ons land - focus

 

De Romeinse Tijd - Algemeen
Het Romeinse Rijk
Romeinen in België
Wat blijft er over?
Home
           
banner
Kaart van het Romeinse Rijk op het toppunt van zijn roem

De Constantijnse dynastie (311 - 364 n. C)

Buste van Constantijn de Grote (Chiaramontimuseum)

311 - 337 n. C - Het Keizerrijk onder Constantijn de Grote

Links: kolossale buste van Constantijn in het Chiaramontimuseum (4e eeuw).

Flavius Valerius Aurelius Constantinus (Naissus, 27 februari ca. 280 - Ancyrona, 22 mei 337), bekend als Constantijn I de Grote, was een Romeins keizer. In juli 306 werd hij door zijn troepen uitgeroepen tot imperator en Augustus. Maar pas vanaf 308 werd hij als zodanig erkend. Door zijn militaire overwinningen zou hij een steeds groter deel van het Romeinse Rijk gaan regeren tot hij vanaf 324 alleenheerser werd over heel het uitgestrekte Romeinse Rijk. Hij is vooral bekend als de eerste Romeinse keizer die zich zou hebben uitgesproken voor het christendom (de zogenaamde Constantijnse wende rond 313), want door zijn ondertekening van het edict van Milaan maakte hij een definitief einde aan de christenvervolgingen

(die hadden plaatsgevonden onder Decius, Diocletianus en Galerius). Zijn grootste daad, met grote gevolgen voor de toekomst, was wellicht de stichting van een nieuwe hoofdstad voor het rijk, op de plaats van de eerdere Griekse stad Byzantium, die hij de naam Nova Roma (Nieuw Rome) gaf. De stad werd echter al snel, naar haar stichter, Constantinopel genoemd. Constantinopel was strategisch gelegen aan een kruispunt van zowel land- als zeeroutes. De nieuwe hoofdstad lag dichter bij het economische zwaartepunt van het rijk en ver weg van het oude (heidense) Rome. Hij legde de grondslag voor de christelijke fase van het Romeinse Rijk wat zich vervolgens ontwikkelde tot het Byzantijnse Rijk.

De troonzaal van Constantijn te Trier, is momenteel in gebruik als basiliek. De hal is de grootste nog bestaande ongedeelde ruimte uit de oudheid.

Onmiddellijk na zijn promotie tot Caesar, gaf Constantijn zijn vaders veldtocht in Britannia op en keerde hij terug naar Gallia om een opstand van de Franken te onderdrukken. Een andere expeditie tegen de Franken volgde in 308. Na zijn overwinning begon hij met de bouw van een brug over de Rijn in Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen) om een permanente vestiging te stichten aan de rechteroever van de rivier. Een nieuwe campagne in 310 moest worden afgeblazen vanwege Maximianus' opstand. De laatste van Constantijns oorlogen aan de Rijngrens was die van 313, na zijn terugkeer uit Italia. Deze eindigde opnieuw in een overwinning voor Constantijn.

Constantijns hoofddoel was stabiliteit, wat hij trachtte te bereiken door onmiddellijke, vaak wrede, strafexpedities tegen opstandige stammen. Zo toonde hij zijn militaire macht door de vijanden aan hun kant van de Rijngrens te verslaan en vele gevangenen af te slachten bij de spelen in de arena. Deze strategie bleek haar vruchten af te werpen. De Rijngrens bleef relatief rustig gedurende de rest van zijn regering.

In de interne conflicten van de tetrarchie probeerde Constantijn zoveel mogelijk neutraal te blijven. In 307 zocht ex-Augustus Maximianus (die onlangs was teruggekeerd op het politieke toneel na zijn (gedwongen) troonsafstand in 305), Constantijn op om zijn steun te krijgen in de oorlog van zijn zoon Maxentius tegen Severus II en Galerius. Daarop liet Constantijn zich van zijn eerste vrouw Minervina scheiden, de moeder van zijn zoon Crispus (305-326), om met Maximianus' dochter Fausta te huwen en zo hun bondgenootschap te bezegelen. Bovendien werd hij door Maximianus gepromoveerd tot Augustus, hoewel deze daarvoor niet de bevoegdheid had. Toch mengde hij zich niet in het conflict van Maxentius met de andere twee tetrarchen.

Maximianus keerde in 308 terug naar Gallia nadat hij er niet in was geslaagd zijn zoon te onttronen. Later dat jaar vonde de keizersconferentie van Carnuntum plaats, gehouden onder Diocletianus, Galerius en Maximianus. Maximianus - die opnieuw naar het purper had gegrepen - werd wederom gedwongen troonsafstand te doen en Constantijn moest zich opnieuw tevreden stellen met de titel Caesar. In 310 geraakte Maximianus betrokken in een samenzwering tegen zijn schoonzoon, toen Constantijn terugkwam van een campagne tegen de Franken.

