ons land - focus

 

IJzertijdperk - Algemeen
De Hallstatt-cultuur
De Kemmelberg
De La Tène-cultuur
De Kelten - Algemeen
Godsdienst bij de Kelten
De Belgae
Home

Belgische stammen in de ijzertijd

           
banner
Boerderij uit de ijzertijd
Kaart van Gallië en naaste omgeving ten tijde van de inval van Caesar.
Het wongebied van de van oorsprong Gallische Ambiani was gelegen in het bekken van de Somme (Samara), rond hun hoofdstad Samarobriva, het huidige Amiens. De hoofdstad van de Ambiani was Samarobriva (Amiens), wat zoveel betekent als overgang of brug (-briva) over de somme (Samara). De stad lag aan de handelsroute van Zuid-Gallië naar Britannia over Durocortorum (Reims). De wegen van Beauvais, Rouen, Senlis en Soissons kwamen hier samen, om vervolgens de Somme over te steken om daarna verder te gaan richting Boulogne, Brittannia of naar het gebied van de Morini.

Elke stam was overtuigd van zijn autonomie en wilde deze ook laten gelden ten aanzien van de buitenwereld. Maar niet elke stam had de middelen om zijn eigen muntwezen te onderhouden.

De Ambiani sloegen hun eigen munten. Deze leken erg op de staters die in Tarente (Zuid-Italië) werden geslagen. Op basis van die gelijkenis kun je vaststellen dat er handelsbetrekkingen waren tussen Tarente en de Ambiani.

Tijdens de eerste campagne van Julius Caesar namen de Ambiani met een leger van 10.000 krijgers mee deel aan een Gallische coalitie tegen Caesar in 57 v. Chr. Alle Belgische stammen (behalve de Remi) hadden zich geschaard onder het leiderschap van Galba tegen de expansieve doortocht van Caesar in Gallië. In De Bello Gallico wordt het aantal op 296.000 krijgers geschat, maat dat lijkt overdreven.

Toen de legers van Caesar nabij Samarobriva (Amiens) kwamen, gaven de Ambiani zich over. Toch zouden ze in 52 v. Chr. weer deelnemen aan de gevechten tegen de Romeinen toen Vercingetorix, die een aantal stammen wist te verenigen, in opstand kwam. Na de overwinning van Caesar op Vercingetorix zouden de Ambiani in 51 v. Chr. nog éénmaal deelnemen aan een coalitie met hun omliggende stammen waaronder de Bellovaci, Caleti, Aulerci Eburovices, Veliocasses en Atrebates. Na de nederlaag van deze onderneming zouden ze definitief onderworpen worden.

Door de Romeinse invloed kreeg de stad Samarobriva (Amiens) steeds meer trekjes van een Romeinse nederzetting wat zich o.a. uit in het rechthoekige stadsplan, het verschijnen van forum, markt, amfitheater en thermen. Tijdens keizer Nero (54 - 68 n. Chr.) vond een grote uitbreiding van de stad plaats en kreeg de stad twee grote branden te verduren. De stad wist dankzij de ommuring de barbaarse invasie te weerstaan. In de 4e eeuw kreeg de stad de naam Ambianensium (of Ambianorum) en werd de stad een belangrijke militaire vestiging tegen de Germaanse bedreiging. Andere steden van de Ambiani waren: Rodium, Setucis enTeucera.

De zuiderburen van de Ambiani waren de Bellovaci (nabij Beauvais); ten oosten bevonden zich de Nerviërs (nabij Bavay) en de Viromandui (nabij Vermand). Hun noorderburen waren de Morini (nabij Boulogne-sur-Mer) en de Atrebaten (nabij Artois).

2. Atrebaten (Lat. Atrebates)

Kaart met gebied waar de Atrebaten leefden

De Gallische Atrebates leefden in of rond het hedendaagse Artesië in Noord-Frankrijk. Hun hoofdstad was Nemetocenna, het huidige Arras. Ptolemaeus beschreef het gebied van de Atrebati als aan de kust van de Belgae, dicht bij de rivier de Sequana (Seine). Hij noemt "Metacum" als een van hun steden.

In 57 v. Chr. waren ze een onderdeel van het verbond der Belgae, gevormd in respons op de veroveringen van Julius Caesar in Gallië. Ze brachten 15.000 manschappen in het verbond. Caesar vond dit een bedreiging en trok op tegen hen. De Belgae hadden echter een betere tactische positie, en het resultaat was een impasse. Toen er geen gevecht kwam braken de Belgae het verbond op, en beslisten elkaar te verdedigen als Caesar een van hen aanviel. Caesar viel vervolgens verschillende van deze stammen afzonderlijk aan en onderwierp hen.

De Atrebati sloten toen een verbond met de Nerviërs en de Viromandui. Ze vielen Caesar aan bij de Slag aan de Sabis maar werden verslagen. Een Romein, Commius, werd hun koning. Commius had meegevochten in twee expedities in Britannia: in 55 en 54 v. Chr., en hij onderhandelde over de overgave van Cassivelaunus. Als dank voor zijn trouw kreeg hij ook de leiding over de Morini. Later keerde Commius zich echter tegen de Romeinen en hielp bij de opstand van Vercingetorix in 52 v. Chr. Na de nederlaag bij Alesia van Vercingetorix had Commius nog meer confrontaties met de Romeinen. Hij onderhandelde over een wapenstilstand met Marcus Aurelius en uiteindelijk moest hij met een groep volgelingen naar Britannia vluchten. Hij schijnt echter later terug invloed te hebben gewonnen in Gallië: munten met zijn naam van na de verovering zijn gevonden, samen met ofwel Garmanos of Carsicios, die zijn zoons of regenten geweest kunnen zijn.

Al vlug settelde Commius zich als koning van de Britse Atrebati, een koninkrijk dat hij zou kunnen gesticht hebben. Hun gebied besloeg het hedendaagse Hampshire, West Sussex en Surrey. Hun hoofdstad was Calleva Atrebatum, het moderne Silchester.

De kolonisatie van Britannia door de Atrebati was geen grote volksverhuizing. De archeoloog Barry Cunliffe schrijft dat het rijk opgebouwd schijnt te zijn uit tal van inheemse Britse stammen, mogelijk met enkele toegevoegde Belgische elementen; dit alles in een coherente groep door toedoen van Commius. Het is mogelijk dat de naam "Atrebati", als met zoveel "stamnamen" uit die periode, enkel verwijst naar de heersende dynastie en niet naar een etnische groep. Commius en zijn volgelingen hebben mogelijkerwijs bij aankomst in Britannia een machtsbasis uitgebouwd en voorzichtig hun invloedssfeer uitgebreid, wat uiteindelijk het effect van een proto-staat gaf.

Tijdens Caesar's eerste expeditie in Britannia in 55 voor Christus, nadat de Romeinse cavalerie er niet in was geslaagd om Het Kanaal over te steken, kon Commius de Romeinen een kleine groep ruiters van zijn volk leveren, wat erop wees dat hij toen al verwanten in Britannia had. Hierna werden de Atrebati gezien als een satellietstaat van Rome.

Van 30 tot 20 voor Christus werden munten met Commius' naam uitgegeven vanuit Calleva. Sommige munten zijn bestempeld met "COM COMMIOS". Dit interpreterend als "Commius zoon van Commius", en gezien de lengte van zijn regeringsperiode, hebben enkelen geconcludeerd dat er twee koningen waren, vader en zoon, met dezelfde naam.

Drie latere koningen van de Britse Atrebati noemen zichzelf zoon van Commius op hun munten: Tincomarus, Eppillus en Verica. Tincomarus schijnt samen met zijn vader geregeerd te hebben van ongeveer 25 v. Chr. tot aan de dood van Commius in ongeveer 20 v. Chr. Nadien bestuurde Tincomarus het noordelijke deel van het koninkrijk vanuit Calleva, terwijl Eppillus het zuidelijke deel regeerde vanuit Noviomagus Regnorum (Chichester). Numismatische en andere archeologische bewijzen suggereren dat Tincomarus een meer pro-Romeinse houding aannam dan zijn vader. John Creighton argumenteert dat, gezien zijn afbeelding op zijn munten, hij voorgeleid werd als diplomatiek gijzelaar in Rome onder Augustus.

De Res Gestae divi Augusti vermeldt twee Britse koningen die zich als smekelingen voor Augustus wierpen, waarschijnlijk rond 7 v. Chr. De passage is niet goed leesbaar, maar Tincomarus is waarschijnlijk een van hen (in dat geval is Dubnovellaunus de ander, van ofwel de Trinovantes of de Cantiaci). Het lijkt alsof Tincomarus verdrongen werd door zijn broer. Vanuit dit gezichtspunt werden Epillus' munten gemarkeerd met "Rex", wat aanduidt dat hij aangeduid werd door Rome als koning.

Rond 15 n. Chr. werd Eppillus opgevolgd door Verica (rond dezelfde tijd verschijnt er een koning met de naam Eppillus als heerser van de Cantiaci in Kent). Maar het koninkrijk van Verica werd verdrukt door de uitbreiding van de Catuvellauni onder Cunobelinus. Calleva viel in 25 n. Chr. door de broer van Cunobelinus. Na de dood van Epaticcus in 35 n. Chr. herwon Verica wat terrein, maar de zoon van Cunobelinus nam de campagne van zijn vader over en rond het jaar 40 waren de Atrebati veroverd. Verica vluchtte naar Rome, en gaf zo een voorwendsel aan de nieuwe keizer, Claudius, voor de Romeinse verovering van Brittannië.

Na de Romeinse verovering werd een gedeelte van het gebied van de Atrebati lid van het pro-Romeinse koninkrijk van de Regnenses onder Tiberius Claudius Cogidubnus, mogelijk een zoon van Verica. Stamgebieden werden later georganiseerd als de civitates van de Atrebati, Regnenses en mogelijk de Belgae.

3. Atuatuci (Lat. Atuatuci)

Kaart met aanduiding van het leefgebied van de Atuatuci

De Atuatuci waren een door de Romeinen tot de Belgae gerekende Germaanse volksstam, die ten tijde van Caesar's verovering tussen de Eburonen en de Nerviërs woonden, waarschijnlijk ten westen van de Maas aan weerszijden van de Jeker. De Eburonen waren volgens Caesar aan de Atuatuci onderworpen, een situatie waaraan door hem een einde werd gesteld.

De verwantschap van de stamnaam met atuatuca, volgens Caesar de inheemse naam voor een fort, is opvallend. Men heeft bijgevolg gesuggereerd dat Atuatuci staat voor die van het fort, een naam hen door hun buren gegeven. Een andere verklaring luidt die van twee volkeren, een taalkundig gefundeerde uitleg die gesuggereerd wordt door wat Caesar in zijn Commentarii de bello Gallico verhaalt over hun herkomst: de Atuatuci zouden zijn voortgekomen van de Kimbren en Teutonen. Die zouden ten westen van de Rijn 6000 mannen hebben achtergelaten om de "buit" te bewaken die deze plunderaars hadden gemaakt en niet konden meenemen op hun verdere tocht. Caesar weet te vermelden dat de Kimbren en Teutonen door de Belgen waren gestopt. Dat kan rond 112 v. Chr. zijn geweest, bij het begin van hun tocht door Gallië, of rond 103 v. Chr., toen de beide stammen tot in Spanje waren geweest en opnieuw naar het noorden waren getrokken. Ze draaiden toen weer om, richting Italië, hun ondergang tegemoet. Toen de Kimbren en Teutonen verslagen waren, hadden de latere Atuatuci zich blijvend gevestigd, na lange jaren te zijn opgejaagd door de locale stammen. Het is onduidelijk waar Caesar deze inlichtingen vandaan heeft.

