ons land - focus

 

De Romeinse Tijd - Algemeen
Het Romeinse Rijk
Romeinen in België
Wat blijft er over?
Home
           
banner
Kaart van het Romeinse Rijk op het toppunt van zijn roem

De stichting van Rome tot en met het 2e triumviraat onder Octavianus (753 v. C tot 27 v. C)

753 - 509 v. C - Inleiding

Het Romeinse Rijk ontleend haar naam aan de plaats van haar oorsprong: Rome. Zoals alle steden kende ze, gesticht in 753 v. C, een langzame ontwikkeling in de loop der jaren. Op de heuvels in een bocht van de Tiber ontstonden nederzettingen als vooruitgeschoven post tegen de Grieken uit het zuiden en de Etrusken uit het noorden. Waarschijnlijk vormden ze in de loop van de 7e eeuw één agglomeratie. Maar de Etrusken, die op dat ogenblik naar het zuiden oprukten, waren zich bewust van het strategische belang van deze agglomeratie. Circa 616 v. C. veroverden ze de nederzetting en begonnen ze met de organisatie van een stadsstaat. Dat gebeurde onder Tarquinius Priscus. Hij voerde omvangrijke verfraaiingswerken door in de stad, begon met de bouw van het Circus Maximus en de cloacae (riolen). Na een heerschappij van bijna 50 jaar, werd hij in 579 v. C vermoord. Zijn opvolger Servius Tullius, een Romein, organiseerde het politieke leven en verdeelde het volk in sociale klassen op grond van waardigheid en fortuin. Het uitgebreide Rome werd omringd door een muur. Servius regeerde 44 jaar, waarna hij gedood werd door zijn schoonzoon Tarquinius Superbus, zoon van Tarquinius Priscus. Het Romeinse volk beschouwde hem als een wrede dictator. Zijn bewind werd omvergeworpen door een nationale revolutie die profiteerde van een gunstige politieke toestand, met name het verval van de Etruskische macht, om zijn juk af te werpen. In 509 v. C werd de republiek uitgeroepen.

509 - 264 v. C - De republiek tot aan de Punische oorlogen

De Romeinen hadden zo'n grote afkeer voor het koningschap gekregen dat ze, na de bevrijding in 509 v. C, er naar streefden hun regime te stabiliseren door de creatie van instellingen waarbij alleenheerschappij onmogelijk werd gemaakt. Er moest bijgevolg worden gezocht naar een nieuwe politieke formule die dat gevaar zou ontwijken. Polybus, een Grieks historicus, stelde vast dat er drie elementen aanwezig waren in de Romeinse grondwet, de drie toen gekende bestuursvormen: de monarchie, de oligarchie en de democratie. "Als men de macht van de consuls beschouwde, leek het regime volmaakt monarchaal en koninklijk; vanuit het standpunt van de senaat was het eerder een aristocratie; en als men ten slotte de macht van het volk beoordeelde, was het een uitgesproken democratie". De politieke instellingen van Rome waren op dat ogenblik een 'ideale' samensmelting van bestaande bestuursvormen, maar in de loop der jaren ondergingen ze nogal wat aanpassingen eer ze zo 'evenwichtig' werden.

Na de uitroeping van de republiek waren de omstandigheden in Rome allesbehalve gemakkelijk. Van bij de aanvang was er sprake van een broze vrede, want de steden in Latium aanvaardden de hen opgedrongen situatie niet en de Etrusken wilden alleen maar terugkeren. Tegenover deze bedreigingen reageerde Rome heftig als één man. Nu de stad vrij is, willen de Romeinen hun vrijheid niet meer verliezen.

Er kwamen oorlogen van lange adem, ze duurden tweehonderd jaar, kenden hun ups en downs en stelden het Romeinse uithoudingsvermogen zwaar op de proef. De Romeinen moesten voortdurend vechten, zowel in het noorden als in het zuiden. Wat lag er aan de basis van zoveel oorlogen, van zoveel haat? Ongetwijfeld een onnoemelijke angst! Want in die tijd verscheen een nieuwe vijand aan de horizon, met name de Galliërs die onder druk van de Etrusken, om Etrurië heen trokken, maar onverbiddelijk oprukten naar het zuiden. De Romeinen keken vol ongerustheid uit naar hun komst; tevergeefs boden ze in 390 v. C weerstand: het Romeinse leger werd uit de weg geruimd en Rome viel in handen van de Galliërs. De uitgeputte verdedigers hielden het Capitool belegerd van waaruit ze onderhandelden over de terugtrekking van de Galliërs, tegen betaling van een fors losgeld.

