeld van een typische middeleeuwse markt: boeren verkochten er de opbrengst van hun gewassen. Verder zien we op de afbeelding mooi gekleurde lakens, die werden behandeld met bepaalde planten om hun mooie kleuren te verkrijgen.

De nabijheid van de stedelijke markten zetten de boeren bovendien aan tot het kweken van allerlei daar verhandelbare producten. In de jaren na 1300 waren rogge, gerst, haver (ook voor het brouwen), kaardendistels, bonen en erwten normale veldvruchten, waarvan één tiende van de oogst aan de parochiekerk toekwam.

Alhoewel de landbouw in onze gewesten tot de productiefste en vooruitstrevendste in West-Europa behoorde, kon hij de groeiende bevolking niet volledig bedienen. Zeker in Vlaanderen was de aanvoer van graan onmisbaar, onder meer uit Frankrijk. Toen in 1315-1317 door aanhoudende regens drie opeenvolgende oogsten mislukten, stierven velen de hongerdood. Te Ieper werden in het jaar 1316 meer dan 3.000 doden op stadskosten begraven, te Brugge bijna 2.000, zonder hen die door familie of vrienden ter aarde werden besteld.

Het Begijnhof te Diest stamt uit de tijd van de Guldensporenslag

Typische begijnhofhuisjes in het Begijnhof van Diest.
Typische begijnhofhuisjes in het Begijnhof van Diest.

De vrijgevigheid van Arnold IV, heer van Diest, liet toe dat de plaatselijke begijnen vanaf 1271 een 'besloten hof' konden bewonen binnen het eigenlijke stadsgebied. Voordien leefden ze buiten de wallen op het grondgebied Webbekom. Het huidige begijnhof omvat verschillende straatjes met een kerk, kerkhof en hospitaal. De gotische kerk was al voor 1345 voltooid. Stenen woningen hebben in de zeventiende eeuw de lemen begijnenhuisjes vervangen. Andere begijnhoven bestonden uitsluitend uit een groep aaneengesloten gebouwen rond een centraal plein.

Poortgebouw, Begijnhof Diest.
Poortgebouw, Begijnhof Diest.

Dergelijke gemeenschappen van 'begijnen', zijnde vrome vrouwen die slechts tijdelijke en beperkte geloften aflegden, verrezen sinds de dertiende eeuw overal in de Nederlanden. Zij vonden er steun en bescherming van de stedelijke overheden, ook wanneer zij elders te lijden hadden van het wantrouwen van de kerkelijke hiërarchie en ze zelfs in 1311 en 1317 veroordeeld werden.

De vrouwen leefden van renten en onroerende goederen die zij van hun familie of vrienden kregen of van hun handenarbeid. In de relatief grote steden van Vlaanden, Brabant en Loon vonden zij niet alleen veiligheid, maar ook werk onder meer als ziekenzorgsters en wasvrouwen. De meesten kwamen echter aan de kost met de voorbereidende werkzaamheden van de wol voor de lakenindustrie, het kammen en spinnen van de wol en het noppen. In een ruw laken dat van het weefgetouw kwam zaten nogal wat knopen of noppen die er voorzichtig moesten uit worden weggewerkt.

Het rijke Brugge

  Dat de catastrofe Brugge minder trof dan Ieper, illustreert dat de bevolking er welvarender was en makkelijker aan vreemd graan kon komen. Het befaamde Vlaamse laken trok er kooplui uit de hele bekende wereld aan. In ruil brachten zij een indrukwekkend gamma producten mee. De Florentijn Francesco Pegolotti, die er omstreeks 1315 verbleef, vernoemt: wol, zilver, goud, specerijen, zijde, katoen, amandelen, was, olie, wijn, honing, bont, lamsvel, de drie rode verfstoffen kermes, meekrap en brasiliehout. Verder wede, aluin, tin, koper, kaas, roet, vet, rijst, vijgen, krenten, zeep, tarwe en rogge. Het loontarief van de makelaars vermeldde de herkomst van een zestigtal vreemde waren: Ierland, Spanje, SkandinaviŽ, BourgondiŽ, NormandiŽ, Frankfurt en Zwolle. Pelsen kwamen uit Rusland, amber uit het Balticum...

De stadsbesturen beijverden zich om hun steden zo indrukwekkend mogelijk uit te bouwen. Op dit schilderij van Pieter Claessens de Oudere van omstreeks 1560 worden de zeven belangrijkste gebouwen van Brugge in een gefantaseerd poanorama verzameld: centraal vooraan de Waterhalle, daarnaast rechts het Belfort.

De stadsbesturen beijverden zich om hun steden zo indrukwekkend mogelijk uit te bouwen. Op dit schilderij van Pieter Claessens de Oudere van omstreeks 1560 worden de zeven belangrijkste gebouwen van Brugge in een gefantaseerd poanorama verzameld: centraal vooraan de Waterhalle, daarnaast rechts het Belfort.

Zelfs voor de Brabanders was de Zwinstad onmisbaar. Zij verkochten daar hun lakens net zo goed als te Antwerpen en Mechelen en op de jaarmarkten in het buitenland. Soms kwamen de vreemde kooplui laken in de productiesteden zelf opkopen.

