ons land - focus

 

De Romeinse Tijd - Algemeen
Het Romeinse Rijk
Romeinen in België
Wat blijft er over?
Home
           
banner
Kaart van het Romeinse Rijk op het toppunt van zijn roem

De Julisch-Claudische dynastie (27 v. C tot 68 n. C)

Kaart van het Romeinse Rijk ten tijde van Augustus

Het Romeinse Rijk onder Augustus bestaande uit provinciae (donker groen), cliënteelstaten (lichter groen) en Germania Magna (lichtste groen).

De gewapende vrede aan de grenzen begunstigde de binnenlandse vrede: de onderworpen volkeren wisten hoe nutteloos een opstand was en dat ze er beter aan deden met de Romeinen samen te werken. Augustus kon daardoor orde scheppen in de financiën en het bestuur van zijn rijk. En omdat de economie niet langer bedreigd werd door de legioenen, kon ze zich ontwikkelen; de handel, de industrie en de landbouw namen een bijzonder hoge vlucht rond de Middellandse Zee, "mare nostrum", of "onze zee" geheten. Oost en West reikten elkaar de hand. Vooraanstaande artiesten, dichters, historici en bouwmeesters stelden hun talent ten dienste van de nieuwe keizer en droegen zijn verwezenlijkingen uit tot ver over de grenzen. Toen Augustus aan de macht kwam, bezat Rome nog maar weinig bouwkundige monumenten: hij ontwierp het keizerlijke Rome. Bij zijn dood was de stadniet meer van baksteen maar van marmer. De transformaties die hij doorvoerde, waren dan ook groots van omvang: de fora van Caesar en Augustus werden aangelegd; aquaducten brachten het water van de bergrivieren over de vlakte van Latium naar de hoofdstad; openbare fonteinen sierden de volkswijken; tempels, theaters, thermen werden zowat overal opgericht. Rome was trouwens niet de enige stad in het keizerrijk die verfraaid werd, vele andere steden volgden haar voorbeeld.

In de loop der jaren werd Augustus evenwel geconfronteerd met een acuut probleem: dat van zijn opvolging. Zijn duurzaam werk moest worden verdergezet, maar hoe kon hij op wettige manier de opvolging regelen? Erfelijkheid van de macht bestond immers niet, want het principaat was een aanstelling door het Romeinse volk. Zou hij zijn opvolger niet bij de uitoefening van de macht kunnen betrekken? Zijn derde huwelijk met Livia was kinderloos gebleven, daarom dacht hij in de eerste plaats aan Marcellus, de zoon van zijn zuster Octavia, die met zijn dochter Julia getrouwd was, maar door diens vroegtijdige dood in 23 v. C vestigde hij zijn hoop op zijn beide kleinzoons, Gaius Caesar en Lucius, maar die stierven eveneens. De enige oplossing die hem overbleef, was zijn stiefzoon Tiberius uit Livia's eerste huwelijk te adopteren en te benoemen tot mederegent.

Augustus stierf in 14 n. C tijdens een reis naar Campanië; hij was 76 jaar oud en had 45 jaar geregeerd. Deze uitzonderlijke lange duur was het bewijs van zijn geslaagd beleid.

Tijdslijn Julisch-Claudische dynastie (27 v. C tot 68 n. C)

De Julisch-Claudische dynastie is de naam gegeven aan de dynastie van de eerste vijf Romeinse keizers (principes): Augustus, Tiberius, Caligula, Claudius en Nero. Zij regeerden over het Romeinse Rijk van 27 v. C tot 68 n. C, toen de laatste van de dynastie, Nero, zelfmoord pleegde.

Het bewind van de Julisch-Claudische keizers draagt enkele gelijkaardige trekken: allen kwamen ze aan de macht door indirecte of adoptieve relaties met Augustus. Elk breidde het gebied van het Romeinse Rijk uit en begonnen met grote bouwprojecten. De senatoren stoorden zich aan het merendeel van hen - een gevoelen dat ook blijkt uit de antieke auteurs. Zij werden geconfronteerd met samenzweringen om hen te doden en te vervangen en reageerden hierop door vermoedelijke en feitelijke uitdagers te doden of te verbannen. Meerdere keizers werden dan ook effectief vermoord.

Portret Augustus (Glyptothek München)

27 v. C - 14 n. C - Het keizerrijk onder Augustus

Links: Postuum portret van Imperator Caesar Augustus met corona civica (zogenaamde "Augustus Bevilacqua"-buste, 45-50, Glyptothek München).

Gaius Octavianus werd geboren in Rome op 23 september 60 v. C. Hij was afkomstig uit een plebejisch geslacht en was Caesars kleinneef. Reeds zeer vroeg hield Caesar zich bezig met de opvoeding en in 45 v. C adopteerde hij hem bij testament. Na de wettelijke bekrachtiging heette hij officieel Gaius Julius Caesar Octavianus. Men roemde hem om zijn fysieke schoonheid maar hij had een zwakke gezondheid. Ondanks alle mogelijke voorzorgen had hij zijn hele leven lang

allerlei kwaaltjes. Deze chronische zieke werd niettemin 76 jaar oud. Octavianus was niet zo intelligent als Caesar, maar hij bezat een uitzonderlijke zin voor de werkelijkheid, de politiek en de diplomatie. Bovendien onderscheidde hij zich door een grenzeloze eerzucht, een uiterste bedachtzaamheid en een ijzeren wilskracht. Octavianus wist waar zijn grenzen lagen en hij had beslist voor de staatsraison. Hij was nooit een soldaat maar hij was een standvastig en realistisch politicus die geduldig het juiste moment kon afwachten.

Octavianus was dus 33 jaar oud toen hij keizer werd; door zijn jarenlange strijd tegen Antonius had hij zich politiek gevormd. Er was geen sprake van om opnieuw te vervallen in de vroegere dwalingen, de oligarchie was verleden tijd, nu kwam het er op aan dat enorme keizerrijk te besturen en te leiden. Enkel een man die kon rekenen op de juiste medewerkers en die zich volledig wou inzetten voor de gemene zaak kon een dergelijke taak op zich nemen. Als een volleerd acteur zou Octavianus bij elke gelegenheid systematisch de voorstellen van de senaat en volk weigeren, om ze uiteindelijk te aanvaarden, maar op zijn voorwaarden. De rechtsvormen werden gerespecteerd. In 27 v. C legde hij zijn volmachten, gekregen om Antonius te bestrijden, neer maar de senaat smeekte hem op dezelfde manier verder te werken; hij stemde daarin toe op voorwaarde dat hij de macht kon delen met de senaat. Aldus werd hij "princeps senatus", de leider van de senaat, de "eerste, voornaamste" burger, de leider van de staat. Bovendien kende de senaat hem dan ook nog het predicaat "Augustus" toe, een eretitel ("verhevene") met gewijde klank. Het is onder die benaming dat wij hem nu nog het beste kennen. De regeringsvorm die toen ontstond, wordt door de geschiedenisschrijvers het "principaat" genoemd. De republikeinse instellingen, die allemaal gebaseerd waren op collegialiteit en annuïteit (= periodiek mandaat van één of meerdere jaren) verloren hun inhoud.