Tot de komst van de Galliërs hadden de Romeinen altijd een verdedigende houding aangenomen, maar nu begonnen ze met een aanvalsoorlog: ze vielen de Latijnen aan, waagden zich op Etruskisch grondgebied en versterkten hun positie door de oprichting van 'bondssteden'. Stilaan breidde de macht van Rome veldslag na veldslag uit. Rome werd na de verovering van de laatste Etruskische stad in 265 v. C heer en meester over het Italiaans schiereiland.

264 - 146 v. C - De republiek tijdens de Punische oorlogen

Rome zag in Carthago, aan de andere kant van de Middellandse Zee, een lastige buur. Carthago werd in 814 v. C gesticht in een golf tegenover Sicilië. De stad liet zich gewillig koloniseren door de Grieken. Omstreeks 500 v. C begon het Fenicische kolonies rond zich te verzamelen en daarmee ontstond een sterk gecentraliseerde economische mogendheid. Dankzij het verbond met de Etrusken kon het rijke, welvarende Carthago zich veroorloven om tegelijkertijd Griekenland aan te vallen en de eigen expansie voort te zetten. Carthago was wel een weelderige, doch hoofdzakelijk autoritaire handelsmogendheid. Het viel Sicilië aan om zijn rijkdommen uit te buiten en slaagde er gedeeltelijk in het eiland te veroveren. Rome was hiermee allesbehalve opgetogen.

Carthago, handelsmacht bij uitstek met vaste voet op Sicilië en het westelijk bekken van de Middellandse Zee, moest indien ze haar bezittingen wenste te behouden een einde stellen aan de veroveringshonger van Rome. Rome moest op haar beurt Carthago aanvallen indien ze de touwtjes in handen wou nemen. Een oorlog was onvermijdelijk. De aanleiding tot de eerste Punische oorlog - de Romeinen noemden de inwoners van Carthago 'Puni' of 'Poeni' wat Feniciërs betekend - was een uit de hand gelopen ruzie op Sicilië waarbij Carthago de stad Messina op het eiland innam.

264 - 241 v. C - De eerste Punische oorlog

Rome zag hiervan het gevaar in en besloot in te grijpen. Na de bevrijding van Messina, zette Rome de oorlog verder, maar het bevond zich, ondanks de op Sicilië behaalde successen, in een hachelijke positie. Hoe kon men immers een vijand klein krijgen die de zeeën beheerste? Rome bezat een beroepsleger maar geen vloot en de Carthagers hadden een vloot, maar hun leger was samengesteld uit huurlingen. Vrij snel besloten de Romeinen een vloot te bouwen. Voor de bouw van hun eerste schepen, die bemand werden met onervaren zeelui, gebruikten ze een oude, gestrande Punische galei. Reeds tijdens het eerste gevecht viel deze vloot in handen van de Carthagers, tot groot jolijt van deze laatsten. Maar dat was geen bezwaar om als de bliksem een tweede vloot te bouwen.

Onder het bevel van consul Duillius behaalden de Romeinen hun eerste overwinning bij Mylae in 260 v. C tot stomme verbazing van de Carthagers. Trots op hun succes trachtten de Romeinen de oorlog te verleggen naar Afrika. Onder consul Regulus landde een expeditie ten zuiden van Carthago, maar dit avontuur bekwam hen slecht want het leger werd verslagen en Regulus zelf werd gevangengenomen. Er volgden nog meer nederlagen op zee, hetzij door toedoen van de vijand of omdat schepen verloren gingen. De Carthagers bleven meester op zee, de Romeinen op het land. Ze deden er dus beter aan zich op het eiland te nestelen.

Op dat ogenblik trachtten de Carthagers, onder het bevel van Hamilcar Barkas, op hun beurt het eiland te veroveren. De Romeinen ondernamen een derde reeks gevechten op zee. Consul Latius kreeg het bevel en behaalde een schitterende overwinning in de slag bij de Aegatische Eilanden in 241 v. C, terwijl Lilybaeum, na een beleg dat 10 jaar duurde, door de landstrijdkrachten overmeesterd werd. De Carthagers moesten Sicilië ontruimen, een zware oorlogsschatting betalen, Corsica verlaten en hun expansiedrang intomen. Aldus eindigde de eerste Punische oorlog, die 23 jaar lang geduurd had en de Romeinen 700 en de Carthagers 500 schepen gekost had. Maar haat en wrok bleven het wantrouwen van de tegenstanders aanwakkeren.

