De stad Beringen

 

Satellietfoto van Beringen
ons land - focus


Welkom in Limburg!

Inleiding en bronvermelding
Algemene Geschiedenis
's Lands Glorie
Bezienswaardigheden
Home
           
banner
Vlag Limburg

Algemene omschrijving

Beringen is een stad en gemeente in Limburg in BelgiŽ en is de hoofdplaats van het kieskanton en het gerechtelijk kanton Beringen. De stad telt een kleine 43.000 inwoners. Beringen is, na Hasselt en Genk, de derde grootste gemeente in de provincie Limburg. Het is een stad met een nog steeds groeiend inwoneraantal. Beringen is een regionaal woon- en verzorgingscentrum. Tevens is het een belangrijke industriestad in West-Limburg.

Kerk van Beringen en enkele aanpalende woningen aan het marktplein

De Sint-Pietersbandenkerk en enkele aanpalende huizen aan het marktplein (met kiosk) te Beringen in een ver verleden...

Geschiedenis

Beringen was een allodiale heerlijkheid, die deel uitmaakte van het erfgoed van Sint-Adelardus, een neef van Pepijn de Korte en abt van de Sint-Pietersabdij van Corbie in Picardië (780-821). Op het einde van de 8e eeuw zou Sint-Adelardus zijn goederen geschonken hebben aan de abdij van Corbie. Tijdens de middeleeuwen had de graaf van Loon de voogdij over de heerlijkheid Beringen. In 1239 verleende graaf Arnold IV aan Beringen dezelfde vrijheden als de stad Luik. Beringen was een stad van het graafschap Loon, dat later deel ging uitmaken van het prinsbisdom Luik. Twee burgemeesters, een voor de stad en een voor het platteland, stonden aan het hoofd van de gemeente. Beringen was omringd met de wallen en grachten, die samen met de drie stadspoorten in het begin van de 19e eeuw gesloopt werden. Rond de stad waren acht motten of noodtorens, die omringd werden door een gracht. Beringen werd herhaaldelijk verwoest, onder meer in 1654 door Lotharingse troepen. In 1700 werd de in de 12e eeuw opgerichte Latijnse school tot een gemeentelijk college omgevormd. In 1739 verbleef Voltaire een drietal weken in een herberg op de markt. Hij schreef er weinig vleiende woorden over de stad en haar bewoners. De parochie Beringen strekte zich aanvankelijk ook uit over het grondgebied van Paal en Heusden. Even voor 1400 werd Heusden echter een afzonderlijke parochie. In 1708, na heel wat strubbelingen, werd ook Paal een zelfstandige parochie. Met de ontdekking van steenkool in de ondergrond en de ontginning braken nieuwe tijden aan.

Bij de gemeentefusies van 1977 werd Beringen samengevoegd met Paal, Koersel en Beverlo. Het werd daardoor de op twee na grootste stad van Limburg. Beringen is de zetel van het gelijknamige kanton en dekenaat. In 1955 werd in Beringen een Keltische goudschat gevonden. De schat bestond uit 25 gouden munten, sieraden en een fragment van een gouden armband. Ook andere vondsten, onder meer Romeinse munten, bewijzen dat Beringen lang voor de komst van de Franken bewoond was.

Beverlo is een nederzetting van de Salische Franken. Later maakte het met Kwaadmechelen en Oostham deel uit van het Land van Ham. Heppen en Leopoldsburg waren toen delen van Beverlo. In 698 schonk Pepijn van Herstal het Land van Ham aan de abdij van Sint-Truiden. Het Land van Ham hoorde onder het Land van Loon, dat van het prinsbisdom Luik afhing. Tussen 900 en 1100 werd de parochie Beverlo opgericht. In 1263 verloor de abdij van Sint-Truiden de volledige voogdij over het Land van Ham. De graaf van Loon werd de eerste heer van Ham. Tussen 1367 en 1371 liet heer Gerard d'Ailly van Ham het kasteel bouwen. De tweede helft van de 16e eeuw en de 17e eeuw waren voor Beverlo ongelukkige tijden met besmettelijke ziektes, plunderingen van baanstropers en rondtrekkende troepen. Op Sinterklaasdag in 1648 sneuvelden 22 huislieden van Beverlo in Meeuwen op de Donderslagse Heide.

Vanaf 1580 werden schansen in gebruik genomen: Beverlo in 1590, Heppen in 1591, Korspel in 1607. In diezelfde periode ontstonden de gilden. De Sint-Annagilde van Beverlo wordt vermeld in 1551: 'die sodaliteyt of gilde van onser Live Vrauwe tot Heppen' in 1627; de Sint-Antoniusgilde van Korspel in 1645. Later onstond in Beverlo de Sebastiaansgilde.

De 18e eeuw was rustiger. De Sint-Lambrechtskerk, die door een brand vernield werd, werd in 1788 weer voor de eredienst opengesteld. Het Franse tijdvak bracht het einde van het Land van Ham. Kwaadmechelen, Oostham en Beverlo werden zelfstandige gemeentes. Het Kamp van Beverlo in Leopoldsburg, ruim 4000 ha, werd in 1835 door Leopold I opgericht op het grondgebied van Beverlo, Hechtel en Eksel. Omdat de eerste werkzaamheden, logement en ook parochiezorg vanuit Beverlo gebeurden, behield het legerkamp zijn historische naam. Heppen en Leopoldsburg werden afzonderlijke gemeentes in 1850. Tijdens de schoolstrijd van 1879-1884 verving het vrije katholieke onderwijs het gemeentelijke onderwijs. In 1880 werd de volksbibliotheek opgericht. In 1944 verloren in een bombardement op de Zuidstraat 70 mensen het leven, van wie 63 van Beverlo. Dit bombardement ter voorbereiding van de landing van de geallieerden was een vergissing. Burgemeester Ooms stierf in een Duits concentratiekamp. In 1954 reed de laatste tram door Beverlo.