In werkelijkheid berustte Augustus' macht op volgende essentiële elementen: ten eerste de "tribunicia potestas". Stapsgewijs verwierf hij alle voordelen van het tribunaat - het vetorecht, het recht om de senaat bijeen te roepen, om wetten voor te stellen, onschendbaarheid - niet voor één jaar maar voor het leven en niet beperkt tot Rome maar voor heel het keizerrijk. Ten tweede het "imperium proconsulare", d.w.z. de burgerlijke, militaire en rechterlijke bevelsmacht eigen aan consuls, niet voor één jaar maar voor tien jaar en meer. Hij werd dus tegelijk de opperbevelhebber, de bestuurder en de opperrechter van het keizerrijk. Ten derde de godsdienstige macht. In 12 v. C, werd hij pontifex maximus, leider van de Romeinse godsdienst en hoeder van de nationale tradities. Op volkomen legale wijze bekleedde Augustus dus alle staatsfuncties. Naast de traditionele instellingen creëerde Augustus eveneens eigen lichamen, die mettertijd zouden uitgroeien tot echte regeringsorganen. Op die manier kon Augustus op volkomen legale manier en naar eigen goeddunken het keizerrijk besturen. Anderzijds was er onder zijn bewind sprake van "Pax Romana", "Romeinse vrede". Naar zijn mening kon er alleen maar vrede heersen in een behoorlijk begrensd rijk dat ten dienste moest staan van een schitterende economische en culturele ontwikkeling. In de eerste plaats legde Augustus de grenzen van zijn keizerrijk vast: in het noorden de Rijn en de Donau, in het westen de Atlantische Oceaan, in het zuiden de Afrikaanse woestijn, in het oosten de Arabische woestijn. In de grensgewesten, de keizerlijke provincies, vestigden zich de Romeinse legioenen onder toezicht van de keizer. Deze legioenen waren nu een permanent vrijwilligersleger, beroepssoldaten aan wie men talrijke voordelen toekende.

Buste van Keizer Tiberius

14 - 37 n. C - Het keizerrijk onder Tiberius

Links: buste van Tiberius (Museo Archeologico Regionale, Palermo)

Tiberius was de tweede princeps van Rome, als opvolger van Augustus. Ondanks zijn schitterende (militaire) carrière voordat hij princeps werd, zou hij de geschiedenis ingaan als een somber en wantrouwig heerser. Hij werd daarom ook wel tristissimus hominum ("de triestigste aller mensen") genoemd. Hij zou een aantal hervormingen doorvoeren die het principaat nog steviger verankerde in de Romeinse samenleving en liet aan het eind van zijn regering een goedgevulde schatkist achter.

Tiberius Claudius Nero werd geboren op

16 november 42 v. C als zoon van Tiberius Claudius Nero en Livia Drusilla op de Palatijn. Zijn moeder was slechts dertien en een half jaar oud, terwijl zijn vader - die een senator was en dat jaar ook een praetor - dertig jaar ouder was dan zijn echtgenote. Zijn ouders waren beiden telgen van de oude patricische gens Claudia.

Toen hij twee jaar oud was, moest Tiberius samen met zijn moeder en vader vluchten voor de triumviri (drie mannen) van het Tweede Triumviraat. Hij zou door zijn gehuil zelfs zijn eigen leven - en dat van zijn ouders - in gevaar hebben gebracht. Toen zijn ouders bij de Lakedaimoniërs (Spartanen) verbleven - die van oudsher goede relaties onderhielden met de Claudii - werden Tiberius en Livia door vuur bedreigd. Van Pompeia Magna ontving hij een chlamys, fibula en gouden bulla. Deze dramatische verandering in zijn leven zou de jonge Tiberius voor het leven tekenen.

Hij werd onderwezen in Griekse en Latijnse literatuur door zijn meester in retorica Theodorus van Gadara.

Toen Tiberius Claudius Nero met zijn zwangere vrouw terugkeerde naar Rome na de afkondiging van amnestie door de triumviri, werden hij en zijn vrouw uitgenodigd op een diner waar ook Augustus aanwezig zou zijn. Getroffen door Livia's schoonheid bracht hij Tiberius ertoe te scheiden van zijn vrouw - terwijl hijzelf van zijn eigen vrouw scheidde, die net hun dochter Iulia ter wereld had gebracht - en huwde Livia in 38 v. C. Haar zoon Tiberius werd dus de stiefzoon van een van de mannen voor wie hij als tweejarige had moeten vluchten met zijn ouders.

Hij zou, terug aangekomen in Rome, zijn toga virilis hebben ontvangen. Bovendien zou hij bij testament worden geadopteerd door de senator Marcus Gallius, wiens erfenis hij aanvaardde maar wiens naam hij al snel liet vallen daar deze anti-Augustus was geweest. In 35 v. C hield hij als negenjarige op de rostra een eulogie voor zijn overleden vader.

In 29 v. C bereed hij het linkerpaard naast de strijdwagen van Augustus in diens triomftocht voor de overwinning in de slag bij Actium. In 24 v. C werd hij quaestor en werd voor hem een uitzondering gemaakt om zich, vijf jaar eerder dan de wet het voorschreef, kandidaat te stellen als praetor en quaestor.

Daar Tiberius een aanleg voor militaire zaken toonde, werd hij ingezet voor verscheidene militaire diensten. In 20 v. C werd hij door Augustus uitgezonden om Tigranes op de troon van Armenia te herstellen. Het was tijdens deze campagne dat Horatius een van zijn epistels richtte tot Iulius Florus, die toen diende onder Tiberius.

In 19 v. C trouwde Tiberius met Vipsania Agrippina, dochter van Marcus Vipsanius Agrippa en Caecilia Attica, met wie hij zelfs voor haar eerste verjaardag was verloofd (ca. 36 v. C). Deze verloving was waarschijnlijk geregeld door Tiberius' moeder Livia Drusilla en Vipsania's grootvader langs moederskant Titus Pomponius Atticus.

Hoewel het een gearrangeerd huwelijk was, was het een gelukkig en Tiberius was erg gesteld op zijn vrouw. Hun gearrangeerde huwelijk bond bovendien de Claudii aan de Vipsanii wiens pater familias Marcus Vipsanius Agrippa, de rechterhand en vriend van de princeps Augustus, was. In 15 v. C werden Tiberius en zijn broer Drusus in beslag genomen door hun strijd tegen de Raeti, en de wapenfeiten van de twee broers werden bezongen door Horatius.

Op 7 oktober 14 of 13 v. C, het jaar waarin Tiberius samen met zijn schoonbroer Publius Quinctilius Varus consul was, schonk Vipsania leven aan een zoon: Drusus Claudius Nero. In 12 v. C was Vipsania weer zwanger. We weten echter niet of het een jongen of een meisje was, want toen Vipsania's vader heel onverwachts stierf moest Tiberius haar stiefmoeder, die nu weduwe was, huwen.

Na de dood van Tiberius' schoonvader Marcus Vipsanius Agrippa op 20 maart 12 v. C, meende Augustus dat zijn zwangere dochter moest hertrouwen. Hij overwoog verscheidene kandidaten - waaronder zelfs equites - maar na een lange tijd, koos hij uiteindelijk Tiberius als zijn nieuwe schoonzoon. Daarop moest deze van zijn geliefde echtgenote Vipsania scheiden, om met zijn schoonmoeder Iulia, die had getracht hem te verleiden terwijl ze nog getrouwd was met Agrippa, te trouwen. De scheiding vond waarschijnlijk in 11 v. C plaats.