In Afrika stonden de Carthagers grote moeilijkheden te wachten. Hun leger dat hoofdzakelijk bestond uit huurlingen van diverse pluimage, was allesbehalve tevreden met het verloop der gebeurtenissen en vooral met de achterstand in de uitbetaling van de soldij. Het kwam tot opstand en blokkeerde de stad. Wat volgde was een verbeten, brutale en meedogenloze oorlog, gevoerd door een stelletje huurlingen dat niets te verliezen had en dat er in slaagde Carthago de stuipen op het lijf te jagen. Ten lange leste slaagde Hamilcar Barkas er met de hulp van de Numidische cavalerie de bloedige revolte te onderdrukken.

Buste van Hannibal

219 - 202 v. C - De tweede Punische oorlog

Links: Ondanks zijn jeugdige leeftijd imponeerde Hannibal door zijn krachtige persoonlijkheid; met zijn energiek, vastberaden voorkomen dwong hij het respect af van de veteranen, zijn durf en zijn moed bezielden de soldaten: zijn bedrevenheid om bevelen te geven, stelde iedereen gerust; hij onderging alles samen met zijn soldaten, leidde hetzelfde harde leven als zij, deelde hun moeilijkheden en hun leven. Deze eenvoudige, oplettende man had oog voor alles en lette op alles; niets ontsnapte hem, zowel tijdens een gevecht als op de legerplaats. Kortom, hij was een leider. Maar bij deze fraaie beschrijving moeten we vaststellen dat zijn gebreken zijn kwaliteiten evenaarden: zijn hebzucht, zijn

meedogenloosheid, zijn onbetrouwbaarheid, zijn gebrek aan politiek inzicht waren er de oorzaak van dat de voordelen van de overwinningen verloren gingen. Hij was in ieder geval een zeer sterke persoonlijkheid, een ideale leider, een buitengewoon veldheer en een uitzonderlijk man.

Ondertussen maakte Rome van de Carthaagse zwakheid gebruik om Sardinië te veroveren, de Galliërs te verdrijven uit de Povlakte en de Illyrische kust te onderwerpen, waardoor de Adriatische zee bevrijd was van piraten. Maar Hamilcar Barkas bleef evenmin werkeloos toekijken. Omdat hij zijn nederlaag niet accepteerde en zich kost wat kost wou wreken op Rome, besloot hij op eigen houtje te handelen. Hij verliet Carthago waar zijn politieke vijanden hem in bedwang hielden en vertrok naar Spanje. Op rustige, methodische wijze veroverde hij het landsdeel tot aan de Ebro; dat was een slimme zet want door de schatkist te spijzen kon hij de Carthaagse achterdocht sussen. Na zijn dood werd zijn politiek verdergezet door zijn schoonzoon Hasdrubal die onderhandelde met Rome en niet meer dacht aan veroveringen. Na diens dood in 221 v. C kwam Hannibal, Hamilcars zoon, aan de macht. Toen veranderde alles.

Op het moment dat Hannibal aan de macht kwam was hij 25 jaar oud en grootgebracht in haat tegen Rome. Om Rome klein te krijgen had hij middelen genoeg ter beschikking: hij kon rekenen op een krijgsvaardig, gehard leger, hij bezat de Spaanse rijkdommen en kon er oprecht op rekenen dat overal waar hij voorbijtrok, de pas onderworpen volkeren in opstand zouden komen tegen Rome. Ten slotte bezat hij talent, durf, elan en was hij een begaafd tacticus.

De Romeinen waren enigszins bezorgd over de komende oorlog want ze hadden nog niet afgerekend met de Galliërs en de Illyriërs waren amper onderworpen. Men kon nooit weten of ze van de situatie gebruik zouden maken om in opstand te komen. Daarop rekende Hannibal. De inmenging van Saguntum, een met Rome geallieerde Spaanse stad, in 219 v. C stak het lont in het kruit. Hannibal wees een ultimatum van de Romeinen af en kreeg daarna volmachten van de Carthaagse regering; aan het hoofd van een leger van 90.000 manschappen, 9.000 ruiters en 38 olifanten vertrok hij uit Spanje. Enkele troepen werder gedetacheerd om de achterste linie te verdedigen. Hij rukte op naar het noorden en trok de Alpen over. Deze vermaarde tocht werkte op de verbeeldingskracht van zijn tijdgenoten die maar niet begrepen hoe de Carthagers er in geslaagd waren om een volledig leger over de Alpen te krijgen. Dat geweldig exploot bleef evenwel niet zonder gevolgen. Toen Hannibal in het najaar van 218 v. C in de Povlakte aankwam was zijn leger door alle ontberingen fel geslonken. Volgens historici uit die tijd beschikte hij op dat ogenblik nog slechts over 20.000 voetknechten en 6.000 ruiters. Hannibal kon na Romeinse tegenstand echter ongemoeid doorrukken richting Rome. Weldra bereikte hij Etrurië en trok hij verder naar Arezzo en Cortono in de hoop consul Flaminus, een roekeloos en onvoorzichtig man, in een hinderlaag te lokken vóór zijn collega-consul tussenbeide zou komen. De Romeinen werden bestormd en letterlijk afgeslacht, hun consul sneuvelde eveneens. Toen het nieuws Rome bereikte heerste er algemene consternatie, de Romeinen meenden dat elk ogenblik Hannibal kon opduiken in de stad. Maar Hannibal kwam niet...

