ons land - focus

 

IJzertijdperk - Algemeen
De Hallstatt-cultuur
De Kemmelberg
De La Tène-cultuur
De Kelten - Algemeen
Godsdienst bij de Kelten
De Belgae
Home

De goden van de Kelten

           
banner
Boerderij uit de ijzertijd
De Gundestrupketel

(De Gundestrupketel).

Ondanks al de moeilijkheden en onzekerheden geven we een korte - en onvolledige - opsomming van enkele Keltische goden, of godheden. Typisch Romeinse figuren als Jupiter, Mars of Mercurius, laten we onvermeld, hoewel ook die in een Keltische of Gallo-Romeinse context voorkwamen. Wanneer in verschillende gebieden vergelijkbare namen bestonden (zoals Ogmios voor Ierland en Oghma voor Wales) laten we in het midden of het steeds om precies dezelfde godheid ging, dan wel of er inhoudelijk regionale verschillen bestonden. Niettemin kunnen we vermoeden dat die er inderdaad waren: zo was de Lugh van Ierland een iets andere figuur dan zijn naamgenoot in Gallië.

Nog even dit: ergert u zich er vooral niet aan als niet alles in de opsomming even duidelijk of doorzichtig is. Dat is het voor niemand.

Arduenna / Arduinna
het Gallische woord epos (paard) is afgeleid. In dit geval gaat het om een beer, het mannetje van een everzwijn; Arduenna zou de everzwijngodin zijn. Dit vermoeden steunt minder op taalkundige argumenten dan op een bronzen afbeelding, die van Arduenna is teruggevonden (zie foto). Daarop wordt ze zittend op een everzwijn getoond. Binnen de Keltisch-Romeinse cultuur van Gallië en Brittannië stonden everzwijnmannetjes symbool voor voedsel, jagen en vechten.

De meeste taalkundigen denken er anders over. Zij stellen dat Ard(u) 'hoog' of iets van die aard betekent. In dat geval staat Ardu-enna waarschijnlijk voor 'die in de hoogte woont', of voor 'die de hoogte liefheeft'. In afgeleide zin gaat het om 'de verhevene' of zoiets. Dan komt ze aardig in de buurt van de moedergodinnen of Matronae (zie verder).

Lezers die met de Griekse of Romeinse gedachtewereld vertrouwd zijn, zouden met een godheid als Arduenna op een dwaalspoor kunnen belanden. Arduenna was niet de godin van de Ardennen, al dan niet gesymboliseerd door een everzwijn. Nee, Arduenna was de Ardennen, en de Ardennen waren Arduenna. De Kelten met hun pantheïstische trekjes maakten geen onderscheid tussen het landschap en de godin. Elke bron, elke rivier, elke berg waren één geheel met de godheid die er woonde. Op dezelfde manier was Matrona niet de godin van de Marne-rivier maar de Marne zelf. Natuurverschijnselen waren een van de vele manieren waarop een godheid zich kon manifesteren.

Brighid / Brigantia

Kildare, de patroonheilige van Ierland. Voor zover deze Brigida echt heeft bestaan, vertelt de traditie dat ze door een druïde was opgevoed. Volgens de legenden en de Ierse orale traditie is ze de patroonheilige van de poëzie en de kennis, de geneeskunde en de handvaardigheden.

Ze was, en is, dermate populair dat ze nog altijd op veel plaatsen in West-Europa wordt vereerd, en in volksgebruiken een hoofdrol speelt. Dat is ook in de Lage Landen het geval. Een bekend voorbeeld is Noorbeek, een dorp in het uiterste zuiden van Nederlands Limburg. Daar ligt er een Brigidabron die naar verluidt nooit bevriest. Op 1 februari, de feestdag van de Heilige Brigida, trekken boeren uit de omgeving naar haar kerk in Noorbeek. Daar wordt water en brood gezegend, dat de boeren thuis aan hun vee voeren. Dat voorkomt ziektes.

Elk jaar op de tweede zaterdag na Pasen trekken de ongehuwde mannen van Noorbeek naar een bos vlak over de grens. Ze vellen er een reusachtige spar en brengen die met paarden tot vlak voor de kerk. Daar zetten ze hem rechtop. Dit gebruik dateert uit 1634 n. Chr., toen in de streek de veepest heerste en de bevolking wanhopig Brigida om hulp riep. Kennelijk met succes.