Toen Constantijn hier echter lucht van kreeg, sloeg hij de opstand in korte tijd neer. Maximianus, die naar Massilia (Marseille) was gevlucht, werd uitgeleverd door zijn eigen troepen en gedood of gedwongen zelfmoord te plegen. Zowel Constantijn als Maximinus Daia waren niet tevreden met hun herwonnen positie van Caesar en evenmin met de aanstelling van Licinius tot Augustus als opvolger van de gestorven Severus II. Zij daagden hem uit door zichzelf Augustus te noemen, wat hen door Galerius in 310 was toegestaan, waardoor er dus officieel vier Augusti waren. Met Galerius' dood in 311 stierf de laatste tetrarch met genoeg autoriteit en motivatie om de tetrarchie voort te zetten, waardoor het systeem al snel begon in te storten. In de strijd om de macht die daarop volgde, verbond Constantijn zich met Licinius, terwijl Maximinus, Maxentius benaderde, die toen nog steeds officieel werd beschouwd als een usurpator die Severus had verslagen en gedood. Een andere - minder succesvolle usurpator - was Domitius Alexander (308-309) in Africa.

Nadat hij begin 312 Hispania aan zijn grondgebied had toegevoegd, stak Constantijn met zijn leger de Alpen over en viel hij Maxentius aan, die de macht in Italia had gegrepen. Maxentius' troepen waren talrijker dan die van Constantijn, volgens een onbekend panegyricus (een formele publieke toespraak uitgesproken ter meerdere eer en glorie van een persoon of object, in het algemeen een vergaand bestudeerde en onderscheidende eulogie, gespeend van elke kritiek) beschikte Maxentius over een veronderstelde 100.000 man, waarvan zich een deel in het noorden van Italia in de regio van Turijn, Verona en Segusio had verzameld. Volgens diezelfde panegyricus kon Constantijn vanwege de constant bedreigde Rijngrens slecht een vierde van zijn gehele legermacht meenemen, wat neerkwam op ongeveer 40.000 man. Dit leger bestond uit eenheden die in Britannia, Gallia en Germania waren gelegerd en die hierdoor meer ervaren waren in de strijd dan de eenheden uit Italia. Constantijn wist Maxentius' troepen dan ook snel te verslaan in veldslagen bij Turijn, bij Brescia en bij Verona. In deze laatste slag viel ook de praefectus van Maxentius, Ruricius Pompeianus.

Hierboven: vlak vr de Milvische Brug zou Constantijn in een visioen gezien hebben hoe zich het kruisteken voor de zon plaatste, met als onderschrift Overwin hiermee. Het monogramteken X en P (de Griekse letters Chi en Rho, de eerste letters van van de naam Christus), een verschijnsel dat hem ertoe bracht om zich te bekeren tot het Christendom en een einde te maken aan de rechteloosheid, waarin de Christenen eeuwenlang hadden geleefd.

Constantijn trok nu op naar Rome en versloeg Maxentius op 28 oktober 312 in de slag bij de Milvische brug, wat hem tot de onbetwiste Augustus in het westen maakte. Tijdens de strijd om de pons Milvius liet Constantijn zijn soldaten een symbool aanbrengen op hun schilden, waarvan christenen geloofden dat dit het labarum-symbool was. Onder historici is er echter discussie of dit teken een zuiver christelijke, een heidense (verwijzend naar de zonnegod) of een astronomische betekenis had. Zo bracht Constantijn ook na zijn overwinning bij de Milvische brug offers aan de Romeinse goden. De verslagen van Eusebius - die zich waarschijnlijk op uitlatingen van Constantijn baseert, die deze echter pas jaren later zou hebben gedaan - en Lactantius spreken elkaar deels tegen, maar de kern van de zaak blijft, dat Constantijn zijn overwinning toeschreef aan de god van de christenen. Het labarum en het ermee geassocieerde motto "in hoc signo vinces" (in dit teken zal je overwinnen) zou volgens de overlevering aan Constantijn zijn verschenen in een visioen toen hij in Saxa Rubra was, wat zou hebben geleid tot zijn uiteindelijke bekering tot het christendom. In de jaren die volgende zou hij zijn militaire overmacht op zijn rivalen in de uiteenvallende tetrarchie consolideren. Hij rekende ook voorgoed af met de Praetoriaanse garde, die zijn voorganger Maxentius had gesteund en waarvan de leiders vaak een bedreiging vormden voor de keizer.

Constantijn, die reeds eerder neigde naar het monotheïsme (zoals zijn vader had hij de zonnegod Sol Invictus vereerd) en het christendom reeds sinds zijn jeugd kende, begon het christendom steeds meer te begunstigen. Men kan daaraan niet met zekerheid de conclusie verbinden dat hij zich met het christelijk geloof identificeerde; ook zegt het weinig over de mate waarin hij dat wellicht deed. Dat hij de overwinning op zijn vijanden aan goddelijke bijstand toeschreef was geheel volgens een traditie van Romeinse keizers (vgl. Augustus, die zijn overwinning bij Actium toeschreef aan Apollo). Hoewel hij de god van de christenen in ere hield, was hij niet per se een christen in de strikte zin van het woord, ook al zijn verschillende onderzoekers deze mening toegedaan.

De Boog van Constantijn te Rome.

Hierboven: de Boog van Constantijn te Rome.