Intussen had Rome zijn zelfbeheersing teruggevonden en besloot de senaat een dictator te benoemen, met name Quintus Fabius Maximus Cunctator. Hij was een eminent lid van een der beroemdste Romeinse families. Hij was er van overtuigd dat de Romeinen er niet in zouden slagen de Carthagers te verslaan in open veld, daarom begon hij hen op de hielen te zitten, hun bevoorrading te bemoeilijken, de foerageurs te verrassen, kortom de tegenstander uit te putten en die zou in het vijandelijk gebied alles behalve gemakkelijk hebben om terug op krachten te komen. Rome, en dan vooral het volk, was hem niet dankbaar, vandaar zijn bijnaam Cunctator - de Talmer. Fabius maakte zich daar geen zorgen over, zelfs toen op zekere dag Hannibal, die omsingeld was door zijn troepen, er door een list in slaagde te verdwijnen, samen met zijn leger. Het Romeinse volk had genoeg van deze tactiek. Twee nieuwe consuls kregen de opdracht de Carthagers uit te schakelen: Varro en Paulus.

Op 2 augustus 216 v. C. in Cannae, verlokte Hannibal Varro tot een gevecht. De Romeinen beschikten op dat ogenblik over 80.000 voetknechten en 6.000 ruiters, terwijl de Carthagers 50.000 infanteristen en 10.000 ruiters telden. De Romeinse cavalerie werd snel uiteengejaagd door de Carthaagse ruiterij die meer ervaring had. Vrij snel verpletterde de machtige Romeinse infanterie de Carthagers, die zich langzaam terugtrokken naar binnen. De plotselinge terugkeer van de cavalerie, had tot gevolg dat de Romeinse strijdkrachten omsingeld werden; er werd een zwaar bloedbad aangericht onder de Romeinen, waarbij ook de consul Lucius Paulus het leven verloor. Varro slaagde erin te vluchten. Het was de grootste ramp die Rome ooit had meegemaakt. Na een dergelijke nederlaag mocht Rome zich aan alles verwachten, zeker aan de komst van de Carthagers. Voor de tweede maal aarzelde Hannibal en schoof hij een beslissing op de lange baan, want net als alle andere Carthaagse krijgsheren was hij hebzuchtig en dacht hij alleen aan de buit. Daardoor verloor hij kostbare tijd, die de Romeinen dan weer ten volle benutten. Men maakte dan ook volgende opmerking "Vincere scis, Hannibal, sed victoria uti nescis'. 'Gij verstaat de kunst te overwinnen, Hannibal, niet die om van de overwinning gebruik te maken'.

Grafische voorstelling van de slag bij Cannae

Links: De gedenkwaardige slag bij Cannae illustreerde eens te meer de uitzonderlijke strategische begaafdheid van Hannibal: de gevechtlinie van zijn voetknechten, die van bolrond naar holrond evolueerde, was een geniale vondst. Cannae is het schoolvoorbeeld van een omsingelingsslag maar het veronderstelde wel een ruime kennis van mensen, plaats en middelen. Hannibal liet immers niets aan het toeval over, alles werd afgewogen voor de uiteindelijke beslissing werd genomen. Deze veldslag heeft eeuwen tot de verbeelding van grote leiders en historische figuren gesproken; Napoleon bijvoorbeeld trachtte hem na te bootsen.

Ondanks de afvalligheid van verschillende bondgenoten in het zuiden en het noorden raapte Rome al haar moed bijeen, probeerde het de situatie opnieuw meester te worden en haalde het de tactiek van Fabius opnieuw boven. Hannibal en zijn soldaten hadden zich in Campanië gevestigd en ze hadden het er best naar hun zin - het was een tijd van wellustig leven. Ondertussen trokken de Romeinen hun stoute schoenen aan. Daar Carthago weinig geneigd was om Hannibal ter hulp te snellen, kwam hij in een geïsoleerde positie terecht en ten slotte richtte hij zich tot Phillipus V van Macedonië die hem bijstand beloofde. Inmiddels hadden de Romeinen hun stellingen in Zuid-Italië en op Sicilië verstevigd; in 221 v.C slaagde consul Marcelus na een lang beleg er in de stad Syracuse op Sicilië in te nemen. In Spanje werden de vijandelijkheden vlot afgehandeld door aanvoerder Scipio. De Carthaagse bezittingen werden er veroverd en het aanzien van Rome werd nieuw leven ingeblazen.