In datzelfde jaar voerde Tiberius, terwijl zijn broer Drusus tegen de Germanen vocht, oorlog tegen de Dalmatiërs en Pannoniërs. Drusus kwam te sterven in 9 v. C, ten gevolge van een val van zijn paard. Toen het nieuws hem bereikte, stuurde Augustus Tiberius naar Drusus, die nog net op tijd was om hem levend aan te treffen. Tiberius, die erg gehecht was aan zijn broer, bracht zijn lichaam terug naar Rome, waarvoor hij werd geprezen door Valerius Maximus. Tiberius hervatte de oorlog in Germania die door zijn broer was begonnen en stak daarbij de Rijn over. Om de druk op de Midden-Rijn te verminderen, stond hij ongeveer 40.000 Sicambri en Suebi toe zich te vestigen op de linkeroever van de Rijn. Hij zou in 8 of 7 v. C een triomftocht houden. In 7 v. C werd hij voor de tweede keer consul. Het jaar daarop werd aan Tiberius de tribunicia potestas toegekend en werd Armenia toegewezen, waarover men sinds de dood van Tigranes in grote onzekerheid verkeerde.

In 11 v. C huwde Tiberius zoals gezegd zijn schoonmoeder en stiefzuster Iulia Caesaris maior. Hoewel hij trachtte het huwelijk te doen werken, groeiden ze uit elkaar na een miskraam van Iulia in 11 v. C. Toen hij toevallig in Rome zijn ex, die hertrouwd was met Gaius Asinius Gallus, op straat tegenkwam, barstte hij in tranen uit en volgde haar tot aan haar huis. Na dit incident verbood Augustus hem haar ooit nog weer te zien.

In 6 v. C trok Tiberius zich terug op het eiland Rhodos, mogelijk omwille van de losbandige levenswandel van zijn echtgenote en om conflicten met Gaius Iulius Caesar Vipsanianus en Lucius Iulius Caesar Vipsanianus, Augustus' erfgenamen, te vermijden. Zijn zoon liet hij achter te Rome. Hier vond hij rust en vrede, waar hij zich bezighield met retorische en filosofische studies.

In 2 v. C ontdekte Augustus de overspelige relaties van zijn dochter Iulia en zond haar in naam van Tiberius de scheidingspapieren. Vervolgens verbande hij haar naar het eiland Pandateria, waarnaar haar moeder Scribonia haar vrijwillig vergezelde. Toch keerde Tiberius niet terug naar Rome.

Na de dood van Augustus' kleinzoons Gaius Iulius Caesar Vipsanianus en Lucius Iulius Caesar Vipsanianus in respectievelijk 2 en 4 n. C werden op 26 juni 4 n. C, twee dagen na het populistische festival van Fors Fortuna, Tiberius en Marcus Vipsanius Agrippa Postumus, de zoon van zijn ex-vrouw, door adrogatio geadopteerd door Augustus. Tiberius werd echter wel aangespoord door Augustus om zijn neef Germanicus te adopteren, alvorens zelf te worden geadopteerd. Hierdoor kreeg Augustus naast twee zoons, ook twee kleinzoons erbij: Germanicus en Drusus minor. Tiberius ontving in datzelfde jaar ook de tribunicia potestas en een imperium proconsulare maius om campagne te voeren in Germania.

Samen met Tiberius trok de jonge eques (Gaius ?) Velleius Paterculus, wiens latere geschiedwerk ons is overgeleverd, als praefectus equitum mee naar Germania. Tiberius zou datzelfde jaar nog Germania zijn binnengedrongen tot aan de Wezer en zou zijn winterkamp hebben opgetrokken aan de bron van de Lippe (hij was hiermee de eerste Romein om te overwinteren in Germania). Hij zou vervolgens ook met de Semnones en de Hermunduren strijden, waarna Tiberius zijn kamp opsloeg aan de oevers van de Elbe en daar een gezant van de Germanen ontving. Velleius Paterculus besluit zijn relaas over deze campagne met de woorden: "Niets was nu in Germania, dat zou kunnen worden overwonnen, behalve het volk van de Marcomannen".

In 6 n. C zou Tiberius zich met twaalf legioenen onder zijn bevel klaarmaken om de strijd met Maroboduus, de koning van de Marcomanni, aan te gaan. Maar door de opstand in Pannonia zou Tiberius worden teruggeroepen en werd er vrede gesloten met Maroboduus.

Drie jaar lang - van 6 tot 9 n. C - zou Tiberius (die regelmatig werd teruggeroepen uit Pannonia) de opstand bestrijden met vijftien legioenen en evenveel auxiliae onder zijn bevel.

Toen Augustus op 19 augustus 14 n. C in Nola kwam te sterven, werd Tiberius teruggeroepen, die nog maar pas samen met hem de census had afgesloten met een lustrum en onderweg was naar Illyria. Hij was de gedoodverfde opvolger van Augustus en Rome wachtte in spanning af wat Tiberius nu zou doen.

Het is moeilijk te bepalen wanneer Tiberius' regering nu precies begon. Het wordt echter algemeen aanvaard dat 17 september 14 n. C hierbij een kritiek moment was. Tijdens de senaatszitting van 17 september werd de consecratio (vergoddelijking) van Augustus goedgekeurd en het testament van Augustus voorgelezen. Tiberius erfde twee derde van Augustus' immense fortuin, legaten voor het volk en de legioenen niet meegerekend. De senaat wilde Tiberius' positie bespreken, maar Tiberius aarzelde. Het feit dat de legioenen in Germania en Pannonia toen ze het overlijden van Augustus vernamen in opstand kwamen, heeft hier mogelijk een rol in gespeeld. Desalniettemin had Tiberius, tegen de tijd dat Germanicus en Drusus de muiterij onder de legioenen in Germania en Pannonia hadden onderdrukt, de touwtjes van het Imperium Romanum stevig in handen.

De eerste jaren van zijn regering waren voorspoedig, maar door zijn strenge en rechtlijnige politiek kwam hij in conflict met de senatoren, die hij veelal gebrek aan initiatief en vleierij toedichtte. De oppositie hield Tiberius in zijn eerste jaren nauwlettend in het oog.

Hoewel men lange tijd gedacht heeft dat hij Germanicus Julius Caesar begunstigde, meent men nu dat Tiberius altijd angstvallig getracht heeft elke vorm van favoritisme te vermijden. Hij trachtte aan elk van hen evenveel verantwoordelijkheid te geven. Het probleem was echter dat Germanicus meer talent voor militaire zaken had dan zijn broer Drusus minor, terwijl deze meer geïnteresseerd was in bestuurlijke zaken.

In het jaar 27 trok de keizer zich op Capri terug, een klein eiland voor de kust van Napels. Volgens Cassius Dio was dit omwille van Livia's inmenging in staatszaken.

Moe van de vleierij en het geharrewar in de senaat, gaf hij veel vrijheid aan zijn praefectus praetorio (prefect van de praetoriaanse garde) en vriend Lucius Aelius Selanus. Deze Lucius Aelius Selanus was de zoon van Lucius Selus Strabo, die samen met zijn zoon praefectus praetorii was onder Augustus. Maar in 15 n. C kwam Lucius Selus Strabo te sterven en liet hierdoor zijn zoon Selanus als enige achter aan het hoofd van de Praetorianen. Dit was een gevaarlijke situatie, want de Praetorianen waren immers de enige militaire eenheid in Rome. Maar Tiberius zag er geen graten in Selanus te wantrouwen, daar deze zijn rechterhand was geworden, nadat hij hem had gered toen een kunstmatige grot waarin hij stond instortte. Hij liet zelfs toe dat de Praetorianen in één kamp werden ondergebracht. Zo groot was het vertrouwen van Tiberius in deze man.

