ons land - focus

 

De Romeinse Tijd - Algemeen
Het Romeinse Rijk
Romeinen in België
Wat blijft er over?
Home
           
banner
Romeins legioen

Beroemde verhalen en overblijfselen uit de Romeinse Tijd

53 voor Christus: Caesar verplettert Ambiorix

In de late zomer van 53 voor Christus weet Julius Caesar met tien legioenen, zowat 50.000 soldaten sterk, de Eburonen te omsingelen. Enkele maanden eerder had hij de naburige Nerviërs al aangepakt, daarna de Menapiërs en de Trevieren. Nu is het tijd om met Ambiorix en de zijnen af te rekenen.

Cavaleriebevelhebber Basilius weet het stamhoofd te localiseren maar die kan nog maar net ontsnappen. "Redde wie zich redden kan", is de boodschap. Wie zich niet tijdig uit de voeten kan maken naar de Ardense wouden, de moerassen of de kuststreek, wordt genadeloos afgemaakt. Caesar nodigt de naburige stammen uit om het land van de Eburonen te plunderen en dat wordt zeer grondig gedaan. Van Ambiorix en zijn Eburonen heeft niemand nog iets vernomen. Ze zijn letterlijk van de kaart geveegd. Zo komt het grondgebied, dat later België zal heten, definitief onder de heerschappij van Rome.

Slag bij de Sabis (57 v. C)
De Schat van Ambiorix

De "schat van Ambiorix" in het Gallo-Romeins Museum bevat 94 gouden Keltische munten van Eburonen, Nerviërs en Trevieren. Waarschijnlijk werden ze geslagen tijdens de veroveringstochten van Julius Caesar, misschien wel tijdens de opstand van Ambiorix. Ze waren allicht als soldij bestemd, al werd deze nooit uitbetaald...

Ondanks al zijn strategische inzichten had Caesar in 54 voor Christus een zware nederlaag geleden tegen de Eburonen waarbij duizenden Romeinse soldaten het leven lieten. Een moeilijk te verteren nederlaag die om wraak schreeuwde. Ambiorix heeft het geweten.

Een ooggetuige vertelt: Hoe Ambiorix de Romeinen versloeg

In 54 voor Christus, een jaar voordat hij door de Romeinen verpletterend werd verslagen, wist Ambiorix met zijn Eburonen een Romeins leer in een hinderlaag te lokken. De Romeinse legerleider Caius Julius Caesar beschrijft hoe een en ander in zijn werk ging in het boek "De Bello Gallico".

Afbeelding van Ambiorix uit 's Lands Glorie

Deze prent van Ambiorix uit 's Lands Glorie door J.-L. Huens is duidelijk geïnspireerd op het standbeeld in Tongeren.

Caesar was vijf jaar voordien consul geworden en verantwoordelijk voor het bestuur over Gallië. In de verslagen van zijn veldtochten dikte hij de gebeurtenissen aan. Dit maakt het vaak moeilijk om uit te maken hoe één en ander daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Hij schilderde de Belgen af als de dappersten onder de Galliërs, maar dat gaf hem als overwinnaar alleen maar meer glans. Caesar was zeker een zeer goede observator: van een aantal inheemse gewoonten is ondertussen duidelijk dat ze min of meer plaatsvonden zoals hij ze voorstelde. Het is echter moeilijk om de plaatsen die Caesar noemde exact te situeren. Ook over de plaats waar Ambiorix de Romeinen bevocht, wordt druk gediscussieerd:

"Toen de vijanden uit het nachtelijke rumoer en uit 't opblijven van de soldaten hadden opgemaakt dat de Romeinen van plan waren te vertrekken, legden ze zich in twee groepen in de bossen in hinderlaag op een geschikte plek, ongeveer twee mijl van de legerplaats verwijderd en wachtten daar plotseling van weerskanten te voorschijn kwamen. Ze vielen de achterhoede aan, beletten de voorhoede uit het dal omhoog te klimmen en bonden de strijd aan op dit voor de Romeinen allerongunstigste terrein...".

