ons land - focus

 

Neolithicum - Algemeen
Trechterbeker vs. Seine-Oise-Marne
Culturen in Vlaanderen
Home

Neolithicum (Jonge Steentijd) (10.000 jaar v. Chr. tot 2.000 jaar v. Chr.)

Het neolithicum of de jonge steentijd is de prehistorische periode die ca. 10.000 jaar v. Chr. begon. Deze periode wordt gekenmerkt door technische en sociale veranderingen. Deze kwamen voort uit de overgang van een samenleving van jager-verzamelaars met een rondtrekkend bestaan naar een samenleving van mensen die in nederzettingen woonden (sedentarisme) en aan landbouw en veeteelt deden. Zij legden voorraden aan voor slechte tijden.

Men spreekt ook wel van de "neolithische revolutie". Deze zou in meerdere plaatsen op de wereld onafhankelijk van elkaar in ongeveer dezelfde tijd begonnen zijn en zich vervolgens van daaruit over heel de wereld verspreid hebben. De aanvang van de neolithische revolutie en de snelheid waarmee deze zich ontwikkelde, verschilt van regio tot regio. Wij beperken ons hier tot de verspreiding, in eerste instantie, in Europa, en later in onze eigen streek.

De voornaamste vernieuwingen in het neolithicum waren het gebruik van werktuigen van gepolijste steen, keramisch vaatwerk (gebakken potten), de ontdekking van metaalbewerking (koper, in het finaal neolithicum), het wiel en het schrift.

De neolithische revolutie begon eerst op die plaatsen die daar het gunstigst voor waren wat betreft klimaat en voedselbronnen. In zeer koude, zeer hete of droge gebieden bleef men langer als jager-verzamelaar leven. Voor Europa bevond deze bakermat zich in de Vruchtbare Sikkel (het Midden-Oosten) en in Zuid-Anatolië (Turkije). Vervolgens verspreidde het neolithicum zich vanuit deze plaatsen over heel Europa.

Verspreiding in Europa

De aanvang van het neolithicum en de snelheid van de ontwikkelingen, verschilt van regio tot regio. In sommige regio's zijn deze veranderingen relatief snel gegaan en sommige auteurs menen dan ook te kunnen spreken van een neolithische revolutie. Tegenwoordig spreekt men in de geschiedwetenschap eerder van een neolithische evolutie. Het is namelijk gebleken dat deze overgang in veel regio's veel langer duurde en meer geleidelijk verliep dan men aanvankelijk dacht.

Hieronder vindt u een lijst van kaartjes die de verspreiding in Europa illustreren.

Kaart 1

           
banner
Gereedschap uit het Neolithicum
Verspreiding neolithicum - Kaart 1
Verspreiding Neolithicum - Kaart 2
Verspreiding Neolithicum - Kaart 3
Verspreiding Neolithicum - Kaart 4
Verspreiding Neolithicum - Kaart 5
Gepolijste steen uit het Neolithicum

De stenen werktuigen in het mesolithicum werden gemaakt door met andere stenen stukken af te slaan van een stuk vuursteen. In het midden-neolithicum begon men werktuigen te maken van geslepen stenen.

(Hiernaast: Gepolijste stenen vuistbijl (Archeologisch Museum van Thessaloniki).

 

Trechterbeker uit Bronocice: Een wagen met een soort weg

Lang plaatste men de baanbrekende uitvinding van het wiel in Sumer (Sumerië, huidig Zuidoost-Irak) rond 4.000 v. Chr. Tegenwoordig gelooft men dat het op verschillende plaatsen ongeveer tegelijkertijd werd uitgevonden. Daarvoor werden lasten getransporteerd met behulp van sleeën en travois (een draagframe gemaakt van takken, touw en stof). Voor het transport door middel van rollende boomstammen had men een goed voorbereide weg nodig. De achterste stammen werden telkens weggenomen en vooraan gelegd. Zonder dit laatste transportmiddel zouden de Egyptische pyramiden en Stonehenge nooit gebouwd zijn.

