ons land - focus

 

Neolithicum - Algemeen
Trechterbeker vs. Seine-Oise-Marne
Culturen in Vlaanderen
Home

De culturen in Vlaanderen in het Neolithicum

           
banner
Gereedschap uit het Neolithicum

De bandkeramische cultuur

Algemeen

De Nieuwe Steentijd of het Neolithicum wordt zo genoemd omdat er toen grote vernieuwingen plaatsvonden in de leefwijze van de mens en hun materiële cultuur. Deze veranderingen hadden grote gevolgen voor de verdere geschiedenis van de mensheid. Daardat men in het Nabije Oosten, voor het eerst gewassen ging telen en dieren domesticeren, zorgde deze primitieve landbouw ervoor dat de mens zich kon vestigen op een vaste plaats die geschikt was om te boeren. Hij was nu immers niet meer afhankelijk van het rondtrekkend wild en de voedselbronnen uit de onmiddellijke omgeving die soms op raakten. Uit deze kleine landbouwnederzettingen zouden later de dorpen, de steden en de grote naties uit de wereldgeschiedenis groeien.

Langzaam ging de cultuur van de eerste landbouw zich verspreiden naar Europa en omstreeks 5300 v. Chr. vestigden de eerste boeren zich in Vlaanderen. Zij waren afkomstig uit Zuidoost-Europa, meer bepaald uit het noorden van Hongarije en het zuidoosten van Slovakije. Toen zij in Vlaanderen arriveerden kwamen ze in contact met groepen jagers-verzamelaars die er nog woonden. Maar hoe die contacten juist verliepen staat nog ter discussie.

Door de typische versiering op het aardewerk wordt de cultuur waartoe deze eerste West-Europese landbouwers behoren "Bandkeramiek" genoemd. Naast de Bandkeramische cultuur komen in het Vroeg-Neolithicum nog andere cutuurgroepen voor, zoals "de groep van Blicquy" en de "Roessencultuur". Van deze groepen zijn tot nu toe echter geen vondsten in Vlaanderen bekend.

Werktuigen

De werktuigen van de Bandkeramiek werden voornamelijk gemaakt van klingen. Men gebruikte nog altijd pijlpunten, stekers, boren,... zoals voordien, maar er verschenen ook enkele nieuwe werktuigen bij die specifiek bedoeld waren om graangewassen te bewerken. Zij zijn dus de duidelijke getuige van het intrede van de landbouw in Vlaanderen.

Heel typisch zijn de sikkelelementen. Het zijn kleine scherpe vuurstenen klingen die waarschijnlijk naast elkaar in hout werden geschacht, om zo een primitieve sikkel te vormen waarmee gewassen afgesneden konden worden. Dit kon men afleiden uit de typische glans die op deze vuurstenen elementen zit en ontstaat door wrijving met plantaardig materiaal.

Andere typisch Vroeg-Neolithische stenen werktuigen zijn dissels en maalstenen. Ze werden in verschillende steensoorten vervaardigd, onder meer in ftaniet uit de streek van Ottignies (Waals-Brabant) en in zandsteen uit Horion-Hozémont (provincie Luik). De dissels dienden o.a. om bomen te ontschorsen, de maalstenen om graan te vermalen.

De Neolithische mens maakte ook hamerbijlen uit gewei, die misschien gebruikt werden als hak of om hout te bewerken. Zij bleven gedurende het ganse Neolithicum in gebruik, kwamen waarschijnlijk al voor in het Mesolithicum en werden ook in de metaaltijden nog gemaakt.

Aardewerk

Scherven van de typische keramiek uit het Vroeg-Neolithicum

Een belangrijke nieuwkomer in het archeologisch materiaal is aardewerk. Vanaf het Neolithicum ging men immers voor het eerst potten maken om voedsel in te bewaren en te bereiden. Voordien gebruikte men hiervoor waarschijnlijk allerhande recipiënten in riet, hout, leder,... waarvan we echter niets meer terugvinden. Dergelijke materialen blijven immers niet goed bewaard onder de grond in tegenstelling tot keramiek.