"Geschreeuw en gejammer vervulden de lucht... Maar het ontbrak de barbaren geenszins aan beleid. Hun aanvoerders lieten langs heel de linie de order uitvaardigen dat niemand van zijn plaats mocht gaan; alles wat de Romeinen zouden achterlaten was hun buit; daarom - dat moesten ze goed bedenken - hing alles van de overwinning af... Sabinus beval de krijgstribunen die hij op dat ogenblik om zich heen had en de centurio's van de eerste cohort hem te volgen. Toen hij Ambiorix wat dichter genaderd was gebood deze hem zijn wapens neer te leggen. Hij gehoorzaamde en liet de Romeinen die hem vergezelden hetzelfde doen. Terwijl ze over de voorwaarden spraken en Ambiorix het gesprek opzettelijk rekte, werd er intussen geleidelijk een kring om Sabinus heen gevormd en werd hij gedood. Toen begonnen de vijanden op hun gewone manier victorie te roepen en hieven een luid gejoel aan. Ze stormden op de Romeinen in en brachten de gelederen in verwarring. Daar sneuvelde met het zwaard in de vuist L. Cotta en met hem het merendeel van de soldaten. De overigen trokken zich terug in het kamp waar ze uit weggegaan waren... Met moeite hielden zij tot de duisternis inviel stand tegen de bestorming. In die nacht maakten allen zonder uitzondering, daar ze geen uitkomst meer zagen, zelf een eind aan hun leven".

58 voor Christus - 500: Binnen het Romeinse Rijk

Na de verovering van Julius Caesar duurde het nog wel een hele poos vooraleer Rome een groot leger aan de Rijn stationeerde om er de noordelijke grenzen van het Romeinse Rijk veilig te stellen. Dit gebeurde pas onder keizer Augustus (27 voor Christus - 14 na Christus) en zijn opvolgers. Van de monding van de Maas en Waal in Nederland tot een heel eind in Duitsland werden nu legerkampen, wachttorens en wegen aangelegd. Dit verdedigingssysteem noemt me Limes (grens).

Borstbeeld van Julius Caesar.

Borstbeeld van Julius Caesar.

De Romeinen sloten verdragen met inheemse groepen, geleid door de elite, om naast de Romeinse legionairs de Rijn te bewaken. Vooral de Bataven (met als centrum Nijmegen) en de Tungri - de opvolgers van de Eburonen - hebben veel hulptroepen aan de Romeinen geleverd. Ze waren bekend vanwege hun cavalerie. Vermoedelijk waren de Tungri een samenraapsel van verschillende bevolkingsgroepen: nazaten van de nog weinig resterende Eburonen en andere reeds aanwezige of van over de Rijn ingeweken volkeren. Hiertoe behoorden ook de Texuandri, die door Plinius de Oudere vermeld worden. Misschien was Grobbendonk wel hun hoofdplaats.

In 69 AD lokte Julius Civilis, de leider van de Bataven, een opstand uit tegen de Romeinen. Ook de Tungri sloten zich bij Civilis aan. De opstandelingen richtten grote verwoestingen aan in het gebied tussen Nijmegen, Tongeren en Keulen. Tongeren brandde grotendeels af. Daarop besloot keizer Vespasianus de hulptroepen van Tungri en Bataven naar ver van huis afgelegen grensgebieden te verplaatsen: in Groot-Brittanië, in de Donaulanden, en zelfs in Mauretania Tingitana (Noord-Afrika).

Van civitas en vicus

De administratieve basisstructuur van de Romeinen was de civitas, de 'staat' of district. Een civitas had een hoofdplaats en verschillende grotere agglomeraties (vici) die ook administratieve en economische taken hadden. Territoriaal gezien vond de civitas haar oorsprong in de vroegere stamgebieden. Vandaar ook hun Romeinse benamingen: civitas Menapiorum, civitas Nerviorum,...

De huidige provincies Oost- en West-Vlaanderen behoorden tot de civitates van de Menapiërs en die van de Nerviërs, met als respectievelijke hoofdsteden Castellum Menapiorum (Cassel) en Bagacum (Bavay). De grens tussen beide civitates werd gevormd door de Schelde.

Velzeke, gelegen in de civitas Nerviorum, ontstond als een militair kamp en ontwikkelde zich tot een belangrijke vicus. Op de vruchtbare zand- en zandleemruggen van zuidelijk Oost- en West-Vlaanderen ontstonden grote landbouwdomeinen die mede instonden voor de bevoorrading van nederzettingen en troepen langs de Rijn. Ten noorden hiervan, in zandig Vlaanderen, waren de nederzettingen eerder kleinschalig. Toch waren ook hier vici (Wenduine, Oudenburg, Gent, Waasmunster,...).

