De plek waar de eerste Kempense Steenkool werd aangeboord

"Zal Limburg nu het Eldorado van België worden? "

 

Standbeeld André Dumont
ons land - focus


Welkom in Limburg!

Inleiding en bronvermelding
Algemene Geschiedenis
's Lands Glorie
Bezienswaardigheden
Home
           
banner
Vlag Limburg

Het standbeeld van André Dumont te Genk.

In As, aan de weg naar Bree (de N730), werd in 1951 een zuil opgericht, ter ere van André Dumont (we hebben nog geen foto van deze zuil gevonden, red.) die een halve eeuw eerder op die plek de eerste Kempense steenkolen bovenhaalde. Bij de meeste mensen is het zo goed als vergeten, maar 1901-1906 was voor Limburg echt een heroïsche periode, een soort rush naar het zwarte goud. In die tijdspanne gebeurden er niet minder dan 63 boringen in de Kempen. Maar André Dumont (Luik 1847 - Brussel 1920), hoogleraar in Leuven, boekte als eerste succes en wel in de nacht van 1 op 2 augustus 1901. Het enige wat hij zei was: "Ik wist het!". Op een foto uit die tijd kijkt hij me aan door een knijpbrilletje; hij heeft een snor en dikke bakkebaarden, die het haarverlies boven op zijn kruin moeten compenseren; om zijn hals zit een strikje en een vadermoorder (met omgeplooide punten aan de kraag). Allemaal zo burgerlijk als wat. Hij was trouwens een saaie prof. Hij kon urenlang bezig zijn over een bepaald procédé, om dan op het eind te zeggen dat de door hem uitgeplozen techniek al twintig jaar niet meer werd gebruikt. Bovendien was hij persoonlijk bevriend met Leopold II, die hem tot baron bombardeerde. En zo een mannetje haalt de eerste steenkool boven in Limburg! Alom euforie, te meer omdat de ontdekte steenkoollagen relatief dik waren en vooral omdat ze bestonden uit vette steenkool, waarop de Belgische en Franse staalindustrie ongeduldig zat te wachten.

Op 19 september 1901 vroeg een Brusselse krant zich af: "Zal Limburg, het arm verstooten Limburg, nu het Eldorado van België gaan worden?".

Maar het ging niet zonder slag of stoot. Dumont ondervond tegenstand vanwege het gemeentebestuur van As en dus ging hij zijn mijn iets verderop oprichten, namelijk in Waterschei, waar hij de magere heidegrond gratis cadeau kreeg.

Helemaal niet te onderschatten was de tegenstand van de kerk, die als de duivel was voor het socialisme en het syndicalisme, het rode pad dat de Luikenaars al bewandelden. Limburg behoorde in die tijd nog tot het bisdom Luik, en dus bestegen de Limburgse bisschoppen Rutten en later ook Kerkhofs hun heilig strijdros. "Allerlei lieden zullen naar Limburg afzakken en het eerste dat de vreemdeling, de socialist, zal aanraken is het door en door Vlaams Christen huisgezin onzer Kempenaren", klonk het. In de kerken trilden de ramen van de donderpreken: de mijn ingaan stond gelijk met zijn ziel aan de duivel te verkopen. Zels de toenmalige, katholieke minister van landbouw Helleputte liet in het Kristelijk Orgaan der heeren Helleputte en Keesen afdrukken "dat de grootste nijverheid der koolmijn in Limburg hooger loonen zal brengen maar tevens kwalen die honderd maal erger zijn dan armoede: ongodsdienstigheid en drankmisbruik.".

Dat was natuurlijk vragen om een hartig wederwoord. Een liberale krant haalde zijn scherpste geschut boven: "Alles voor het zieltje, zoals men ziet. De groote katholieke heeren mogen den armen wroeter uitbuiten, hij mag honger en gebrek lijden dat hij klappertandt, zijn vrouw en kroost mogen in de diepste ellende verkeeren... dat alles doet niets ter zake: de hoofdkwestie is, dat papen en kasteelheren meester blijven van de streek, onder voorwendsel van zedenbederf en ongodsdienstigheid af te weren.".

Nog in 1930 riep bisschop Kerkhofs, bij de wijding van de vlag van de Bond van het Heilig Hart, in Eisden uit dat Limburg herkerstend moest worden. Dat heeft André Dumont niet meer geweten; hij was toen al tien jaar vergaan tot stof en As.

© Het Toppunt van België, Reisgids naar 500 uitzonderlijke plekken in eigen land,
Julien Van Remoortere.