In 700 waren er waarschijnlijk nederzettingen in het huidige Koersel. Omstreeks 800 kwamen de bewoners onder de heerschappij van een hoofd van het latere Lummen. De grondheer liet een kapel bouwen. In 1185 schonk Lodewijk, voogd van Haspengouw, de kapel aan de abdij van Averbode. In 1204 werd de kapel gescheiden van de moederkerk van Lummen. Toch bleef de parochie Koersel tot 1829 onder het patronaat van de abdij van Averbode. Van 1200 tot omstreeks 1830 bleef het dorp Koersel samen met Schulen en Linkhout onder de heerlijkheid Lummen ressorteren. De heerlijkheid was voor drie vierde leengoed van het graafschap Loon en voor een kwart van het hertogdom Brabant. Plunderende soldaten vielen in 1579 het dorp binnen. De dorpelingen gingen zich verbergen in de kerktoren. Die werd in brand gestoken en 183 mensen kwamen om. In 1834 zouden het centrum van dorp en de kerk door een brand verwoest worden. De huidige kerk dateert van 1850.

In 1826 ontstond het bedevaartsoord Fonteintje, het kreeg een lemen kapel in 1828, een stenen in 1833 en een nieuwe kapel in 1939.

De stichting van S.A. Charbonnage de Beeringen vond in 1907 plaats. De uitbouw van de wijk ging van start in 1908. In 1923 was hier een kapel en een zelfstandige parochie, in 1943 een nieuwe kerk. De kolenmijn ging in 1989 dicht.

De parochie Stal werd in 1910 opgericht. Ze kreeg een kerk in 1976. De uitbouw van de wijken in Koersel begon na 1945: Fonteintje in 1945, Steenveld in 1946, Steenoven en Grootveld in 1950, Schanswijk in 1960 en Vliegeneinde in 1986. Het einde van de gemeentelijke zelfstandigheid van Koersel kwam in 1977 met de fusie van Beringen, Paal, Beverlo en Koersel tot Groot-Beringen.

Het gehucht Paal behoorde samen met Tervant, Meelbergh, Rijssel en Gestel tot de buitinge van Beringen en viel onder het Loonse recht. Omstreeks 1459 was hier reeds sprake van 'een capelle staende tusschen Pale en Merlebergh'. In 1513 werd 'het benificie der capelle van Paell' vermeld. Het beneficie was een stichting ten voordele van het altaar van Sint-Jan De Doper. In de loop der tijden is er sprake van herstellingen aan de kapel, en van allerlei aankopen.

De grote afstand tussen de gehuchten en de moederkerk in Beringen gaven jarenlang aanleiding tot disputen tussen de buitinge en Beringen. In 1702 scheurde Paal zich los. In 1716 werd het definitief een afzonderlijke parochie. Na het uitbreken van de Luikse Revolutie op 18 augustus 1789 vonden de ingezetenen van Paal het moment geschikt om hun grieven kenbaar te maken. In aanwezigheid van notaris J.H. Ghoos van Kwaadmechelen werden drie klachten geformuleerd: 1. Het is onredelijk dat de buitinge moet bijdragen in de kosten en het onnodige verteer door de gedeputeerden van de Beringse magistraat op de Luikse landdagen. 2. De buitinge moet blindelings twee derde van de kosten dragen aan de kerk en toren van de stad. 3. Paal, een deel van de buitinge, heeft recht op een deel van de inkomsten der armengoederen, maar de stad beoogt alleen Paal hoe meer hoe liver met de buijdel te doen opkomen en ter contrarie van alle voordeelen te berooven en om soo te seggen hun in specie van slavernij te brengen.

In 1802 werd Paal een afzonderlijke gemeente. Tervant werd op 8 december 1905 een onafhankelijke parochie. Paal kreeg op zijn grondgebied de kolenhaven van de mijn, de E39 en een industriegebied van nationaal belang. Door de gemeentefusies van 1977 verloor het opnieuw zijn gemeentelijke zelfstandigheid.

De stad Beringen is onlosmakelijk verbonden met zijn mijnverleden.

Bezienswaardigheden Beringen

Het driehoekige Frankische marktplein is verkeersvrij gemaakt. In het oude centrum staan sterk verbouwde herbergen uit de 17e-18e eeuw. Ze werden hier gebouwd wegens hun gunstige ligging aan de handelswegen Brussel-Dusseldorf, Diest-Venlo, Antwerpen-Keulen. De weg Antwerpen-Keulen was in drie dagreizen ingedeeld: Antwerpen-Beringen, Beringen-Maastricht en Maastricht-Keulen. Het 17e-eeuwse hotel de Kroon aan de Brugstraat is nu een twee-onder-een-kapwoning.

De decanale Sint-Pietersbandenkerk (zie foto hierboven) beheerst het marktplein. Ze is in de loop der tijden verschillende keren verwoest en afgebrand, en telt daardoor verschillende bouwperiodes. De oudste delen zijn het koor, de sacristieën en de kruisbeuk. Ze zijn 16e-eeuws, van Diestse ijzerzandsteen en opgetrokken in laatgotische Demerstijl. Na de verwoesting in 1654 door de Lotharingse troepen werd de kerk heropgebouwd door deken Adriaen Wuestenraed (1654-1695). Het interieur kreeg een aankleding in Antwerpse barok. Het waren vooral schrijnwerker Tillman Janssens en beeldhouwer Daniel van Vlierden, beiden van Hasselt, die de lambrisering met biechtstoelen, de altaren en de preekstoel hebben gemaakt. Meester-beeldhouwer Laurens Vandenreyt (1661-1681) van Hasselt ontwierp de communiebank en een deel van het unieke koorgestoelte. Na diens dood werd zijn werk voltooid door Jan Rutten van Sint-Truiden. De laat-17e-eeuwse portiekzijaltaren met schilderijen Kroning van Maria en kruisvinding zijn creaties van Antoon Gobau (1622-1678), leerling van Rubens. Op het neogotische doksaal staat een orgel van Vermeersch van Duffel. Het dateert van 1853. De orgelkast is eveneens neogotisch. De beelden in de kerk zijn: Christus in het graf, Sint-Pieter, Sint-Antonius Abt, Sint-Sebastiaan, Sint-Anna met Maria en Sint-Jozef met Kind. Ze dateren allemaal van omstreeks 1700. De kruisweg van 1912 is een creatie van Meunier van Hannuit. De 16e-eeuwse sacristie heeft 17e-eeuws meubilair. De kerkschat omvat een Luikse kelk van 1528 en liturgische voorwerpen en gewaden. In het koor liggen grafstenen uit de 17e en 18e eeuw, onder anderen van A. Wuestenraedt, met hetzelfde wapenschild als in de kerk.