Constantijn zelf bekeerde zich bovendien niet openlijk tot het christendom: op de boog van Constantijn in Rome, opgericht om zijn overwinning bij de pons Milvius te herdenken, ontbreken typisch heidense symbolen, met uitzondering van de godin Victoria en de zonnegod. Evenzeer ontbreken echter alle eenduidig christelijke symbolen. Dit alles laat zich op verschillende wijze interpreteren. Het lijkt erop dat Constantijn de overwinning niet met zekerheid aan de god van de christenen toeschreef, maar wel aan een hoogste godheid. Het is echter ook mogelijk, dat Constantijn rekening hield met zijn heidense onderdanen. Het edict van Milaan hield bovendien godsdienstvrijheid in voor alle godsdiensten. Het bevorderde echter ook het christendom, daar het officieel een einde maakte aan de christenvervolgingen en het de positie van de bisschoppen versterkte. Eveneens bedeelde Constantijn de kerk met landerijen en beval hij volgens Eusebius het schrijven van vijftig Bijbelkopieën voor de kerken in Constantinopel, omdat vele Bijbels tijdens de vervolgingen waren vernietigd. Bovendien liet Constantijn zijn zoons in het christelijk geloof onderwijzen. Na 324 verdwenen ook heidense muntemblemen en werden steeds meer christenen belangrijke ambten toevertrouwd, waarmee het belang van de traditionele culten meer en meer verdween. Incidenteel kwam het tot gevallen van plundering van heidense tempels en een verbod op private haruspiciae (diensten waarbij een orakel ingewanden "leest" om de toekomst te voorspellen).

Schilderij van Pieter-Paul Rubens dat de huwelijken van Constantijn en Fausta en van Licinius en Constantia voorstelt.

In 313 ontmoet Constantijn Licinius in Milaan om hun alliantie te verzekeren door het huwelijk van Licinius en Constantijns geliefde halfzus Constantia. Tijdens deze ontmoeting kwamen beide Augusti overeen om het zogenaamde edict van Milaan uit te vaardigen, hierdoor officieel de volledige godsdienstvrijheid in het Rijk uitroepen (in het bijzonder voor het christendom, dat echter pas onder Theodosius tot staatsgodsdienst zou worden verheven). De conferentie werd echter ingekort, toen Licinius bericht ontving dat zijn rivaal Maximinus Daia de Bosporus was overgestoken en Licinius' grondgebied was binnengevallen. Licinius vertrok en wist uiteindelijk Maximinus te verslaan, waardoor hij nu heerser werd over het hele oostelijk deel van het Romeinse Rijk. De relatie tussen de twee overgebleven Augusti verslechterde echter al snel en in 314 of 316 (de datering staat niet vast) stonden Constantijn en Licinius tegenover elkaar. De oorzaak voor hun strijd was een samenzwering tegen Constantijn, mogelijk op aanstichten van Constantijns halfzus Anastasia en haar echtgenoot Bassianus, wiens broer Senecio een officier van Licinius was. Nadat het complot was ontdekt, weigerde Licinius echter Senecio uit te leveren. Dit moet Constantijn in zijn vermoeden hebben gesterkt, dat Licinius in meer of mindere mate was betrokken geweest in de samenzwering. Met zijn Gallisch-Germaanse troepen, ongeveer 20.000 man sterk, rukte Constantijn op en trok Illyricum binnen, waar Licinius hem met 35.000 man zou treffen bij Cibalae (het huidige Vinkovci). Licinius verloor de slag echter en moest in allerijl naar Thracia vluchten, waar hij nog troepen had gelegerd. In de buurt van Adrianopolis kwam het opnieuw tot een veldslag, die echter onbeslist bleef. Uiteindelijk kwamen Constantijn en Licinius tot een overeenkomst, waarbij de laatste feitelijk de hele Balkan moest ontruimen, zodat Constantijn Illyricum kon toevoegen aan zijn machtsgebied.

In 317 kwam het opnieuw tot een conflict in de slag bij Campus Ardiensis. Deze slag resulteerde in een overeenkomst waarbij Constantijns zonen Crispus en Constantijn samen met Licinius' zoon Licinius II als Caesares werden aangesteld.

De eerste keizer die we hier beschrijven, Constantijn de Grote, overlapt de vorige periode (de tetrarchie) en deze periode. Er is ook veel discussie over de begindatum van deze dynastie. Sommige bronnen dateren het begin van de dynastie in 324 n. C, als Constantijn alleenheerser wordt in het Romeinse Rijk, anderen (zoals wij) nemen als begindatum wanneer de tetrarchie ten einde komt met de dood van Galerius en er maar twee keizers meer zijn, nl. Licinius en Constantijn. Nog anderen vinden dat de dynastie begint in 305 n. C, bij het aanstellen van Constantius I Chlorus (de vader van Constantijn de Grote) als een van de keizers in de tetrarchie.

De dynastie komt aan zijn einde in 364 n. C met de dood van Jovianus. De dynastie wordt ook wel de neo-Flavische dynastie genoemd, omdat elke Constantijnse keizer de naam Flavius droeg, net als de heersers van de eerste Flavische dynastie in de 1e eeuw n. C.

De keizers uit deze periode zijn:

officier Constantius I Chlorus en Helena. Deze laatste was waarschijnlijk van zeer bescheiden afkomst, want onder andere Ambrosius vermeldt dat ze in een herberg werkte. Waarschijnlijk was de relatie tussen de jonge officier en Helena een concubinatus. Hoe lang de relatie tussen Constantius en Helena standhield, is onbekend. Toch zou zijn moeder een belangrijke rol hebben gespeeld in zijn opvoeding. Hij zou haar na zijn vaders dood de titel "Augusta" verlenen.