De beslissende slag speelde zich af in Zama in 202 v. C. Zowel voor Hannibal als voor Scipio was het alles of niets, zowel voor Carthago als voor Rome was de inzet de toekomst. Er volgde een vreselijk treffen, een verbeten strijd. Een hele dag lang vochten Romeinse en Carthaagse infanteristen zij aan zij; op het einde van de dag bevond de Romeinse bevelhebber zich in een kritieke situatie, toen aan de horizon eindelijk de ruiters van Masinissa opdoken, die de Carthaagse cavalerie overwonnen hadden en nu Hannibals voetvolk in de rug aanvielen. Dat was het einde voor Hannibal die een tweede uitgave van Cannae beleefde, doch ditmaal in het voordeel van de Romeinen. Carthago kreeg harde vredesvoorwaarden opgelegd: het moest afzien van elke oorlog tegen Rome, zijn leger en vloot uitleveren, een zware oorlogsschatting betalen en honderd gijzelaars overdragen aan de Romeinen. Bovendien werd zijn grondgebied beperkt tot Afrika.

205 - 146 v. C - De strafexpedities

Van sommige vorsten en volkeren kon Rome niet vergeten dat ze Hannibal geholpen hadden. Trots op de behaalde successen besloot het de schuldigen te bestraffen. De belangrijkste bondgenoot was Phillipus V van Macedonië geweest. Zodra de oorlog tegen Hannibal beëindigd was begonnen de Romeinen hun vijandelijkheden tegen de Macedoniër, die van Romes moeilijkheden gebruik gemaakt had om haar bondgenoten Rhodos en Pergamum aan te vallen en de oude Macedonische droom, de verovering van Asia, te realiseren. Phillipus V werd in 197 v. C bij Cynoscephalae verpletterd door het Romeinse leger onder het bevel van consul Flaminius. Een jaar later kondigde Flaminius de onafhankelijkheid af van de Griekse steden, die bevrijd waren van de Macedoniërs en nu onder Romeins protectoraat kwamen te staan. Griekenland kwam jaren nadien nog tweemaal in opstand maar uiteindelijk, na de verwoesting van Corinthe, kwam er een einde aan zijn onafhankelijkheid. Samen met Macedonië werd het de eerste 'provincia' of Romeinse provincie.

Dan was het de beurt aan Carthago. De Romeinen waren zeer ongerust over de heropleving van de stad. Publius hernam het beleg van Carthago, dat twee jaar eerder was begonnen, blokkeerde de stad en veroverde haar in 146 v. C, waardoor de Romeinen hun angst voorgoed verloren. Het veroverde gebied werd omgedoopt tot een nieuwe provincie 'Africa' en Rome herademde. Na 120 jaar kwam er ten slotte een einde aan het gevecht op leven en dood dat twee geduchte tegenstanders in conflict gebracht had. Aan weerszijden was het een meedogenloze oorlog en wellicht de meest gedenkwaardige strijd uit de oudheid.

146 - 27 v. C - De revolutionaire periode

146 - 60 v. C - Het pre-Caesar tijdperk

In Italië was de verbazing groot toen Attalus III, de koning van Pergamum, in 133 v. C, bij gebrek aan een wettige troonopvolger, zijn rijk bij testament aan Rome vermaakte. Het toenmalige koninkrijk Pergamum strekte zich uit in het huidige Turkije langs de Egeïsche Zee; het omvatte de beroemdste Griekse steden van dat ogenblik, Pergamum en Efeze, en reikte zelfs tot in Europa vermits Athene er deel uitmaakte. Het was een rijk, welvarend koninkrijk en een centrum van hellenistische beschaving, waarvan de invloed zich ver buiten de grenzen uitstrekte. In Rome begon men voorzichtige ramingen te maken inzake de financiële en economische voordelen ervan. Aldus ontstond de provincie Asia.

Korte tijd nadien hielden de Romeinen, op verzoek van Marseille, Gallia Transalpina bezet en rukten ze verder op; door het grondgebied van Narbonne in te lijven, creëerden ze een nieuwe provincie, 'Provincia Narbonensis', kortweg 'Provincia' (Provence) genoemd. Daardoor ontstond, omstreeks 120 v. C een verbinding tussen de Spaanse bezittingen en Italië.