Maar Selanus was ambitieus. Hij vergiftigde onder andere zijn zoon Drusus Iulius Caesar (23 n. C) en hitste Tiberius op tegen de familie van Germanicus, de zoon van zijn broer Nero Claudius Drusus en Tiberius' adoptiefzoon. Hij hoopte op deze manier zelf als erfgenaam naar voren te kunnen treden.

Tiberius kreeg dankzij Antonia minor echter weet van Selanus' snode plannen en greep in 31 in. Hij roeide iedere medestander van Selanus uit en bracht deze laatste ter dood. Hij stelde Quintus Naevius Sutorius Macro aan als nieuwe praefectus praetorio, maar deze maakte haast evenveel misbruik van het vertrouwen dat Tiberius hem had geschonken.

Tiberius, die door het verraad van zijn vriend Selanus zwaar getroffen was, liet nu geen enkele gelegenheid ongebruikt om tegenstanders uit te schakelen. Hij klaagde hen aan - hoewel vaak ook Macro op zijn eentje handelde - voor majesteitsschennis. Daar de omschrijving van deze misdaad zeer onduidelijk was, kon een interpretatie zeer ver gaan. Tiberius weigerde intussen een opvolger aan te duiden, want hij was er vast van overtuigd dat deze dan niet lang meer te leven had.

Macro was de man die Selanus ten val bracht, wat ook de reden voor zijn eigen opkomst was. Hij zou al snel vrienden worden met Gaius Caligula en overtuigde deze ervan dat het tijd geworden was om de macht over te nemen. Als nieuwe praefectus praetori kon hij gemakkelijk Caligula steunen in zijn machtsgreep en kon hier zelf ook van profiteren. Tiberius scheen zich hiervan bewust geweest te zijn, daar hij tegen Macro zei: "(Het is) inderdaad goed de ondergaande (zon) te verlaten om je naar de opkomende te haasten."

Tiberius stierf op 16 maart 37 te Misenum. Volgens een gerucht werd hij op zijn ziekbed door Macro, de commandant van de keizerlijke lijfwacht, vermoord met behulp van een kussen, zodat hij snel kon worden opgevolgd door Caligula. Andere bronnen menen dat het evengoed mogelijk is dat Tiberius een natuurlijke dood stierf.

Buste van Caligula (Louvre)

37 - 41 n. C - Het keizerrijk onder Caligula

Links: buste van Gaius Caligula met een baard als teken van rouw om zijn zus Iulia Drusilla (39-41 n. C, Louvre, Ma 1234).

Gaius Caesar Augustus Germanicus (Antium, 31 augustus 12 - Rome, 24 januari 41), postuum bekend als Caligula, was van 37 tot 41 princeps van Rome. Caligula's jeugd was getekend door de intriges van de eerzuchtige Selanus. Na een hoopvol begin van zijn regering, begon hij zich na een periode van persoonlijke tegenslag meer en meer te gedragen als autocratisch heerser, waarbij hij zijn bevoegdheden onder meer aanwendde om in hoogverraadprocessen talrijke senatoren naar willekeur ter dood te veroordelen. Een geslaagde moordaanslag van de Praetoriaanse garde maakte een einde aan zijn schrikbewind, dat gevolgd werd door een damnatio memoriae door de senaat.

Daar de antieke bronnen Caligula haast eenstemmig als waanzinnige tiran beschrijven en talrijke schandaalverhalen over de persoon van de keizer de ronde deden, is hij in het bijzonder een tweede leven gaan leiden als onderwerp van literaire en populair-wetenschappelijke werken. In het recente historische onderzoek heeft men dit beeld echter bijgesteld.

Caligula is geboren op 31 augustus 12, waarschijnlijk in Antium, als zoon van Germanicus en Vipsania Agrippina maior, die hem denaam Gaius Iulius Caesar meegaven. Langs moederskant was hij een achterkleinzoon van Augustus en langs vaderskant achterkleinzoon van Augustus' vrouw Livia. Het cognomen Caligula, diminutief van het Latijnse caligae ("soldatenschoenen") is van de genagelde soldatensandalen van de legionairs (caligulae) afgeleid, die de Rijnlegioenen in klein formaat (vandaar het verkleinwoord) voor de meereizende zoon van hun opperbevelhebber Germanicus lieten vervaardigen. Overigens werd deze bijnaam in zijn eigen tijd zelden gebruikt, maar door latere historici is deze zo populair gemaakt dat de echte naam vrijwel niet meer gebruikt wordt. Caligula had zelf een afkeer van deze bijnaam uit zijn jeugd. Zijn naam (inclusief titels) was op het tijdstip van zijn dood voluit Gaius Caesar Germanicus Augustus, Pontifex Maximus, Tribunicia potestate IV, Consul IV, Imperator, Pater Patriae.

Caligula's kindertijd was ongelukkig. Zijn vader Germanicus stierf in Syria op 10 oktober 19 tijdens zijn rondreis in het oosten in aanwezigheid van zijn echtgenote en de zevenjarige Caligula. Germanicus sprak op zijn sterfbed de verdenking uit dat Gnaius Calpurnius Piso - die het hem de laatste maanden van zijn leven lastig had gemaakt - hem zou hebben vergiftigd. Agrippina eiste, ondanks dat Germanicus haar op het hart had gedrukt zich op de vlakte te houden, dat er een onderzoek zou worden ingesteld naar de dood van Germanicus en zelfs hield zij keizer Tiberius verantwoordelijk voor Germanicus' dood. Het hof van Tiberius werd toentertijd beheerst door intriges van de machtige praefectus praetorio Seianus, die naar het zich laat aanzien het plan had opgevat om de natuurlijke erfgenamen van Tiberius een voor een uit te schakelen om zelf Tiberius te kunnen opvolgen na diens dood. De dood van Drusus Iulius Caesar minor in 23, door Selanus' vrouw later als geplande gifmoord van Drusus' vrouw Livilla voorgesteld, kwam zeer gelegen. Selanus beschuldigde Caligula's moeder, Agrippina maior, ervan plannen voor een samenzwering te hebben. Toen Agrippina de keizer vroeg om te mogen hertrouwen, weigerde Tiberius haar dit stilzwijgend omdat een nieuwe echtgenoot voor Agrippina het hof mogelijk nog meer in opspraak zou kunnen brengen. Dit leidde tot de verbanning van Agrippina en Caligula's oudste broer Nero in 29 en beide overleden zij in ballingschap. Het jaar daarop werd onder soortgelijke omstandigheden de twee jaar oudere broer van Caligula, Drusus Julius Caesar, in de kerker geworpen, waar deze de hongerdood zou sterven. Caligula was nu de enige van het gezin van Germanicus die nog in leven was.