Caesar trekt tegen hen op nadat hij de aanval van de Nerviërs heeft afgeslagen, waarvoor de Atuatuci, die hulp hadden beloofd, te laat waren gekomen. Zij verschansten zich in een oppidum dat door zijn natuurlijke ligging onneembaar leek. Onder de indruk van Caesar's belegeringswerken, gaven zij zich over, maar vielen de nacht daarop terug aan. Caesar nam het oppidum in en liet als vergelding de aanwezigen als slaven verkopen, in totaal 53.000 mannen, vrouwen en kinderen, terwijl er bij de uitval al 4.000 mannen het leven hadden verloren. De oorspronkelijke groep die rond 105 v. Chr. was achtergebleven, zou zoals gezegd uit 6.000 mannen hebben bestaan. Voor het coalitieleger van de Belgen zouden de Atuatuci 19.000 mannen hebben beloofd. De stam was gedecimeerd, maar niet van de kaart geveegd: in 54 v. Chr. belegerden ze, samen met de Nerviërs en onder leiding van de Eburonen, het winterkamp van Quintus Tullius Cicero en ook het jaar daarop waren ze in opstand. Vanaf dan verdwijnt de naam uit de geschiedenis.

Over de ligging van het oppidum - er waren er meerdere, grote en kleine, in hun gebied - bestaat geen eensgezindheid. Men vindt in de literatuur: Namen (de citadel), Namen (Hastedon), Huy (Mont Falise), Luik (Luik zelf en Embourg), enz.

4. Baetasiërs (Lat. Baetasii)

Kaart met mogelijke vestigingsplaatsen van de Baetasiërs

Over deze stam wordt door de oudste klassieke auteurs weinig of geen informatie verstrekt. Het toponiem Bee(t)z wordt met hun stamnaam in verband gebracht, Plinius de Oude (23 - 79), letterkundige, amateur-historicus en officier in het Romeinse leger, onder meer gestationeerd in Belgica, vermeldt deze volksgemeenschap voor het eerst. Volgens Tacitus namen de Baetasii deel aan de opstand van de Bataafse hoofdman Civillis. De volksstam zou rond Brussel, Heerlen in Nederland of het Duitse Neuss in Nordrhein-Westfalen hebben gehuisd.

5. Bellovaken (Lat. Bellovaci)

Kaart met leefgebied van de Bellovaken

1. Ambianen (Lat. Ambiani)

De Bellovaci waren een Belgische volksstam, die ten tijde van hun onderwerping in 57 v. Chr. door Julius Caesar in een gebied woonden direct ten westen van de Oise en ten noorden van de Seine, rond de huidige stad Beauvais (Latijn: Caesaromagus) in de huidige Franse regio Picardië, departement Oise. Hun hoofdplaats was een oppidum genaamd Bratuspantium, waarvan de locatie onzeker is.

Uit de verslaglegging van Caesar in zijn Commentarii de bello Gallico hebben wij de meeste informatie over deze stam verkregen. Twee andere belangrijke geografische werken waren de Geographica van Strabo (60 v. Chr. - 24 n. Chr.) en de Geographia van Ptolemaios (87 - 150 n. Chr.). Kleine stukjes over de opstanden zijn ook terug te vinden in Periochae van Livius (59 v. Chr. - 17 n. Chr.), Historiae Romanae van Cassius Dio (155 - ? n. Chr.) en Naturalis Historiae van Plinius de Oudere (23 - 79 n. Chr.).

Strabo, een Griekse historicus, filosoof en geograaf, geeft in zijn Geografia aan dat de Bellovaci in de vallei van de Thérain-rivier leefden, in het vierkant Oise, Somme, Seine en het Kanaal. Het gebied van de Bellovaci komt hoogstwaarschijnlijk dus vandaag de dag overeen met het Franse departement Oise in Picardië.

De Belgische noorderburen van de Bellovaci waren de Ambiani (rond het huidige Amiens) en de Morini (bij het huidige Boulogne); de stammen die hen in het zuiden begrensden waren de Belgische stammen der Caleti (rond Harfleur) en Veliocasses (rond Rouen), die beide het gebied direct noordelijk van de Seine tot de Kanaalkust bevolkten. In het oosten, over de Oise, woonden de eveneens Belgische stammen van de Suessiones (bij Soissons) en de Remi (rond Reims).

Bratuspantium en Caesaromagus, de twee hoofdplaatsen van de Bellovaci, zijn een bron van verdeeldheid onder historici en archeologen. Caesar vermeldt maar één Bellovaakse stad: Bratuspantium. Ptolemaios daarentegen vermeldt de stad Caesaromagus als hoofdstad van de Bellovaci, waarbij hij zelfs de plaatscoördinaten geeft, en rept vervolgens met geen woord over Bratuspantium.

Algemeen wordt aangenomen dat Caesaromagus de civitas (hoofdstad) is van het Bellovaakse gebied. Het ligt aan de oevers van de rivier Thérain en draagt vandaag de naam Beauvais. Zoals al eerder aangehaald, vermeldde Caesar deze stad niet in De Bello Gallico. Daarnaast zijn er in Beauvais slechts archeologische sporen teruggevonden van een Gallo-Romeinse nederzetting. Ook werden er in de nabije omgeving geen sporen gevonden van Keltische nederzettingen. We kunnen dus aannemen dat Caesaromogus gesticht werd na de verovering en romanisering van Gallië. Historici dateren de stichting van de stad daarom ook in de vroege eerste eeuw na Christus, met een uitbouw die pas echt goed begon in de tweede eeuw. De stad is in de derde eeuw verwoest en weer versterkt opgebouwd. Hoewel de naam doet vermoeden dat Caesaromagus gesticht zou zijn in naam van een "Caesar" (Julius Caesar of de keizers die het Romeinse Rijk na hem regeerden), is daarover geen enkel historisch bewijs bekend.

Omtrent Bratuspantium is nog veel discussie. Tot het begin van de twintigste eeuw dacht men nog dat Bratuspantium de voorganger was van Caesaromagus, en dus ook Beauvais. Een andere mening toen was dat Bratuspantium op enkele kilometers lag van de plaats waar men later Caesaromagus zou stichten. Recenter onderzoek heeft aangetoond dat deze twee ideeën waarschijnlijk fout zijn. Niet alleen zijn er in Beauvais en omgeving geen sporen van een echte Keltische oppidum (nederzetting) teruggevonden, maar zijn er op andere locaties die tot het Bellovaakse gebied behoorden, aanwijzingen gevonden van een redelijk grote Keltische nederzetting in Vendeuil-Caply. Deze site is midden jaren '50 opgegraven, en naast duidelijke Keltische sporen, zijn ook Neolithische en Gallo-Romeinse overblijfselen teruggevonden. De Gallo-Romeinse invloed is duidelijk te merken aan de twee theaters, de thermen en de tempels. De oppidum was tijdens de Keltische periode ca. 60 ha. groot.

De overvloed aan moerassen zorgde voor een uitstekende vruchtbaarheid van de grond. De Bellovaci konden dus ook vrij gemakkelijk onafhankelijk instaan voor hun levensonderhoud en de voeding van de grote groepen krijgers. De grond verschafte grote opbrengsten landbouwgewassen en fruit, en voldoende begrazing voor een immense veestapel.

Het ontstaan van het autonome muntwezen begon pas echt in 121 v. Chr. Gallië kreeg toen te kampen met een grote verbrokkeling. Elke stam was overtuig van zijn autonomie en wilde deze ook laten gelden ten aanzien van de buitenwereld. Maar niet elke stam had de middelen om zijn eigen muntwezen te onderhouden. De Bellovaci waren, samen met de Ambiani, één van die weinige stammen onder de Belgae die deze mogelijkheid wel hadden. Ze waren in staat hun goudmijnen te ontginnen en hun goud te verwerken in ateliers. Deze munten waren imitaties van Tarentijnse munten, met de afbeelding van Philippus II van Macedonië.

Gelijkaardige en dezelfde soorten van munten vinden we bij de meeste Belgische stammen terug, maar we mogen hieruit zeker niet afleiden dat de Belgae een monetaire eenheid hadden. Wel eerder selectieve monetaire banden, met bevriende stammen. Zo vinden we munten terug bij de Ambiani die toegeschreven worden aan de Bellovaci (hoewel de laatste jaren deze hypothese steeds meer onder vuur ligt). Het gaat om enkele gouden munten met een gewicht van gemiddeld zeven gram. Ook na de verovering van Gallië door Caesar werd de autonome muntproductie bij de Bellovaci en andere stammen voortgezet, hoewel de waarde van het geld flink daalde. Caesar liet het maken van munten toe om hen een gevoel van een zekere autonomie niet te ontnemen.

In 57 v. Chr. raakten de legioenen van Caesar een eerste maal slaags met een coalitie van de Belgae. Alle Belgische stammen (behalve de Remi) hadden zich geschaard onder het leiderschap van Galba tegen de expansieve doortocht van Caesar in Gallië. In De Bello Gallico wordt het aantal op 296.000 krijgers geschat, maar dat lijkt overdreven.

Caesar stak de Aisne over en bouwde zijn kamp waarschijnlijk op de plaats waar nu het dorp Berry-au-Bac gevestigd is. Van hieruit zou hij de coalitie, die zich verzameld had in het land van de Suessiones, proberen op te vangen. Daarnaast bedacht hij de volgende tactiek om de coalitie te breken: hij stuurde de Audui onder leiding van Diviciacus westwaarts de Oise over, in het land van de Bellovaci, die een groot aandeel hadden in het leger dat probeerde Caesars kamp aan te vallen. Toen de Bellovaci van de inval in hun territorium hoorden, verlieten ze meteen de coalitie en probeerden hun eigen families en bezittingen te redden, echter zonder succes, want ze werden al snel overmeesterd door Caesars legioenen, en de poorten van Bratuspantium stonden al open voor Caesars intocht.

Ook de andere Belgae slaagden niet in hun opzet. Caesar verleende de Bellovaci clementie na stevig aandringen van Diviciacus.

De opstand onder Correus (51 v. Chr.) werd uitvoerig beschreven in Caesars De Bello Gallico. Een jaar daarvoor hadden de Bellovaci al even deelgenomen aan de opstand in Alesia (52 v. Chr.), maar ze stuurden maar een kleine eenheid van 2.000 man, en dat volledig tegen hun zin, omdat ze liever vochten in een door hen zelf samengestelde coalitie.