Cernunnos

Cernunnos ('de gehoornde' of iets van die aard). Tegenwoordig doet deze godheid het goed in new-agekringen, meer bepaald binnen de moderne heksen- en druïdenbewegingen. Voor hen is hij een beetje de mannelijke evenknie van de moedergodin.

Deze mannelijke figuur gaat in de afbeeldingen vaak van een hert vergezeld. In andere gevallen draagt hij zelf een hertengewei. Meestal wordt een gewei beschouwd als een symbool van kracht en vruchtbaarheid. Cernunnos is oud, draagt een baard en snor en heeft een Boeddhahouding

Dagda

en bevindt er zich een slang in zijn buurt. De kop daarvan is op veel afbeeldingen door de kop van een rund vervangen. Cernunnos is de meester van de dieren en planten, houdt soms een zak geld vast en staat symbool voor welvaart en overvloed. Hij wordt vergeleken met de Dis Pater, de Romeinse heerser van de Onderwereld.

Deze figuur werd op veel plaatsen in Gallië afgebeeld. Waarschijnlijk was hij ook de zittende man op de Gundestrupketel (zie afbeelding). Zijn naam is echter nog maar één enkele keer aangetroffen: op een zuil van de Parisii, de Keltische stam die later Parijs zijn naam heeft gegeven.

Zijn speciale dag was 1 november, Samhain, wanneer er contact tussen stervelingen en de bewoners van de onderwereld mogelijk was. Zijn hoorns en zijn band met de onderwereld deden vroeg-christelijke schrijvers Cernunnos met de duivel vergelijken. Nochtans verbindt niets Cernunnos met het kwade, eerder was hij zowel een god van de onderwereld als van de overvloed.

Dagda of Eochaidh Ollathair ('hij die alles kan' of de 'goede' - 'goed' niet in de morele betekenis van het woord maar in de betekenis van 'goed in alles'. Ollathair betekent 'vader van alles' en Eochaidh waarschijnlijk 'hij die op een paard lijkt').

Dit is de patriarch-vader van de Tuatha Dé Danann (Iers, mythologisch volk). Hij kan ongeveer alles en verenigt in zich onder meer de controle over het oorlog voeren en het wegschenken van wijsheid. Volgens de Ierse mythologie was hij de vader van Brighid / Boann, bij wie hij later Oenghus verwekte. De familiefeestjes van de Keltische goden moeten een gezellige bedoening zijn geweest.

De knots van de Dagda was zo zwaar, dat hij op een wagen moest worden vervoerd. Dagda kon er negen mannen tegelijk mee van hun sokken meppen. Met het andere eind van de knots kon hij elke wond genezen. Verder bezat Dagda een ketel van overvloed. Iedereen die eruit at, hield pas op als hij verzadigd was. Nooit raakte de ketel leeg.

In een oud Iers verhaal werden over die ketel grapjes gemaakt. Ooit hadden de Fomori, voorgangers en tegenstanders van de Tuatha Dé Danann, geprobeerd om Dagda met zijn ketel te grazen te nemen. Ze vulden die met porridge (een soort pap), gemaakt van 350 l meel, 350 l vet, 350 l melk, 350 l wijn, 80 geiten en 80 schapen. Ze eisten dat Dagda de ketel zou leegeten, anders werd hij gedood of zou hij zich op zijn minst onsterfelijk belachelijk maken. Tot hun verbazing lukte het hem: toen de ketel leeg was, likte Dagda met zijn vingers de laatste restjes uit. Gesterkt door dat eten verwende hij al de vrouwen van de Fomori. De Fomori-oorlogsgodin Morrigan was over zijn prestaties zo verrukt, dat ze beloofde haar toverkunsten tegen haar eigen volk te gebruiken.

De 'borsten' van Danu nabij Killarney, Ierland

Danu / Dana / Anu / Ana: de stammoeder van de Tuatha Dé Danann. De Ierse traditie koppelt haar naam aan zogenaamde tweelingheuvels in de buurt van Killarney. Verteld wordt dat die twee heuvels de borsten van Danu zijn (zie foto).