Voorstelling van de Slag bij de Milvische Brug
Mozaïek van Constantijn in de Aya Sofia.

Links: een mozaïek van Constantijn te Grote in de Aya Sofia bij een schaalmodel van de stad Constantinopel.

In de Byzantijnse liturgische kalender, gevolgd door de Oosters-orthodoxe Kerk en Oosters-katholieke Kerken met Byzantijnse ritus, zijn zowel Constantijn als zijn moeder Helena opgenomen als heiligen. Hoewel hij, anders dan een heel aantal andere Constantijnen, niet is opgenomen in de Latijnse lijst van heiligen, wordt hij in de Westerse kerktraditie geëerd met de titel "de Grote" voor zijn bijdrage aan het christendom.

Constantijn werd op 27 februari van een onbekend jaar omsteerks 280 geboren te Naissus in de provincie Moesia. Hij was de zoon van de Romeinse

Afbeelding van Helena, de moeder van Constantijn, en die samen met haar zoon, heilig verklaard werd in de Byzantijnse tak van Christelijke kerk.

Links: Helena, de moeder van Constantijn, die samen met hem, heilig verklaard werd in de Byzantijnse liturgische kalender.

Constantijn had drie halfbroers en drie halfzussen uit het ten laatste in 289 gesloten huwelijk van zijn vader met Flavia Maximiana Theodora, een (stief)dochter van de West-Romeinse keizer Maximianus: Julius Constantius, Flavius Dalmatius, Flavius Hannibalianus, Constantia, Eutropia en Anastasia. Voor de rest is er maar weinig over zijn jeugd bekend. Zijn vader was waarschijnlijk onder de keizers Aurelianus en Probus officier geweest en trad pas onder Diocletianus op het politieke toneel.

De jonge Constantijn ontving een uitstekende opleiding. Hij leerde vloeiend Grieks spreken en zijn

fascinatie werd gewekt voor de filosofie. Nadat Constantius in 293 als Caesar werd opgenomen in Diocletianus' tetrarchie, woonde Constantijn aanvankelijk aan het hof van Augustus Diocletianus in Nicomedia. Later begeleidde hij Galerius in de oorlog aan de Donau. In 305 deden beide Augusti, Diocletianus en Maximianus, troonsafstand en Constantius volgde Maximianus op als Augustus in het westen. Hoewel er in de families van de toenmalige keizers twee zonen waren die de juiste leeftijd hadden (Constantijn en Maxentius, zoon van Maximianus), werden beiden uitgesloten bij de machtsoverdracht. Het waren Severus II en Maximinus Daia die tot Caesares werden gepromoveerd.

Daarop verliet Constantijn Nicomedia om zich bij zijn vader te voegen in Gallia. Tijdens een veldtocht tegen de Picten van Caledonia werd Constantius echter ziek en hij stierf op 25 juli 306 in Eboracum (York). Generaal Chrocus, van Alamaanse oorsprong, en de troepen, die loyaal waren aan Constantius' nagedachtenis riepen Constantijn onmiddellijk uit tot Augustus. Hoewel Constantius binnen het opvolgingssysteem van de tetrarchie uit 305 als Augustus een nieuwe Caesar kon aanduiden, was Constantijns claim (of die van de troepen) op de titel Augustus hiermee in strijd. Daarom vroeg Constantijn aan Galerius, de Augustus van het oosten, om te worden erkend als opvolger van zijn vader. Galerius stond hem de titel Caesar toe, waarmee hij Constantijns heerschappij over het grondgebied van zijn vader erkende, en promoveerde Severus tot Augustus van het westen.

Voortaan was Constantijn als Caesar verantwoordelijk voor Britannia, Gallia en Hispania. Hierdoor had hij het bevel over een van de grootste Romeinse legers, dat gelegerd was aan de belangrijke Rijngrens. Hoewel Gallia een van de rijkere regio's van het rijk was, had het erg te lijden gehad onder de crisis van de derde eeuw. Vele gebieden waren ontvolkt en steden waren tot ruïnes vervallen. Tijdens zijn verblijf in Gallia, van 306 tot 316, zette Constantijn zijn vaders politiek voort om de Rijngrens te versterken en de Gallische provinciae opnieuw tot bloei te brengen. Zijn voornaamste residentie was rond die tijd Augusta Treverorum (Trier).

De troonzaal van Constantijn te Trier.
Schilderij van Rubens dat de huwelijken van Constantijn en Fausta en van Licinius en Constantia voorstelt.
Wandtapijt dat de zeeslag tussen Constantijn en Licinius in 323 voorstelt.

Detail van een wandtapijt die de zeeslag tussen Constantijn en Licinius in 323 n. C weergeeft. Ontworpen in 1635 door Pietro da Cortona (Pietro Berrettini), Italiaan, 1596 - 1669. Geweefd aan de Barberini tapijtweverij, Rome. Atelier van Jacomo della Riviera, Vlaams.