Deze coalitie kwam er dus een jaar later toen de Bellovaci onder leiding van hun hoofdman Correus en de Atrebaat Commius een sterke legermacht van verschillende bondgenoten bijeen hadden gebracht. Elk van de legermachten had een heuvel uitgekozen in het Forêt de Compiègne, waar de slag zou plaatsvinden. Er waren wel enkele schermutselingen, maar geen van beide partijen kon een overwinning in een echte slag afdwingen.

Toen Correus vernam dat Caesar extra troepen zou laten aanrukken, wilde hij een doemscenario voor de Bellovaci en bondgenoten vermijden en bedacht hij een andere strategie: hij zou zich terugtrekken in het bos en proberen Caesar zijn bevoorradingstroepen uit te schakelen met behulp van een hinderlaag. Correus dacht ongezien te verdwijnen door een grote rookwolk op te trekken tussen hem en de Romeinen. De Bellovaci en bondgenoten verdwenen, maar via enkele gijzelaars vernam Caesar toch het Bellovaakse plan en stuurde een groot escorte troepen mee met de bevoorrading. De Galliërs waren verrast door het grote aantal troepen en werden vrij snel verslagen.

Correus sneuvelde in het gevecht. De Bellovaci werd uiteindelijk clementie verleend door Caesar.

De Bellovaci kwamen nogmaals in opstand in 46 v. Chr., maar werden neergeslagen door één van Caesars legaten, Decimus Brutus. Hierna lieten ze niet meer van zich horen en werden ze snel volledig geromaniseerd.

6. Brittons (Lat. Brittani)

Kaart met mogelijk leefgebied van de Brittons

Over dit Belgische volk van Keltische afkomst dat aan de oevers van de Rijn woonde is uiterst weinig geweten. Mogelijk waren zij een kleine groep continentale Britten, oorspronkelijk afkomstig uit Spanje, die de oversteek naar Engeland nooit maakten.

7. Caeroesen (Lat. Caeroesi)

Kaart met leefgebied van de Caeroesen

De Caerösi waren een volksstam die traditioneel gesitueerd wordt in de Eifel rond Prüm, ten noorden van de Treveri. In de handschriften vinden we ook de spelling Caeroesi. Caesar vernoemt de Caerösi in boek II van zijn De Bello Gallico: samen met de Eburonen, de Paemani en de Condrusi vormden zij de groep der zgn. "Germani cisrhenani", Germaanse stammen die ten westen van de Rijn woonden. Over de waarde die aan deze en dergelijke uitspraken van Caesar mag gehecht worden, is veel discussie. Over de precieze situering van hun woongebied en hun etnische oorsprong is op basis van de vage gegevens van Caesar niets met zekerheid te zeggen. Zij worden rond Prüm gesitueerd op basis van de zesde-eeuwse Frankische pagus Caros en een grenssteen, gevonden te Neidenbach. Op basis daarvan weten we dat de stamnaam toen als Caruces (klank: Karoeses) geschreven werd. Hoewel ze gerekend worden tot de "Oude Belgen", lijkt Caesar hen niet als Belgae te beschouwen.

8. Caleten (Lat. Caleti)

Kaart met leefgebied van de Caleten

De Caleti waren een Belgische volksstam, die ten tijde van hun onderwerping in 57 v. Chr. door Julius Caesar woonden in een gebied aan de Kanaalkust direct ten noorden van de Seine in de Pays de Caux, een streek in huidig Normandië waaraan de stam haar naam leende. De hoofdplaats van Caleti was eerst de havenstad Caracotinum, het huidige Harfleur; later was hun hoofdplaats Juliobona (nu: Lillebonne).

De Belgische oosterburen waren de Bellovaci (rond het huidige Beauvais), waarmee de Caleti in een cliëntrelatie verkeerden en de Veliocasses, die meer stroomopwaarts langs de Seine woonden (rond Rouen); in het noorden woonden de Ambiani (bij Amiens).

De meeste informatie over de Caleti is ons overgeleverd uit de verslaglegging van Caesar in zijn Commentarii de bello Gallico, in Geographika van Strabo, in Naturalis Historia van Plinius de Oudere en in Geographia van Ptolemaeus.

In 57 v. Chr. namen de Caleti met 10.000 krijgers deel aan de coalitie van de Belgen tegen het Romeinse leger onder Julius Caesar, die hen echter onderwierp. In 52 v. Chr. voorzagen de Caleti de macht van Vercingetorix van hulptroepen ter grootte van 20.000 man, met de bedoeling het door de Romeinen belegerde Alesia te ontzetten. Het volgende jaar sloten de Caleti zich aan bij de Bellovaci en de Veliocasses in hun opstand tegen de Romeinse bezetting.

Toen de Romeinse overheersing in de vijfde eeuw n. Chr. verzwakte, verbonden de Caleti zich in een groot Armoricaans bondgenootschap onder leiding van de Veneti met als doel zich te ontdoen van de Romeinen. Het verbond bestond verder uit de Gallische stammen der Namnetes, Veneti, Coriosolitae, Redones, Abrincates, Venelli, Lexovii, Esuvii, Viducasses, Andecaves, Aulerci (Diablintes, Cenomani en Eburovices), Veliocasses en Parisii.

9. Catuslogen (Lat. Catuslogi)

Kaart met leefgebied van Catuslogen

De naam Catuslogi werd voor het eerst vermeld in teksten van Plinius de Oudere zonder dat men aanwijzingen had waar deze Keltische stam hun feitelijke leefgebied was. In 1965 echter vonden archeologen tijdens opgravingen in Bois-l'Abbé nabij Eu een stenen votiefstuk met de inscriptie "...PAGOCATVSLOV..." erop. Nu wordt het stamgebied gesitueerd tussen de Bellovaken, de Ambianen en de Caleten, op beide oevers van de kustrivier la Bresle. De benaming van de stam is de samentrekking van de Keltische woorden catu (gevecht) en slugi (troepen).

10. Catuvellaunen (Lat. Catuvellauni)

Kaart met leefgebied van de Catuvellaunen

Al ver voor de tijd van Julius Caesar vormden de Catuvellauni een grote, machtige stam. Oorspronkelijk woonden ze in Hertfordshire, maar ze breidden hun territorium uit naar Bedfordshire en zuid-Cambridgeshire. Deze stam had veel bondgenoten, hierdoor hadden de Catuvellauni ook hun invloeden op Buckinghamshire en noord-west Oxfordshire. Bij de tweede expeditie van Caesar naar Brittannië leidde Cassivellaunus, stamhoofd van de Catuvellauni, het verzet tegen de invallers. Hij gaf waarschijnlijk zijn naam, 'goede strijder', aan zijn stam. De Catuvellauni maakten eigen munten en uit deze munten valt op te maken dat er rond 10 n. Chr. de leider Tasciovanus aangesteld werd. Deze bouwde een groot koninklijk en ritueel centrum bij Verulamium (St. Albans). Door zijn veroveringen en bondgenoten ontstond een hechte band tussen de Catuvellauni, de Trinovantes en de Cantiaci, beide machtige stammen. Na verloop van tijd formeerden zij zichzelf tot een grotere groepering, waarbij rituelen en geloof versmolten tot een cultuur. Deze groep werd geleid door Cunobelinos. Na zijn dood in 30 n. Chr. werd dit land weer opgedeeld tussen de stammen. In 43 n. Chr. viel Claudius met zijn Romeinse leger Brittannië binnen en opnieuw organiseerde een leider van de Catuvellauni, Caratacus, een van Cunobelinos' zoons, de tegenaanval.

11. Condruzen (Lat. Condrusi)

Kaart met situering gebied Ambianen
Kaart met leefgebied van de Condruzen

De Condrusi waren een volksstam die traditioneel gesitueerd wordt in de Ardennen. Hun woongebied lag volgens Caesar, die hen samen met de Segni vernoemt in boek VI van zijn De Bello Gallico, tussen dat der Eburonen en dat der Treveri. Hoewel de Condrusi gerekend worden tot de "Oude Belgen", lijkt Caesar hen niet als Belgae te beschouwen. Caesar rekent hen, samen met de Eburonen, de Paemani en de Caerosi tot de zgn. "Germani cisrhenani", Germaanse stammen die ten westen van de Rijn woonden. Over de waarde die aan deze en dergelijke uitspraken van Caesar mag gehecht worden, is veel discussie.

Over de precieze situering van hun woongebied en hun etnische oorsprong is op basis van de vage gegevens van Caesar niets met zekerheid te zeggen. Volgens Caesar genoten de Condrusi en de Eburones de bescherming van de Treveri. Hun naam is bewaard in Condroz (Condrust of Condrusc in de vroege Middeleeuwen). In Britannia dienden in de 2e eeuw n. Chr. in de cohors secunda Tungrorum soldaten afkomstig uit de pagus Condrustis. Zij wijdden in het kamp van Birrens (Schotland) een altaar aan hun godin Viradectis.

12. Coritanen (Lat. Coritani)

Kaart met leefgebied van de Coritanen

Dit volk stak een eeuw voor de Romeinse inval het Kanaal over. Oorspronkelijk zouden de Coritanen uit 'Agri Decumates', een Keltisch gebied boven de Rijn en de Donau, afkomstig zijn.

Ze waren een stam die leefde van de landbouw en de ijzer- en zoutindustrie, wiens inkomen vooral gewonnen werd door het verhandelen van dieren. Na de oversteek van het kanaal, stichtten ze hun gebied tussen Nottinghamshire, Lincolnshire en zuid-Yorkshire. Net als de andere agrarische stammen accepteerden ze de Romeinse verovering meteen. De Coritanen groeiden uit tot een machtige stam die volgens de Franse geleerde Venceslas Kruta tot de eerste naties behoorde die in Engeland munten sloegen (70 v. Chr.). Tijdens de Romeinse overheersing werd hun hoofdstad Lincoln. Een reden waarom de Coritani de Romeinse overheersing meteen accepteerden, was omdat de Romeinen de stam zouden beschermen tegen hun oorlogzuchtige buren uit het westen.

13. Eburonen (Lat. Eburones)

Kaart met leefgebied van de Eburonen

Het huidige zuiden van de Lage Landen (ten zuiden van de Rijn) werd bewoond door een West-Germaanse / Keltische stam: de Eburonen. De Romeinen rekende deze stam tot de Belgae. Na hun (mislukte) uitroeiing waarschijnlijk werd deze stam Tungri genoemd met als civitas Atuatuca Tungrorum, het latere Tongeren.

Zij zouden schatplichtig geweest zijn aan de zuidelijker wonende Atuatuci en tegelijkertijd clientes van de Treveri geweest zijn.

In 58 v. Chr. werden de Atuatuci door de Romeinse troepen van Julius Caesar overwonnen, waarmee er ook een einde kwam aan de weinig roemvolle situatie van de Eburonen, die nu vrij en onafhankelijk waren geworden in hun gebied tussen de Rijn en Maas. Hun koning stond aanvankelijk dan ook niet vijandig tegenover de Romeinse bezetter.