In 1839 stortte de massieve kerktoren in en vernielde een deel van de middenbeuk en zijbeuken. Tussen 1842 en 1844 heeft pastoor Huyghe de beschadigde kerk heropgebouwd in neogotische stijl. De voormalige westertoren kreeg een nieuwe toren met een opvallende, ranke spits. In november 1998 startte grote restauratiewerkzaamheden aan het gebouw. De ijzerzandstenen delen kregen een grondige opknapbeurt. De daken werden vernieuwd en de stabiliteit van de toren werd hersteld. De lantaarn kreeg een roestvrije bekleding en de spits een nieuwe bedekking. De glasramen werden grotendeels vernieuwd en ogen modern. Een glasraam is gewijd aan deken Wuestenraedt, door wienst toedoen de kerk haar huidige uitzicht kreeg. Een ander glasraam is gewijd aan Adelardus, neef van Pepijn de Korte en abt van Corbie. De andere kregen als thema het verdere verloop van de Petruscyclus. De restauratie van altaren, schilderijen en beelden is niet voltooid. In de kerk worden een aantal beelden bewaard: een 15e-eeuwse piëta of Nood Gods, een 16e-eeuwse Sint-Genoveva en Sint-Rochus, uit de Smeetskapel aan de Broekhovenstraat. Links van de kerk, tegen de voorgevel van het Sint-Jozefscollege, hangt een bronzen gedenkplaat voor August Cuppens (Beringen 1862 - Loksbergen 1924). Het is een werk van Karel Lateur, broer van Stijn Streuvels, dat in 1930 onthuld werd.

Schachten en distel van Beringen-Mijn.
Gedenkplaat voor August Cuppens aan de voorgevel van het Sint-Jozefcollege te Beringen.

Bronzen gedenkplaat voor priester-dichter August Cuppens. Werk van de hand van Karel Lateur, broer van Stijn Streuvels (echte naam Frank Lateur) uit 1930.

In Beringen werd August Cuppens geboren. Zijn geboortehuis moest destijds plaatsruimen voor de uitbouw van het Sint-Jozefscollege. Cuppens was een van de eerste epigonen van Gezelle onder de Vlaamse priester-dichters. Hij was medeoprichter van 't Daghet in den Oosten van 1885-1914, een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. Zijn pastorie in Loksbergen werd een ontmoetingsplaats voor katholieke Vlaamse schrijvers en kunstenaars: Guido en Cezar Gezelle, Verriest, Streuvels, Belpaire, Leynen, Nahon... Cuppens publiceerde onder meer godsdienstig geïnspireerde gedichten en liederen waarin hij de schoonheid van Vlaanderen en Limburg bezong. Zijn vriendschap met Vlaams componist, dirigent en musicus Lodewijk De Vocht resulteerde in mooie liederen. Bekend zijn vooral Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen of Liefde gaf u duizend namen. Dit lied werd geschreven bij de vijftigste verjaardag van de plechtige kroning van het witmarmeren Mariabeeld van de Antwerpse beeldhouwer Jean-Baptist De Cuyver. Het beeld staat nu in de kerk van het Gentse Sint-Barbaracollege. In 2010 vierde het zijn 100e verjaardag. Rechts van de kerk bevindt zich het stadhuis van 1966.

Na de fusie in 1977 verhuisden de administratieve diensten naar het stedelijk administratief centrum in Beringen-Mijn, de vroegere mijnschool. De dienst toerisme kreeg nu een onderkomen in het gebouw op de markt. De raadzaal is nog steeds als dusdanig in gebruik. In de trouwzaal worden de huwelijken gesloten en hebben officiële ontvangsten plaats. In deze zaal hangen reliëfs van Günter Karl Scholz (Brezlau 1925 - Beringen 2006). Ze zijn allemaal gemaakt uit Sloveense eik. De afbeeldingen van Sint-Pieters Banden en Adelardus zijn 90 bij 190 cm. De afbeelding van Arnold, graaf van Loon, is 230 bij 230 cm. Drie kleinere panelen herinneren aan August Cuppens, Ward Schouteden en deken Habraken. Frans Van Immerseel (Borsbeek 1909 - Wilrijk 1979) maakte het glasraam dat herinnert aan de Breugelstoeten die in de jaren vijftig in Beringen furore maakten. Op de buitenmuur hangt een gedenkplaat voor Lodewijk Heyligen (1304-1361).

Heyligen is beter bekend als Ludovicus Sanctus. Hij is waarschijnlijk in Beringen geboren, studeerde aan het Latijns College en bekwaamde zich in de muziek aan de abdijschool van Sint-Laurent in Luik. Als jonge clericus trok hij naar Avignon, waar hij magister musicae werd aan het pauselijk hof. Daar ontmoette hij Francesco Petrarca, de Italiaanse renaissancedichter. Het was het begin van een levenslange vriendschap.

De laatste jaren is het aanzien van Beringen veranderd door nieuwbouw en appartementen. Het meest opvallend is de stedelijke bibliotheek van 1997 aan de Graaf Van Loonstraat.

De bibliotheek te Beringen gebouwd in 1997.

De bibliotheek van Beringen werd gebouwd in 1997.

Aan het eind van de Brugstraat naast het Albertkanaal staat een gedenksteen uit minder rustige tijden: Bruggehoofd Beringen. Het herinnert aan de bevrijding door de geallieerden en hun oversteek van het Albertkanaal in 1944. Twee kilometer verder ligt een multiculturele wereld, die zich ontwikkelde met de ontwikkeling van de S.A. Charbonnage de Beeringen. Het Beringse verhaal van de koolmijn is een verhaal dat zich in de boven- en ondergrond van de deelgemeenten Koersel-Beverlo en Beringen afspeelt.

Uitzicht over Beringen-Mijn.

Uitzicht over Beringen-Mijn.

Beringen-Mijn heet in de volksmond de 'Cité'. Zij ligt hoofdzakelijk op het grondgebied van de deelgemeenten Koersel en Beverlo. Op de plaats Kleine Heide werd in 1908 begonnen met het ontginnen van steenkool. In minder dan een eeuw veranderde het traditionele heidelandschap in een complex van industriële gebouwen, schachten, koeltorens en 'terrils' of slakkenbergen. Een wandeling door de Cité is een trip door haar geschiedenis. Met de eerste werkzaamheden in het concessiegebied werden, naargelang van de behoeftes, arbeiderswoningen opgetrokken. In 1908 werd met de bouw van de eerste woning gestart. Verschillende bouwfases volgden. Ze werden onderbroken door de Eerste Wereldoorlog. Naast de typische bedrijfsgebouwen ontstond er algauw een echte woonwijk.