Epona ('de godin van de paarden'). Mogelijk leeft haar naam voort in ons 'pony'.

De Epona van Uffington

Epona was wellicht de bekendste godin uit Gallië, nog het meest in het gebied van de Trevieren. Bijna al haar afbeeldingen dateren uit de 3e eeuw, zodat ze mogelijk pas laat in de Gallo-Romeinse cultus is geslopen. Bijna altijd wordt ze met paarden geassocieerd. In de hele Indo-Europese cultuur golden die als belangrijke dieren, en bij de Kelten was dat niet anders. Overal in het Keltische gebied zien we sporen van een paardencultus, of iets dat daarop lijkt. Boeiend is het 100 m grote paard, dat in de kalkheuvels van het Engelse Uffington werd uitgehouwen (zie foto hierboven).

Traditionele afbeelding van Epona op haar paard

voerlieden en koeriers, en af en toe dook ze op als een begeleidster van overleden zielen.

In Wales had Epona een tegenhangster: Rhiannon ('de grote koningin'). Over haar wordt verteld dat ze verloofd was met de god-vader, van wie ze een kind kreeg. Daarmee vervulde Rhiannon enigszins de functie van een vruchtbaarheidsgodin en was ze aan de Matronae (zie verder) verwant. Ook sommige aspecten van de Gallische Epona doen aan een moedergodin denken, bijvoorbeeld dat ze zowel werd gekoppeld aan vruchtbaarheid en voorspoed als aan sterven en begraven.

Esus

Esus ('de god', 'de goddelijke' of 'de goede'). De Parissii hebben een zuil met daarop een voorstelling van deze mannelijke god achtergelaten. Hij staat er afgebeeld als een houthakker, die met een snoeimes de bladeren van een boom verwijdert (zie foto hiernaast). Hij had iets met bomen en leek met de Ierse Dagda te zijn verwant, al trad hij ook op als de god van de oorlog en de rijkdom. In Gallië ging het mogelijk om dezelfde figuur als Lug (zie hierna).

Romeinse auteurs koppelden zowel Esus, Toutatis als Taranis (zie voor beide verder op in de tekst) aan mensenoffers. Slachtoffers die aan Esus werden geofferd, werden aan een boom opgehangen tot hun vlees scheurde en het bloed uit hun lichaam stroomde.

Ivérix
De magische speer van Lug

Lug / Lugh / Lleu (waarschijnlijk 'de schitterende' of 'de stralende'). Deze god kwam zowel voor op de Britse eilanden als op het vasteland. In Gallië was hij wellicht de belangrijkste godheid, die kon worden beschouwd als de tegenhanger van de Ierse Dagda. Hij had met de zon te maken en kon goed vechten. Ook was hij een kei in alle mogelijke kunsten, waardoor hij op Mercurius leek.

(Hiernaast: grafische voorstelling van de magische speer van Lug).

In de Ierse mythologie was hij een jonge krijger en later de koning van de Tuatha Dé Danann. Een van zijn bijnamen was 'de zeer technische'. Een andere bijnaam luidde 'Lug met de lange arm', omdat hij over een heel grote afstand kon slaan. Hij wist de boosaardige wezens van de Andere Wereld te overwinnen, en vond tussen de bedrijven door de tijd om Cu Chulainn te verwekken. Een mythe vertelt dat hij als jongeman aanklopte bij het paleis van de Tuatha Dé

Danann en vroeg om binnengelaten te worden. De portier wilde weten wat de knaap te bieden had, want zonder bijzondere eigenschappen mocht niemand het paleis betreden. Lug vroeg of ze al een timmerman hadden. Tuurlijk, zei de portier. Lug vroeg of ze al een smid hadden. Tuurlijk, zei de portier. Lug vroeg of ze al een dichter hadden, een druïde, een krijger, een wapensmid. Tuurlijk, zei de portier na elke vraag. Toen vroeg Lug of ze ook iemand hadden die al deze beroepen in zich verenigde. Als dat niet zo was, verklaarde hij zich beschikbaar. Daarop mocht hij binnen, al moest hij nog in een magisch schaakspel zijn talenten bewijzen. Natuurlijk won hij.