In 320 ging Licinius in tegen de godsdienstvrijheid die was vastgelegd in het edict van Milaan uit 313 door een nieuwe christenvervolging te beginnen. Dit was een provocatie tegen Constantijn in het westen, die uiteindelijk zou uitlopen op de grote burgeroorlog van 324. Vanaf 321 dateerden beide rijksdelen niet meer gezamenlijk naar de gemeenschappelijke consuls, en in 322 resideerde Constantijn in Thessalonica, bijna aan de grens van hun beider machtsbereik, wat Licinius zeker moet hebben geprovoceerd. Rond 323 versloeg Constantijn Licinius' vloot van 200 schepen. Licinius, geholpen door Gotische huurlingen, stond voor het verleden en het oude Romeinse paganisme, terwijl Constantijn en zijn Franken optrokken onder de christelijke standaard van het labarum. Aan beide kanten zag men de strijd in religieuze termen. Hoewel ze in de minderheid leken te zijn, kwamen Constantijns troepen, ongeveer 170.000 man sterk, als overwinnaar uit de veldslagen bij Adrianopolis, de Hellespont, en Chrysopolis;

Na de nederlaag en dood van Licinius in 324 (hij werd beschuldigd van samenzweren tegen Constantijn en geëxecuteerd), werd Constantijn alleenheerser over het Romeinse Rijk. Hij vierde zijn overwinning door het agnomen Victor (overwinnaar) aan te nemen en liet daarbij zijn vorige agnomen Invictus (onoverwinnelijke) vallen, dat een heidense connotatie had, daar hij deze naam moest delen met Sol Invictus. De tetrarchie had definitief afgedaan.

Constantijn geeft aanwijzingen tijdens het bouwen van Constantinopel. Dit wandtapijt bevindt zich in het Philadelphia Museum of Art (VS).

Constantijn geeft aanwijzingen tijdens het bouwen van Constantinopel. Dit wandtapijt bevindt zich in het Philadelphia Museum of Art (VS).

Licinius' nederlaag betekende het heengaan van het oude Rome, en de opkomst van het Byzantijnse Rijk als centrum van onderwijs, welvaart en culturele bewaring. Constantijn bouwde de oude Griekse kolonie Byzantion uit en hernoemde haar tot Nova Roma (Nieuw Rome). Hij liet in 330 speciale herdenkingsmunten uitbrengen ter ere van deze gebeurtenis. Hij gaf Nova Roma een eigen senaat en burgerlijke ambten zoals die van Rome. De herstichte stad werd beschermd door het vermeende Heilige Kruis, de staf van Mozes en andere relikwieën, hoewel een cameo die zich nu in het Hermitage Museum bevindt, Constantijn voorstelt terwijl hij wordt gekroond door de tyche van de nieuwe stad. De figuren van oude goden werden vervangen en vaak geassimileerd tot christelijke symbolen. Op de plaats van een tempel van Aphrodite verrees de nieuwe Kerk van de Heilige Apostelen. Enkele generaties later deed het verhaal de ronde dat een visioen Constantijn naar deze plek bracht, en dat een engel die niemand anders kon zien hem over de loop van de nieuwe muren had geleid. Na zijn dood werd zijn stad hernoemd tot Nova Roma Constantinopolitana (Constantinopel, van Konstantinou polis, Constantijns stad). Rome, dat reeds enkele decennia slechts nog pro forma de hoofdstad was, verloor daarmee verder aan belang, hoewel het nog altijd een belangrijk symbool van het "Eeuwige Stad"-idee bleef. Constantijns beslissing was verstandig, daar de nieuwe stad strategisch beter gelegen was (ze lag aan een belangrijk verkeersknooppunt en was van de vaak bedreigde Donau- en oostgrenzen ongeveer even ver verwijderd; bovendien was ze beter beschermd) en ook in het steeds belangrijker wordende oosten was gelegen. In de nu vergrote stad verrezen talloze bouwwerken, waarbij ook allerlei heidense motieven werden gebruikt. Het aanzien van de stad werd op allerlei manieren vergroot. Er was bijvoorbeeld een eigen praefectus urbanus, alsook een senaat. Bovendien voorzag Constantijn in compensatie voor hen die zich in zijn nieuwe stad vestigden. Nochtans werd de stad slechts na enkele decennia de daadwerkelijke hoofdstad van het oostelijke rijksdeel, en werd ook de stadsontwikkeling pas in de 5e eeuw beëindigd.

In 326 kwam het tot een familietragedie: Constantijn liet zijn oudste zoon Crispus en kort daarop zijn vrouw Fausta doden. Over de aanleiding voor deze zwarte bladzijde in de geschiedenis van Constantijns regering kan echter nog maar weinig worden achterhaald: de bronnen zijn onduidelijk en spreken elkaar deels tegen. Zo verschillen ook de moderne verklaringsmogelijkheden. Volgens een overlevering in de bronnen zou Fausta Crispus ervan hebben beschuldigd een affaire met haar te hebben gehad, waarop Constantijn zijn zoon doodde. Toen hij later - mogelijkerwijs op aanwijzingen van zijn moeder Helena - vaststelde, dat de aanklacht vals was, doodde hij ook de intrigante zelf. Er zijn echter ook andere, meer aannemelijke verklaringen, bijvoorbeeld dat Crispus misschien ontevreden was over zijn positie en (bewust of onbewust) in een intrige verwikkeld raakte, waarin mogelijk ook Fausta was betrokken. In elk geval tonen de gebeurtenissen aan dat Constantijn in geval van twijfel (zoals zovele andere keizers voor en na hem) niet aarzelde om geweld te gebruiken.