De mijnstreek was een vrijwel onbewoond gebied. Het ontstaan van grauwe 'cités' diende vermeden te worden. Aangezien in Limburg geen arbeidspotentieel bestond, moesten werknemers aangetrokken worden en moesten hun liefst betere woonvoorwaarden aangeboden worden dan arbeiders gewoon waren. De huisvesting diende ook als middel om de arbeiders aan het bedrijf te binden. Wie zijn werk verloor, moest dan meteen naar een andere woongelegenheid uitkijken.

In een periode van minder dan vijftig jaar werd op de Kleine Heide een woonwijk gerealiseerd met een volledig selfsupporting programma. De bouwactiviteit die hier werd tentoongespreid, is uniek in de geschiedenis van Limburg. De wijze waarop de wijk en haar voorzieningen het leven van de bewoners beïnvloedde, is even uniek. De arbeiders werden geboren in de tuinwijk (later in de 'kraamkliniek' van de mijn), verzorgd in het 'kinderheil' van de mijn en gingen naar de school van de mijn. Vervolgens konden ze bijscholen in cursussen die onder toezicht van de mijn werden georganiseerd, en boeken ontlenen in de bibliotheek, die door de mijn in het leven geroepen was. 's Zondags volgden ze de mis in de kerk van de mijn. In diezelfde kerk hadden ze hun communie gedaan en waren ze getrouwd. Ontspanning vonden ze in de lokalen van de mijn of op de sportterreinen van de mijn. Winkelen kon bij voorkeur in de 'economaten' van de mijn. Uiteindelijk plande de mijn ook een kerkhof op haar terreinen. Uitzonderlijk was dat de mijn in 1958 als laatste groot gebouw een kliniek oprichtte, nu een rust- en verzorgingstehuis. In 1989 werd de laatste steenkool ontgonnen. De steenkoolindustrie is voltooid verleden tijd, maar de Cité ademt nog steeds haar mijnverleden uit. In Beringen zijn de immense industriële gebouwen haast integraal bewaard en beschermd als monument.

De mijnsite te Beringen.

De mijnsite te Beringen.

Ook de omliggende tuinwijk heeft grotendeels haar eigenheid bewaard. Een verhaal, gelijklopend met de kleine geschiedenis van de Cité, is de aanwerving van buitenlandse arbeidskrachten waardoor Beringen-Mijn een smeltkroes van culturen werd.

De Cité is één aaneengesloten geheel van bezienswaardigheden, een soort openluchtmuseum, waarvan mijngebouwen, woonwijken en sociale voorzieningen levende getuigen blijven.

Reconstructie van een pijler in het Vlaams Mijnmuseum in de steenkoolmijn te Beringen.

Reconstructie van een pijler in het Vlaams Mijnmuseum in de steenkoolmijn te Beringen.

Het mijnmuseum ligt aan de Koolmijnlaan. Het behandelt de geologie van de ondergrond, de ontdekking van de steenkool, de schachtdelving, de ontginning, de scholing en beveiliging, de bovengrondse installaties, het sociale leven in en rond de mijn, en de kunst in de mijnbouw. Een wandeling van hooguit 7 km geeft het volgende beeld: het Kioskplein, gerealiseerd tijdens de bouwfases in 1927-1929 en 1942, werd aangelegd volgens de Franse voorbeelden. Geometrische en symmetrische grondpatronen vormen het uitgangspunt. De oorspronkelijke kiosk is uitstekend bewaard en geeft het plein een residentiële indruk.

Het Casino, ontworpen door architect I. Blomme fungeert als blikvanger. De bouwwerkzaamheden waren al bezig voor 1940. Op 1 december 1953 werd het casino opengesteld voor het publiek. Het was jarenlang een cultureel en een commercieel trefpunt van de Westelijke Mijnstreek. In 2006 kreeg het casino zijn huidige herbestemming. Het werd een onderkomen voor de Cultuur Centra Beringen, een verzameling van kantoren, vergaderruimtes, een schouwburg, een galerij en een cafetaria.

Het Eeuwfeestplein is omringd door arbeiderswoningen uit 1929-1930. Deze nieuwe tuinwijk werd vanaf 1929 uitgebouwd in de richting van het Albertkanaal. De huizen in de wijk zijn eenvoudiger dan op het Kioskplein. Ze waren dan ook niet voor bediendes maar voor Belgische arbeiders bestemd. Zoals in de meeste delen van de wijk werd hier ook een hotel gebouwd. Het herbergt nu diensten als integratie en buurtwerking. Het Eeuwfeestplein werd in 1994 opnieuw ingericht met haagaanplanting, speeltuigen en zitbanken.

De mijnkathedraal Sint-Theodardus in Beringen-Mijn.

De mijnkathedraal Sint-Theodardus in Beringen-Mijn.