Kortrijk (Cortoriacum) en Wervik (Viroviacum) groeiden uit tot bloeiende agglomeraties. Heiligdommen waren er in Kruishoutem en Hofstade. De kuststreek was belangrijk voor de zoutwinning. Menapische hespen waren vermaard en geliefd in het hele Romeinse Rijk.

Oudste stad

Romeinse rookschalen, gevonden te Tongeren.

Romeinse rookschalen, gevonden in Tongeren. Ze werden vaak gebruikt bij de godenverering.

Meer naar het oosten was Tongeren de hoofdplaats van de civitas Tungrorum met een belangrijke administratieve taak: het innen van taksen, zorgen voor de graanverdeling in functie van de troepen aan de Rijn, lichten van inheemse hulptroepen... Vermoedelijk behoorde de civitas Tungrorum tot omstreeks het jaar 84, onder Domitianus, tot de provincie Gallia Belgica. Vanaf die periode werd het gebied allicht bij de provincie Germania Inferior, gelegen langs de Rijnlimes, ingedeeld.

De wegen en de omwalling van de hoofdplaats werden rond 15-10 voor Christus aangelegd door militairen. Het leger was de enige instantie met voldoende technische kennis en voldoende manschappen om een dergelijk project uit te voeren. Speciaal hiervoor werd hulp gehaald uit de kampen aan de Rijn. Kort na de 'oprichting' van Tongeren vestigden er zich bewoners uit de regio. Het waren vooral leden van de inheemse elite en hun familie die zich coöperatief opstelden tegenover de Romeinen.

In het midden van de eerste eeuw waren de bewoners - getuige archeologische resten - al ten dele geromaniseerd. Dit proces ging steeds verder: in de tweede en derde eeuw kregen de woningen er een meer mediterraans uitzicht. Nabij het centrum van de hoofdplaats lag een Gallo-Romeinse tempel. Hoewel nog niet gelocaliseerd, zal ook Tongeren zeker een centraal plein (forum) en publieke badgebouwen gekend hebben.

Reconstructie van een Gallo-Romeinse woning te Tongeren.

Tongerse stadswoning aan de huidige Kielenstraat, kort na 70 na Christus. De woningen uit die tijd waren meestal mag opgetrokken uit vakwerkbouw, al hadden ze soms al een stenen sokkel. Mediterrane invloeden zijn hier al duidelijk zichtbaar.

Elke civitas had een hoofdplaats, maar lang niet alle hoofdplaatsen verkregen stadsrechten. Enkele jaren geleden kwam met zekerheid vast te staan dat Atuatuca Tungrorum, allicht in de loop van de tweede eeuw ook stadsrechten verkreeg. De vondst van een altaarsteen met opschrift 'MUN TUNG' - Municipium Tungrorum - toont dit aan. Deze belangrijke altaarsteen werd door een zekere Cat(ius?) Drousus, waarschijnlijk een Menapische zouthandelaar, toegewijd aan de god Jupiter. Tongeren is daarmee één van de weinige hoofdplaatsen in Noordwest-Europa waarvan met zekerheid vaststaat dat het stadsrechten had.

Municipium Tungrorum

Tongeren is ongetwijfeld de beste plaats om even stil te staan bij het Romeinse verleden van België. Hier vindt men het grootste aantal Romeinse resten. Al in de omgeving van Koninksem zijn tumuli en Romeinse stadsmuren te vinden. Aan de noordzijde van de stad zijn de funderingen van het Romeinse tempelcomplex nog goed bewaard. Ze liggen er tegen de Romeinse stadsmuren aan.

Al in 57 voor Christus vond bij de rivier de Sabis een krachtmeting plaats tussen Caesar en een aantal Belgische stammen onder leiding van Boduognat, koning van de Nerviërs. De illustratie komt uit 's Lands Glorie (J.-L. Huens).

Al vijf jaar is Julius Caesar in de weer om de nukkige Galliërs op de knieën te krijgen. In het huidige Noord-Frankrijk en België leefden in die tijd verscheidene aan elkaar verwante stammen: Ambiani, Atrebates, Remi, Treviri, Morini, Menapii, Nervii, Eburonen en nog wel een handvol meer. Aan het hoofd van die stammen stond een koning of stamhoofd. De leider beschikte over afhankelijke volgelingen - een cliëntele - van verschillende edelen. Die elite op zijn beurt had ook weer volgelingen en probeerde vooral krijgers aan zich te binden. Van allerlei initiatierituelen werden jonge mannen in de klasse der krijgers opgenomen. Vaak werden wapens geofferd in rivieren of op cultusplaatsen om bescherming en succes in de strijd te bekomen. De stamhoofden vormden wisselende allianties met andere stamhoofden. Op die manier werd Caesar in de Lage Landen geconfronteerd met een krijgshaftige samenleving.