Deze brug over de Donau werd gebouwd in 328 (onder Constantijn) tussen Sucidava (Roemenië) en Oescus (Bulgarije). Ze was 2400 m lang en wordt beschouwd als de grootste brug uit de Oudheid.

Deze brug over de Donau werd gebouwd in 328 (onder Constantijn) tussen Sucidava (Roemenië) en Oescus (Bulgarije). Ze was 2400 m lang en wordt beschouwd als de grootste brug uit de Oudheid.

In 332 versloeg Constantijn de Goten en stelde door een verdrag (foedus) de Donaugrenzen veilig. In 334 werden de Sarmaten verslagen. Constantijn, die op militair gebied een van de meest succesvolle Romeinse keizers was, nam ook in andere gevallen talrijke maatregelen voor de stabilisatie van de grenzen en beveiligde ook de Rijn- en Donaugrenzen verder met extra vestingen (in Brückenbau bij Oescus aan de Donau werd een versterkt bruggenhoofd ingericht).

De reeds eerder door Diocletianus begonnen (of beter: verder doorgevoerde) legerhervorming werd onder Constantijn voltooid. Zo was er vanaf nu een echt bewegingsleger (Comitatenses) en een grensleger (Limitanei). Enkele bronnen uiten zware kritiek op deze beslissing, maar Constantijn zorgde hiermee voor een duurzame stabilisatie van de grensgebieden, aangezien de vijandige legers nu na een inval gemakkelijker zouden kunnen worden opgevangen achter de grens. Ook voerde Constantijn het ambt van legerleider (magister militum) in, evenals nieuwe hofambten, zoals het ambt van quaestor sacri palatii (hoofd van de kanselarij) en magister officiorum (hoofd van het hoofd, dat echter reeds onder Licinius bestond). De drie posten van praefectus praetorio zouden worden omgevormd tot een leidinggevende functie over de civiele administratieve districten van het rijk. Op binnenlands vlak hield Constantijn ook vast aan de door Diocletianus uitgezette koers (sacrale, nu weliswaar niet meer heidens, maar christelijk gefundeerde positie van het keizerschap; toenemende binding van boeren aan de grond (cf. lijfeigenschap)). Constantijns godsdienstpolitiek toont een keizer die zijn best doet, maar die de vaak zeer ingewikkelde theologische beschouwingen nauwelijks kon natrekken.

De dood van Constantijn de Grote. Hier op een schilderij van Pieter Paul Rubens.

De dood van Constantijn de Grote (337 n. C). Hier op een schilderij van Pieter Paul Rubens.

In 337 nam Constantijn zich een veldtocht voor tegen de Sassaniden, zogezegd ter bescherming van de christenen in Perzië, maar moderne historici houden ook rekening met het motief van de Alexander-imitatio. Kort voor het tot een veldtocht kwam, werd Constantijn echter erg ziek. Kort daarop overleed hij (Pinksteren 337) bij Nicomedia. Zoals het toen gebruikelijk was, had Constantijn zich slechts kort voor zijn dood laten dopen door de Ariaanse bisschop Eusebius van Nicomedia. Ironisch genoeg werd hij na zijn dood vergoddelijkt door de senaat, zoals de gewoonte was om goede heidense keizers te eren.

Constantijn had een groot opvolgingsprobleem omdat hij vier zonen had. De oudste zoon (Crispus), die een andere moeder had dan de andere drie, was reeds door Constantijn ter dood gebracht. Constantijns overige drie zonen, Constantijn II, Constantius II en Constans, waren door Constantijn reeds vroeg als Caesares benoemd en volgden hem gezamenlijk op (ook Constantijns neef Dalmatius had in 335 de titel Caesar ontvangen). Deze situatie leidde, zoals hun vader al vreesde, tot veel onderlinge strijd en liep uiteindelijk uit op een bloedbad binnen de familie en een oorlog tussen de zonen van Constantijn, waaruit Constantius uiteindelijk als overwinnaar tevoorschijn kwam. Constantijn had ook nog twee dochters, Constantina en Helena, de echtgenote van Julianus Apostata.

Afbeelding op munt van Romeins Keizer Constantius II

337 - 361 n. C - Het Keizerrijk onder Constantius II

Links: Munt met afbeelding van Romeins Keizer Constantius II.

Flavius Julius Constantius (7 augustus 317 - 3 november 361), bekend als Constantius II, was een Romeins keizer van september 337 tot 3 november 361.

Constantius is geboren in Sirmium, in Illyricum, als tweede zoon van Constantijn de Grote en diens vrouw Fausta. Op 13 november 324 werd hij door

zijn vader tot Caesar benoemd. Omstreeks 335 trouwde hij met zijn eerste vrouw, een dochter van zijn oom Julius Constantius en halfzuster van zijn neef Julianus Apostata.

Toen Constantijn de Grote stierf in mei 337 was Constantius er snel bij om zoveel mogelijk macht te grijpen. Hij was waarschijnlijk degene die de drijvende kracht was achter het uitroeien van de halve mannelijke familie van Constantijn. In september datzelfde jaar verdeelde hij het rijk samen met zijn broers Constantijn II en Constans. Constantius kreeg het oostelijke deel, met uitzondering van Thracië, Achaea en Macedonia, dat onder controle van Constans viel.