Er ontstonden ernstige moeilijkheden in Afrika. Micipsa die stierf in 118 v. C, had zijn koninkrijk Numidia nagelaten aan zijn beide zonen en aan zijn neef Jugurtha. Voor de neus van de Romeinen herstelde Jugurtha de eenheid in het rijk door zijn neven uit te schakelen of uit de weg te ruimen. Om zijn positie in Rome te verstevigen ging hij over tot omkoperij van de meest invloedrijke personen in Rome en slaagde hij er in de naar hem toegestuurde legers te neutraliseren. Omdat ze begaan waren met hun fortuin en met de Romeinse verkiezingen waren de consuls immers een makkelijke prooi voor corruptie. Niettemin slaagde consul Metellus, een van de zeldzame integere mannen van dat ogenblik, erin om opnieuw een gunstig militair en politiek klimaat in te voeren dankzij luitenant Marius; deze laatste kreeg spoedig het opperbevel over het leger. Hoewel hij geen enkel recht kon laten gelden om consul te worden, verkreeg hij het consulaat in 107 v. C met algemene goedkeuring van het volk. Hij werd belast met de taak Jugurtha uit te schakelen.

Aan het hoofd van het hervormde leger trok Marius naar Afrika waar hij systematisch de bezittingen van Jugurtha veroverde. De strijdlustigheid van zijn leger bleef dan wel bewaard, maar de Numidische koning was ongrijpbaar. Marius kreeg dan een nieuwe quaestor Sulla, die dankzij zijn koelbloedigheid, zijn onverschrokkenheid en zijn diplomatiek talent wel erin slaagde Jugurtha gevangen te nemen. Aldus kwam er een eind aan een oorlog die 11 jaar duurde en waarbij Rome zijn laatste greintje geloofwaardigheid verloren had. De provincie Afrika herademde.

Marius was dus dé meest opvallende persoon van het moment geworden. Tegen alle heersende regels werd hij zes maal na elkaar tot consul verkozen, waarbij hij zich politieke rechten met onvoorspelbare gevolgen toeeigende. Omdat Italië eens te meer in een hopeloze toestand verkeerde - de Galliërs en de Germanen bedreigden de grenzen - was er geen andere oplossing. Wat volgde was een periode van komen en gaan van monarchen, die niet openlijk voor hun dictatuur uitkwamen zoals Marius, Sulla en Catillina die een poging tot staatsgreep deed in 63 v. C, toen hij voor de vierde keer werd uitgeschakeld voor het consulaat. Indien Rome een ramp wilde vermijden, moesten er veranderingen komen. Eén man was zich daarvan meer dan bewust: Gaius Julius Caesar.

Buste van Julius Caesar

60 - 44 v. C - Het eerste triumviraat onder Caesar

Links: In Caesar ging een niet te bevredigen politieke ambitie schuil. Door zijn spilzucht en zijn frivoliteit viel hij overal op en dacht iedereen dat hij ongevaarlijk was, maar achter deze bewust onderhouden façade voerde Caesar een buitengewoon ingenieus politiek beleid. Dit politiek genie had een klare kijk op de zaken. De staatshervorming was voor hem een dringende noodzaak geworden, maar volgens hem was die alleen mogelijk met de steun van het plebs en na het behalen van de nodige militaire roem. Hij bezat een geweldige politieke eerzucht, die vreemd genoeg samenviel met het staatsbelang; door de macht in handen te nemen zou hij Rome redden.

In het jaar 63 v. C, het jaar dat Cicero consul was, liet de scepticus en levensgenieter Caesar zich verkiezen tot pontifex maximus, een eremagistratuur die gewoonlijk een gevulde politieke carrière bekroonde; maar daardoor had hij recht op een officiële woonplaats op het forum en genoot hij onschendbaarheid. Dat om later zijn betrachtingen veilig te stellen en om hem voor het moment te beschermen tegen politieke risico's. In Rome was hij er dus in geslaagd zich te laten gelden maar wat moest hij doen met regerende consuls Pompejus en Crassus? In 60 v. C stelde hij hen de verdeling van de macht voor, het zogeheten 'Eerste Triumviraat'. In 59 v. C werd hij dan consul en het daarop volgende jaar kreeg hij Gallia Cisalpina, Gallia Transalpina en Illyrië en vier legioenen terwijl Crassus tegen de Parthen ging vechten en Pompejus het politieke voorplan in Rome bekleedde. Dat jaar gedroeg Caesar zich als een absolute leider: hij liet een aantal hervormingen stemmen en verzekerde zijn toekomst door vrienden als ambtenaren aan te werven. Toen hij zijn buit binnengehaald had, nam hij bezit van zijn provincies en van zijn legers, terwijl zijn beschermelingen de politieke touwtjes in handen hielden tijdens zijn afwezigheid, met name tijdens de verovering van Gallië.