De Sint-Theodarduskerk van 1939-1943 is een van de moderne gebedshuizen in de Limburgse mijnstreek, ontworpen door Henri Lacoste. Deze gotische kruiskerk heeft een vieringtoren van 71,5 m, met een bakstenen spits. Het opvallende gebouw biedt plaats aan 900 personen. Voor de ingang bevindt zich een voortuin met een imposante bogengalerij. Het complex is opgetrokken in rode baksteen. Het loopt uit op vier kleine hoektorens en een balustrade. In 1990-1991 werd de buitenzijde van de kerk gerestaureerd. Bij de bouw van de grote complexen, zoals deze kerk, werd er rekening gehouden met eventuele grondverzakkingen. Zo werden kerktoren en doopkapel los van de rest opgetrokken. In de koepel van de toren, boven het altaar, zit de afbeelding van het Lam Gods. Dit paneel is afneembaar en staat loodrecht ten opzichte van een punt in de vloer. Het altaarpodium maakt het paneel onzichtbaar. Met behulp van een schietlood wordt bepaald of de toren uit zijn balans komt. In het koor bevinden zich vloermozaïeken van Italiaans marmer. De drie klokken werden vervaardigd in de werkplaatsen van de mijn en door de nv Kolenmijnen geschonken bij haar gouden julbileum in 1957. De grote glasramen van de hoofdbeuk zorgen voor een bijzonder lichtspel en contrasteren met het donkere interieur. De donkere sfeer en de spitsbogen zouden verwijzen naar de mijnschachten. De glasramen zijn stuk voor stuk gemaakt van 3 cm dik kristal van Val-Saint-Lambert, en zijn gevat in 5 cm dik beton. Werklieden van de mijn stelden de glasramen ter plaatse samen. 205 kerkbanken bieden plaats aan 827 personen. Ze werden vervaardigd in de schrijnwerkerij van de mijn. Dat geldt ook voor de dertig ankervormige luchters uit zwartgeverfd plaatijzer. De doopkapel heeft een aparte ingang, maar staat in verbinding met de kerk via een deur in smeedwerk. De doopkapel is een kleine zaal met een achthoekig piramidaal dak, dat overgaat in vier ronde bakstenen zuilen. Het baksteenwerk is zeer artistiek. Het licht valt binnen door een glasraam dat het doopsel van Christus voortstelt. De doopvont is van koper en draagt een enorm deksel. De symboliek is duidelijk: Tigris, Eufraat, Nijl en Indus, afgebeeld in mozaïeken, stromen samen en borrelen op uit een bron van levenwekkend water. Ontwerper Lacoste had een duidelijke voorliefde om verschillende gebouwen met elkaar te verweven: de pastorie aan de Kerkstraat nr. 2, twee kapelanijen op nrs. 4 en 6, van 1942, en een patronaatszaal van 1944. Deze zaal deed tot de opening van het casino dienst als cinemazaal. Het complex omsluit een ruim plein, bestemd voor openluchtspelen.

De fotogenieke gevel van de patronaatszaaal te Beringen-Mijn.

De fotogenieke gevel van de patronaatszaaal te Beringen-Mijn.

Tegenover het kerkgebouw ligt het voormalige Kinderheil, in de Kerkstraat nr. 11, dat nu, net zoals de patronaatszaal, in privéhanden is. De woningen in de omgeving van de school zijn gebouwd omstreeks 1920-1930 en volledig op de school georiënteerd. De verschillende types woningen geven de wijk een gevarieerd aanzicht; sommige doen aan de Engelse cottages denken. Architect A. Huybrighs stond samen met zijn assistenten R. Boulanger, G. Nijs en E. Thielens in vast dienstverband. Hij kende de Engelse tuinwijken van Bournville en Letchwork. Hij vond ook de nodige inspiratie in de villa's die toen aan de kust gebouwd werden. De kromming in het stratenplan van dit gedeelte van de wijk verhindert een totaalbeeld.

Het schoolgebouw aan de de Habetslaan dateert van 1926. Links van het gebouw bevond zich de meisjesschool. Van 1927 tot 1946 gaven de zusters van het Heilig Graf hier les, later de zusters van Vincentius. Rechts staat de jongensschool. Aanvankelijk kregen de jongens les van gewone 'schoolmeesters', vanaf 1954 van de Broeders van de Christelijke Scholen. Het geheel bestaat uit een portierswoning met tuin, een jongensschool en een meisjesschool met elk acht klassen, symmetrisch tegenover elkaar, en een overdekte speelplaats.

Het Melkpaviljoentje van 1927 voorzag de tuinwijk van melk. In die tijd werd melk beschouwd als het geneesmiddel bij uitstek tegen long- en ademhalingziektes. De melk kwam van de mijnboerderij Posthoorn. Het melkpaviljoentje omvatte een wachtruimte voor het opslaan van de melk met zes toestellen voor distributie. Dit gebouwtje kreeg een sociale herbestemming.

Al deze voorzieningen - school, kapel, melkpaviljoentje, bedrijfswinkels en mijnboerderij - zorgden ervoor dat tien jaar na het begin van de steenkoolontginning een op zichzelf functionerende leef- en werkgemeenschap bestond. Typische arbeiderswoningen uit de beginperiode zijn te zien in de omgeving van de Klimopstraat en de Dwarsstraat. In 1910 werden hier 44 werkmanswoningen gebouwd uit beschilderde betonblokken. Deze bouwelementen werden vervaardigd in de mijn.

De Fathi-moskee te Beringen-Mijn.

De Fathi-moskee te Beringen-Mijn.

Da Fathi-Moskee van 1994 is uniek in Europa door haar traditionele Ottomaanse architectuur. Typisch Ottomaans zijn ook de tuintjes en de galerijen die ruimte laten voor bijgebouwen. Het is de op een na grootste moskee in België. De twee minaretten zijn 26 m hoog, de koepel is 16 m.

De Posthoorn, in de volksmond de Winning, werd in 1908 gebouwd. De mijnwijk lag toen nog afgezonderd van de bebouwde kernen. De hoeve was noodzakelijk voor het verzorgen van paarden, die bovengronds en in de mijnen gebruikt werden. Binnen de ommuurde mijngebouwen liggen de bedrijfsgebouwen en het mijnmuseum. Aan de Koolmijnlaan getuigen enkele ingenieurswoningen van een rijk verleden. Ze weerspiegelen de hiërarchie. Het personeel dat het hoogst op de ladder stond, woonde in de grootste woning met de grootste tuin. De bouwfases zijn af te lezen aan de gebruikte bouwmaterialen. De oudste materialen zijn betonblokken. De mijn bezat vanaf zijn ontstaan een eigen betonblokkenfabriek. De blokken beschoeiden de mijnschachten. De woningen werden kasteeltjes genoemd. De directeurswoning is het enige type woning dat niet bewaard bleef. Hiervan resten alleen nog ruïnes.

Het Poortgebouw werd in gebruik genomen in 1925. Het omvatte een kantoor voor de aanneming van personeel, een dienst geneeskundig onderzoek, lokalen voor contante verkoop en logement voor conciërge en hoofdwachter. In 1958 was hier de bedrijfspolitie gehuisvest, die 24 man telde in 1959. In de kelder van het gebouw was de gevangenis. Op de eerste verdieping was de dienst geneeskundig onderzoek gehuisvest. Een gedenkplaat van 1950 boven de ingang herinnert aan het bezoek van prins Boudewijn. Het Poortgebouw werd gerestaureerd en begin 1995 gedeeltelijk in gebruik genomen door een uitleenpost van de stedelijke bibliotheek. Aan de Stationstraat zijn er winkels met typische producten en restaurantjes.