De vroeg-neolithische keramiek in West-Europa is een gamma van zowel grote dikwandige potten als kleiner en fijner aardewerk. Vooral het fijnere aardewerk was vaak versierd met golvende of hoekige banden en lijnen. Vandaar dat men de cultuur van de eerste West-Europese landbouwers ook "Bandkeramiek" noemt. De patronen werden met een kam in de klei gekerfd of ingedrukt met vingernagels. Oorspronkelijk waren deze insnijdingen ook vaak ingekleurd met een witte pasta, maar daar blijven enkel wat schrale sporen van over.

Bewoning

Opgraving van een Bandkeramische site in Noord-Frankrijk
Opgraving Bandkeramisch huis in de Aisnevallei

(Hierboven: Opnieuw een opgraving van een bandkeramisch huis in de Aisnevallei (Frankrijk). De donkere vulling van de paalgaten steekt schril af tegen de witgele kalkrijke ondergrond waarop het huis gebouwd werd. De buitenste palenrij maakte deel uit van de wanden van de woning. De drie rijen paalgaten die de ruimte binnenin verdelen, droegen mee het zadeldak. © Copyright: Prof. P. Vermeersch).

De huizen van de Bandkeramiek zijn ons vrij goed gekend, ook al vinden we er tijdens opgravingen alleen wat donkere verkleuringen van terug in de gele leemgrond. Deze donkere vlekken zijn de plaatsen waar vroeger houten palen in de grond stonden. Omdat ze bijna altijd hetzelfde patroon vormen, kennen we ondertussen de meest voorkomende grondplannen van Bandkeramische huizen, hun indeling en opbouw. Het waren langwerpige huizen van zo'n 5 meter breed en 10 tot 45 meter lang, of nog groter. Ze waren steeds Noordwest-Zuidoost gericht en binnenin ingedeeld door drie rijen van zware palen. De middelste eikenhouten palen droegen de nok van het zadeldak dat bedekt was met stro. De buitenste palenrijen vormden de wanden van de woning. Zij werden met een vlechtwerk van takken dicht gemaakt en vervolgens besmeerd met leem dat uit kuilen werd gehaald naast het huis. Binnen was de woning verdeeld in drie delen, een voorste, middelste en achterste ruimte. Waarschijnlijk was een deel voorzien voor het vee en voor de opslag van graan en andere gewassen, terwijl een ander deel als woonruimte dienst deed.

Reconstructie van een bandkeramische woning

(Hiernaast: Scherven van de typische keramiek uit het Vroeg-Neolithicum. Door hun versiering met banden wordt deze cultuur "Bandkeramiek" genoemd. De motieven werden ingekerfd met een kam of met vingernagels en vervolgens opgevuld met een witte pasta. © Copyright: Prof. P. Vermeersch).

(Hierboven: Opgraving van een Bandkeramische site in Cuiry-les-Chaudardes, in de vallei van de Aisne (Noord-Frankrijk). De typische huisplattegrond is duidelijk zichtbaar door de aanwezigheid van talrijke paalgaten met een bruine opvulling in de gele riviergrinten.
© Copyright: Prof. P. Vermeersch).

De eerste boeren hadden zich in Europa verspreid via de Donau naar de vruchtbare streken waar het ideaal was om aan landbouw te doen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat we in Vlaanderen enkel in de leemstreek in het zuiden van Limburg en Vlaams-Brabant sporen van deze cultuur terugvinden. Niet alleen waren de gronden daar vruchtbaar genoeg om aan akkerbouw te doen, ze bevatten ook veel klei waarmee men keramiek kon maken en huizen bezetten. Even belangrijk als bouwmateriaal was het hout dat hier voldoende aanwezig was. Op de leemgronden groeide in die tijd immers een gemengd eikenbos. In de provincie Vlaams-Brabant werden 3 bandkeramische nederzettingen opgegraven te Wange en Overhespen.