Alle Brabantse inspanningen konden niet verhelpen dat Brugge Antwerpen overtrof. De Scheldestad bleef een bescheiden internationale marktstad. Pegolotti, die er ook een tijd handel dreef, had voor Antwerpen beduidend minder aandacht dan voor Brugge. Aan zijn jaarmarkten, die toen zeker al bestonden, maakte hij zelfs geen woorden vuil.

Stedelijke bouwkoorts

Een brand of gewoon de bevolkingsgroei en de noden van de handel gaven de stoot voor vele stedelijke bouwplannen. Fraaie spitsbogen, imposante torens en grote gebouwen moesten daarbij de welvaart en de macht van de plaatselijke elite zichtbaar maken. In Vlaanderen was de nieuwe 'gotische' stijl in de kerkbouw al voor 1300 in zwang.

De Korenmarkt in Gent met de monumentale Sint-Niklaaskerk. Vanaf omstreeks 1200 werd een aanvang gemaakt met een verhoogde nieuwbouw van het kerkschip, vanaf ongeveer 1225 gevolgd door een nog hogere dwarsbeuk en een weergaloze toren.

De Korenmarkt in Gent met de monumentale Sint-Niklaaskerk. Vanaf omstreeks 1200 werd een aanvang gemaakt met een verhoogde nieuwbouw van het kerkschip, vanaf ongeveer 1225 gevolgd door een nog hogere dwarsbeuk en een weergaloze toren.

Brabant volgde met Mechelen, Diest, Aarschot, Tienen. Hun bouwmeesters hadden Fransklinkende namen. Om de kerkdiensten niet op te schorten werden de oude bedehuizen deelsgewijs verbouwd. Men bouwde de nieuwe er zelfs omheen of er overheen.

Op de 'plaats', het hart van de stad, verrezen indrukwekkende hallen, belforten en schepenhuizen. De Vlaamse belforten, de stedelijke klokkentorens, werden aanhoudend opgesmukt en verhoogd, ooit tot 107 meter te Brugge. 72 meter te Gent en 70 meter te Ieper. De stad Ieper stuurde in 1330 zelfs een schilder naar Brugge, Doornik en Valenciennes om er inspiratie voor de belfortdecoratie op te doen. Van de inwendige en uitwendige beschilderingen zijn alleen die in de Gentse Bijloke bewaard.

De Gulden Draak op het Belfort van Gent.

De Gulden Draak op het Belfort van Gent.

Een vergulde draak was een geliefkoosd machtssymbool waarmee de stadstorens werden bekroond. De belforten droegen immers de stadsklok, de stem van het gerecht en het gezag, die opriep tot de strijd en tot het politieke bedrijf. Tegelijk dienden zij als wacht- en uitkijkpost, gevangenis en kluis voor de stedelijke privilegiekoffer.

De Brabantse steden vergenoegden zich met een lakenhal, waarin ook het stadsbestuur een stek kreeg, en hingen hun klok in kerktorens op. De eerste steen van de Leuvense lakenhal in de Naamsestraat zit nog op zijn plaats: 'Mes(ter) Jan Stevens en mest(er) Art Horen en mest(er) Goert Raes. Dese III mesteren begonste dese Halle int jaer ons Here M CCC XVII smaendaechts na beuloken paschen' (11 april 1317). De hallen van Diest en Zoutleeuw volgden snel.

Berijmde histories

De Brabantse schrijvers overstemden na 1300 de andere auteurs in de volkstaal. Letterlijk bijna, want hun werken werden nog altijd meer beluisterd dan gelezen. Willem van Affligem, sinds 1277 abt van Sint-Truiden, benijdde de concurrenten die het publiek met leugenachtige histories en dierenfabels boeiden, terwijl zijn luisteraars 'heldekoppen' (knikkebollen) bij zijn voorlezingen.

Pagina uit het manuscript van Willem van Affligem over het leven van de H. Lutgardis van Tongeren. Het manuscript bevindt zich momenteel in de Koninklijke Bibliotheek van Kopenhagen.

Pagina uit het manuscript van Willem van Affligem over het leven van de H. Lutgardis van Tongeren. Het manuscript bevindt zich momenteel in de Koninklijke Bibliotheek van Kopenhagen.

Hij bezorgde ons onder meer een berijmde vertaling van het leven van de H. Lutgardis van Tongeren.

Vlaanderen had de weg gewezen met het dierenepos 'Reinaert de Vos' en Jacob van Maerlant. Jan Yperman, heelmeester in de stad van zijn naam, leverde met zijn 'Medicinebouc' een geneeskundig handboek in het Nederlands. De Brabantse pastoor Lodwijk van Velthem gaf in zijn voortzetting van de berijmde wereldgeschiedenis van Maerlant de uitvoerigste beschrijving van de Guldensporenslag. Vlaanderen zelf kon daar alleen het Latijnse relaas van een Gentse minderbroeder tegenover stellen. In de jaren 1290 had Jan van Heelu de heldendaden van Jan I van Brabant berijmd opdat diens Engelse schoondochter 'er de landstaal uit zou leren'. Jan van Boendale, schepenklerk van Antwerpen, schreef een geschiedenis van Brabant van Clovis(!) tot zijn eigen tijd. Door of rond hem ontstond een twaalftal berijmde politieke of moraliserende geschriften. Brussel kon zich alleen beroemen op priester Hein van Aken, auteur van traditionele ridderromans en moraliserende gedichten.