Bezienswaardigheden Beverlo

De Sint-Lambrechtskerk te Beverlo dateert uit 1780.

De Sint-Lambertuskerk in Beverlo (Beringen) is een classistische kruiskerk. Het bakstenen kerkgebouw werd opgetrokken in 1780. Het Robustelly-orgel in de kerk is sinds 2003 beschermd.

Op een hoge terp ligt de mooie, driebeukige, classicistische Sint-Lambrechtskerk van 1780. De kerk, die in 1835 op instorten stond, werd tussen 1838 en 1842 grondig hersteld door provinciaal architect Jaminé. Hij bouwde ook een 43 m lange muur rond het kerkhof om verdere gronderosie tegen te gaan. In de Tweede Wereldoorlog werd de kerk zwaar beschadigd. In 1958 werd ze hersteld door architect Gustaaf Daniëls van Maaseik. De kerk kreeg een nieuwe sacristie en een doopkapel. Drie barokaltaren zijn van het begin van de 18e eeuw, een credenstafel in rococo van omstreeks 1750, een biechtstoel van het einde van de 18e eeuw. In de kerk staan fraaie houten beelden: Sint-Brigitta van Zweden en Sint-Gertrudis van Nijvel zijn 15e-eeuws, Sint-Odilia en Sint-Sebastiaan 16e-eeuws; Sint-Antonius Abt is 17e-eeuws, en Sint-Aloysius vroeg-19e-eeuws. De schilderijen Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans en Sint-Rochus dateren van omstreeks 1700. De kerkschat omvat liturgisch zilverwerk en devotionalia uit de 17e en de 18e eeuw. In de hele kerk en in de nieuwe doopkapel zitten sinds 1955 moderne glasramen van Roger Daniëls van Sint-Truiden.

Het gemeentehuis van 1974 is nu een OCMW-kantoor. Een aangrenzend gebouw van 1975 doet dienst als bibliotheek. Het buurthuis dateert van 1994. Het staat aan het vernieuwde Burgemeester Heymansplein. In Buurthuis De Kardijk staat een motor tentoongesteld van een bommenwerper van het type Lancaster LL792. Dit vliegtuig maakte deel uit van het 267e eskadron dat deelnam aan het bombardement van 1944. Het werd neergehaald aan de Zuidstraat. 58 jaar later werd het gelokaliseerd en uitgegraven. In de tuin van het buurthuis staat het Beertje met de gebroken Ringen, van Palenaar Jef Persoons. Het is geïnspireerd op de gemeentefusie van 1977. Beverlo heeft verder ook een jeugdhuis en een sporthal.

In het oostelijke gehucht Korspel staat een mooie Heilig Hartkerk van 1934, een moderngotische zaalkerk van architect Karel Gessler van Maaseik.

Foto uit de oude doos van de Sint-Antoniuskapel uit 1680 te Korspel (Beverlo).

Foto uit de oude doos van de Sint-Antoniuskapel uit 1680 te Korspel (Beverlo).

In de witgekalkte Sint-Antoniuskapel van 1680 aan de Groenhoekstraat bevindt zich een bijzonder mooi Antwerps retabelfragment van omstreeks 1525, een passieretabel, in de volksmond 'het mannekensaltaar'. Hier bevindt zich ook een kopie van een Madonnabeeld uit de 14e eeuw en een Sint-Antoniusbeeld van omstreeks 1600. De kapel Onze-Lieve-Vrouw van Banneux van 1952 staat aan de Kroonstraat. Het Barometermuseum 't Pad van Pien vertelt het verhaal van de eerste meteorologische ontdekkingen. Wie alles wil weten over het leven en het verzorgen van geitjes, of geitenkaas, roomijs, kaastaart enz. wil leren maken, kan terecht in de geitenboerderij 't Kasteeltje.

Andere bezienswaardigheden in Beverlo maken deel uit van het mijnpatrimonium Beringen-Mijn.

Bezienswaardigheden Koersel

De eerste Sint-Brigidakerk werd in 1579 door een brand verwoest, de tweede in 1834. De driebeukige neoclassicistische kerk werd gebouwd tussen 1835 en 1849 met Gobertangesteen en arduin. De toren is met zandstenen hoekstenen afgewerkt en voorzien van rondbogige galmgaten en een lei- en naaldspits. Het marmeren hoofdaltaar is van 1857. Het houten Sint-Annabeeld is 18e-eeuws. Het processiebeeld Onze-Lieve-Vrouw dateert van 1850. Twee biechtstoelen zijn van 1834-1854. Twee grote 18e-eeuwse eiken kasten in de sacristie komen uit een Hasselts klooster. Ene Smet van Duffel bouwde in 1850 het orgel. De orgelkast is 1855. L. Verschueren en Heythuise herstelden het instrument in 1963. In 1905 beschilderde de Nederlander Deumens de wanden vooraan met Laatste Avondmaal en Mozes in de Woestijn. Het houten beeld van Sint-Brigida is van 1780, Sint-Lucia is 17e-eeuws. De houten reliekhouder van Sint-Brigida is beslagen met 17e-eeuws zilverwerk. De gipsen heiligenbeelden Jan Berchmans, Antonius van Padua, Franciscus van Assisi, Rochus, Theresia, Brigida, Cornelius, Lucia en Isidoor dateren allemaal van 1879. Sint-Donaas van 1879 is van terracotta. Het houten kruisbeeld dateert uit de 18e eeuw. Muurschilderingen stellen de apostelen voor. Vier gebrandschilderde ramen zijn creaties van Bruggeling Coucke, van 1904. In 1937 liet pastoor Mevis de Theresiakapel bouwen. De Vriendt maakte de kruisweg, Vanroye van Borgerhout deed het schilderwerk in 1887.

De bakstenen pastorie werd in 1653 verbouwd, Prelaat Servatius Vaes liet van 1653 tot 1655 nieuwe verbouwingswerkzaamheden uitvoeren. In 1865-1876 liet pastoor Droogen de pastorie met cement bezetten.