Daarop droeg koning Nuadu hem op Ierland tegen de Fomori te verdedigen, want zelf had Nuadu een arm verloren. Lug nam zijn rol ernstig op. Hij probeerde eerst het conflict vreedzaam te beslechten door Dagda als ambassadeur uit te sturen, maar dat mislukte. De Fomori trachtten Dagda belachelijk te maken door hem een onheuse hoeveelheid porridge voor te schotelen.

Lug begreep dat er niets anders opzat dan te vechten. De voorbereidingen voor de strijd waren immens. Goibniu de smid maakte wapens die nooit konden falen. Diancécht de heler gaf Nuadu een zilveren arm en beloofde dat hij elke gewonde man zou genezen. Dagda zwoer dat zijn ketel met porridge nooit zou leegraken. De beenderen van de Fomori zouden onder zijn knots klinken als hagelkorrels onder de hoeven van paarden of herten.

Het grootste gevaar was Balor, de koning van de Fomori. Hij bezat een oog dat iedereen doodde die er ook maar één blik van opving. Niemand had daartegen een remedie gevonden. Alleen Lug wist raad. Met zijn slinger sloeg hij zo hard een kogel door de achterkant van het hoofd van Balor, dat die er aan de voorkant weer uitkwam. Het kwade oog van Balor vloog met de kogel door de lucht.

Toen wonnen de Tuatha. Op de grond lagen evenveel verslagen Fomori als er sterren waren onder de hemel, zandkorrels in de zee, sneeuwvlokken in de lucht, dauwdruppels op gras of golven tijdens een storm.

Arduenna / Arduinna: binnen het Keltische religieuze leven was deze godin veeleer een lokale godin. Omdat ze een belangrijke streek van de Lage Landen - de Ardennen - haar naam heeft gegeven, besteden we er toch aandacht aan.

Haar naam komt zowel voor bij Caesar en Tacitus als op Keltisch-Romeinse inscripties. Het gaat om de oude naam van de Ardennen en tevens om de naam, of bijnaam, van een godin. Over de betekenis bestaat onenigheid. Een interpretatie luidt dat 'Arduenna' verwijst naar een dier, zoals Epona (zie verder) van

Belenos

Belenos ('de sterke'). Hij werd al in de Romeinse tijd met Apollo vergeleken. Hij stond in verband met de zon en kon genezen. Onder meer in Centraal- en Zuid-Gallië was hij populair.

Traditioneel wordt zijn naam vertaald als 'de schijnende' of 'de stralende'. Recent hebben taalkundigen Xavier Delamarre en Peter Schrijver een andere mening geuit: Belenos betekent zoveel als 'de sterke'. De vroegere verklaring dat het om de 'stralende' gaat, noemen zij een gevolg van de interpretatio romana. Binnen dfe Gallo-Romeinse cultuur werd Belenos met Apollo vergeleken, en dat was inderdaad een zonnegodachtige figuur. Dat plus het feit dat in 'Belenos', met wat fantasie

het Franse woord bel (mooi) kan worden gelezen, heeft taalkundigen op het verkeerde been gezet. Maar de etymologische werkelijkheid zou anders zijn.

Brighid / Brigantia ('de eminente', 'verhevene' of 'zeer hoge' (briga = hoogte)). In Gallië werd Brigantia als de dochter van Jupiter beschouwd. In dat opzicht was ze de evenknie van Minerva. In Ierland was Brighid de dochter van de oppergodachtige figuur Dagda of Eoichaid Ollathair (zie verder). Op het eiland werd ze vaak als drie personages voorgesteld (zie foto). Onder de naam Boann was ze de moeder van Oenghus. Waarschijnlijk was ze de beschermgodin van de Brigantes, een Keltische stam uit Engeland die zijn hoofdplaats in York moet hebben gehad.

Brighid bezat wijsheid, samen met een sterke bevruchtende kracht en de gave om te genezen. Haar cultus was zo populair dat ze de komst van het christendom overleefde. Traditioneel wordt verteld dat de Keltische Brighid uitgroeide tot Sint-Brigit, of Sint-Brigida van

De manier waarop Epona meestal werd voorgesteld, zijdelings zittend op een merrie (zie foto hiernaast), was inheems maar haar kleding sloot aan bij de Romeinse mode. On-Romeins was dan weer de aanwezigheid van een paard; een Romeinse god werd ongeveer nooit met een dier afgebeeld. Daarmee was Epona een treffend voorbeeld van het syncretisme (vermenging van religies) tussen een Romeinse en inheemse cultus.