(Hierboven: Reconstructie van een bandkeramische woning in Cuiry-les-Chaudardes, in de vallei van de Aisne (Noord-Frankrijk). Aan de hand van de grondsporen die hier werden gevonden, heeft men het huis terug proberen op te bouwen. Grote palen werden opgericht volgens het opgegraven grondplan, daarna dichtgemaakt met takken en vervolgens bestreken met leem. Het zadeldak werd bedekt met stro. Zoals je kan merken is dit geen klein hutje maar een tamelijk groot huis. © Copyright: Prof. P. Vermeersch).

Een doorsnee dorp van de Bandkeramische boeren telde ongeveer 1 tot 17 huizen, dus ongeveer 60 tot 100 mensen. Zo'n grote groep was waarschijnlijk ook al ingedeeld volgens een bepaald sociaal systeem, waarin ieder zijn taak en aanzien had. Sommige huizen waren immers groter dan anderen en er waren altijd enkele constructies die met meer palen waren afgesloten. In Darion (Haspengouw) was het dorp zelfs omgeven met een gracht en een houten pallissade. Het is echter nog onduidelijk of dit een soort statussymbool was voor de nederzetting of eerder voor verdediging was bedoeld. Het oprichten van dergelijke omwalling moet veel inspanning gekost hebben van de dorpsgemeenschap. Het zou dus niet verwonderlijk zijn dat er verschillende dorpen aan meewerkten en een bouwmeester de leiding had.

Begraving

De Bandkeramische boeren hadden de gewoonte om hun doden te begraven in grafvelden in hun nederzettingen zelf of er juist buiten. Meestal werd het lichaam in een kuil gelegd op zijn linkerzij, met opgetrokken knieën en gebogen armen. Hier en daar vinden we ook wel crematies. In Elsloo (Nederland) bijvoorbeeld werd een grafveld opgegraven van meer dan 100 graven. 40 ervan waren crematiegraven terwijl de rest allemaal lijkbegravingen waren. Ze lagen meestal in Noorwest-Zuidoostelijke richting, net zoals de huizen van de Bandkeramiek.

In sommige graven, maar zeker niet allemaal, zaten grafgiften. Het gaat om potten waarin waarschijnlijk voedsel of drank zat, vuurstenen werktuigen, dissels, allerhande opsmuk in been of ivoor zoals armbanden, colliers, riemen,... . Net zoals de verschillen in de woningen kan dit wijzen op sociale verschillen tussen de mensen van het dorp.

In de Bandkeramische nederzettingen van Wange en Overhespen hebben de archeologen slechts een enkele lijkbegraving teruggevonden en geen volledig grafveld.

Leefwijze

Hoewel er al aan landbouw werd gedaan omstreeks 10.000 jaar geleden in het Midden-Oosten, arriveerden de eerste boeren in Vlaanderen pas rond 5.300 v. Chr. Tot dan leefde men hier nog van de jacht en het verzamelen van vruchten uit de omgeving. De Mesolithische jagers-verzamelaars bleven ook na de komst van de boeren nog bestaan in bepaalde streken zoals in de Kempen. Enkele vondsten van dissels en pijlpunten buiten het gekende verspreidingsgebied van de Bandkeramiek wijzen zelfs op contacten met deze locale jager-verzamelaars.

De omschakeling naar landbouw had hier net zoals elders een enorme impact op de leefwijze van de mens en de materiële cultuur. Men kon nu zelf voedsel produceren en voorraden aanleggen en men was dus niet meer zo afhankelijk van het rondtrekkende wild en de klimaatswijzigingen.

De gewassen die verbouwd werden waren primitieve tarwesoorten, gerst, lijnzaad, linzen en erwten. Maar er werden ook nog steeds vruchten zoals pruimen, appels, hazelnoten,... verzameld en zelfs ingevoerd vanuit het buitenland zoals het maanzaad van papaver uit het Middellandse Zee gebied.

Om aan akkerbouw te doen in Vlaanderen, moesten de eerste landbouwers eerst stukken van het bos dat op de leemgronden groeide rooien en afbranden. Na enkele generaties raakte de grond echter uitgeput en moest de groep verhuizen naar andere plaatsen.