Dat veranderde echter toen Julius Caesar op zijn veldtocht naar Brittannië - uit vrees voor een Keltische opstand tijdens zijn afwezigheid, de potentiële leiders als gijzelaars met zich mee wilde nemen. Onder hen was Dumnorix, de stamleider van de Aedui (Haduers) (die woonden in het huidige Bourgondië en zuidelijker). Dumnorix was een man met veel macht en aanzien. Hiervoor had hij zelfs zijn eigen moeder, zijn zusters en halfzusters uitgehuwelijkt. Hij zelf was getrouwd met een Helvetische omdat hij zeer op de Helvetiërs gesteld was. Dumnorix was ook populair onder zijn volk die hem en niet zijn oudere broer Diviciarus verkozen.

Na de moord op Dumnorix, de stamleider van de Aedui (Haduers) vielen de Eburonen in de winter van 55-54 v. Chr. onder leiding van hun koning Ambiorix en samen met enkele naburige stammen bij verrassing het Romeinse legerkamp, waar het 14e legioen gelegerd was onder de bevelhebbers Sabinus en Cotta, aan. De Romeinse bevelhebbers waren hierover zeer verbaasd, want waarom zouden de Eburonen hun bevrijders van de Atuatuken willen aanvallen? En bovendien, Ambiorix' volk had alleen maar baat gehad bij de Romeinse heerschappij. Om hierover opheldering te verkrijgen, stuurden de Romeinse bevelhebbers gezanten naar Atuatuca, de hoofdstad van het gebied van de Eburonen. Ambiorix antwoordde dat zijn manschappen zich niet tegen een gemeenschappelijk besluit van de Galliërs hadden willen verzetten. De gezanten waren hoogst verbaasd: wilden de Galliers, die elkaar voorheen altijd hadden bestreden, zich nu ineens eensgezind keren tegen de Romeinse machthebbers?

Onzeker geworden door dit bericht en door de steeds weer oprukkende Eburoonse ruiters, besloten Sabinus en Cotta hun troepen te verplaatsen naar een nabije grote legioenvesting. Dit was echter precies waar Ambiorix op had gewacht. Toen de Romeinen een mijl of twee buiten het kamp door een ravijn trokken, dat te smal was om er in gesloten gelederen doorheen te gaan, werden ze door Eburoonse strijders aangevallen. De Romeinen werden omsingeld en vanaf afstand beschoten. Na een vergeefse uitvalspoging, stormden de Galliërs op hen af. De Romeinse legerofficieren zonden onmiddellijk onderhandelaars, maar deze werden zonder pardon in de pan gehakt. Na deze smadelijke nederlaag waarbij 9000 Romeinse soldaten door de Eburonen waren afgeslacht, zwoer Caesar zich voor deze verraderlijke daad te zullen wreken en zijn baard en haar te laten groeien tot hij deze barbaren had uitgeroeid. In 53 v. Chr. gaf hij het bevel een uitroeiingsoorlog te beginnen.

Ambiorix had echter de smaak te pakken en in samenwerking met de Nervii en de Atuatuci besloot hij de omringende garnizoenen op dezelfde manier te behandelen. Zijn aanval op Namen werd echter afgeslagen, maar zijn mannen slaagden er wel in de stad in brand te steken.

Julius Caesar was buiten zinnen van kwaadheid. Hij liet onmiddellijk nieuwe troepen komen uit Noord-Italië en keerde met in totaal 10 legioenen terug naar het Rijnland, waar hij een vernietigingsoorlog begon tegen de Eburonen. Zij werden verslagen en vervolgens door de Romeinen nagenoeg uitgemoord (51 v. Chr.). De overlevenden gaf hij prijs aan de op buit beluste Germaanse stammen. Ambiorix' medekoning Catavoculus pleegde - en velen met hem - zelfmoord uit angst om te ontkomen aan de wurgingsdood. Ambiorix kreeg een waardige opvolger in Vercingetorix, die de strijd tegen de Romeinen succesvol voortzette. Het is heden ten dage niet bekend wat er met Ambiorix is gebeurd... .

De Eburonen verdwenen daarmee uit de geschiedenis en het Rijnland bleef lange tijd nagenoeg ontvolkt achter. Oerbossen en moerassen beheersten daar het landschap.

De plaats waar de hoofdvesting van de Eburonen - Atuatuca - heeft gelegen, is lange tijd een groot discussiepunt geweest. Eerst vermoedde men in de buurt van Namen of van Tongeren. Ook het huidige dorp Gressenich bij Aken werd genoemd. Tegenwoordig neemt men aan dat bij het dorp Stolberg-Atsch (ten oosten van Aken) moet zijn geweest, wegens de naamsovereenkomst. De resten liggen nog onder de aarde.

In de loop der 1e eeuw na Chr. kregen andere bevolkingsgroepen van Germaanse oorsprong toestemming zich in het verlaten gebied van de Eburonen te vestigen. Deze nieuwkomers kennen we onder de naam "Texuandri" en ze droegen hun naam over op de streek die ze bezetten: Toxandria of Taxandria. Bij de administratieve inrichting van het veroverde gebied werd Toxandria ingeschakeld bij de civitas Tungrorum.

Van deze stam is een heiligdom teruggevonden aan de Maas, nabij het plaatsje Empel (bij 's Hertogenbosch). Een ander, wellicht nog belangrijke Keltische cultusplaats lag bij Kessel / Lith, waar in die tijd de Maas en de Waal samenkwamen. In de kosmologie van de toenmalige samenlevingen werden rivieren met bovennatuurlijke krachten geassocieerd. Een plaats waar twee rivieren samenkwamen, was van erg groot belang.

Bij Kessel is een heel ritueel complex opgegraven. Tot de rituele vonsten aldaar behoren: 20 (fragmenten van) mantelspelden, ijzeren bijlen en tientallen Keltische munten. Er zijn ook macabere vondsten gedaan: honderden botten van mannelijke volwassenen, sommige met extra zware verwondingen. Waarschijnlijk gaat het hierbij niet om mensenoffers, maar om gesneuvelde vijanden die samen met de oorlogsbuit aan de godheid zijn geofferd. De gevonden zwaarden zijn ritueel beschadigd: ze zijn verbogen, evenals de daar tevens gevonden Keltische helm.

De Maas had voor de Kelten (Eburonen) een belangrijke religieuze functie. Dat blijkt uit opgravingen langs de Maas bij Itteren, vlakbij Maastricht. Archeologen vonden daar in maart 2008 enkele grafheuvels met as en beenderresten uit de periode van 600 - 200 v. Chr. Vermoedelijk vereerden de Kelten in dit gebied een riviergod. De Kelten oefenden in de nederzettingen langs de Maas ook ambachten uit en dreven er handel. Ook werd er houtskool geproduceerd, nodig voor het smelten van ijzer. Verder zijn resten van weefgetouwen gevonden.

Voor een uitgebreide geschiedenis van de Eburonen, zie binnekort de rubriek "Ons Dorp".

14. Grudiërs (Lat. Grudii)

Kaart met leefgebied van de Grudiërs

Onder voorbehoud verwijzen we naar deze stam die in de streek van Château-Grignard (Henegouwen) aan de boorden van de Samber zou geleefd hebben. Caesar vermeldt de Grudii als vazallen van de Nerviërs.

15. Menapiërs (Lat. Menapii)

Kaart met leefgebied van de Menapiërs

De Menapii (Ndl.: Menapiërs, soms Menapen) was een volksstam die ten tijde van de Gallische oorlog (58-50 v. Chr.) woonde in de Schelde-, Maas- en Rijndelta; ook ten noorden van de Rijn hadden zich Menapii gevestigd en hun zuidelijk grensgebied moet ergens in de huidige Belgische polders hebben gelegen. Het grondgebied van de Menapiërs grensde ten tijde van Caesar in het oosten aan dat van Eburonen, in het zuiden aan dat van de Morinen, waarmee ze meestal samen worden genoemd. De Schelde lijkt de grens te zijn geweest met stammen zoals de Nerviërs. Ten westen was de Noordzee een natuurlijke grens. Bij het interpreteren van de gegevens uit de Commentarii van Gaius Iulius Caesar moeten we er rekening mee houden dat de kustlijnen en de Delta er ten tijde van Caesar's veroveringen totaal anders uitzagen dan nu (de Westerschelde b.v. bestond nog niet en de smalle Schelderivier mondde uit in de Maas) en dat de toestand later nog geregeld veranderde. De naam Menapii kan afgeleid zijn van "men-api-i" gelijkwaardig met mensen die bijen houden.

De Menapii bewoonden een onherbergzame streek, waardoor de bevolkingsdichtheid klein was: zij konden in 57 v. Chr. 9000 strijders op de been brengen, de Morini b.v. 25.000, de Nervii 50.000. Onder princeps Augustus gaven zij hun naam aan één van de civitates van Gallia Belgica. Die civitas Menapiorum lag meer naar het zuiden en had als bestuurlijk centrum Castellum Menapiorum (Kassel (Cassel), N.-Fr.). In de late keizertijd verplaatste men het bestuurlijke centrum naar Doornik (Tournai) (Turnacum) en de naam werd civitas Turnacensium. De grenzen daarvan bleven bewaard in die van het middeleeuwse bisdom Doornik.

De Menapii waren ook kustbewoners en beschikten over boten. Het land waarin ze leefden was overdekt met bossen, venen en moerassen. Strabo deelt het interessante detail mee dat deze bossen geen grote bomen bevatten, maar dicht waren en "doornig". De bevolking zelf bracht zich, telkens wanneer Caesar probeerde hen definitief te onderwerpen, met bezittingen en veestapel, in veiligheid in de onherbergzame moerasbossen, waarin het leger niet kon doordringen. Anderzijds hadden zij ook land ontgonnen voor landbouw. Menapiërs hadden op de andere oever van de Rijn "akkers, boerderijen en woonkernen" en Caesar vertelt hoe hij hun oogsten en huizenvernielde aan de zuidelijke grens. De Menapii deden in de zomer aan zoutwinning. Zout bleef één van hun belangrijke handelsproducten tijdens de keizertijd. Menapische ham werd een begeerde lekkernij en men produceerde toen reeds in dit gebied, het latere Vlaanderen, kwaliteitstextiel voor de uitvoer. Ondanks het feit dat er reeds voor de Romeinse invallen een zeker commerciële activiteit moet zijn geweest, sloegen de Menapii zelf geen munten. Andere Belgische stammen zoals de Nervii deden dit wel, de meest zuidelijke Belgen reeds vanaf de tweede eeuw v. Chr.

Aangezien de Menapii geen geschreven bonnen hebben achtergelaten, moet de informatie ergens anders gezocht worden. Dankzij enkele schaarse archeologische vondsten weten we wat meer over de stam. Maar de meeste informatie krijgen we van Caesar. In het kader van zijn persoonlijke politieke ambitie en carrière, besloot hij in 58 v. Chr. om heel Gallië te onderwerpen. Caesar beschreef de verschillende fases van deze veroveringen in een unieke bron, namelijk de alomgekende De Bello Gallico. Zijn beeld en perceptie van de vele stammen en hun gewoontes, woongebieden, manier van leven, wordt hier geschetst. Enkele Belgische stammen, waaronder de Menapii, vormden een coalitie tegen de Romeinse invallen. Hier vermeldt Caesar dat de Menapii met 9000 waren. Het verschil met de Nervii bijvoorbeeld, die met 50.000 soldaten waren, is duidelijk.