Het gemeentehuis van het dorp Koersel is nu parochiecentrum de Kring. Het ruime neoclassicistische gebouw dateert van 1856. In 1968 werd het nieuwe gemeentehuis in gebruik genomen. Hier hangen verschillende werken van Günter Karl Scholz, waaronder een grote triptiek met afbeeldingen uit de geschiedenis van Koersel; zeventien pastels hebben betrekking op de vroege geschiedenis van Koersel. Na de gemeentefusie kreeg dit gebouw een nieuwe bestemming als Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans.

Kasteel Quanonne te Koersel dateert uit 1850.

Kasteel Quanonne te Koersel dateert uit 1850.

Het kasteel Quanonne dateert van 1850. In 1873 kwamen de kinderen van Quanonne-Peeten op het kasteel wonen. In 1930 stierf Berthe Quanonne als laatste telg van de familie. Achtereenvolgens werd het kasteel een dokterwoning, een herberg en een klooster met bejaardentehuis. Nu zijn het huis en het park privébezit.

De alleenstaande 19e-eeuwse dubbelwoning in het dorp Koersel heeft een gecementeerde voorgevel met decoratie. De sluitsteen is een vrouwenhoofdje. De rechthoekige vensters zijn van kalkstenen lekdrempels voorzien. De benedenvensters links zijn tot een winkelpui omgevormd. De rechthoekige deur heeft een gecementeerde omlijsting, en een smal rechthoekig balkon met een ijzeren hek.

De Sint-Jozefskapel dateert van 1872. Zij is van baksteen en werd in 1879 gecementeerd. De gecementeerde bakstenen Lindekapel van 1870 is aan Sint-Apollonia gewijd. De Onze-Lieve-Vrouwekapel van 1860, in de Trompetstraat, heeft rondbogige muuropeningen, afgewerkt met baksteen. In een kleine nis boven de deur staat een beeldje van Sint-Jozef. De bakstenen Mariakapel van 1829, aan de Linkestraat, is rechthoekig en met pannen bedekt.

Kapel Onze-Lieve-Vrouw aan de Staak is beter gekend onder de naam "Koersel Kapelleke". De kapel dateert uit 1833.

Kapel Onze-Lieve-Vrouw aan de Staak is beter gekend onder de naam "Koersel Kapelleke". De kapel dateert uit 1833.

De kapel Onze-Lieve-Vrouw aan de Staak bevindt zich bij het natuurgebied de Vallei van de Zwarte Beek. De kapel dateert van 1833. De bakstenen gevels zijn geritmeerd door verankerde pilasters met kapitelen en rondbogige spaarvelden met rondbogige vensters. Tegen het oude deel werd in 1933 een ruim eenbeukig schip aangebouwd, zodat de oude kapel nu als koor dienstdoet. Begin 1994 werd aan de rechtergevel een nieuw stuk aangebouwd. De kapel vindt haar oorsprong bij een zekere boer Swartenbroeckx, die in de lente van 1826 met paard-en-wagen over de onmetelijke heide reed. Plots werd hij onpasselijk en voelde hij hevige pijnen. Toen hij Maria aanriep, borrelde er water uit de grond, hij leste zijn dorst en werd weer gezond. Als dank plaatste hij een Mariabeeldje op een staak. Zo ontstond Onze-Lieve-Vrouw aan den Staak. In deze kapel worden nog vele kaarsjes gebrand.

Recreatiedomein 't Fonteintje te Koersel (Beringen).

Recreatiedomein 't Fonteintje te Koersel (Beringen).

Naast dit bedevaartsoord staat een 27 m hoge uitkijktoren. Hij biedt een prachtig uitzicht op het typische Kempische landschap, het militaire domein en het mijnbekken. Het recreatiegebied 't Fonteintje omvat de uitkijktoren met een restaurant, een speeltuin, mini-golf, trick-pinbaan, een parcours met hindernissen voor conditietraining en pleisterplaatsen.

Vlakbij, in het natuureducatief centrum de Watersnip, wordt het beheer van het natuurgebied de Vallei van de Zwarte Beek deskundig toegelicht. De Vallei van de Zwarte Beek is een uniek natuurgebied en is in de loop der jaren uitgegroeid tot het grootste natuurgebied van Vlaanderen. Zwarte Beek, Oude Beek en Winterbeek, ingebed tussen bossen, moerassen, hooi- en weilanden, vormen een uniek en bijzonder waardevol beekdallandschap. Het werd in 1992 erkend als ecologisch impulsgebied. Het stroomgebied herbergde in de jaren negentig nagenoeg de helft van de Vlaamse broedpopulatie van de watersnip. Hieraan ontleent het 'Vlaams bezoekerscentrum De Watersnip' in Koersel zijn naam. Het bezoekerscentrum geeft meer uitleg over het ontstaan, de ontwikkeling, het beheer en de bescherming van het beekdallandschap. De Zwarte Beek wordt gerekend tot de meest waardevolle beekvalleien in Vlaanderen en zelfs in West-Europa. Deze beekvallei strekt zich uit vanaf de flank van het Kempisch plateau in Hechtel - op de waterscheiding van het Maasbekken - tot in Diest. Hier vloeit de Zwarte Beek samen met de Demer, die tot het Scheldebekken behoort.

De Vallei van de Zwarte Beek overspant meerdere gemeenten tussen Hechtel en Diest. Hier de Zwarte Beek te Koersel. De bruine kleur van het water wordt veroorzaakt door ijzerzandsteen in de ondergrond.

De Vallei van de Zwarte Beek overspant meerdere gemeenten tussen Hechtel en Diest. Hier de Zwarte Beek te Koersel. De bruine kleur van het water wordt veroorzaakt door ijzerzandsteen in de ondergrond.

Natuurpunt vzw beheert momenteel ruim 1500 ha natuur in de beekvallei, maar ook de Vlaamse overheid en de provincie Limburg dragen hun steentje bij.

De waarde van dit gebied ligt in de afwisseling van een aantal zeldzame vegetatietypes en het voorkomen van enkele op Europees niveau bedreigde diersoorten. Getuige hiervan de erkenning door Europa van grote delen van de beekvallei als Vogelrichtlijngebied. De waterkwaliteit in de vallei is naar Vlaamse normen nog behoorlijk. Angus-Aberdeenrunderen, een kudde Drentse heideschapen onder begeleiding van herders en Noordse fjordenpony's zorgen dat de biodiversiteit van het gebied gevrijwaard blijft. 't Fonteintje beoogt rustige recreatie.