Het is algemeen geweten dat Julius Caesar een briljant strateeg was. Hij maakte handig gebruik van de competitie tussen de leiders en hun aanhang en ging met sommigen van hen aparte verdragen aan: 'divide et impera' (verdeel en heers).

Resten van de ommuring van Tongeren.

Resten van de Romeinse ommuring van Tongeren uit de tweede eeuw. Ze is opgetrokken uit silexblokken ofwel vuursteen.

De eerste wegen werden in de laatste decennia voor Christus door Romeinse soldaten aangelegd. In de tweede en derde eeuw kregen de woningen een meer mediterraans uiterlijk. Midden in het huidige centrum, op het Vrijthof, staat men oog in oog met een verdedigingstoren uit de vierde eeuw. Deze maakte deel uit van de ommuring ten tijde van de Germaanse invallen. Het Gallo-Romeins Museum is zonder meer de beste plek om de geur van het Romeinse verleden op te snuiven. Er zijn vooral vondsten uit de Romeinse stad Tongeren tentoongesteld, maar ook aardewerk, glas en metalen objecten uit Haspengouwse tumuli. In de kelderverdieping staat de bezoeker oog in oog met de 'schat van Ambiorix' (zie foto hierboven).

Deze 'nationale' held kreeg een standbeeld in hartje Tongeren, op het marktplein van België's meest bekende Romeinse stad.

Standbeeld van Ambiorix op de markt van Tongeren.

Ambiorix kreeg een standbeeld op het marktplein in Tongeren. Ambiorix is het nationaal symbool van het verzet tegen vreemde overheersers. Het is tegelijk één van de vele negentiende-eeuwse ikonen die getuigen van de fierheid over de prille Belgische staat. Het kunstwerk is van de hand van de Franse kunstenaar Jules Bertin. Het werd op 5 september 1866 ingehuldigd, in aanwezigheid van Leopold II en zijn gemalin. Ambiorix zelf heeft nooit in Tongeren gewoond. De Romeinse stad Tongeren is door Romeinse militairen gesticht, in de laatste decennia voor onze tijdrekening.

Romanisering via heirbanen

Al in de tijd van Augustus werd een efficiënt wegennet uitgebouwd. Over die wegen kon het leger zich snel verplaatsen om overal de Pax Romana te behouden. Daarnaast was dat wegennet onmisbaar voor de levering van graan in steden en agglomeraties, maar vooral aan de kampen bij de Rijn. Voor de rest speelden die wegen een belangrijke rol bij het verspreiden van Romeinse goederen en gewoonten, de romanisering. Tongeren bevond zich op een kruispunt van wegen, waarvan de voornaamste deze van Keulen naar Boulogne-sur-Mer was.

Afbeelding uit Land's Glorie van een Romeinse heirbaan.

De Romeine hebben grote heirbanen aangelegd; zij hadden rechte banen nodig om op snelle wijze hun troepen te vervoeren en om de regelmatige werking van hun postdienst te verzekeren.

Ook het platteland geraakte in ruime mate geromaniseerd. In de vruchtbare Haspengouwse losszone en verder westwaarts waren de omstandigheden gunstig om aan landbouw te doen. De inheemse elite kwam al snel in het bezit van grootschalige landbouwbedrijven. Centraal op een dergelijk bedrijf lag een villa, die gebouwd werd naar Romeins-mediterraans model. Ze omvatte bijgebouwen voor de graanoogst en het vee, en ook akkers. In de omgeving van de villa werd vaak een grote grafheuvel - een tumulus - opgericht, waarin de landeigenaar zijn laatste rustplaats kreeg. In de landbouw kwam de klemtoon te liggen op gerst en tarwe (spelt en emmer). Sommige eigenaars verwierven ook eigendommen in de stad of in de grotere agglomeraties.

Fragment uit de "Tabula Peutingeriana".

Fragment van de "Tabula Peutingeriana", een dertiende-eeuwse kopie van een derde of vierde-eeuwse kaart waarop de belangrijkste wegen en plaatsen in het Romeinse Rijk staan afgebeeld. Dit is het stuk waarop Vlaanderen te vinden valt. Ook een gedeelte van de heerbaan tussen Tongeren en Bavay is weggegeven.