Toch heeft het veel langer geduurd eer Caesar de Menapii kon overwinnen. De Belgische coalitie viel vrijwel onmiddellijk uiteen, en zo kon Caesar zeer snel successen boeken. De Menapii werden uiteindelijk overwonnen in 53 v. Chr., maar dit was pas gelukt na verschillende pogingen van de Romeinen. De Menapii hadden dit te danken aan de geografie van hun woongebied en doordat het zo dunbevolkt was. Door de vele moerassen en bossen die er waren, was dit gebied niet gemakkelijk te veroveren. Daar maakten ze dan ook gebruik van, ze trokken zich diep terug in de bossen met enkele voorname bezittingen en lieten de nederzettingen zo goed als leeg achter. Deze verschroeide aarde tactiek hebben ze verschillende keren toegepast. Als reactie hierop verwoestten de Romeinen de velden en gewassen, brandden ze de dorpen neer, hakten ze stukken bos weg. Dit had niet veel resultaat in het begin voor de Romeinen, maar voor de Menapii was deze situatie allesbehalve gunstig om te overleven.

In 55 v. Chr. ontketenden zij samen met de Morinen een revolte die door Caesar bloedig werd gesmoord. De Menapii trokken zich zoals de vorige keren terug in de bossen, maar deze keer hadden de Romeinen meer resultaat. Ze vielen langs drie zijden aan, vernielden alles, staken alles in brand, en namen vele mensen gevangen. Daarop gaven de Menapii zich over en kwamen ze onder de Romeinse heerschappij te staan. Caesar liet de Atrebaat Commius met ruiterij ter plaatse en vertrok zelf naar de Treveri. We vernemen dat Caesar de Morini aan Commius had "gegeven", maar van de Menapii is daar geen sprake van en evenmin worden ze vernoemd onder de stammen die manschappen leverden voor het ontzettingsleger van Alesia, hoewel Commius - die Caesar afvallig was geworden - bij de rekrutering een belangrijke rol speelde.

Hierna werd Gallia ingedeeld in verschillende provinciae, die op hun beurt werden ingedeeld in verschillende civitates. De provincia Gallia Belgica werd onder Augustus onderverdeeld in verschillende civitates, waarvan het Civitas Menapiorum er één was. De hoofdstad was Castellum Menapiorum, dit is het het huidige Kassel in het noordwesten van Frankrijk. Dankzij de archeologie weten we dat er een grote continuïteit was inzake de bewoningsstructuren, ondanks de romanisatie. De vroegere nederzettingen van de Menapii werden omgevormd naar kleine dorpjes, zoals Sint-Martens-Latem, dat vandaag de dag nog steeds bestaat. Enkele Romeinse vici die met de tijd steeds meer en meer geromaniseerd werden, waren onder andere Cortoriacum (het huidige Kortrijk), Kruishoutem en ook de streek rond Gent.

Ten tijde van het principaat werden Menapii door het Romeinse leger gerekruteerd voor de auxilia (hulptroepen die werden toegevoegd aan de legioenen). Enkele inscripties met verwijzingen naar de cohors I Menaporium (de eerste cohorte der Menapiërs) werden teruggevonden in Britannia en Parijs.

In de late keizertijd werd Castellum Menapiorum vervangen door de nieuwe hoofdstad Turnacum, dit is het huidige Doornik in het westen van de provincie Henegouwen in het huidige België. Als gevolg hiervan kreeg de Civitas Menapiorum een nieuwe naam. Ze werd genoemd naar haar nieuwe hoofdstad, namelijk Civitas Turnacensium. De grenzen van het bisdom Doornik gaf in de middeleeuwen ongeveer het gebied aan van de Civitas Menapiorum. In de toponymie zijn de Menapii ooknog een tijdje blijven voortleven, een deel van het bisdom Doornik heette in de middeleeuwen namelijk Pagus Mempiscus.

16. Morinen (Lat. Morini)

Kaart met het leefgebied van de Morinen

Morini is de naam voor een Belgische bevolkingsgroep die ten tijde van Caesar gevestigd was in de kuststrook van Noord-Frankrijk en België. Onder keizer Augustus gaven zij hun naam aan één van de civitates van Gallia Belgica. Van oorsprong is hun naam Keltisch en verwijst naar de zee, keltisch mori (vgl. Aremorici, de voor de zee wonenden).

De Ambiani en Bellovaci waren hun zuiderburen, de Atrebaten zijn te situeren in het zuidoosten, tussen de Morini en de Nerviërs. De Menapiërs waren hun oosterburen. Bij Plinius e.a. staan de Morini symbool voor het einde van de bewoonde wereld. De latere civitas Morinorum had als hoofdplaats Tarvenna (het huidige dorpje Terwaan, in het Frans Thérouanne, een dorpje aan de Leie, vroeger in Vlaanderen, nu in Noord-Frankrijk), de grenzen ervan bleven bewaard in die van het middeleeuwse bisdom Terwaan (episcopatus Morinorum).

Volgens Caesar behoorden de Morini tot de grotere stammen: zij konden 25.000 gewapende mannen op de been brengen. Dat aantal is waarschijnlijk sterk overdreven aangezien de totale bevolking op hooguit 80.000 inwoners kan geschat worden.

Caesar noemt hen in zijn Commentarii de bello Gallico vaak in één adem met de Menapiers, die ten noorden van hen woonden. Tacitus doet dat eveneens.

Caesar was zeer geïnteresseerd in dat deel van het grondgebied der Morini van waaruit de overtocht naar Brittannië het korst was, dat wil zeggen de omgeving van Cap Gris-Nez. Zij beschikken daar over verschillende havens, waarvan Portus Itius, het huidige Boulogne, er één was. De meer noordelijk gelegen gedeelten wou hij vooral angst aanjagen, zodat ze hem niet zouden aanvallen. Het gebied waar de Morini en vooral de Menapiërs woonden, boomrijk en moerassig, leende zich uitstekend voor guerrilla en de gevaren wogen niet op tegen de baten van een definitieve onderwerping van die economisch minder interessante gedeelten. In 55 v. Chr. verstevigde Labienus de Romeinse greep op het strategisch belangrijke gedeelte van het gebied der Morini. In 54 v. Chr. liet Caesar één legioen, o.l.v. zijn legaat Caius Fabius, daar overwinteren. In 53 v. Chr. kwamen zij zeer waarschijnlijk samen met de Menapiërs, onder het rechtstreeks gezag van de Atrebaat Commius. Tijdens de grote Gallische opstand o.l.v. Vercingetorix leverden de Morini een contingent van 5.000 (7.000 ?) man voor het Gallische ontzettingsleger dat Alesia moest bevrijden - het is opvallend dat de Menapiërs niet zijn genoemd in deze context, hoewel Commius een belangrijk rol speelde bij de ontzettingspoging van Alesia.

Caesar heeftenkele interessante details. De stam telde een aantal pagi, die, op het eerste gezicht althans, nogal autonoom konden beslissen. De Morini zochten tegen het Romeins leger bescherming in de moeren (een even eenvoudige als logische verdediging die ook andere stammen kenden). In 56 v. Chr., toen het najaar zeer regenachtig was, lukte die tactiek. Het jaar daarop, toen het droger was, niet. De Morini zouden samen met de andere kustvolkeren (Lexovii, Namnetes, Ambiliati, Diablintes en Menapii) en stammen uit Brittannië, hebben deelgenomen aan de opstand van de Veneti. Dat wijst erop dat zij betrokken waren in het transport van en naar Zuid-Engeland, transport dat Caesar volledig wou controleren.

Het oorspronkelijke grondgebied van de Morini komt grotendeels overeen met de Belgische provincie West-Vlaanderen plus Frans-Vlaanderen. Het West-Vlaams dialect onderscheidt zich sterk van de andere Nederlandse dialecten en vertoont eigenaardigheden die ook in het Engels voorkomen, zoals het gebruik van het hulpwerkwoord "komen" in plaats van "worden". Dergelijke taalelementen kunnen zowel Ingvaeoons zijn als uit het Keltisch van de Morini stammen.

17. Nerviërs (Lat. Nervii)

Kaart met leefgebied van de Nerviërs

De Nerviërs (Latijn: Nervii), waren een Belgische volksstam die ten tijde van de verovering door Julius Caesar in het noorden van Frankrijk en het zuiden van België woonde, tussen Schelde en Samber. De stam controleerde een belangrijke sector van de grote handelsweg van Keulen naar Amiens (de Chaussée Brunehaut).

Caesar vernoemt als buurvolkeren: de Viromandui (Vermandois), de Atrebates (Arras), de Atuatuci en de Remi (Reims). Tacitus vermeldt dat de Nerviërs in zijn tijd prat gingen op hun 'Germaanse' afkomst, als het ware om zich te distantiëren van de 'makke' Galliërs. Ook Caesar zegt dat de meeste Belgen afkomstig waren van de Germanen, dat wil zeggen van over de Rijn kwamen. De Griekse geograaf Strabo schrijft dat de Nerviërs een Germaans volk waren maar aan de Treveri grensden; waarschijnlijk verwisselde hij de Nerviërs met de Eburonen. Onderzoekers hebben sporen van hun Germaans dialect menen terug te vinden in een reeks toponiemen in hun woongebied, vooral in de Belgische provincie Henegouwen.

De Gallo-Romeinse, zeer uitgestrekte civitas Nerviorum omvatte waarschijnlijk ook de woongebieden van andere, meer noordelijk te situeren stammen, waarvan Caesar zegt dat ze afhankelijk waren van de Nerviërs: Ceutrones, Levaci, Geidumni, enz. Dit Romeinse administratieve gebied werd vermoedelijk begrensd door de Rupel in het noorden, de Schelde in het westen, de civitas Tungrorum in het oosten en de civitates Remorum en Ambianorum in het zuiden. Dichte bossen maakten dat in het oosten en het zuiden de grenzen onduidelijk waren. De civitas (administratieve hoofdplaats) zelf was Bagacum Nerviorum (Bavay). Tijdens de late keizertijd werd de hoofdplaats verplaatst naar Cameracum (Cambrai) en de naam gewijzigd in civitas Cameracensium. De grenzen bleven ongeveer bewaard in die van het middeleeuwse bisdom Cambrai.

In 57 v. Chr. trachtten de Nerviërs, o.l.v. Boduognatus, Caesar tegen te houden aan de Sabis. Enkele jaren later, in 54 v. Chr., slaagde de stam er bijna in het legioen van Quintus Cicero, dat in hun grensgebied overwinterde, uit te schakelen met represailles als gevolg. Voor de grote opstand van Vercingetorix leverden ze volgens Caesar 6.000 man.