Van het vee dat men hier kweekte zijn meestal weinig resten bewaard. De botten die werden gevonden zijn voornamelijk van runderen, varkens, schapen en geiten. Op herten, everzwijnen en in mindere mate ook bevers en reeën werd nog steeds gejaagd met pijl en boog. Het bestaan van visvangst kon ook bevestigd worden door de vondst van een afvalkuil op een site te Luik.

Door deze voedselproductie en de stockage ervan had de mens uiteindelijk tijd om andere dingen te doen zoals zaken voor de leefgemeenschap die een duidelijke planning en gestructureerde samenwerking vereisten. Zo werden er huizen gebouwd met zware eiken balken die zeker een hele generatie meegingen. Sommige groepen richtten zelfs een grote omheining op rond hun dorp. Er werd handel gedreven met sites die gespecialiseerd waren in bepaalde activiteiten. Van hieruit werden goederen zoals vuurstenen werktuigen of aardewerk uitgewisseld met andere sites. Op grotere schaal voerde men zlefs vanuit het Middellandse Zeegebied schelpen en papaver in terwijl uit de streek van de Eifel bepaalde gesteenten kwamen.

De bandkeramische site te Wange (Vlaams-Brabant)

Tweede opgraving te Wange (1997)

(Hiernaast: foto genomen tijdens de tweede opgraving in Wange (1997)).

Begin 1977 werd bij oppervlakteprospectie langs de Kleine Gete te Wange (deelgemeente van Landen) een concentratie lithisch materiaal aangetroffen van een industrie hoofdzakelijk vervaardigd op basis van klingen met ook heel wat stukken in Wommersomkwartsiet (4%) en in ftaniet (1,8%). Opvallend zijn vooral de talrijke eindschrabbers en asymmetrische spitsen van het Bandkeramische type. Daarnaast komen ook werktuigen op afslag voor, vooral schrabbers en verscheidene afslagbijlen. Het grote aantal afslagen in ftaniet, waaronder enkele stukken die we menen te moeten interpreteren als onafgewerkte dissels, wijzen op de aanwezigheid van een kapatelier voor ftanieten voorwerpen. Probleem was echter dat de al zeldzame keramiek erg geschonden was.

Dankzij de medewerking van de K.U. Leuven, van de Geschied- en Heemkundige Kring van Landen, en van talrijke vrijwilligers kon in 1979 een proefopgraving ondernomen worden waarbij talrijke grondsporen, o.m. verscheidene paalgaten, aan het licht kwamen. Een ronde kuil van 2 m diameter leverde heel wat archeologisch materiaal op, vooral aardewerk. Talrijke scherven zijn versierd met Bandkeramische motieven, voornamelijk golvende banden opgevuld met parallelle lijnen of rijen punten, aangebracht met een spatel of meer nog met een meerpuntig voorwerp (kam). Het silexmateriaal bestaat uit enkele kernen, een tablet, 14 eindschrabbers, een driehoekige spits, een fragment van een sikkelkling, een kling met sterk afgesleten uiteinde, afgeknotte en afgeschilferde stukken en heel wat debitageproducten en retoucheringsafval.

Bovendien kwamen ook stukken te voorschijn in ftaniet en in Wommersomkwartsiet, waaronder een schrabber op een kernplaket, een stukje oligist, fragmenten van maalstenen, brokken gesteente en enkele keien. De kuil bevatte verder heel wat verbrand leem, houtskool en onderaan resten van been.

In een andere ovale kuil van ongeveer 2 m lengte waren centraal verkleuringen te zien waarin minuscule maar talrijke stukjes been voorkwamen. De vulling bevatte wat bijmenging van houtskool, enkele mantelafslagen, eindschrabbers, klingen, een geretoucheerde afslag, een distaal gebroken kling en op de bodem een afgeronde steker, hopelijk gaat het om een graf.