(Hierboven: Trechterbeker uit Bronocice: een wagen met een soort weg).

Het draaibaar bevestigde wiel maakte het transport veel gemakkelijker en kon ook al in het Neolithicum met stenen werktuigen gemaakt worden. Het schijnt al eerder uitgevonden te zijn, maar werd pas na een paar eeuwen als verkeerstechnisch middel toegepast.

Eenassige kar met houten spaakwielen

Mesopotamische en Egyptische pottenbakkers gelden als de eersten die het wiel als pottenbakkerswiel hebben toegepast bij het maken van aardewerk. De eerste vondsten van wagens of afbeeldingen daarvan komen van rond 3.500 v. Chr. uit uiteenlopende streken: Uit landen rond de Alpen, uit Zuid-Polen (Bronocice), uit de Noord-Kaukasus (Majkop-cultuur - tegenwoordig in Rusland), uit Mesopotamië en uit de Induscultuur (Harappa).

(Hierboven: eenassige kar met houten spaakwielen).

Het is goed denkbaar dat er in de toekomst nog meer plaatsen worden gevonden waar het wiel is uitgevonden. En onder de oudste vondsten zijn ook al twee-assige wagens.

Vaak gingde invoeringvan het wiel gepaard met het aanleggen van wegen, maar soms ook niet: dit was afhankelijk van het terrein waarover men reed.

Al in de steentijd begon men het gewicht van het massieve wiel te verminderen door er gleuven in te maken. Een uitvinding uit de bronstijd was de spaak die rond 2.000 v. Chr. in het Midden-Oosten werd ingevoerd. Met dit stevige en lichte spaakwiel bouwde men strijdwagens. De eerste spaakwielen hadden bronzen spaken, later werden ze van hout gemaakt. Wel bleef het lager met brons beslagen.

Het schrift

Kleitablet met spijkerschrift

Schrift is een communicatiemiddel en men kan er gesproken informatie mee bewaren. Het is een van tevoren afgesproken systeem, waarin tekens een vaste betekenis hebben. Deze tekens worden op een drager geschreven, waardoor ze weer (gebruik makend van dezelfde afspraken) gedecodeerd ofwel gelezen kunnen worden.

Voor de ontwikkeling van het schrift had men slechts de mondelinge overlevering. Dit borg het gevaar in zich dat onderdelen van het verhaal werden weggelaten, toegevoegd of veranderd.

Het ontstaan van het schrift wordt geplaatst in bijna alle bekende culturen in het laat neolithicum: Sumer, Egypte, Indus-cultuur, Rijk van het midden, Olmeken en tegenwoordig ook wel in Zuid-Anatolië.

Traditiegetrouw noemt men Sumer als de plaats waar het schrift in de vorm van spijkerschrift voor het eerst ca. 3.300 v. Chr. is gebruikt in verband met de toenemende handel en bureaucratie.

(Hierboven: Kleitablet met Sumerisch spijkerschrift uit ca. 2.400 v. Chr.)

Bullae: aanvankelijk werden driedimensionale vormpjes van klei gemaakt die goederen en aantallen symboliseerden. De voorwerpjes werden opgesloten in een zakje van klei en afgesloten met een zegel. Dit werd meegegeven aan degene die bijvoorbeeld een kudde dieren moest afleveren. De afnemer kon dan zien of de levering klopte. Het schrift begon, toen deze driedimensionale vormen werden overgebracht op een plat vlak. In een plak klei werden de symbolen gekrast. Deze symbolen ontwikkelden zich tot pictogrammen. Een voet werd aangegeven door een tekeningetje van een voet. Later ging dit echter ook verwijzen naar "gaan" en "staan". De symbolen voor "vogel" en "ei" betekenden samen "opvoeden". De tekens werden hiermee ideogrammen.

Het schrift werd in de loopt van het derde millennium v. Chr. eerst alleen gebruikt voor economische doeleinden: wetteksten, contracten, brieven, boekhoudkundige teksten.