Caesar leed in de slag aan de Sabis zware verliezen, hetgeen hem ertoe noopte een aantal details mee te delen over deze volksstam, die overeenkomen met wat hij in zijn inleidend hoofdstuk vertelde over de Belgen in het algemeen: zij lieten geen Romeinse handelaars toe binnen hun gebied die wijn of andere luxegoederen zouden invoeren en voerden vaak oorlog met de Germanen; het waren woeste en dappere kerels, die zich niet met Rome wilden inlaten.

Caesar heeft een interessante uitweiding over de 'hagen', die typisch blijken te zijn geweest voor het Nervisch gebied (Frans en Belgisch Henegouwen, Waals-Brabant) waar hij in 57 v. Chr. doorheen trok. Die hagen zoomden de velden en de wegen af en hinderden de opmars van Caesar. De romeinse veldheer kent er een militaire functie aan toe: de Nerviërs hadden geen noemenswaardige ruiterij en streden vooral te voet, waarbij zij door hun hagen in het voordeel waren. In elk geval wijzen deze hagen erop dat langs de grote baan Amiens-Keulen de bossen plaats hadden gemaakt voor cultuurgronden. Zijn beschrijving is best toepasbaar op de 'kanten' of houtwallen rondom de akkers, zoals ze tot voor enkele tientallen jaren haast overal te zien waren.

Nadat Caesar aan de Aisne in het land van de Remi een eerste Belgisch coalitieleger had verslagen, hadden de Belgische stammen van Noord-Frankrijk, waar Caesar met zijn leger naartoe trok, zich één voor één aan hem overgegeven: eerst de Suessiones (rond Soissons), dan de Bellovaci (omgeving van Beauvais) en als laatste de Ambiani. Vanuit hun gebied, dat gelegen was rond de latere stad Amiens (Samarobriva Ambianorum), vertrok Caesar met de acht legioenen waarover hij toen beschikte, in noordoostelijke richting, naar het gebied van de Nerviërs, waar ook de legers van de stammen der Atrebates en de Viromandui zich hadden teruggetrokken. Na drie dagen te hebben opgemarcheerd vernam Caesar dat hun leger, samen met dat van de Viromandui en de Atrebates, de Romeinen opwachtte achter de rivier de Sabis op niet meer dan vijftien kilometer van zijn kamp. Daarheen leidde Caesar de volgende dag zijn legioenen. Wellicht verwachtte hij een zoveelste, relatief makkelijk succes.

De Nerviërs waren echter nauwkeurig ingelicht over Caesars marsgewoonten. Bovendien bleken de Nerviërs en hun bondgenoten zich gedisciplineerd te gedragen. Hun aanvalsplan was erop gericht het Romeinse leger zo gevoelig te treffen dat Caesar niet anders zou kunnen dan naar Italië terug te keren.

Caesar had de kilometerslange legerkolonne (meer dan vijftigduizend mensen en vele duizenden lastdieren) opgesteld zoals dat zijn gewoonte was in vijandelijk gebied. Na de voorhoede kwamen zes van de acht legioenen, gevechtsklaar, dat wil zeggen zonder hun bagage. Die bevond zich in de lange legertros, die achter de zes legioenen voorttrok. Daarna kwamen de laatste twee legioenen, als bescherming voor de tros en als achterhoede.

De kampplaats, die elke dag zorgvuldig gekozen werd door speciale eenheden, was bij aankomst van de eerste troepen al volledig voorbereid, zodat alle eenheden wisten waar ze hun tenten konden opslaan. Het eerste werk was de versterking van de kampplaats: het graven van een gracht en het opwerpen van een wal rond het enorm grote terrein. Alle legioenen kenden hun plaats in het geheel en de sector van het kamp die zij moesten beginnen versterken. Als iedereen was aangekomen (wat enkele uren duurde) was elke zijde van het kamp door twee legioenen verdedigd. Het spreekt voor zich dat tijdens het uitvoeren van de aankomstmanoeuvres en het graafwerk de legioenen het kwetsbaarst waren. Toen de eerste delen van de legertros het kamp binnentrokken, vielen de Belgen dan ook aan. Zij wisten dat de laatste twee legioenen op dat ogenblik nog kilometers ver waren. Zij zouden nu trachten de legioenen twee per twee uit te schakelen.

De Nerviërs, de hoofdmacht, stonden op de linkervleugel. De kleinere groepen, de Atrebaten en de Viromandui, stonden respectievelijk op de rechtervleugel en in het centrum. Zij vielen het eerst aan en moesten de legioenen die de linkerkant (leg. IX en X) en de voorkant (leg. VIII en XI) van het Romeinse kamp aan het versterken waren, weglokken van de bivakplaats. Daardoor was het kamp enkel op de rechterkant verdedigd. Op dat ogenblik viel de hoofdmacht aan. Eén deel pakte de twee legioenen van de rechterzijde (leg. VII en XII) aan, het andere trok naar het hoogst gelegen deel van het kamp, waar de staf gelegerd was. Blijkbaar was het de bedoeling dat de hoofdmacht de twee legioenen zeer snel zou uitschakelen, om dan de anderen te gaan helpen. Wanneer de twee laatste legioenen (leg. XIII en XIV) zouden arriveren, moest de strijd beslecht zijn.

Caesar had veel geluk; blijkbaar hadden de Belgen hem niet zo snel verwacht. In elk geval was een vierde stam, de Atuatuci, nog niet gearriveerd toen het gevecht moest beginnen. De Ambiani hadden bovendien de tegenslag dat zij op hun vleugel tegenover de fameuze legaat Titus Labienus kwamen te staan, die het negende legioen commandeerde, en tegenover het al even fameuze tiende legioen. Zij leden zware verliezen en deze legioenen konden de Gallische kampplaats innemen. Toen Labienus zag wat de Nerviërs van plan waren, zond hij het tiende legioen opnieuw naar de Romeinse kant om te gaan helpen. Omdat de Belgen niet op volle sterkte waren, duurde het gevecht langer dan voorzien, en het tij was in feite al gekeerd op het ogenblik dat de twee laatste legioenen in versnelde pas arriveerden. Toen was het met de Belgae gedaan.

Caesar schrijft dat na de slag aan de Sabis de stam zo goed als uitgeroeid was. Toch waren de Nerviërs enkele jaren later talrijk genoeg om de last te dragen van een winterkamp en het bijna te vernietigen. Caesar had Quintus Tullius Cicero, de broer van de grote redenaar, opgedragen met een legioen te overwinteren in het grensgebied tussen de Nerviërs en de Atuatuci, in de buurt van de grote baan Amiens - Rijn. Hij lag daar blijkbaar in steun van het winterkamp bij de Eburonen (onder bevel van Sabinus en Cotta, op 75 km) en het winterkamp in het grensgebied van Remi en Treveri (onder bevel van Labienus, op 90 km). Hoewel Caesar dat zelf nergens duidelijk zegt, mogen we aannemen dat een aantal Belgische stammen, ongeveer op hetzelfde moment, deze winterkampen hebben aangevallen, zodat ze elkaar niet konden helpen. Volgens Caesar was dat ongeveer twee weken nadat de legioenen waren aangekomen op de overwinteringsplaatsen.

Toen Ambiorix met zijn Eburonen het anderhalve legioen van Sabinus en Cotta had vernietigd, trok hij onmiddellijk naar de Atuatuci. Samen trokken ze naar de Nerviërs. Totaal onverwacht bestormden de drie stammen, die zoveel mogelijk krijgers hadden bijeengetrommeld, het winterkamp. De Romeinen sloegen de aanval af, werkten zo goed en zo kwaad als het ging de versterkingen af, en hielden stand. Dan deden de Belgen aan Quintus Cicero het aanbod hem met zijn legioen weg te laten trekken, maar Cicero weigerde. Daarop sloten de Belgae het winterkamp volledig in met een gracht en een wal. Deze belegringswerken, met een totale omtrek van 6 km, werkten ze op een paar uur af, wat een idee geeft van hun aantal. Toen de Belgae de dagen daarop telkens weer aanvielen, werd de toestand stilaan hachelijk. Op de zevende dag schoten de Belgae het kamp in brand en vielen massaal aan. Voorlopig echter konden de Romeinen stand houden.

Van bij de eerste aanval had Cicero herhaaldelijk geprobeerd Caesar op de hoogte te brengen, wat telkens mislukt was. De boden die in handen vielen van de Belgae, werden voor de ogen van de soldaten op een afschuwelijke manier om het leven gebracht. Toen de Belgae de dagen daarop telkens weer aanvielen, werd de toestand stilaan hachelijk. Op de zevende dag schoten de Belgae het kamp in brand en vielen massaal aan. Voorlopig echter konden de Romeinen stand houden.

Van bij de eerste aanval had Cicero herhaaldelijk geprobeerd Caesar op de hoogte te brengen, wat telkens mislukt was. De boden die in handen vielen van de Belgae, werden voor de ogen van de soldaten op een afschuwelijke manier om het leven gebracht. Toen duidelijk werd dat het een kwestie was van enkele dagen voor het kamp zou vallen en dat er iets moest gebeuren, bracht de Nerviër Vertico, die niet had willen meewerken met zijn stamgenoten en die zijn toevlucht had gezocht in het winterkamp, de redding. Hij kreeg één van zijn mensen zover dat hij nog eens wou proberen door de belegeringslinie te geraken. Die man raakte tot bij Caesar, die al op weg was naar Italië en dus van niets wist.

Caesar stuurde de bode onmiddellijk terug met een bericht voor Cicero en organiseerde een mini-legertje. Hij vertrok onmiddellijk met twee legioenen. Labienus, wiens kamp belegerd werd door de Treveri en die op de hoogte was van de gebeurtenissen bij de Eburonen, wilde zijn winterkamp niet verlaten en kon dus niet helpen. Met zijn twee legioenen trok Caesar bliksemsnel op richting Cicero. Die kreeg het bericht van Caesar pas laat te zien en geloofde slechts dat er hulp op komst was, toen de uitkijkposten in de verte rookpluimen van branden opmerkten en toen de Belgae de belegering plotseling opgaven.

Caesar, die door Cicero verwittigd was dat de Belgen in zijn richting kwamen, sloeg zijn kamp op aan een klein riviertje in een machtige vallei (waarschijnlijk de Piéton, zijriviertje van de Samber). Aan de overkant stond de legermacht van de Belgae te wachten. Door zijn bivak met opzet klein te houden en te doen alsof hij bang was van de Belgen, lokte Caesar een aanval uit. De Romeinen stonden klaar en joegen de Belgen bij een plotse uitval op de vlucht. Caesar wou hen niet achtervolgen maar trok onmiddellijk verder naar Cicero. De hulp was geen moment te vroeg gekomen. 90 procent van Cicero's legioen was gedood of gewond.