Samen met de sites in Henegouwen vormen de vondsten te Wange een duidelijke aanwijzing dat de Bandkeramische cultuur in België een veel groter verspreidingsgebied heeft ingenomen dan tot voor kort werd aangenomen.

De Michelsbergcultuur

Algemeen

In het Duitse Rijnland ontstond uit de Rössencultuur (een cultuur die in dezelfde periode voorkwam als de Bandkeramische cultuur) de zogenaamde Michelsbergcultuur, genoemd naar een versterkt dorp in Baden. Het betrof een beschaving van voornamelijk veehouders en mijnwerkers. Die beschaving kwam voor in Oost-Zwitserland, in een groot deel van Midden-Duitsland, Bohemen, het Rijndal, België en Nederlands Limburg. In Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Brabant, Limburg, Henegouwen, Luik en Namen zijn duizenden vuurstenen en scherven van hun typische tulpenbekers gevonden. De vuursteenmijnen in Zuid-Limburg (NL) en in Spiennes (B) werden door het Michelsbergvolk uitgebaat.

Aardewerk

Tulpenbeker uit de Michelsbergcultuur

Net als andere prehistorische culturen heeft ook de Michelsbergcultuur zijn typerend aardewerk. Zogenaamde "Tulpbekers", flessen en schalen van relatief hoge kwaliteit. De verspreiding van vuurstenen gereedschappen toont aan dat er een handelsnetwerk moet hebben bestaan. Onder andere de vuursteenmijn bij Spiennes blijkt een voorname bron van vuursteen te zijn geweest. Uit vele vondsten van dierlijke botten blijkt dat de Michelsbergcultuur vee zoals runderen en varkens hield en slechts in geringe mate van jacht afhankelijk was.

(Hiernaast: een typische tulpbeker van de Michelsbergcultuur)

Landbouw

Het vochtige en warme klimaat had op de hogere gronden het ontstaan begunstigd van een dicht natuurlijk loofbos, waarin de eik domineerde. Uit pollendiagrammen blijkt dat de Michelsbergmensen bij hun aankomst het woud hebben gerooid om akkers en weilanden aan te leggen. De mens uit de nieuwe steentijd ging het dichte oorbos eerst met stenen bijlen te lijf, brandde het daarna af om vervolgens in de warme as te zaaien. Wanneer na enkele jaren de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem terugliep, werden nieuwe delen van het bos gerooid. Van bemesting was nog geen sprake. Het grazende vee voorkwam dat het bos weer aangroeide op de braakliggende akkers. Langzamerhand ontstonden grote open plekken. Hierin herkennen sommigen het onstaan van uitgestrekte heidegebieden (zoals in de Kempen).

Mensen uit de nieuwe steentijd voerden een gemengd bedrijf en konden gedeeltelijk in hun eigen behoeften voorzien. Daarnaast speelde ook de jacht op herten en vogels, de visvangst en het verzamelen van schaaldieren nog een belangrijke rolin hun voedselvoorziening. De mensen uit de Michelsbergcultuur hielden vee (vooral runderen, maar ook geiten, varkens, schapen en tegen het einde van de nieuwe steentijd sporadisch paarden) en teelden gewassen zoals granen (eenkoorn, emmertarwe en tarwe), oliehoudende zaden, erwten, bonen en vlas. In de dorpen (niet ver van de akkers) waren noten, vlier, lijsterbes en sleedoorn bekend.

Landbouwers kenden een grotere bestaanszekerheid dan jagers. Ze waren minder afhankelijk van het sterk wisselende wildaanbod en producten uit de vrije natuur. Van de Michelsbergcultuur is veel materiaal aangetroffen. Mogelijk duidt dit op een uitbreiding van de bevolking. Kon die toenemen omdat met name de levenskansen van jonge kinderen aanzienlijk stegen door de meer constante beschikbaarheid van voedsel?

Eergetouw waarmee de akkers bewerkt werden

(Hierboven: in het begin werden de akkers niet geploegd, maar met een eergetouw bewerkt. Er werden voren getrokken, maar de grond werd niet omgedraaid).