De cultus van Epona drong tot in Noord-Afrika door. In Rome werd ze, als enige Keltische godin, op een speciale dag (18 december) gevierd. Waarschijnlijk kwam dit omdat Epona paarden en ruiters beschermde, wat ook de Romeinse soldaten belangrijk vonden. Haar cultus beperkte zich echter niet tot rituelen in verband met paarden. In de streek van de Saône en de Loire, dat wil zeggen in het land van de Aedui - bondgenoten van Caesar, die om hun ruiterij (!) bekendstonden - trad Epona ook op als de behoedster van het veld en het jonge vee. Ze was eveneens populair bij

Ivérix. In het archeologisch museum van Charleroi bevindt zich de enige Belgische menhir, waarop een tekening is uitgehouwen en een korte inscriptie staat. Oorspronkelijk komt de menhir uit Macquenoise, een dorp bij de Franse grens. Op één zijkant van de menhir is een menselijke figuur in een kapmantel te zien, die in de rechterhand een slang of zoiets vasthoudt. De menhir moet uit de nieuwe steentijd dateren, maar later - kennelijk tijdens de Gallo-Romeinse tijd - is hij bijgewerkt.

Onder de menhir staat een inscriptie, waarop met enige moeite de letters IVIIRICCI vallen te ontcijferen. Claude Sterckx (professor aan de ULB) leest dat als 'Ivérix'. Volgens hem betekent het woord zoveel als 'de koning (of de god) van de taxus', of 'de taxusgod'. Het Gallische ivros is verwant aan het eveneens Gallische eburos, dat we kennen van onze Eburonen en 'taxus' betekent. Zoals we al

zegden, had deze boom een magische betekenis en stond hij onder meer voor het leven en de dood.

De slang die de figuur vasthoudt, is veelbetekenend. In veel culturen, ook bij de Kelten, was de slang het symbool van de schepping en de wedergeboorte, onder meer omdat het beest regelmatig vervelt en zichzelf weet te vernieuwen. De vorm van het dier wordt weleens vergeleken met de penis of de navelstreng. Zijn gif kan doden, maar kent ook geneeskrachtige toepassingen, net als het gif van de taxus.

Op grond van dergelijke en andere argumenten vermoedt Sterckx dat de Ivérix uit Charleroi de plaatselijke voorstelling is van de Keltische almachtige god, die leven en dood in handen heeft. Ivérix kan dus worden vergeleken met de Ierse Dagda of Eochaidh Ollathair.

Beeld van Manannan

Beeld van Manannan op het eiland Man (Tholt-y-Will).

Manannan, de zoon van Lir. Deze god kwam alleen in de Ierse en Welshe verhalen voor. Hij was de 'koning van het land van belofte' - zeg maar van de Andere Wereld - en bezat magische krachten, tot de gave van de wedergeboorte toe. Dat idee bestaat in meer Keltische teksten en wordt ook door klassieke auteurs vermeldt. Oud-Ierse verhalen over de wedergeboorte zijn meestal met Manannan verbonden.

Manannan zou Ierland over de zee of een meer hebben bereikt. Sommigen beschouwen hem als de Ierse Neptunus. Zijn naam wordt aan het eiland Man gekoppeld, maar vreemd genoeg werden daar geen verhalen over hem bewaard. (Andere mythen vertellen dat het eiland Man is ontstaan toen de held Finn Mac Cumhaill een kluit aarde losrukte en smeet naar een Schotse reus, die de strijdvaardigheid van Finn wilde testen). Elders wordt Manannan beschouwd als de god, of emanatie, van de Ierse Zee.

In de oudste teksten speelde hij maar een beperkte rol. Pas in verhalen uit de Hoge Middeleeuwen dook hij als een belangrijke figuur op, werd hij als de god van de zee beschouwd en tot de Tuatha Dé Danann gerekend. Opnieuw zien we hoe delicaat het is om teksten uit de volle Middeleeuwen naar de pré-christelijke toestand te transponeren.