In 340 stierf Constantijn II, de oudste van de drie broers, in een slag tegen Constans (de jongste). In 350 werd ook Constans gedood, door een opstand van de usurpator Magnentius. Constantius was nu theoretisch keizer van het complete rijk. Magnentius moest echter nog wel uit de weg worden geruimd. Constantius benoemde derhalve zijn neef Flavius Claudius Constantius Gallus, broer van Julianus Apostata, tot Caesar om in het oosten een oogje in het zeil te houden, terwijl hij zelf naar Italië trok. Constantius voerde twee veldslagen tegen Magnentius, bij Mursa in 351, die onbeslist eindigde, en bij Mons Seleucus in 353, waarin het hem lukte om Magnentius definitief te verslaan. Een jaar later liet Constantius Gallus executeren, omdat deze opstandig werd.

Gedurende Constantius' hele heerschappij waren er regelmatig invallen van de Perzen. Bijna al deze invallen wist hij af te slaan. Ook was hij succesvol tegen de verschillende Europese barbaarse stammen.

In 355 benoemde Constantius op aanraden van zijn tweede vrouw Eusebia zijn neef Julianus (Apostata) tot Caesar, en stuurde hem naar Gallia. Deze had daar echter zoveel succes, dat zijn troepen hem in 360 tot keizer uitriepen. Een burgeroorlog werd voorkomen door de (natuurlijke) dood van Constantius in november 361.

Munt met afbeelding van Romeins Keizer Julianus Apostata (361-363 n.C)

361 - 363 n.C - Het Keizerrijk onder Julianus Apostata

Links: Portret van Julianus Apostata op bronzen munt van Antiochië, 360-363. Foto met toestemming van Classical Numismatic Group, Inc. (CNG).

Flavius Claudius Julianus (6 november 331 - 26 juni 363), ter onderscheiding van de eerdere (vrijwel onbekende) keizer Julianus I (284-285) beter bekend als Julianus II, Julianus de Afvallige of Julianus Apostata, was een Romeins keizer van november 361 tot 26 juni 363. Hij is vooral bekend geworden

door het herstel van de Romeinse godenverering onder zijn korte heerschappij (ruim negentien maanden), nadat de eerdere keizers Constantijn de Grote en Constantius II het christendom sterk hadden bevoordeeld, onder meer op fiscaal vlak.

Hij was de jongste zoon van Julius Constantius (een halfbroer van keizer Constantijn de Grote), en zijn vrouw Basilina. Toen na de dood van Constantijn (337) diens mannelijke verwanten door soldaten werden vermoord, waren Julianus en zijn oudere broer (Flavius Claudius) Constantius Gallus vrijwel de enige overlevenden. Tot 351 leefde hij rustig op het familiegoed in Klein-Azië, waar hij de invloed onderging van de ariaanse bisschop Eusebius. Nadat zijn broer, Constantius Gallus, door keizer Constantius II, onder druk van de omstandigheden, tot Caesar was verheven, kreeg Julianus zelf meer bewegingsvrijheid: hij werd een liefhebber van boeken en ging studeren, eerst te Milaan en vervolgens te Athene, waar hij nog werd gesterkt in zijn reeds eerder gewekte liefde voor de Griekse cultuur en de filosofie.

In 354 werd Constantius Gallus echter op bevel van de keizer uit de weg geruimd wegens wanbeleid, waarna Julianus hem in november 355 als Caesar opvolgde, een titel die sinds de bestuurlijke hervormingen van Diocletianus de functie van 'onderkeizer' aanduidde; de keizer zelf droeg de titel Augustus. Julianus trad in het huwelijk met Helena, de jongste zus van Constantius II. Als Caesar werd hij opperbevelhebber van het Romeinse leger in Gallia en heel het Westen. Hij trachtte de Salische Franken die het Rijn- en Scheldegebied in bedwang hadden, te pacificeren en verdedigde de grenzen van het Romeinse Rijk tegen de invallen van de Alemannen. Daarbij trok hij tot driemaal toe over de Rijn. Hoewel hij geprezen werd als overwinnaar, moest hij in 358 aan de Franken toch een groot deel afstaan van wat nu Vlaanderen en Nederland beneden de rivieren is en toen Toxandria genoemd werd. De Franken werden daarmee de eerste Germaanse bondgenoten (foederati) die op het Romeinse grondgebied een stuk land kregen toegewezen.

Keizer Constantius bezag Julianus' succesvolle optreden echter met groot wantrouwen. In 360 verordende hij dan ook dat Julianus een deel van zijn troepen aan hem moest afstaan: hij wou deze strijdkrachten inzetten in zijn eigen campagne tegen Perzië. De soldaten, die erg op Julianus gesteld waren, kwamen in verzet en riepen hem in zijn residentie te Lutetia (= Parijs) uit tot tegenkeizer. Omdat Constantius elk compromis afwees, was de burgeroorlog een feit. Een groot debacle werd alleen voorkomen door de plotselinge dood van keizer Constantius op 3 november 361, die (mogelijk pas op zijn sterfbed) zijn neef Julianus, vrijwel zijn laatste mannelijke familielid, als zijn legitieme opvolger aanwees.