Bewoning

De overgang naar akkerbouw en veeteelt ging gepaard met belangrijke technologische en sociale vernieuwingen zoals het wonen op een vaste plek en in een stevig huis. In de nieuwe steentijd vestigde men zich in de buurt van zijn akkergronden en weilanden. Om aan voldoende water te geraken, werden waterputten aangelegd. Vanaf de nieuwe steentijd tot lang na de middeleeuwen hebben onze landbouwers hun boerderijen op min of meer dezelfde manier gebouwd. Ze trokken een skelet op van houten palen. De onderkanten van de palen werden in putten in de grond geplaatst. De wanden van de boerderijen werden gemaakt van een vlechtwerk van takken, besmeerd met leem, mest en stro. Het dak werd gedekt met stro. Binnenin bestond de boerderij uit één groot vertrek. Daarin werden ook voedselvoorraden voor de winter bewaard.

De Michelsbergcultuur is verantwoordelijk voor enkele van de oudste aarden verdedigingswerken in Europa. Die worden beschouwd als een typerend element van deze cultuur. Ze liggen op een hoogte en de toegangen waren versterkt met palen, grachten en wallen. Dit kan wijzen op een toegenomen onveiligheid en de dreiging van gewapende conflicten. Uit diverse vondsten zijn brandlagen bekend die op oorlogshandelingen wijzen. De uitvinding van de strijdhamer lijkt ook in deze richting te wijzen.

De huizenbouw van de Michelsbergcultuur verschilde dus niet zo veel van die van de Bandkeramische cultuur maar hun nederzettingen waren veel beter beschermd door middel van verdedigingswerken.

Manier van bouwen Michelsbergcultuur

(Hiernaast: voor het eerst werden min of meer permanente woningen opgetrokken).

Typische boerderij van de Michelsbergcultuur

(Hierboven: typische boerderij van de Michelsbergcultuur).

Binnenzijde van boerderij Michelsbergcultuur

(Hierboven: de binnenzijde van de boerderij).

Een waterput van de Michelsbergcultuur

(Hiernaast: Door de uitvinding van de waterput kon de mens hoger op de akkers gaan wonen).

Begraafplaatsen

Door het introduceren van de akkerbouw en veeteelt verbleven de mensen noodgedwongen gedurende lange tijd op dezelfde plaats. Dit resulteerde in de aanleg van begraafplaatsen. In tegenstelling tot de oude en de middensteentijd zijn vanaf de nieuwe steentijd veel meer begraafplaatsen teruggevonden, zowel grafheuvels, vlakgraven (grafkelders) als dolmen. De Michelsbergcultuur bouwde wellicht grafheuvels met een ronde standgreppel en met dicht bijeen geplaatste palen binnen of om de voet van de heuvel. Er zijn graven bekend met bijgiften zoals aardewerk, stenen werktuigen, kralen of koperen dolkjes. Uit de begraafcultuur blijken duidelijke verschillen op sociaal gebied.

Mijnbouw

De kwalitatief hoogwaardige vuursteen voor de gepolijste werktuigen werd in vuursteenmijnen gewonnen. Op verschillende plaatsen in Wallonië (Spiennes, Obourg), in Belgisch Limburg (Voerstreek) en in Nederlands Limburg (St.-Geertruid) liggen rijke vuursteenlagen onder het oppervlak. Al vlug kwam door het uithouwen van schachten en onderaardse gangen een echte vuursteenindustrie op gang. De Michelsberglieden worden terecht als de eerste mijnwerkers van ons land beschouwd. Dichtbij de mijnschachten waren kleine werkplaatsen ingericht. Daar werden klingen (messen) als halffabrikaten uit de vuursteenknollen gekapt en vervolgens verhandeld.

Vuursteenmijn te Spiennes

(Hierboven: de wereldberoemde vuursteenmijn te Spiennes, beschermd door Unesco als werelderfgoed).

Kleding

Tijdens de Michelsbergcultuur leerde men weven met vlasvezels en wolgaren. Het vlasweefsel werd met behulp van plantaardige kleurstoffen geverfd.