Rond 2.700 v. Chr. stopte men met het krassen in klei en ging men indrukken maken met een stylus. Dat leidde tot een sterke schematisering: de symbolen zijn nauwelijks nog herkenbaar. Door de vorm van de stylus ontstond het typische spijkerschrift. Ook schreef men niet meer van boven naar beneden maar van links naar rechts. Vanaf 2.600 v. Chr. werd het schrift ook gebruikt voor historische teksten, bezweringen, epen, hymnen en liefdespoëzie, dit alles vaak in een religieuze context.

De andere bevolkingsgroep in Mesopotamië, de Akkadiërs, begon pas later te schrijven. In het eerste millennium had het spijkerschrift zich ontwikkeld tot een lettergrepenschrift met ca. 600 tekens.

De Egyptische hiërogliefen worden soms gezien als een idee dat uit voor-Azië is geïmporteerd, maar door nieuwe vondsten van Günter Dreyer denkt men dat het om een zelfstandige uitvinding gaat.

Reeds rond 9.500 v. Chr. werden er in Zuid-Anatolië in Göbekli Tepe stenen gemaakt met geometrische lijnen, waarvan onderzoekers met enige zekerheid zeggen, dat ze dienden voor het rekenen. Rekenen is waarschijnlijk het belangrijkste fundament voor de ontwikkeling van een echt schrift. De gevonden stenen kregen de latijnse naam calculi, waarvan het woord "calculeren" (rekenen) is afgeleid. In Nevali Cori zouden bullae gevonden zijn.

Opkomst van specialisatie, hiërarchisering, oorlog en staten

Neolithische pot uit Korea

Aanvankelijk was er in het Mesolithicum en het vroege Neolithicum een heterarchie, iedereen deed alles zelf en iedereen had in principe evenveel te vertellen. Hooguit was er een ad hoc leider bij de jacht. Als er al sprake was van bestuur, dan was dit bottom-up.

Met de omschakeling van jager-verzamelaars naar een gevestigd boerenbestaan, kwam er een toenemende specialisatie (bv. één herder per dorp, één pottenbakker, enz.)

(Zie hierboven: Neolithische pot uit Korea)

Later kwam er enige industrialisatie voor gebruiks- en siervoorwerpen. De (seriematige) productie hiervan was ook gespecialiseerd.

Ook ontstond er geleidelijk aan een hiërarchische organisatie van de gemeenschap:

In onderlinge competitie ontstond een snelle toename van de kennis over het beheer van de omgeving. Men kon zich nu economisch aanpassen en omgaan met tekorten in de opbrengst van de omgeving, iets wat daarvoor onmogelijk was. Er kwamen voorraden en voorraadbeheer. Er was in toenemende mate industriële productie en technische vernieuwing. Er kwam geleidelijk aan handel, soms met verre gebieden.

Neolithisch bijltje

Er kwam een zekere mate van welstand voor sommige nederzettingen en sommige mensen. Er kwam ongelijkheid van bezit. Daarmee kwamen er echter toenemende conflicten tussen en binnen de nederzettingen. Geleidelijk aan werden de nederzettingen versterkt, er kwamen muren omheen. De nederzettingen werden steeds groter, de vorming van stadstaten begon en oorlog werd een middel om belangen te behartigen.

(Hierboven: Neolithisch bijltje)

Door het aanleggen van voorraden en het verzamelen van kapitaal begon het verschijnsel "privé-eigendom" maar ook diefstal op te treden. Er kwamen mogelijk vormen van rechtspraak.

Ook ontstond door de aanleg van voorraden een sterke bevolkingsgroei. Toch werden mensen nu (in vergelijking met het paleolithicum) kleiner, daalde hun levensverwachtingen en hadden ze meer infecties. Dit wordt wel toegeschreven aan het feit, dat ze door in nederzettingen te wonen niet meer zo mobiel waren om bij een slechter wordend klimaat snel te verhuizen. Daardoor zouden zij nu juist eerder het slachtoffer zijn geworden van hongersnoden.