De voogdij over de jonge Caligula viel sinds 27 toe aan Tiberius' moeder en Augustus' weduwe, Livia. Na haar dood werd hij aan de zorg van zijn grootmoeder Antonia minor toevertrouwd. Waarschijnlijk om hem als oudste van de twee overgebleven mannelijke erfgenamen van Tiberius tegen moordaanslagen te beschermen, werd de jonge Caligula samen met zijn drie zusters in isolement opgevoed, waarbij hij een bijzondere band met zijn zuster Drusilla ontwikkelde. Dat Tiberius aan Caligula's regeringsbekwaamheid twijfelde en hem derhalve van het politieke leven uitsloot, is vermoedelijk een latere constructie, daar de bronnen anders over de algemene populariteit van de jongeman berichten: voorzichtigheid en intelligentie hadden de latere keizer de periode tot aan de dood van Selanus in 31 doen overleven en behoedden hem ook in latere jaren onder de constante vrees voor vermeende of reële samenzweringen. Omdat Caligula zo nauw met zijn zusters verbonden was, wat later leidde tot het tegen elkaar uitspelen van deze vrouwen in de propaganda, werd er ook gesuggereerd dat hij incest met zijn zusters zou hebben gepleegd. Om dynastieke redenen - kinderen uit huwelijken tussen nauwe verwanten waren niet ongewoon in de keizerlijke familie (zoals het huwelijk van Caligula's ouders zelf) - kan incest echter niet geheel worden uitgesloten.

Tiberius riep de jonge Caligula in 31 bij zich op Capri. Daar slaagde de jonge prins erin het vertrouwen van Tiberius te winnen. Suetonius stelt dat deze vertrouwensband op een gemeenschappelijke interesse voor folteringen en seksuele uitspattingen berustte, maar daarbij kan het heel goed om een tendentieuze passage van de op sensatie belustte biograaf gaan, die soortgelijke zaken ook aan andere principes toeschreef en die zowel Tiberius als Caligula niet erg hoog inschatte. Ook werd het gerucht overgeleverd dat Caligula of de praefectus praetorio Macro de zieke Tiberius met een kussen zou hebben verstikt, maar of dit op een historisch gegeven berust mag betwijfeld worden, niet alleen omdat bij de dood van heersers vaak geruchten over een onnatuurlijke dood de ronde doen, maar ook omdat de joodse schrijvers Philo en Flavius Josephus vermelden dat de bejaarde Tiberius een natuurlijke dood stierf.

Bij de dood van Tiberius op 16 maart 37 lag opvolging door Caligula voor de hand, anders dan bij de vaak wisselende opvolgingskandidaten onder keizer Augustus. Tiberius had weliswaar in zijn testament Caligula's neef, Tiberius Gemellus, tot mede-erfgenaam aangesteld, maar de senaat verklaarde het testament ongeldig, op initiatief van de praefectus praetorio en opvolger van Selanus, Macro. De door Augustus opgerichte Praetoriaanse garde met haar bevelhebbers had traditioneel een nauwe band met de princeps en Macro heeft mogelijk gehoopt dat hij de jonge princeps als marionet zou kunnen gebruiken. In ieder geval werd Caligula, vierentwintig jaar oud, op 18 maart 37 door de senaat tot imperator uitgeroepen. Twee dagen eerder, op de dag van Tiberius' dood, was hij al door de Praetorianen in Misenum uitgeroepen tot imperator. Na een feestelijke intocht te Rome droeg de senaat op 28 maart bijna alle staatsfuncties en privileges die Augustus en Tiberius in de loop der tijd in zich hadden weten te verenigen, over op Caligula. Tiberius Gemellus werd vervolgens door Caligula geadopteerd, waarmee Caligula hem compenseerde voor de gang van zaken rondom de opvolging, doordat hij hem zo de hoop op deelname aan de macht alsook op een latere opvolging als keizer bood.

Na de onrustige laatste regeringsjaren van Tiberius, met de mislukte staatsgreep van Selanus en de daarop volgende processen, waren de verwachtingen bij Caligula's regeringsaantreden hooggespannen, onder andere vanwege de populariteit van zijn vader Germanicus.

In de eerste maanden van zijn regering maakte Caligula zich bij de heersende klassen geliefd: hij besloot belastingsverminderingen in te voeren, schortte de onder Tiberius begonnen hoogverraadsprocessen op en liet de reeds verbannen senatoren terugkeren naar Rome. Ook met de uitwijzing van de spintriae (schandknapen) distantieerde hij zich van Tiberius, die van hun diensten zou hebben gebruikgemaakt. Onder de Praetoriaanse garde, de elitetroepen die dienden als keizerlijke lijfwacht, liet hij voor de eerste keer bij zijn aantreden een donativum (geldgeschenk) geven, waarmee hij zich verzekerde van hun gunst. De inwijding van de Tempel van divus Augustus (de vergoddelijkte Augustus) bij het begin van zijn regering stond bol van de symboliek, om de afstamming en verbondenheid met de eerste princeps tot uitdrukking te brengen. Deze regelingen kwamen de populariteit van de keizer ten goede, maar deden de schatkist serieus slinken. Duur waren ook de door Caligula georganiseerde luxueuze wagenrennen, dierenjacht en gladiatorenspelen, die tijdens zijn regeringsperiode wreder werden en daarmee aan de smaak van die tijd tegemoet kwamen; althans, bloedige gladiatorengevechten werden in de oudheid, voor zover men weet, niet of nauwelijks bekritiseerd. Vele gruweldaden van de princeps zijn in samenhang met spelen of publieke spektakels overgeleverd.

Mogelijkerwijs kreeg Caligula door zijn grote inspanningen na 6 maanden regering een zenuwinzinking en leed hij daarop aan een zware ziekte, die door de antieke auteurs in verband werd gebracht met een encefalitis ("hersenontsteking"). Suetonius spreekt hierover met de woorden: "Tot hier als ware over de princeps, het overige moet als over een monster verteld worden." Aan deze periodisering ligt een in de antieke biografie gebruikelijk verhaalmodel ten gronde, die het leven van mensen zoveel mogelijk in categorieën tracht op te delen. De eerste hoogverraadprocessen begonnen daadwerkelijk in de tijd na Caligula's genezing: de princeps liet zijn voormalige mede-erfgenaam en adoptiezoon Tiberius Gemellus, zijn schoonvader Silanus en de invloedrijke praefectus praetorio Macro op beschuldiging van samenzwering arresteren en tot zelfmoord dwingen. Daarmee stelde Caligula zijn heerschappij veilig en beschermde hij zich tegen een eventuele toenemende invloed van hun kant. Op 0 juni 38 werd de princeps opnieuw door het noodlot getroffen met de dood van zijn lievelingszus Julia Drusilla, voor wie hij tot eerbewijzen overging die in Rome slechts bij de dood van de meest vooraanstaande mannen gebruikelijk waren. Kort na deze dood huwde Caligula de voorname matrona Lollia Paulina, waarvan hij zich kort daarop liet scheiden om met een zekere Milonia Caesonia te trouwen, die van twijfelachtige afkomst was.

Na slechts vier jaar te hebben geregeerd vond Caligula de dood door de hand van leden van de Praetoriaanse Garde. De initiatiefnemer tot de samenzwering was de tribunus Cassius Chaerea, die door een deel van de senatoren en andere invloedrijke personen aan het hof werd gesteund en geholpen. Antieke beschrijvingen van iemands dood zijn gewoonlijk sterk gestileerd: volgens de antieke auteurs gebeurde de aanslag in de onderaardse corridor van een theater, waarbij Caligula als een soort van ritueel offer werd afgeslacht, om zo de personencultus van Caligula in een symbolische rollenomkering te vergelden.