Magusanus

Magusanus: de naam Magusanus lijkt te bestaan uit een combinatie van twee woorden, die zowel in het Germaans als het Keltisch voorkwamen. Mogelijk was Magusanus aanvankelijk een Keltische naam, die daarna een Germaanse klank kreeg. Als dat vermoeden klopt, hebben we te maken met een voorbeeld van gegermaniseerd Keltisch. Het lijkt te gaan om een samenvoeging van de woorden magus en senos. Magus betekent zoveel als 'jong' of 'jongeling', senos is 'oud'. De naam bevat dus twee tegenstrijdige elementen, maar dat kwam in de mythologie vaker voor. Mogelijk werd met Magusanus iets bedoeld als 'de levenskrachtige ouder', of 'de jongere met de levenservaring van een oude man'.

Magusanus wordt meestal verbonden met de Romeinse godheid Hercules. Magusanus zelf was waarschijnlijk de hoogste god van de Bataven. Vermoedelijk werd eerst de god Magusanus vereerd, en heeft men hem in de Romeinse tijd met Hercules gelijkgesteld. Er kunnen meerdere redenen hiervoor zijn: omdat de Bataafse elite graag aansluiting vond bij de Romeinse beschaving, omdat in de Grieks-Romeinse wereld Hercules het symbool was voor mannelijke kracht en moed (belangrijk voor een soldatenvolk als de Bataven), omdat Hercules een reputatie had als de hoeder en beschermer van vee en

omdat Hercules vaak met veeroof werd verbonden. Zoals eerder vermeldt, was het houden en roven van vee bij de volkeren uit de ijzertijd een populaire manier om rijkdom te vergaren.

Matrones / Matronae ('moeders', 'goddelijke moeders' of 'moedergodinnen') of meer algemeen de moedergodin-achtige dames. Zowel in Wales als in Romeins Gallië kwamen moedergodinnen voor, die dikwijls als drie vrouwen - meer bepaald als gehuwde moeders - werden afgebeeld. Drie was een bijzonder getal voor de Kelten en veel Indo-Europese volkeren. De Keltische naam voor de Marne luidde 'Matrona'. Mogelijk was deze godin dus ook die rivier.

Matronae, de moedergodinnen

Meestal werden Matronae met vruchtbaarheidssymbolen afgebeeld, en / of met een hoorn des overvloeds. Kennelijk beschikten de dames over een gezonde seksuele appetijt. Beelden van hen kwamen voor in kleine huisaltaars en in het westelijke Rijnland, meer in het bijzonder bij de Trevieren (foto hierboven), en in Noord-Italië heeft men verschillende beeldjes van de drie matronae aangetroffen. In meerderheid stamden die uit de 2e en 3e eeuw na Chr.

Daarnaast kende de Keltische traditie ook alleenstaande godinnen, die vaak als een soort moedergodin werden beschouwd. De Britse keltologe Miranda Green rekent bijvoorbeeld de Nederlandse Nehalennia hiertoe.

Grafische voorstelling van een Morrigan

Morrigans (de 'grote koninginnen'). In de praktijk waren deze dames zowel moeders als oorlogsgodinnen. Vooral in die laatste functie stonden ze bekend. Een merkwaardig gegeven uit veel culturen houdt in dat veel moedergodinnen aan doods- of oorlogsgodinnen werden gekoppeld. Blijkbaar lagen in de religieuze beleving van menig volk het (begin van het) leven, de dood en bij

uitbreiding de oorlog dicht bij elkaar.

De Morrigans bemoeiden zich zelden met de eigenlijke krijgsverrichtingen van een veldslag, maar zorgden ervoor dat de tegenstander last kreeg van angst en paniekaanvallen. Hun verwoestende karakter combineerden ze met een enorme seksuele kracht, waardoor ze ook als een vruchtbaarheidsgodheid of -symbool golden. In de Keltische traditie werden ze nogal eens aan de Matrones gelinkt. Ook de Morrigans werden meestal als drie (soms ook twee) dames voorgesteld. Het getal drie was eens te meer geen toeval. De Kelten vonden dat een belangrijk cijfer: vooral hun goden stelden ze graag als een drie-eenheid voor.