Voorouderverering, religie en kunst

Over het algemeen zou men kunnen stellen dat er in het vroege neolithicum mogelijk alleen sprake was van voorouderverering die later mogelijk in sommige regio's overging in de verering van een moedergodin. Later zouden er geleidelijk aan mannelijke goden bijgekomen zijn, terwijl er op het einde van het neolithicum ontwikkelingen waren in de richting van een pantheon met goden en mythologische verhalen die aan de hoven de ronde deden. Voor het gewone volk bleef de voorouderverering belangrijk tot diep in de ijzertijd.

Meer klimaat

Rond 6.200 v. Chr. vond dan ook nog "de 8k2 gebeurtenis" plaats. Een door klimatologen zo genoemde ontwikkeling, waarbij de temperatuur over de hele wereld enkele graden daalde. Deze gebeurtenis markeerde in de Levant (het gedeelte direct ten oosten van de Middellandse Zee) het einde van het pre-keramische tijdperk.

Ötzi

Een van de bekendste recente vondsten uit het neolithicum is Ötzi, een ijsmummie die ca. 3.300 v. Chr. leefde. Zijn lichaam werd in ontdooiend ijs op een berg tussen Italië en Oostenrijk aangetroffen. Hij had typische steentijdartefacten bij zich, zoals lederen kleren, pijl en boog en ook een koperen bijl.

In Zuid-Anatolië en de vruchtbare sikkel begon het ca. 11.000 v. Chr., tijdens het einde van de laatste ijstijd (het Weichselien, in het Mesolithicum). De ontwikkelingen voltrokken zich daar zeer geleidelijk. Men kan hier beter van een evolutie spreken.

Kaart 2

Verdere verspreiding in Turkije, het meest oostelijke deel van de Middellandse Zee (bv. Cyprus) tussen 9.500 en 8.000 v. Chr.

Kaart 3

In het Middellandse Zeegebied, Griekenland en de Balkan begon het neolithicum omstreeks 6.500 v. Chr. Mogelijk in verband met gebeurtenissen rond de Zwarte Zee begon het Neolithicum in deze streken voornamelijk door migratie. De immigranten bouwden huizen en deden aan landbouw en veeteelt. Niet veel later konden zij ook potten bakken.

Kaart 4

In Noordwest-Europa begon het neolithicum ca. 6.000 - 5.500 v. Chr. voornamelijk door imitatie. De hier aanwezige volkeren keken de kunst af van huizen bouwen, landbouw, veeteelt en pottenbakken. De neolithische revolutie voltrok zich hier snel. In Limburg rond 5.500 v. Chr. De neolithische revolutie voltrok zich hier zeer snel omdat huizen bouwen, landbouw, veeteelt en pottenbakken werden geïmiteerd.

Ondertussen is door genetisch onderzoek echter aangetoond dat deze stelling van imitatie, slechts ten dele klopt. In zo goed als de volledige, huidige mannelijke populatie van Europa, werd er DNA teruggevonden van de oorspronkelijke bewoners van rond 10.000 v. Chr. die voorkwamen in de Vruchtbare sikkel (in het huidige Midden-Oosten). Correcter is het dus waarschijnlijk om te stellen dat zowel immigratie als imitatie een rol hebben gespeeld in de verspreiding van het Neolithicum in Europa.

Kaart 5

In Engeland en Denemarken begon het Neolithicum pas rond 3.700 v. Chr.

Vestiging in nederzettingen, landbouw en veeteelt

Volgens de huidige inzichten hebben de mensen in de vruchtbare sikkel en Zuid-Anatolië zich al in het late Mesolithicum gevestigd in nederzettingen. Dit begon al tijdens het einde van het Weichselien (de laatste ijstijd) ca. 11.000 v. Chr. Het ontstaan en de ontwikkeling van de nederzettingen en de manier waarop huizen werden gebouwd, verliep per regio anders. Wel werden de nederzettingen in het algemeen steeds groter en werden ze ook steeds meer beveiligd.