Caligula werd vermoord nadat hij de senaat door een demonstratieve uitputting van de wettelijke mogelijkheden van het principaat had gebruuskeerd. Over de gronden en de precieze afloop van de samenzwering geeft Flavius Josephus het meest uitvoerige verslag. Over de chronologie van hetgeen eraan voorafging valt echter weinig met zekerheid te zeggen, daar de voorstelling van Suetonius voor deze periode ongeordend is en die van Lucius Cassius Dio deels verloren is gegaan en in de overgeleverde delen niet betrouwbaar zijn. Volgens deze laatste begon Caligula's radicale regeringswissel met een in de loop van het jaar 39 voor de senaat gehouden redevoering. De weergave van deze toespraak is hoogstwaarschijnlijk een herschepping van de geschiedschrijver, maar ook in onze andere bronnen wordt de breuk in de regering van Caligula roond het jaar 39 gesitueerd.

In 38 of 39 was er immers een financiële crisis geweest, want door Caligula's uitgaves voor politieke steun, zijn generositeit en extravagantie was de staatsschat uitgeput geraakt. Antieke auteurs stellen dat Caligula om aan geld te komen tegen bepaalde personen valse beschuldigingen uitte, hen beboette of zelfs liet doden om hun landgoederen in handen te krijgen. Bovendien vroeg Caligula het volk om geld te lenen aan de staat. Caligula hief belastingen op rechtszaken, huwelijken en prostitutie. Ook begon hij de levens van gladiatoren te veilen tijdens de spelen. Goederen die bij testament waren nagelaten aan Tiberius Gemellus werden nu geïnterpreteerd als zijnde nagelaten aan Caligula. Centurio's die door plundering rijkdommen hadden verworven, werden gedwongen hun buit aan de staat over te dragen. De curatores viarum werden beschuldigd van incompetentie en geldverduistering en gedwongen om geld terug te betalen.

Al snel na de moord op Caligula werd zijn nagedachtenis uitgewist. Was het na de dood van Tiberius al zo dat hier en daar standbeelden van de keizer neergehaald werden en gevraagd werd om ontering van zijn lijk, na Caligula's dood gingen in de Senaat zelfs stemmen op voor een collectief damnatio over alle voorgangers en het herstel van de republiek, al was de macht van de senaat op zichzelf niet toereikend om dergelijke verstrekkende maatregelen ook daadwerkelijk door te voeren. Caligula's opvolger Claudius liet tenslotte onder druk van de Senaat alle officiële besluiten van zijn voorganger ongeldig verklaren, geschriften over zijn regering vernietigen, standbeelden verwoesten en munten met de beeltenis van Caligula aan het geldverkeer onttrekken. Afzonderlijke archeologische vondsten, vooral afkomstig uit de provincies, waarop de naam van Caligula is uitgewist of waarbij standbeelden van hem zijn verminkt, lijken echter het gevolg te zijn van spontane, niet officieel georganiseerde acties. Een damnatio memoriae van Caligula kan dan ook niet worden vastgesteld en het lijkt erop dat Claudius - mede omdat het de moord op zijn neef betrof - geen precedent heeft willen scheppen.

Deze gebeurtenissen kunnen hun sporen hebben nagelaten in de manier waarop Caligula in de bronnen wordt afgeschilderd. Doordat het bericht vanTacitus over Caligula's regering verloren gegaan is, is naast de veel latere Cassius Dio en de summiere gegevens in Flavius Josephus de keizerbiografie van Suetonius de belangrijkste bron. Tot op ongeveer een derde van het Caligula-Vita van Suetonius, waarin vooral zijn jeugd en het begin van zijn regering wordt beschreven, is de beschrijving positief of neutraal van toon of betreft het gegevens die ook uit niet-literaire bronnen zijn vast te stellen (zoals politieke ambten). Uit de tweede helft van Caligula's regering bevat Suetonius' beschrijving hoofdzakelijk nog wandaden van de keizer. Suetonius sluit aan bij de senatoriale geschiedbeschouwing en zijn beschrijving blikt dan ook voornamelijk terug op de verhouding tussen Caligula en de senaat, terwijl nauwelijks naar voren komt hoe andere bestuursorganen hem waardeerden. De biografie draagt duidelijk sporen van de ideologie van de adoptiefkeizers, die zich wilden distantiëren van de keizers uit de Julisch-Claudische dynastie, met uitzondering van Augustus. Als keizerlijk archivaris had Suetonius toegang tot documenten uit de regering van Caligula, maar hij geeft nauwelijks inzicht in de herkomst, historiciteit of tendens van zijn bronnen. Verschillende zaken die Suetonius vermeldt, komen naar hedendaagse opvattingen over als irrelevant. Suetonius' beschrijving, vooral met betrekking tot de willekeurige gewelddadigheden tegen senatoren, worden bevestigd door Josephus, die schreef in de tijd van de Flavische dynastie.

Buste van Claudius

41 - 54 n. C - Het keizerrijk onder Claudius

Links: buste van Claudius als Jupiter. Marmer, Romeins kunstwerk, ca. 50 n. C van Lanuvium, Italië.

Claudius was de vierde princeps die Rome kende. Hij volgde de vermoorde Caligula op, van wie hij de oom was. Hij werd door de praetoriaanse garde uitgeroepen tot princeps en kwam aldus op ongeveer vijftigjarige leeftijd nog aan het hoofd van het Imperium Romanum te staan. Onder Claudius' regering zouden - net zoals onder die van Tiberius - verscheidene (administratieve) innovaties het licht zien. Bovendien wist Claudius het rijk uit te breiden met de verovering van Britannia.

Claudius werd op 1 augustus 10 v. C geboren in Lugdunum in Gallië als zoon van de immens

populaire generaal Nero Claudius Drusus. Hij was lichamelijk enigszins gehandicapt (hij liep mank, stotterde en was waarschijnlijk licht spastisch), waardoor hij door veel van zijn tijdgenoten als achterlijk werd beschouwd, hoewel er geestelijk niets mis met hem was. Zijn directe familie liet hem meestal links liggen; hoewel zijn oudoom keizer Augustus wel plezier had in de verlegen maar intelligente jongen en vaker met hem optrok. Zijn eigen moeder Antonia Augusta en grootmoeder Livia Drusilla, de laatste vrouw van Augustus, spraken met hoon en minachting over zijn gebreken en wilden hem eigenlijk het liefst nooit zien. Toen hij officieel meerderjarig werd en de toga mocht dragen als teken hiervan, werd de ceremonie 's nachts en in het geheim voltrokken. Normaal was dit een grote gebeurtenis in het leven van een Romeinse jongen als hij openbare ambten mocht gaan bekleden en zijn mening mocht laten horen over politieke zaken en werd dit groots gevierd. Claudius kreeg echter nooit een post in het leger of het bestuur aangeboden om hem voor te bereiden als machtsbekleder. Waarschijnlijk heeft hij hieraan wel zijn overleven te danken te midden van zijn complotterende omgeving die hem nooit als een serieuze rivaal voor de macht zag. De ambitieuzere leden van zijn familie sneuvelden meestal al vrij jong onder verdachte omstandigheden, zoals zijn populaire broer Germanicus. Claudius zelf vond het niet erg dat hij niet werd betrokken in de vele intriges die in de familie speelden en door het ontbreken van verantwoordelijkheden kon hij zich wijden aan zijn liefhebberijen zoals geschiedenis, literatuur en studeren in het algemeen. Vooral de Etrusken hadden zijn belangstelling en hij leerde zelfs de Etruskische taal van de weinige mensen die die toen nog spraken. Bekend is dat Claudius een geschiedenis van de Etrusken schreef en een woordenboek Etruskisch: deze zijn beide verloren gegaan.