Karikatuur van Keizer Julianus II Apostata, als afvallige van het Christelijke geloof.

Karikatuur van Keizer Julianus II Apostata, als afvallige van het Christelijke geloof.

Op 11 december 361 hield Julianus zijn intocht in Constantinopel. Tijdens zijn kortstondige regering als keizer behandelde Julianus de senaat altijd met respect. Hij bestreed de corruptie onder de ambtenaren en probeerde ook de inflatie het hoofd te bieden, onder meer door een hervorming van het muntstelsel. Maar vooral op godsdienstig vlak trof hij ingrijpende maatregelen. Hij kondigde weliswaar een algemene geloofsvrijheid af, maar de christenen legde hij beperkingen op. Ondanks zijn christelijke opvoeding kreeg hij reeds vroeg een afkeer van dit geloof (die hij overigens verborgen hield tot de dood van keizer Constantius II) en werd hij geboeid door het neoplatonisme. Hij droomde ervan de voor-christelijke eredienst en tradities weer tot leven te wekken, en daartoe probeerde hij het priesterschap naar het christelijk voorbeeld te herorganiseren en moreel te verheffen. Aan bloedige vervolgingen wilde hij zich niet schuldig maken: liever bestreed hij het christendom door de innerlijke verdeeldheid aan te wakkeren. Daartoe riep hij verbannen ariaanse bisschoppen terug naar hun zetel. Christelijke leraren werd verboden de jeugd te onderrichten in klassieke filosofie, priesters ontnam hij hun vrijstelling van belastingen en hij stond toe de joodse tempel in Jeruzalem te herbouwen. Bij dit alles ontplooide Julianus een grote literaire activiteit. Vele van zijn geschriften bleven bewaard.

Vastbesloten de reputatie van Rome in het Oosten te herstellen, viel hij in 363 Perzië binnen. Nadat hij met succes reeds ver doorgedrongen was in het Perzische Rijk, liet hij zich op 26 juli 363 nabij de Perzische hoofdstad Ctesiphon in een gevaarlijke veldslag verstrikken. Julianus overleed aan de verwondingen die hij opliep door een speer in zijn zij. Hij was toen 31 jaar oud en had slechts negentien en een halve maand geregeerd. Er bestaat onduidelijkheid of de speer afkomstig was van een vijandige soldaat, dan wel van een van zijn eigen christelijke soldaten.

Al valt hij niet helemaal vrij te pleiten van ijdelheid en overdreven zucht naar roem, toch was Julianus' bewind over het algemeen mild en weldadig, en bracht hij veel goeds tot stand. Zijn hellenofilie vertoonde romantische trekjes, en zijn strijd tegen het christendom bleek veel te zwak om enig effect te sorteren. Aan de voor-christelijke traditie was onherroepelijk een einde gekomen.

Het historisch beeld van Julianus is dubbelzinnig en paradoxaal: enerzijds fanatiek, anderzijds tolerant. Overheersend is evenwel dat hij naar de toenmalige Romeinse maatstaven beoordeeld een rechtvaardig en humaan heerser werd gevonden, die door zijn troepen werd aanbeden om zijn redelijkheid en aandacht voor hun welzijn, en hun naar verluidt nooit vroeg iets te doen wat hijzelf niet zou doen.

Nadat het christendom de staatsgodsdienst was geworden van het Romeinse Rijk, betoonden de eerder aan vervolging blootgestelde aanhangers zich allerminst als een toonbeeld van tolerantie.

Standbeeld van Keizer Julianus voor het administratief centrum te Tongeren.

Standbeeld van Keizer Julianus voor het administratief centrum te Tongeren.

Het uiterlijk van keizer Julianus kennen wij van verschillende afbeeldingen op munten. In Parijs worden twee beelden van hem bewaard, één in het Louvre en het andere in het Musée de Cluny. Op 23 september 2000 werd er in Tongeren een bronzen beeld van hem geplaatst voor het administratief centrum Praetorium.

Munt met afbeelding van Romeins Keizer Jovianus (363-364 n.C)

363 - 364 n.C - Het Keizerrijk onder Jovianus

Links: Portret van Jovianus op bronzen munt (27mm, 8.8 g) geslagen in Antiochië in 363-364. Met toestemming van Classical Numismatic Group, Inc. (CNG).

Flavius Jovianus (ca. 332 - Dadastana, 17 februari 364) was een Romeins keizer van 27 juni 363 tot 17 februari 364.

Jovianus was commandant van de keizerlijke lijfwacht toen hij door het leger op 27 juni 363

verkozen werd tot Romeins keizer nadat Julianus Apostata was overleden aan de verwondingen die hij opliep in de strijd tegen de Perzen. Aangezien zijn leger diep in Perzisch gebied was doorgedrongen, was hij gedwongen om een onvoordelige vrede te sluiten om de veilige terugtocht van zijn leger te verzekeren. Zo moesten de Romeinen zich terugtrekken uit 5 provincies aan de Tigris die door Diocletianus geannexeerd waren, verschillende forten en een groot deel van Armenië.

De nieuwe keizer heeft Rome nooit bereikt. In de Bithynische stad Dadastana (niet ver van het huidige Ankara) werd Jovianus na een regering van acht maanden dood gevonden in zijn tent, mogelijk overleden aan paddestoel- of koolmonoxidevergiftiging.