De in deze nederzettingen wonende mensen verzamelden in eerste instantie nog wilde gewassen voor hun levensonderhoud. Ze begonnen de velden met deze wilde gewassen enigszins te beschermen tegen wilde dieren. Later ging men steeds meer aandacht schenken aan deze velden.

Mogelijk heeft de landbouw in het vroege neolithicum een impuls gekregen naar aanleiding van een klimatologische verandering. De Jonge Dryas (ca. 10.700 - 9.500 v. Chr.) was een koudeperiode waardoor het klimaat in het Nabije Oosten veel droger werd. Door te wieden en van elders verkregen zaad te planten begonnen de mensen met het beoefenen van landbouw. Er zijn echter nog vele andere theorieën over het ontstaan van de landbouw. Volgens nieuwe inzichten begon men al rond 20.000 v. Chr. te experimenteren met de veredeling van graansoorten.

Nog later begon men ook aan veeteelt te doen. Tot dan toe joeg men voornamelijk op wilde dieren om zo in de behoefte aan vlees te voorzien. Toen de kuddes wilde dieren geleidelijk aan begonnen te verdwijnen, begon men ter compensatie aan veeteelt te doen met de domesticatie van schapen, geiten, runderen en varkens.

Uitvindingen

In het Neolithicum is het veel moeilijker een tijdsindeling in vroeg, midden, laat te maken dan bv. in het paleolithicum vermits de intrede van het neolithicum in de verschillende Europese regio's zich op verschillende tijdstippen heeft doorgezet en omdat de snelheid waarmee hij ingetreden is ook per regio verschilt. Als vuistregel kan men zeggen dat het neolithicum eerst zijn intrede gedaan heeft (vroeg neolithicum) in Zuidoost-Europa aan een matige snelheid (evolutie). Hier kunnen we dan ook gemakkelijker de standaard indeling van vroeg, midden, laat aanhouden. Daarna verspreidde het neolithicum zich in sneltempo (revolutie) over de rest van Europa (midden en laat neolithicum). In onze streken (Noordwest-Europa) vond de intrede plaats rond 5.500 v. Chr. (midden neolithicum) en nog later (laat neolithicum) in Groot-Brittannië en Denemarken.

In de hieronder beschreven uitvindingen wordt telkens uitgegaan van het eerste gebruik van deze voorwerpen en niet van de introductie in onze streken.

Gepolijste steen

Keramiek

De ontwikkelingen in het neolithicum over de uitvinding van het pottenbakken en de uitvinding van het pottenbakkerswiel verlopen per regio anders. In het Midden-Oosten duurde het erg lang na de aanvang van het neolithicum (ca. 10.000 v. Chr.) voordat het pottenbakken werd uitgevonden (ca. 6.200 v. Chr.). In Limburg begon ca. 5.500 v. Chr. het neolithicum met de Bandkeramische cultuur, mensen gingen dus tegelijkertijd huizen bouwen, aan landbouw en veeteelt doen en dus ook pottenbakken.

Koper

Algemeen wordt de kopertijd gerekend tot het late neolithicum. Het koper zou echter al rond 5.500 v. Chr. (midden neolithicum) zijn uitgevonden (mogelijk in Zuid-Anatolië). Aanvankelijk werd gedegen koper gebruikt voor werktuigen en wapens. Dit is zacht en dus gemakkelijk te bewerken. Maar de zachtheid is ook een nadeel in het gebruik. Later werd koper uit erts gesmolten. Bij het smelten kwamen verontreinigingen terecht in het koper. Vaak werd het hierdoor harder en dus beter geschikt als gereedschap of als wapen. Soms werd het daardoor echter bros en dus ongeschikt. De producten werden tot op grote afstanden geëxporteerd. Later ging men koper legeren met tin. Deze uitvinding luidt dan het begin van het bronstijdperk in. Brons is harder en slijtvaster dan koper.

Het wiel