Gallië was in die tijd fel verzwakt door de verbrokkeling: wantrouwen, haat en naijver bepaalden er de relaties tussen de volksstammen. Ondanks hun dapperheid en hun moed vermochten de Kelten niets tegen Caesar - die vastbesloten was om deze scherpe tegenstelling uit te buiten - met zijn gedisciplineerde, geharde legioenen die tactisch veel sterker stonden. Ze bezweken bij gebrek aan tucht en volgzaamheid. In 58 v. C sloeg Caesar een aanval van de Helvetiërs af, behaalde hij een overweldigende zege op de Sueven die hij terugdreef over de Rijn, en installeerde hij zich in Gallië. Het jaar daarop was het de beurt aan de Belgae. "Horum omnium fortissimi sunt Belgae", "De Belgae zijn de dappersten van al deze volkeren". Met deze beroemde zin uit "De Bello Gallico" van Caesar worden de Galliërs uit het noorden voorgesteld als de moedigsten van allen, maar zijn woonden het verst en waren dus het minst beschaafd. We moeten dus niet veel prat gaan op onze voorouders. In 56 v. C werd getracht de rust doorheen heel Gallië te herstellen. In 55 v. C stak Caesar de Rijn over via een, door de Romeinen gebouwen, houten brug en hij rukte zelfs op tot in Brittannia. Dat jaar vestigde hij zijn gezag en zijn militaire reputatie. Maar in 54 v. C leefden de Galliërs weer op. Het begon met de opstand der Eburonen onder leiding van Ambiorix, de moordpartij op 15 cohorten in de nabijheid van Tongeren, het algemene oproer onder de volkeren uit het noorden. Met zijn gebruikelijke snelheid verzamelde Caesar de beschikbare troepen en rukte hij vliegensvlug op naar de vijand; de opstand werd bedwongen maar Ambiorix bleef ongrijpbaar. In 52 v. C zette een heel andere revolte geheel Gallië in rep en roer. Ditmaal was de bezielende kracht Vercingetorix, veldheer der Averni; hij was de held van de onafhankelijkheid die zijn gezag wist op te leggen aan de Keltische volkeren. Eens te meer gebeurde een tegenaanval van Caesar bliksemsnel en na een gedenkwaardig beleg werd de Gallische aanvoerder tot overgave gedwongen. Gallië was onderworpen, er kon terug een begin gemaakt worden met het herstel van de rust en orde en met de romanisering - een werk dat nog twee jaar duurde.

Al had hij ondertussen de Romeinse politiek onrechtstreeks gevolgd en geleid - vooral tijdens de winter, vanuit zijn kwartieren in Gallië Cisalpina - toch werd het voor Caesar tijd om terug te keren naar Rome. Crassus was immers in 53 v. C gesneuveld tijdens een veldslag tegen de Parthen en Pompejus had een aarzelende houding aangenomen, waardoor zijn vijanden bouder waren geworden. Hij negeerde de bevelen van de senaat die hem wilden afzetten, trok over de Rubicon, de grens tussen zijn mandaatgebied en Italië, en rukte met zijn legioenen op naar Rome. In 49 v. C liet hij de stad ontruimen, terwijl Caesar zich meester maakte van geheel Italië en een dictatoriale macht vestigde. Maar er wachtte hem nog een taak: zijn vijanden uit de weg ruimen. Eerst trok hij naar Spanje om er de aanhangers van Pompejus schaakmat te zetten. Vervolgens was het de beurt aan Griekenland waar in 48 v. C tot een persoonlijk treffen kwam tussen Caesar en Pompejus; deze laatste achtervolgde hij tot in Egypte waar hij hem vermoordde. Tevens ontmoette hij er Cleopatra met wie hij een verhouding kreeg. Maar Caesar had meer aan zijn hoofd. De snelheid waarmee hij van koers veranderde, werd legendarisch. Toen hij de opstand van Pharnaces II vernam, liet hij de verleidelijke Cleopatra in de steek en haastte hij zich noordwaarts. In Zela behaalde hij in 47 v. C. een bliksemsnelle overwinning,waar hij de beroemde woorden "veni, vidi, vici", "ik kwam, ik zag, ik overwon" uitsprak. Hij was amper teruggekeerd in Rome of daar werd hij alweer opgeëist om in Afrika te gaan strijden tegen de republikeinen, die onder aanvoering van Cato Uticensis, het juk van dictator niet aanvaardden. Caesar versloeg hen in Thapsus in 46 v. C, keerde terug naar Spanje en maakte een einde aan alle oproer door in 45 v. C in Munda zijn vijanden definitief te verslaan. De overwinning was ruimschoots te danken aan de snelheid waarmee hij beslissingen nam en ze ten uitvoer bracht.