Met Augustus kon Claudius redelijk goed opschieten, maar met zijn oom Tiberius had hij een veel koelere relatie. Of anders gezegd, deze wilde hem eigenlijk nooit zien, wat Claudius waarschijnlijk allang best vond. Zijn neef Caligula had meer belangstelling voor Claudius, maar dan in negatieve zin, deze dreef graag (liefst in het openbaar) de spot met zijn onbeholpen oom.

Na de dood van Caligula dreigde de Praetoriaanse garde te worden opgeheven. Terwijl de Senaat debatteerde over de mogelijkheid de Romeinse Republiek te herstellen, werd in het Praetoriaanse kamp, waar men de bui al zag hangen, snel Claudius tot keizer uitgeroepen. Deze had daar volgens sommige kroniekschrijvers absoluut geen zin in maar had weinig keus; hij was de enig overgebleven prins van de Julisch-Claudische dynastie die in aanmerking kwam voor de troon (maar anderen schrijven dat hij wellicht niet zo onschuldig was als leek en zelfs meegeholpen had met het opruimen van de hem vernederende Caligula). De Senaat voelde zich aanvankelijk gepasseerd omdat niet zij, maar de Praetoriaanse garde de nieuwe keizer had uitgeroepen. Dankzij bemiddeling van koning Herodes Agrippa I legde de Senaat zich na enkele dagen neer bij de keuze voor Claudius als keizer.

Tijdens Claudius' principaat ondernamen diverse senatoren tevergeefs pogingen een staatsgreep te plegen. Tijdens Claudius' regering werden niet minder dan 35 senatoren om deze reden terechtgesteld. Hoewel zijn verhouding met de Senaat dus ronduit slecht te noemen was, wordt Claudius toch over het algemeen en ook door tijdgenoten beschouwd als een goede regeerder. Misschien mede door zijn grote belezenheid wist hij voor veel bestuurlijke problemen meestal snel een antwoord te vinden. Hij vergrootte en verbeterde flink de organisatie van het overheidsapparaat. Belangrijk voor Rome was dat hij de haven Ostia, waar het graan voor Rome vanuit Sicilië, Egypte en Afrika binnenkwam, flink liet uitbreiden en extra pakhuizen liet bouwen zodat de graanvoorziening voor de stad beter gewaarborgd was.

Eén van de wapenfeiten van Claudius is de Romeinse invasie van Brittannië in 43. Julius Caesar had een eerste verkenning van het eiland uitgevoerd maar de 80 jaar erna waren er geen Romeinen meer geweest. Claudius wilde graag een verovering op zijn naam hebben en besloot het eiland, waar vandaan geregeld piraten last veroorzaakten aan de Romeinse kuststreken, te 'pacificeren' en in te lijven. Bij zijn leven werd het zuiden veroverd en zijn opvolgers voltooiden de verovering tot aan de Schotse hooglanden waar de Picten te sterk bleken.

Claudius wordt twee keer vermeld in het bijbelboek Handelingen als degene die de Joden bevolen heeft Rome te verlaten na onlusten in de stad. Ook zou tijdens zijn regering een hongersnood het Rijk getroffen hebben.

Als liefhebber van wetenschap, studie en boeken in het algemeen schonk Claudius regelmatig grote sommen geld aan de beroemde bibliotheek van Alexandrië.

Volgens Romeinse kronikeurs hield Claudius van weelderige feesten waar hij zoveel (vr)at en dronk dat hij er ziek van werd. Dit werd ernstig afgekeurd door deze schrijvers, maar Claudius viel hierin niet echt bijzonder op: dit was de gewoonte onder de rijke Romeinse elite.

Claudius had niet veel geluk met zijn opeenvolgende vier echtgenotes. Zijn eerste vrouw was Plautia Urgulanilla. Zij was zijn vrouw tussen de jaren 9 en 24. Claudius scheidde van haar wegens overspel. Alleen hun jonggestorven eerste kind wordt als van Claudius zelf beschouwd. Daarna was Claudius vanaf 28 getrouwd met Aelia Paetina. In 30 kregen ze samen een dochter: Claudia Antonia. In 31 was Claudius haar blijkbaar moe en scheidden ze. In 37 of 38 trouwde Claudius met Valeria Messalina. Ze kregen samen twee kinderen: Claudia Octavia in 39 en Britannicus in 41. Messalina stond al voor haar huwelijk met Claudius bekend als een ongeremde vrouw die zich zelfs prostitueerde om zoveel mogelijk mannen in haar bed te krijgen. Ook tijdens hun huwelijk zette ze haar levenswijze voort en zette ze Claudius geregeld voor schut met haar seksuele uitspattingen. Toen Claudius eens op inspectiebezoek was in Ostia, trad Messalina in Rome bij een "wild feest" op als de bruid van haar minnaar, waarna ze zich lieten uitroepen als de nieuwe keizer en keizerin. Op sterk aandringen van zijn adviseurs, die Claudius vertelden dat hij als dat zo door ging steeds minder serieus genomen zou worden, liet hij haar tenslotte executeren. Claudius trouwde al gauw daarna voor de vierde keer en wel met Julia Agrippina minor, dochter van zijn broer Germanicus en Vipsania Agrippina Maior. Ze had Claudius overgehaald om haar zoon uit een vroeger huwelijk te adopteren. Deze zoon was de later zo beruchte keizer Nero. Hij werd op zijn zestiende als troonopvolger aangewezen, Claudius' zoon Britannicus werd hiervoor gepasseerd. Hiermee bezegelde Claudius zijn eigen lot (en dat van zijn zoon), want nu kon Nero Claudius opvolgen en hadden ze hemzelf niet meer nodig. De eerste moordpoging met giftige paddenstoelen mislukte echter. Claudius had last van buikloop en hield daarom het gif niet vast in zijn darmen. Bij de tweede poging lukte het echter wel: hij werd vermoord door zijn eigen lijfarts, Xenophos, die ook in het complot zat. Deze vermoordde Claudius door hem een giftige veer in zijn keel te steken (de Romeinen staken bij lange banketten veren in hun keel om de braakreflex op te wekken, zodat ze daarna met een lege maag verder konden eten).

Nero (Glyptotheek München)

54 - 68 n. C - Het keizerrijk onder Nero

Links: Nero in de glyptotheek van München

Nero was de vijfde en laatste princeps van de Julisch-Claudische dynastie. Door zijn autocratisch optreden en excentrieke gedrag maakte hij vijanden onder de Senatoren, wat de Senaat er uiteindelijk toe zou brengen Nero uit te roepen als hostis (staatsvijand). Deze zou na Rome te hebben ontvlucht zelfmoord hebben gepleegd. Hiermee kwam een einde aan de Julisch-Claudische dynastie en begon een periode van burgeroorlog die de geschiedenis zou ingaan als het vierkeizerjaar (69). Uiteindelijk zou de Flavische dynastie als triomfator uit de strijd komen en de teugels van Rome in handen nemen.