Ook in de Maasvallei werden resten van villa's opgegraven. Recente vondsten doen besluiten dat deze regio een belangrijke keten in de runderteelt was. Sommige nederzettingen ontwikkelden zich slechts gedeeltelijk tot een volwaardige Romeinse villa terwijl het inheemse model prominent aanwezig bleef. Dat was zeker het geval op de zandgronden in de Kempen. Hier werden vooral woonstalhuizen teruggevonden. De ontwikkeling van de landbouw zal hier ook veel minder groot geweest zijn dan in het zuiden. De economie was er waarschijnlijk veel meer gericht op het uitwisselen van goederen, in het algemeen mag gesteld worden dat de romanisering in de civitas Tungrorum - maar eigenlijk ook in andere regio's, zoals de civitas Nerviorum - op verschillende snelheden verliep.

Ook in verband met de godenverering verliep de romanisering op verschillende snelheden, al naargelang de streek. In de noordelijke regio's, op de zandgronden, was Hercules Magusanus, een inheemse variant van de Romeinse god Hercules, één van de hoofdgoden. Hij werd geassocieerd met veeteelt en krijgshaftigheid. Hercules was de Romeinse component, Magusanus de inheemse. Beide componenten versmolten tot één geheel. De zuidelijke, eerder op landbouw gerichte bewoners voelden eerder iets voor de god Mars: deze werd geassocieerd met krijgshaftigheid, maar hij zorgde ook voor een goede oogst.

Jupitergigantengroep

Voorbeeld van een Jupitergigantengroep.

Een opvallend thema in Germanië en Oost-Gallië was de Jupitergigantengroep. Een ruiter - de god Jupiter die ook wel symbool stond voor de keizer - triomfeert over enkele giganten. Dit zijn mensachtige wezens met geopende mond, waarvan de benen eindigen in een slangenlichaam. Het was een verzinnebeelding van de triomf van het goede over het kwade, een metafoor voor de overwinning van de keizer op de 'barbaren'.

Langs Romeinse wegen

De Romeinen bouwden in het huidige Vlaanderen een uitgebreid wegennetwerk uit. Het wegdek bestond uit grind. Dat diende regelmatig hersteld, zodat het grindpakket op sommige plaatsen méér dan een meter dik kan zijn. De wegen zelf hadden een breedte van 3 tot 8 meter. Aan weerszijden werden drainagegrachten gegraven. Het tracé van Romeinse wegen is vaak nog over vele kilometers te volgen. De belangrijkste weg in deze streken liep van Keulen, via Tongeren en Bavay naar Boulogne-sur-Mer.

Overblijfsel van een Romeinse weg te Helshoven, omgeving Tongeren.

De Romeinse weg (aangepast aan het huidige comfort) nabij Helshoven, in de omgeving van Tongeren.

Een beroemde vondst is een wegwijzer (zie hoofdstuk Romeinen in België) die in de negentiende eeuw in het centrum van Tongeren is gevonden. In inheemse afstandsmaten ('leugae') staan er de afstanden tussen verschillende centra in het West-Europese gedeelte van het Romeinse rijk aangeduid. Deze oudste richtingaanwijzer van België wordt bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel. Een andere belangrijke weg liep van Tongeren via Tienen naar Asse en zo terug naar het Zuidwesten. Het gedeelte tussen Tongeren en Tienen is allicht het best bewaarde tracé in Vlaanderen. Het kan te voet of per fiets nog zeer goed gevolgd worden.

Op een dergelijk traject bevonden zich etappeplaatsen met overnachtingsmogelijkheden (mansiones), afspanningen (stationes) en wisselplaatsen voor paarden (mutationes). Soms, zoals in Tienen, gaat de weg langs een grotere agglomeratie (vicus).

Net zoals tegenwoordig was in Haspengouw ook al in die tijd de graanteelt overheersend. Het stadje Borgloon, de wieg van het graafschap Loon, heeft zijn ontstaan te danken aan deze Romeinse weg. Dit kan eveneens gezegd worden van het plaatsje Brustem, waar één van de mooiste Vlaamse burchtheuvels met een donjon (woontoren) uit de twaalfde eeuw nog steeds bezocht kan worden. Langs de Romeinse weg in Brustem ligt ook een Romeinse tumulus. Ten zuiden van Sint-Truiden, vanaf Bevingen, gaat het traject verder naar Neerhespen en naar Hakendover. Daar is men in de onmiddellijke omgeving van de Romeinse vicus Tienen, waar in het museum 'het Toreke' alles over de toenmalige agglomeratie te leren valt.