Na al deze opmerkelijke exploten - geen enkele nederlaag in 15 jaar - kon Caesar beginnen met de politieke hervormingen. In 45 v. C werd hij dictator voor onbepaalde tijd: hij eigende zich de absolute macht toe, onderwierp de senaat, verbeterde het bestuur in de landsprovincies, verenigde Italië, stichtte kolonies, verdeelde gronden, romaniseerde de wereld en verduidelijkte de voorschriften van de armenzorg. Overigens renoveerde hij de stad Rome, stelde hij een nieuwe kalender vast waarvan we de gunstige gevolgen nu nog ondervinden en stimuleerde hij de letterkunde. Niets ontging hem. Maar waar Caesar er steeds meer van overtuigd raakte dat zijn macht moest evolueren naar een theocratisch koningschap, vergaloppeerde hij zich. Hij deed zelfs veel moeite om dit nieuwe perspectief ingang te doen vinden in de zeden: het volk noemde hem reeds "divus Julius", "goddelijke Julius" en hij kreeg een eigen kalendermaande toegewezen (Julius = Juli). Maar niet iedereen was dezelfde mening toegedaan en toen Caesar op 15 maart 44 v. C naar de senaat ging, werd hij door de republikeinen onder leiding van Junius Brutus vermoord. Hij was toen 56 jaar oud.

De Moord op Julius Caesar (15 maart 44 v. C)

Toen hij op de iden van maart 44 v. C (15 maart) naar de senaat ging, werd Julius Caesar door republikeinen onder leiding van Junius Brutus vermoord. Hij was 56 jaar oud. Toen Caesar Brutus, op wie hij zeer gestel was, ontwaarde tussen zijn aanvallers, sprak hij de volgende legendarische woorden: "Tu quoque, fili mi" (Ook gij, mijn zoon?)

44 - 27 v. C - Het tweede triumviraat onder Octavianus

De dood van Caesar loste helemaal niets op. De oude instellingen waren te veel door elkaar geschud opdat er voor de republikeinen, die niet voorbereid waren op de tijd na Caesar, een kans bestond om terug te keren naar de vroegere situatie. Caesar had immers alles flink omvergegooid. Na de moord op Caesar probeerde Marcus Antonius, Caesars legeraanvoerder, de zaken weer op orde te stellen door zich de opvolger van zijn beschermheer te noemen. Een schitterende begrafenis, die gepaard ging met memorabele spelen - tot grote vreugde van het Romeinse volk - moest de moordenaars diets maken dat hun lot op het spel stond. Vrij snel verscheen er een kaper aan de horizon, een 18-jarige eerzuchtige, gevoelloze en methodische jongeman, die Caesar aangesteld had als zijn opvolger en met wie Antonius voortaan rekening moest houden: Octavianus. Samen met diens medestander Lepidus vormden ze het "Tweede Triumviraat", dat Rome zijn wil oplegde. De republikeinen, eerst vervolgd in Italië en dan in het oosten, werden in 42 v. C verslagen.

Maar binnen het Triumviraat traden er eveneens veranderingen op. Op systematische, geleidelijke, bijna geruisloze wijze slaagde Octavianus er in zijn zienswijze te doen gelden in het westen. Door achtereenvolgens de medestanders van Antonius, Pompejus en ten slotte Lepidus zelf uit te schakelen, werde Octavianus onmerkbaar de leider van Rome en uiteindelijk van geheel het westen. Toen was het de beurt aan Marcus Antonius die, in de armen van Cleopatra, droomde van de absolute monarchie en het Romeinse volk choqueerde door zijn ongeneerd gedrag. Toen hij alle troeven in handen had, achtte Octavianus de tijd rijp om het gevecht aan te vatten. De confrontatie vond plaats bij Actium, ten noorden van de Corintische Gold in 31 v. C. De Romeinse marine ontmoette er de vloot van Antonius en Cleopatra, die echter in volle strijd verdwenen. De overwinning was dus voor Octavianus die haastig de geliefden achtervolgde. In Egypte aangekomen pleegde Antonius zelfmoord, korte tijd nadien gevolgd door Cleopatra die er niet in geslaagd was de derde Romeinse leider die de Nijldelta aandeed, te verleiden.

Dertien jaar had Octavianus een verbeten strijd geleverd en nu was hij door de systematische veroveringen en de behaalde overwinningen de onbetwiste leider in het westen én het oosten. Hij ging tewerk zonder haast, met een ongelooflijk doorzettingsvermogen en een verbazingwekkende ambitie, maar de tijd was hem gunstig gezind. Nu moest Octavianus, die de geschiedenis inging onder de naam Augustus, deze nieuwe wereld organiseren. En er werd inderdaad een nieuwe wereld geboren, een beschaving bereikte haar hoogtepunt.