Nero was de zoon van Gnaeus Domitius Ahenobarbus en Agrippina de jongere en via haar verwant aan Gaius Iulius Caesar Octavianus (Augustus). Hij beriep zich erop een bet-achterkleinzoon van hem te zijn.

Zijn oorspronkelijke naam (vóór zijn adoptie door keizer Claudius) was Lucius Domitius Ahenobarbus. Bij zijn adoptie veranderde zijn naam in Nero Claudius Caesar Drusus Germanicus. Toen hij keizer werd, werd zijn officiële naam Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus en vanaf 66 Imperator Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus.

In 50 wist Nero's moeder Agrippina, die met keizer Claudius was gehuwd, te bewerkstelligen dat Claudius de jonge Nero adopteerde. Ook werd de filosoof Seneca uit ballingschap teruggeroepen om als leermeester van Nero te fungeren. In 53 trouwde hij met de dochter van de keizer, Claudia Octavia. In oktober 54 werd Claudius door zijn eigen lijfarts Xenophos vergiftigd en zijn zoon Britannicus vastgezet zodat Nero zonder enige concurrentie tot keizer kon worden uitgeroepen.

Britannicus stierf aan tafel op 11 februari 55, vergiftigd door Nero.

Volgens Tacitus werd Britannicus een drankje aangeboden dat veel te heet was. Britannicus had een proever en deze had van die hete drank geproefd. Het gif zat echter in het water dat bedoeld was om de drank af te koelen. Volgens Suetonius werd Britannicus eerst een drank met vergif toegediend, maar dit gaf Britannicus slechts een erge diarree. Daarop liet Nero zijn gifmengster in zijn eigen kamer het gif koken (om het sterker te maken) en liet het eerst testen op een bokje en vervolgens op een biggetje dat bij de eerste slok dood neerviel. Nero verklaarde aan zijn disgenoten dat Britannicus slechts een epilepsieaanval had. Het lijk werd daarop in de gutsende regen verbrand (aldus Suetonius), zodat een moord niet te bewijzen was.

Gedurende de eerste paar maanden van zijn keizerschap had Agrippina een aanzienlijke invloed maar na de dood van Britannicus werd zij uit het paleis verstoten zodat Nero, op 18-jarige leeftijd, alle macht in handen kreeg. Zijn belangrijkste adviseurs werden Seneca en de prefect van de Praetoriaanse garde, Burrus, die zich op het juiste moment van Agrippina hadden afgekeerd. Vier jaar later (in 59) werd zij uiteindelijk in opdracht van haar eigen zoon vermoord.

De eerste vijf jaren van zijn keizerschap waren een gouden tijd voor Rome en het Rijk, er heerste vrede en welvaart onder het kundig advies van Seneca en Burrus. De vergelijking ging zelfs op met het bestuur van Augustus (die tot dan als de beste keizer ooit gezien werd; het verschafte hem zelfs een godenstatus). Daarna echter hield Nero zich steeds minder bezig met het landsbestuur en gaf zich over aan zijn passies voor de Griekse cultuur, kunst, vooral toneel en muziek, maar ook drank en seks (waaronder een avontuur met een volksmeisje Acte maar ook perversiteiten). Hij liet het bestuur van het rijk feitelijk alleen nog maar over aan Seneca en Burrus.

Onderwijl werd generaal Corbulo erop uitgestuurd om de Parthen een lesje te leren. Hij trok Armenië binnen ennam Artaxata en Trigranocerta in, maar uiteindelijk zette hij toch Tiridates, de broer van de Partische koning Vologases I weer terug op de troon, ondanks opdrachten uit Rome om de Parthen voorgoed uit dit betwiste gebied te verdrijven. Daarop werd Paetus naar het oosten gestuurd om het over te nemen, maar deze leed een smadelijke nederlaag tegen de Parthen. Daarna kreeg Corbula het bevel weer terug en streed een succesvolle campagne. Toch was de uiteindelijke uitkomst dat Tiridates weer op de Armeense troon bevestigd zou worden door Rome.

In 62 kwam Burrus om het leven (volgens geruchten vermoord door Nero), Seneca diende zijn ontslag in nadat hij over de dood van Burrus had gehoord. Zijn ontslag werd door Nero geweigerd. Nero liet zich van Claudia Octavia scheiden en zij werd terechtgesteld. Nero verving haar door zijn maîtresse Poppaea, ex-vrouw van zijn vroegere vriend Otho die hij eerder als gouverneur naar Lusitania (tegenwoordig Portugal) had gestuurd.

Vanaf deze tijd ging het alleen maar bergafwaarts, Nero hield zich vrijwel alleen nog maar bezig met zijn passies en trad zelfs op als dichter, zanger en acteur, maar met zijn middelmatige talenten had dat een averechts effect op zowel de senaat als het volk. Bovendien verwoestte een grote brand in 64 een groot deel van Rome. Hoewel de keizer niet in de stad was en veel deed om het leed te verzachten en de wederopbouw ter hand te nemen, deden (waarschijnlijk valse) geruchten de ronde dat hij zelf tot de brand opdracht had gegeven - vanwege het mooie schouwspel, of om plaats te maken voor een groot paleis. Ook deed het verhaal de ronde dat Nero tijdens de brand een gedicht over het brandende Troje aan het voordragen was op het balkon van zijn paleis. Deze geruchten kwamen onder andere tot stand doordat hij op het vrijgekomen terrein een fabelachtig paleis, de Domus Aurea, liet bouwen. Hij wentelde de verdenking van hemzelf af door de christenen de schuld te geven van de grote brand.

Het grote en luxueuze paleis dat Nero liet bouwen in het verwoeste deel van de stad (de Domus Aurea - Gouden Huis), dat zich uitstrekte van de Palatijn tot de Esquilijn, vergrootte de reeds bestaande haat tegen de keizer. Het bevatte onder andere een enorm standbeeld van Nero van zo'n 40 meter hoog, later de Colossus genoemd. Het paleis verhinderde niet alleen een groot deel van de oorspronkelijke bewoners terug te keren naar hun woonplaats, maar verergerde ook de fiscale crisis die ontstaan was door de wederopbouw van de rest van de verwoeste gedeeltes van de stad. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in 65 een complot tegen Nero werd gesmeed. Het lekte echter uit en Nero nam harde maatregelen. Nero liet Tiridates in 66 persoonlijk naar Rome komen - wettelijk was dat niet nodig - om zijn bevestiging uit handen van de keizer te ontvangen. Zo werd alle moeite die Corbulo gedaan had weer ongedaan gemaakt.

Uiteindelijk betekende een op zich niet zo belangrijke opstand in 68 in Gallia, die door Verginius Rufus werd neergeslagen, het einde voor Nero. Deze gebeurtenis was echter de aanleiding voor verschillende andere opstanden van Galba en Otho (Spanje en Portugal), Rufus (die Vindex had verslagen) en Clodius Macer in Noord-Afrika. Uiteindelijk zette de Senaat Nero af. Toen men hem kwam arresteren dreef hij na lang aarzelen een dolk in zijn keel, onder het spreken van de woorden Qualis artifex pereo (Wat een kunstenaar sterf er met mij...). Waarschijnlijk was de steek niet dodelijk en heeft Epaphroditus, een vrijgelatene van Nero en een van de weinigen die hem tot het einde toe trouw gebleven was, hem uiteindelijk de fatale steek toegediend. Hij liet het Rijk bankroet en in totale chaos achter.