In Koersel staat ook het blauwbessenbedrijf Blueberry Fields, een van de grootste blauwbessenbedrijven van België. Van eind mei tot september worden de blauwe vruchten geoogst. Blauwbessen vertragen en verhinderen volgens wetenschappelijk onderzoek de groei van kankercellen. Een wandeling door het bedrijf vertelt meer over teelt, bemesting, bloei, snoei en oogst van de blauwbes. Het melkschapenbedrijf Stalse Schans in Koersel herbergt een 70-tal productieve schapen en een 150-tal lammetjes. Melkschapen vormen een bedreigd huisdierenras. Wie de Stalse Schans bezoekt, verneemt alles over het melken, scheren en verzorgen van de lammeren.

Bezienswaardigheden Paal

Paal is een straatdorp aan de verbindingsweg Diest-Beringen. Het bestaat uit gehuchten die tot een woondorp evolueerden, onder andere het kerkdorp Tervant.

De Sint-Jan de Doperkerk te Paal werd gebouwd in 1862-1877.

De Sint-Jan de Doperkerk te Paal werd gebouwd in 1862-1877.

De parochiale Sint-Jan de Doperkerk werd gebouwd in 1862-1877. Het is een neo-romaanse basilicakruiskerk met een ingebouwde westertoren, en drie beuken van twee traveeën. De kruisbeuk loopt uit op halfronde apsissen. De kerk werd gebouwd naar de plannen van architect Herman Jaminé (1826-1885) en werd ingezegend op 1 oktober 1877. Drie generaties Jaminé hebben elkaar opgevolgd. Ze zouden gedurende ongeveer een eeuw talrijke kerken, gemeentehuizen, scholen en andere openbare gebouwen ontwerpen of restaureren. Ze waren de officiële architecten van de provincie Belgisch-Limburg.

De aankleding van het kerkinterieur bestaat voornamelijk uit 19e-eeuwse kunstschatten. Enkele oudere voorwerpen komen uit het kleine, wellicht gotische kerkje dat de huidige kerk voorafging. De plannen van de huidige kerk dateren van 1862. Het was de tijd van de neostijlen. Herman Jaminé volgde deze bouwtrant met een zeer nauwkeurige detailafwerking. Dat bewijzen de romaanse friezen en de kroonlijsten en het mooie portaal onder de toren met naar middeleeuwse wijze gebeeldhouwde arcades. In het timpaan is Doopsel van Christus te zien, eenbeeld in half reliëf. De elegante rozet siert de hoofdingang. De westertoren is ingebouwd in het kerkschip en is bovenaan afgewerkt met vier stenen punten en een houten torenspits. De drempel van de oude kerk is nog zichtbaar. Het interieur heeft de architecturale soberheid van een abdijkerk, maar het bakstenen koor werd in de eerste helft van de 20e eeuw in diverse kleuren beschilderd. De meeste heiligenbeelden dateren uit de 2e helft van de 19e eeuw. Opmerkelijk is dat alle vrouwelijke heiligen aan de linkerkant staan en de mannelijke aan de rechterkant. Het orgel is afkomstig uit de vorige kerk, waar de Antwerpse orgelbouwer Joseph Delhaye het in 1835-1836 geplaatst had. Van hem is een aantal belangrijke orgels bewaard, maar een groter aantal is verloren gegaan of sterk verbouwd. In 1983 stichtte pastoor Clijsters een orgelcomité, dat het instrument van het verval redde. Verder zijn onder meer vermeldenswaard: de neo-romaanse preekstoel van de Hasselaar Gussé, de 18e-eeuwse Luikse communiebank van 1774 en het houten Sint-Annabeeld met Maria, van omstreeks 1700.

Het voormalige gemeentehuis de Quebedo, genoemd naar de burgemeester van Paal in 1895, is een neoclassicistisch dubbelhuis van omstreeks 1880. Het staat in een park met speelvelden. Op de windvaan van de voormalige pastorie aan de Schoolstraat, een alleenstaand dubbelhuis met een voortuin, wordt het jaartal 1769 vermeld. De pastorie wordt het oudste huis van Paal genoemd. In het dorp verspreid liggen verbouwde 19e-eeuwse Kempische langgevelhoeves, onder andere de witgekalkte hoeve in stijl- en regelwerk aan de Sint-Jansstraat, met een 18e-eeuwse kern. De hoeve is nu een taverne. Aan de Maalbeekstraat op de Zwarte Beek werkt de sterk verbouwde voormalige graanwatermolen Gestelse molen niet meer sinds 1970.

In de belangrijke woonkern Tervant staat de neoromaans getinte kerk Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Ze werd in 1927 gebouwd naar de plannen van ingenieur-architect Mathieu Christiaens en werd ingezegend in 1930. Het is een driebeukige basilica met omgevend kerkhof, opgetrokken uit baksteen op een breukstenen plint. Hardsteen, okerkleurige mergelsteen voor bepaalde elementen en decoratieve banden van geglazuurde baksteen geven haar een kleurrijk aanzicht. Het driebeukige schip heeft drie traveeën, de transeptarmen hebben er twee. Aan weerszijden van het hoofdkoor met vijfkantige sluiting is een nevenkoor. Het tongewelf over het schip en de koepel over de apsis worden gedragen door smalle, gebogen, metalen spanten. Een dakruiter bekroont de middenbeuk. De architect maakte gebruik van eigentijdse materialen, zoals bovenvermelde metalen gewelfribben. Bij de glasramen valt eerst het monumentale roosvenster van de voorgevel op. De communiebank van hardsteen en witte steen bevat voorstellingen van een lam met een wimpel, herten bij een bron en een pelikaan die zijn jongen voedt. De neoromaanse hardstenen doopvont met vier maskers is een kopie van de oude doopvont van de Oosthamse kerk.

Afbeelding in vogelperspectief van het domein Paalse Plas.

Afbeelding in vogelperspectief van het domein Paalse Plas.

Het domein Paalse Plas omvat het golfpark Millennium Galf, het fietsinrijpunt en het watersportcentrum. De plas heeft een omtrek van 5 km en maakt deel uit van het Limburgse Fietsroutenetwerk.

Dit moet je gezien hebben