Caesar vermeldt zoals gezegd dat de Nerviërs, evenals de andere Belgische stammen, de Romeinse handelaars weerden uit hun gebied. Dat wordt onrechtstreeks bewezen door het totaal ontbreken van scherven van wijnamforen in het huidige België tot de Romeinen er vaste voet hadden gekregen. Anderzijds liep de belangrijke handelsweg Amiens - Rijn dwars door hun gebied. De houtwallen die Caesar beschrijft wijzen erop dat het gebied waar hij toen doortrok intensief in cultuur gebracht was. Of de landbouw in het gebied van de Nerviërs toen al genoeg overschotten produceerde om uitvoer mogelijk te maken, is twijfelachtig.

Tijdens de Keizertijd groeide Bavay uit tot een belangrijk verkeers- en handelscentrum. Het prijsedict van keizer Diocletianus vermeldt de Nervische textielproducten. De sporen van villae, de hereboerderijen uit de Gallo-Romeinse periode en de vele plaatsnamen met uitgang op -(i)iacum (hoeve van) wijzen op het belang van de landbouw tijdens de Keizertijd.

Toch was er niet voor iedereen werk, want vele Nerviërs zochten hun geluk in het Romeinse leger. Er zijn zes cohortes Nerviorum en één als (ruiterijafdeling) bekend uit inscripties en literaire bronnen.

De archeologische resten bewijzen duidelijk dat de cultuur van de Nerviërs Keltisch was (La Tène). Een paar inscripties zijn gevonden die te maken hebben met religie, maar over goden en hun cultus kan niets met zekerheid gezegd worden. In de 4e eeuw, na het edict van Konstantijn, werd Bavay een bisschopsstad: de episcopus Nerviorum is vermeld bij het concilie van Keulen in 346.

Keramiek is uiteraard alomtegenwoordig. De Gallische stammen waren heel bedreven in metaalbewerking. In hun ateliers werden ijzer en andere metalen bewerkt tot juwelen. De juweelkunst, evenals de metallurgie kenden dus een zekere vorm van perfectionering.

18. Paemanen (Lat. Paemani)

Kaart met leefgebied van de Paemanen

De naam van dit volk wordt in de Commentari de Bello Gallico slechts eenmaal vermeld: bij de opsomming van de Belgische volkeren die aan de eerste grote coalitie tegen Caesar deelnamen (57 v. Chr.).

De Paemani waren een volksstam die door Caesar, samen met de Eburonen, de Condrusi en de Caerosi tot de zgn. "Germani cisrhenani" wordt gerekend, Germaanse stammen die ten westen van de Rijn woonden en die daar de oorspronkelijke Keltische bevolking hadden verdreven. Over de waarde die aan deze en dergelijke uitspraken van Caesar mag gehecht worden, is veel discussie. Over de precieze situering van hun woongebied en hun etnische oorsprong is op basis van de vage gegevens van Caesar niets met zekerheid te zeggen. We vinden ook de spelling Caemani.

19. Remen (Lat. Remi)

Kaart met leefgebied van de Remen

De Remi, Remen of Remers waren een Keltisch volk die tot de Belgae gerekend worden. Het gebied dat zij bewoonden reikte van de Ardennen in het noorden tot de Marne in het zuiden. In het oosten werd het gebied begrensd door de Maas en in het westen door de Aisne. Ingesloten door bossen grensde het gebied niet direct met territoria van naburige Gallische stammen. Het kan zijn dat de Remi in het begin een semi-nomadenbestaan leiden binnen het gebied waarna ze hun permanent gevestigd hebben. Ten oosten van het gebied van de Remers lagen de gebieden van de Treveri, Mediomatrici en de Leuci. In het westen lagen de beiden van de Silvanectes, Suessiones en Viromandui. Ten zuiden situeerden zich de gebieden van de Lingones, Tricasses, Senones, Meldi en Parisii en in het noorden werd het gebied ingesloten door de Ardense bossen. Anders dan de andere Gallische stammen hadden de Remi al reeds oude contacten met de mediterrane wereld ten zuiden van de as Saône-Rhône. Deze contacten kenmerken de cultuur van de Remi.

In het werk Commentarii Rerum in Gallia Gestarum, roemt Caesar de trouwe aanhankelijkheid van de Remi. Vanaf het begin van de oorlog tegen de Belgen verzekerden de Remers aan de Romeinen dat ze zich niet zouden inmengen in het geweld tussen Rome en de Belgen en ze zouden zich ondergeschikt maken aan de Romeinse macht. Daarbij verzekerden de Remi ook niet dezelfde mening als andere Belgische volken aan te nemen of met andere Belgische volkeren samen te zweren. Ook werd beloofd dat de regelingen die door de Romeinen in de steden afgekondigd werden opgevolgd zouden worden en dat de Remi de graantransporten en andere noden van de Romeinen zouden ondersteunen.

De trouw van de Remers blijft bestaan gedurende heel het verloop van de oorlog. Hierdoor blijft Caesar ze eren en staat hij bij hen in het krijt. De gunst die de Remers hierop vragen bestaat onder de vorm van een annexatie van andere volkeren. De Aedui, die voor de Romeinse verovering in een slaaf/meester relatie stonden met de Sequani, konden niet verbonden worden met de Remi. Deze sloten zich door de gunst van Caesar aan bij de Remi. Tussen de aangesloten stammen behoorden de Carnutes, de Suessiones en deze worden door een gelijkstelling van het recht, wetten en autoriteit samen met de Remi als verbonden bloedbroeders aangeduid. Hierdoor kwamen de Aedui op de eerste plaats in tegenstelling tot de Remi die in de tweede rang onder de Gallische stammen een positie innamen. In het jaar 52 voor Christus wanneer er een gezamenlijke Gallische troepenmacht onder Vercingetorix ontstaat in Bibracte, blijft de trouw van de Remi aan Rome bewaard. De trouw werd bewaard door de primerende vriendschap met Rome. Hierdoor kregen de Remi door Caesar en later onder Augustus de status van foederati. Waarschijnlijk kregen de Remers met deze status enkele voorrechten ten opzichte van andere Gallische stammen. Sommige Remers namen ook dienst in het Romeinse leger. Verschillende inscripties tonen aan dat Remerse soldaten gestorven zijn in de oorlog buiten het gebied van de Remers.

Door de Romeinse verovering van Gallië werd het gebied van de Remi net als de andere Gallische gebieden in gewesten- en gemeenschappensysteem, de zogenaamde civitates, ingedeeld. Dit systeem zal stand houden tot 12 v. Chr. Vanaf dan zal het gebied van de Remi, de civitas Remor(um) foeder(ata) deel uitmaken van de provincia Gallia Belgica. Later zullen de Catalauni een eigen gemeenschap vormen en zich afscheiden van de Civitates Remorum. De reorganisatie van de provincies door Diocletianus, Romeins keizer van 284 tot 305 zorgde ervoor dat Gallia Belgica in twee gedeeld werd. Hierdoor werd Trier de hoofdstad van Belgica Prima en Durocortorum de hoofdstad van Belgica Secunda.

De hoofdstad van de Civitas Remorum was Durocortorum. Deze stad zal ook de hoofdstad worden van de provincia Gallia Belgica. Deze sterk bevolkte stad was volgens Strabo ook de plaats waar de bestuurders van de porvincie zetelden. Toch had de keizerlijke financiënbeambte van de provincie zijn zetel in Trier. De stad Durocortorum of Reims wordt in de eerste drie eeuwen na Chr. nog maar weinig vermeld in de Romeinse geschriften en werken. Slechts in enkele geografische werken wordt de stad vernoemd. Plinius de Oudere bijvoorbeeld prijst de vruchtbaarheid van de grond in het gebied van de Remi. Tegen het einde van de eerste eeuw na Chr. wordt het gebied en de hoofdstad van de Remi beschreven met de naam van de stam. Hierdoor verliest de stad Durocortorum zijn Gallische eigennaam. In de perioden die hier op volgen duikt de naam van de stad telkens op als een vervorming van het woord Remi. Hierdoor ontstaat de naam Reims. In het jaar 291 na Chr. vinden we nog een variant van het woord Durocortorum terug.

De Remi kenden een agrarische landbouwproductie. In de tweede eeuw v. Chr. bestond er een economische toename en een socio-economische reorganisatie op gebied van de landbouw. Er bestaan vanaf dan open groepsdorpen en herenboerderijen met bijbehorende necropolen in ronde of rechthoekige vorm. De ontwikkeling van het land, voor de Romeinen het exploiteerden, is toe te schrijven aan de maximale ingebruikname van het landbouwland. Ook een aanzienlijke handel, ertsontginning en een opmerkelijk geldsysteem droegen bij tot de ontwikkeling van het gebied.

Als zelfstandige stam sloegen de Remi ook zelf geld. Het indelingssysteem van de oudste munten is nog steeds onbekend omdat er geen inscripties of geschriften gevonden zijn die informatie geven over de indeling. Munten die ten tijde en na de verovering van Caesar werden geslagen zijn een gedeeltelijke nabootsing van de Romeinse denarius. Volgens sommige Latijnse brieven vertonen de munten aan beide zijden het opschrift REMO, andere brieven spreken over munten met aan de ene zijde het opschrift ATISOS en aan de andere zijde REMOS. Het overgrote deel van de ontdekte munten zijn in en rond het gebied van de Remi weergevonden. Ook werden enkele munten weergevonden in resten van tempels die gebouwd werden ter ere van de Alpen- en weergoden.

Op vlak van cultuur nemen de Remi vele Romeinse gebruiken over. Druïden zullen de Keltische goden associëren met Romeinse goden als Mars. De Remi profiteerden natuurlijk van de Romeinse technieken en materialen die verspreid werden na de verovering.

20. Segnen (Lat. Segni)

Kaart met leefgebied van de Segnen

Het land van de Segni lag gekneld tussen de territoria van de Trevieren, Condruzen en Eburonen. De Segni beheersten de valleien van de bovenloop van de Ourthe, de streek tussen Marche-en-Famenne en de Haute-Ardenne (driehoek Trois-Ponts, Baraque Fraiture, Stavelot). In 57 voor de aanvang van onze tijdrekening steunden zij de eerste Belgische coalitie tegen Caesar, die hen als Germani Cisrhenani beschouwde. Uit vrees voor de Romeinse bevelhebber leverde deze kleine groep Belgen de Eburonen uit die op hun grondgebied waren ondergedoken (53 tot 51 v. Chr.).

21. Silvanecten (Lat. Silvanectes)

Kaart met leefgebied van de Silvanecten

Over de herkomst van deze volksgroep van Keltische oorsprong bestaat veel twijfel. De bronnen citeren hen eerst omstreeks 50 n. Chr. Zij leefden in de streek van Senlis, tussen Compiègne en Parijs. Misschien waren zij verwant met de Suessionen (regio Soissons).

22. Suessionen (Lat. Suessiones)

Kaart met leefgebied van de Suessionen

De Suessiones waren een volk in Gallia Belgica, het noorden van Gallië. Ze bewoonden een gebied tussen de Oise en de Marne, rond de hedendaagse stad Soissons. Ten westen, over de Oise, waren de Suessiones door de rivaliserende Bellovaci begrensd, in het oosten woonden de Remi (rond Reims). In 57 voor Christus werden ze verslagen door Julius Caesar en werd hun gebied veroverd door de Romeinen.