Toch is er in sommige Ierse teksten slechts van één enkele Morrigan sprake. Zij is de tegenhanger of echtgenote van Dagda en wordt de 'koningin van de demonen' genoemd. Andere namen van haar zijn Bodb of Badb, Macha en Maeve. Ze wordt vaak door een paard gesymboliseerd en is zowel vruchtbaar als verwoestend. Dat nemen we best letterlijk. Maeve moordde er vrolijk op los en pestte tussen de bedrijven door haar echtgenoot Alill. Maeve had liefst negen mannen nodig om haar seksuele honger te stillen. Daarom stond ze ook bekend als Maeve met de vriendelijke dijen.

Afbeelding van Ogmios / Ogma

Ogmios / Ogma (waarschijnlijk 'de welsprekende': de 'geleider' kan echter ook). De Ierse Ogma vervulde een dubbele rol als oorlogsgod en uitvinder van het ogam. De Gallische Ogmios werd gekoppeld aan kracht en welsprekendheid. Voor de Kelten stond verbale kracht zeker zo hoog in aanzien als fysieke kracht. Er zijn heel wat verhalen bekend waarin een bard met zijn scherpe tong letterlijk iemand het leven ontnam, of ervoor zorgde dat hij uit de samenleving werd

verbannen. Steevast deed de bard zoiets door zijn tegenstander verbaal uit te schakelen.

Mogelijk waren Ogma en Ogmios dezelfde god, maar niet elke onderzoeker is daarvan overtuigd. Wel vertonen beide goden een hoop overeenkomsten. Op het Europese vasteland wordt Ogmios zoals Cernunnos vergeleken met de Dis Pater, de Romeinse heerser van de Onderwereld.

De godheid wordt meestal afgebeeld met gouden kettingen die vastzitten aan zijn tong en die verbonden zijn met de oren van zijn volgelingen (zie afbeelding hierboven).

Sucellos

Sucellos ('de goede man die slaat'). Deze godheid uit Gallië wordt soms met de Romeinse Jupiter vergeleken en vertoont overeenkomsten met de Ierse Dagda. Andere bronnen vergelijken hem met de Romeinse Silvanus, de god van de wilde dieren en wezens. Nog andere bronnen zien in hem de hoeder van de onderwereld, of de figuur die de doden daarheen begeleidt. Hij werd als een rijpere man met baard afgebeeld (zie afbeelding hiernaast). In zijn buurt was vaak een bliksemschicht te zien. Meestal droeg hij op de afbeeldingen een Romeinse tunica (een rokje voor mannen).

Sucellos was ook de god van de alcoholhoudende dranken. Blijkbaar heeft dat hem populair gemaakt: op veel plaatsen in West-Europa zijn afbeeldingen van hem teruggevonden. Daarop droeg hij een klein biervat aan een stok.

Taranis

Taranis ('de donderende'). Nog meer dan Sucellos wordt deze godheid in Gallië met de Romeinse Jupiter vergeleken. Hij had met de donder te maken en werd vaak met een wiel afgebeeld (zie foto hiernaast). In de hele Romeins-Keltische wereld, Brittannië tot Tsjechië, was het wiel het symbool voor de hemel, en bij uitbreiding voor de bliksem die uit de hemel neerdonderde.

Taranis beheerste het lot van iedereen, controleerde de loop van de zon en was meer algemeen een 'hoofdgod'. In veel opzichten leek hij op de Ierse Eochaidh Ollathair of Dagda, met dit verschil dat bij die Ierse goden de band met de donder ontbrak. Latijnse auteurs vertellen dat voor Taranis mensenoffers werden gebracht: de stumperds kenden de dood door verbranding.

Asterix en Obelix aanroepen de goden.

Toutatis / Teutates: De naam van deze godheid kennen we vooral uit de Asterixverhalen (zie afbeelding). Volgens Caesar was hij de god die het meest door de Kelten wordt vereerd. Hij wordt soms met de Romeinse god Mercurius en vaker met de Romeinse Mars vergeleken. Uit zijn naam blijkt dat hij de 'god van het volk of de natie' was. In Toutatis zit het woord teuta ('stam'). Hij was de beschermer van de gemeenschap, waarvan de eenheid door wapens wordt uitgedrukt. Vooral in oorlogstijd werd hij ingeschakeld. Mensen die aan hem werden geofferd, kregen volgens Latijnse teksten de dood door verdrinking.