Grafheuvels en waterleiding

De nalatenschap der Romeinen ligt grotendeels onder de grond verborgen. Vaak zijn enkel de monumenten die door de Romeinen in aarde werden opgetrokken nog zichtbaar in het landschap. De gebouwen uit steen werden door de bewoners uit de Middeleeuwen veelal gesloopt: het bouwmateriaal werd door hen gebruikt in nieuwe gebouwen.

De tumulus van Koninksem.

Bij de meeste Gallo-Romeinse villabedrijven hoorde ook één of meerdere tumuli. Deze tumulus van Koninksem staat al een baken aan de westkant van het Romeinse Tongeren.

In Haspengouw ontdek je in het landschap her en der 'tumuli', grote grafheuvels. Rijke villa-bezitters werden er, samen met hun bezittingen (luxe-aardewerk, glazen kannen en kruiken, bronzen kandelaars...) begraven. De mooiste voorbeelden zijn te vinden in Koninksem (Tongeren), Gutschoven, Brustem, Gingelom, Herderen, Lauw en Grimde (Tienen).

Ook het Romeinse aquaduct van Tongeren, het grootste archeologisch monument van ons land, werd opgetrokken uit aarde en heeft zijn sporen over verschillende kilometers aan de noordwest zijde van de stad nagelaten.

Alarm, daar komen de Germanen

Tegen het einde van de tweede eeuw kwamen er tekenen van verzwakking. Rond 173-174 waren er invallen van de Chauken. Zij kwamen van over de Rijn. Tongeren brandde voor de tweede keer af. In het jaar 276, maar ook later nog, kregen de Romeinen af te rekenen met grootscheepse invallen van Germanen. Ze staken de Rijn over en plunderden de Romeinse grensgebieden. In het binnenland werden op de heerbanen, zoals op de weg van Keulen naar Bologne, wachtposten opgericht. De steden werden extra versterkt. De belangrijkste stadskwartieren werden ommuurd. In de meeste steden, ook in Tongeren, verscheen er een christelijk kwartier met aan het hoofd een bisschop. Deze christelijke centra zijn eigenlijk tot op de dag van vandaag blijven bestaan.

Over de heerbanen patrouilleerden militaire eenheden. Ook in het kustgebied werden schikkingen getroffen. De Litus Saxonicum of verdedigingsgordel tegen Saksische zeerovers werd nu aangelegd. Het fort van Oudenburg werd in gebruik genomen vanaf het einde van de derde eeuw.

Geleidelijk aan kreeg de samenleving een Germaans tintje. De Germanen vestigden zich op het platteland en werden ook in het leger ingezet.

In 406 werd de Rijngrens overspoeld door Germanen, Vandalen, Sueven en Burgonden. Dit betekende het einde van de Romeinse bezetting in onze streken.

Romeins castellum in Oudenburg

De Romeinen wisten de ligging van het latere Oudenburg nabij de zee wel te waarderen. In het kader van de verdediging van de Noordzeekust tegen mogelijke invallen van de Saksen bouwden ze aan weerszijden van het Kanaal een reeks versterkingen en kozen daarvoor strategische plaatsen. Een landtong was natuurlijk uitermate geschikt.

Bronzen reconstructie van het castellum van Oudenburg.

Bronzen reconstructie van het castellum te Oudenburg. Een castellum bestond onder andere uit paardenstallen (voor twee of drie paarden). Daarachter waren de barakken voor de soldaten.

Hier bouwden de Romeinse troepen drie castella. De eerste in de tweede helft van de derde eeuw, de laatste in de vierde eeuw. De jongste werd opgebouwd uit regelmatig gekapte Doornikse kalksteen en besloeg een oppervlakte van circa 163 x 146 meter. Rondom was een diepe spitsgracht. De hoogte van de gekanteelde muren wordt op zo'n drie à vier meter geschat en op de hoeken stonden monumentale torens. Binnenin waren er werkplaatsen, toiletten en materiaaal. Oversten sliepen mogelijk in stenen gebouwen met een warmwaterinstallatie. De maquette in het park rond de O.-L.-Vrouwekerk geeft een duidelijk beel van dit castellum, dat in het begin van de vijfde eeuw werd verlaten. Ook de huidige stratenstructuur van de Oudenburgse dorpskern legt nog getuigenis van dit eeuwenoude verleden af.