Caesar vertelt in zijn Commentari de Bello Gallico dat Galba als eerste de Suessiones bestuurde, en dat de vroegere koning Diviciacus geheerst had over een groot deel van de Belgae en zelfs delen van Brittannië.

De hoofdplaats van dit volk was Noviodunon ('nieuwe burcht', nu Soissons). Er bestaan drie mogelijke verklaringen voor hun naam: 'zij die hun grondgebied bestendigden', 'zij die over zes legers beschikken' en 'zij die rijk zijn aan voedsel'.

De Suessionen hadden volgens Julius Caesar verschillende cliënten, waaronder de Viromanduers. De Romeinse veldheer merkte tevens in zijn Commentaren op dat de Suessionen en de naburige Remen identieke wetten en een zelfde militair en burgerlijk bestuur hadden. Hij vermeldde eveneens hun vruchtbare akkers. 50.000 Suessionen namen onder het bevel van hun koning Galba, die opperbevelhebber van de verzamelde troepen was, deel aan de eerste Belgische alliantie tegen Caesar (57 v. Chr.). Korte tijd later zouden de Suessionen, samen met de Remen, bij de voornaamste bondgenoten van Caesar horen. Toen in 51 v. Chr. de Atrebaten en Bellovaken zich opmaakten om de Suessionen aan te vallen, verijdelde de Romeinse veldheer dit offensief door vier van zijn legioenen bij de Suessionen in te kwartieren.

23. Sunuken (Lat. Sunuci)

Kaart met leefgebied van de Sunuken

Dit volk van Germaanse origine behoorde waarschijnlijk tot de laatste Germani die in de Gallische tijd de Rijn overstaken. Plinius citeert hen in zijn geschriften. Vermoedelijk leefden zij in het grensgebied van de huidige provincies Limburg en Luik.

24. Trevieren (Lat. Treveri)

Kaart met leefgebied van de Trevieren

De Trevi (of Treveri) waren een Germaanse of Keltische stam die bekend is uit de geschriften van Julius Caesar. Zij bewoonden het gebied rond de huidige stad Trier, dat zijn naam kreeg van de stam.

In zijn verovering van Gallia krijgt Caesar steun van de cavalerie van de Trevi: in haar tijd niet de minste van kwaliteit. Na de overwinning van Caesar op de Galliërs betalen de Trevi een hoge prijs voor hun loyaliteit. Hun grondgebied wordt volledig geromaniseerd, wat leidt tot een uittocht van de belangrijkste families van de Trevi naar Germania.

Dit krachtig Belgisch volk, dat eerst in 52 v. Chr. door de Romeinen werd bedwongen, was van Germaanse oorsprong, maar Keltisch van cultuur. Als grondgebied beheersten zij het tegenwoordige Groothertogdom Luxemburg, het grootste gedeelte van de gelijknamige Belgische provincie en de streek rond Trier in Duitsland. Van alle Belgische stammen hadden de Treveri de beste ruiterij. Zoals het bij vele Belgae het geval was, waren ook de Trevieren verdeeld. Cingetorix leidde de pro-Romeinse clans, Indutiomaros de krijgers die tegen Rome in opstand kwamen. Een van hun voornaamste oppida was Titelberg.

Etymologisch betekent Trevieren: 'zij die voorbij reizen'. De Trevieren waren de leenheren van de Atuatuci.

Een deel van de Treveri vestigde zich omstreeks 400 v. Chr. in Gallia-Cisalpina (Noord-Italië).

25. Trinovanten (Lat. Trinovantes)

Kaart met leefgebied van de Trinovanten

Dit Belgisch volk vestigde zich in Zuid-Engeland waar het Essex en een gedeelte van Suffolk beheerste. Hun kerngebied bevond zich ter hoogte van het tegenwoordige Noord- en Oost-Londen en noordelijk van de Theems tegenover het huidige graafschap Kent. De oude bronnen verwijzen niet naar hun oorspronkelijke moederland op het continent. De stam, die tot de machtigste van Engeland behoorde, werd in 43 n. Chr. bij de invasie door Rome onderworpen.

26. Tongeren (Lat. Tungri)

Kaart met leefgebied van de Tongeren (Tungri)

De Tungri waren een Germaanse volksstam uit de oudheid in Gallia Belgica. Na het uitmoorden door Julius Caesar van de Eburonen vestigden zij zich rond het huidige Tongeren, het vroegere woongebied van de Eburonen. Dit gebeurde ten tijde van keizer Augustus. Oorspronkelijk kwam de stam van over de Rijn. Volgens Tacitus was het de eerste Germaanse stam die de rivier overstak.

Als men over de Tungri spreekt, dan bedoelt men zowel de Germaanse stammen, die van over de Rijn kwamen, als de inheemse stammen (onder andere Atuatuci), die de represaille van Caesar overleefden. Deze eerdere bewoners van de streek waren ook Germanen en werden door Caesar Germani cisrhenani genoemd, of Germanen aan deze kant van de Rijn. Tacitus bestempelde de Tungri als Germani. Men is er echter niet zeker van of deze stammen zichzelf effectief ook zo noemden.

In De bello Gallico vermeldt Caesar de Eburonen, de Condrusi, de Segni, de Caerosi en de Paemani, maar niet de Tungri. Die worden pas vermeld bij Plinius de Oudere en Tacitus. Plinius vermeldt ze in het kader van de reorganisatie van de Galliërs onder Augustus. Voor de Romeinen was het een hele opgave om het gebied van de Eburonen, dat door Caesar vernield was, weer te bevolken.

De Tungri kregen het vruchtbaarste, middelste deel van het vrijgekomen gebied met als hoofdstad Atuatuca. Ze maakten eerst deel uit van de provincie Gallia Belgica. Onder Trajanus werd dat Germania Inferior en nog later Germania Secunda. De thuisbasis van de Tungri lag ten zuiden van de Bataven, ten oosten van de Nervii en ten noorden van de Remi en Treveri. Ze leefden aan beide oevers van de Maas en het gebied strekte zich uit van de Samber tot de Roer. Het was een vruchtbaar gebied dat snel bloeide onder de Romeinse heerschappij.

De civitas van de Tungri staat bekend als Atuatuca Tungrorum, nu Tongeren. Een civitas is een vereniging van cives en dat is niet hetzelfde als een stad. Germanen wonen meer dorpsgewijs met aan het hoofd een rex (koning), zoals Julius Civilis. Het was goed gelegen en was een knooppunt van heerbanen die toegang gaven tot Bavay, Kassel, Antwerpen, Nijmegen, Keulen, Trier en Aarlen. In de loop van de eeuwen zal het uitgroeien tot een echte Romeinse stad (municipium). In de late keizertijd wordt de verdediging van het Romeinse Rijk alsmaar belangrijker en komt Tongeren in militair grensgebied terecht. Zo wordt het een garnizoenstad.

Op de Vindolanda-schrijftabletten worden de Tungri vermeld; hetgeen er op wijst dat in het Romeinse leger een cohort van Tungri aanwezig was. Drie cohorten en twee alae (vleugels) droegen de naam van de Tungri: de cohort I Tungrorum milliaria, de cohort II Tungrorum milliaria equitata c.l., de cohort III Tungrorum, de Ala I Tungrorum Frontoniana en de Ala I Tungrorum.

Het is niet duidelijk wanneer de Tungrische eenheden voor het eerst voorkwamen, maar de rekrutering was zeker al bezig tijdens de Bataafse opstand - onder leiding van Julius Civilis - in 69-70 n. Chr., aangezien er Tungrische eenheden deelnamen. Ze maakten deel uit van het Germaanse leger en moesten in de lente van 69 van Fabius Valens, gouverneur van Germania Inferior, naar Gallia Narbonensis om deze provincie te beschermen tegen de aanvallen van Otho. 69 n. Chr. staat ook bekend als het jaar van de vier keizers, waarvan Otho en Vitellius er twee van waren. De derde cohort van de Tungri liep echter over naar de leider van de Bataven, Civilis en trok naar de Rijn voor de Bataafse opstand. Vespasianus zou deze cohort later ontbonden hebben wegens verraad. De eerste en tweede cohort Tungrorum verloren in 69 allebei hun praefecten.

Kort na de Bataafse opstand staken de twee cohorten van de Tungri het Kanaal over naar Brittania. De eerste cohort maakte in 83 n. Chr. deel uit van het leger van Iulius Agricola en nam zo deel aan de Slag bij Mons Graupius. Hun kamp werd Borcovicium (Housesteads), dat van de tweede cohort werd Blatum Bulgium (Birrens). Dan resten er nog de twee alae, die niet met elkaar verwisseld mogen worden wegens soortgelijke namen. Ala I Tungrorum Frontoniana kreeg waarschijnlijk haar bijnaam door een officier. De vleugel lag gelegerd in Dacië. De andere Ala lag net als de cohorten in Brittania.

Ondanks de toenemende Keltische invloeden bleven de Tungri vasthouden aan hun eigen volksgeloof. Zo zijn de godheden die aan het einde van de derde eeuw en begin vierde eeuw door de Tungrische soldaten in Brittania werden vereerd Germaans, bijvoorbeeld de Matres Alaterviae, die naast Campestres vereerd werd. Ook de hoofdgod van de Bataven, Hercules Magusanus, behoorde tot de vereerden, Magusanus is echter een Keltische godheid. Daarnaast vereerden de Tungri nog een godheid met een Keltische naam, namelijk Viradectis, en ook een Romeinse, Iuppiter Optimus Maximus.

27. Veliocassen (Lat. Veliocassi)

Kaart met leefgebied van de Veliocassen

De Veliocassen leefden in Normandië. De naam zou staan voor 'de besten in de strijd'. Zij controleerden de beide oevers van de Seine en eveneens de streek van de Vexin. Hun belangrijkste oppida waren Rotomagus (regio Rouen) en Vernon.

Voor de Belgische coalitie van 57 v. Chr. leverden zij een contingent van 10.000 man krijgsvolk. In 52 v. Chr. steunden zij de alliantie van Vercingetorix en in 51 v. Chr. vormden de Veliocassen een coalitie met de Ambianen, Atrebaten, Caleten en Bellovaken.

28. Viromanduers (Lat. Viromandui)

Kaart met leefgebied van Viromanduers

De Viromandui waren een stam in Gallia Belgica, het noorden van Gallië. Volgens de Commentarii de Bello Gallico van Julius Caesar woonden ze in de vallei van de bovenloop van de Somme, ongeveer in het gebied dat tegenwoordig het departement Aisne is in Picardië. Nadat ze verslagen werden door Julius Caesar, werd hun belangrijkste vesting hersticht als Noviomagus Viromanduensis, het hedendaagse Noyon. De Viromandui leenden hun naam aan de door hen bewoonde streek, de Vermandois.

De naam van deze Belgische volksgroep zou 'zij die de anderen verpletteren' betekenen. In 57 v. Chr. namen zij achtereenvolgens deel aan de coalitie van de Belgen tegen Caesar en aan de slag bij de Selle. De Viromanduers hadden nauwe banden met de Suessionen.