Jan Clerx en de Bokkenrijders

Oude afbeelding van een vergadering van de Bokkenrijders.
ons land - focus


Welkom in Limburg!

Inleiding en bronvermelding
Algemene Geschiedenis
's Lands Glorie
Bezienswaardigheden
Home
           
banner
Vlag Limburg

Oude afbeelding van een vergadering van de Bokkenrijders.

Volgens het volksgeloof waren de Bokkenrijders geesten, die op bokken door de lucht reden. Van dit volksgeloof maakte een bende gauwdieven en inbrekers in met name Zuid-Limburg (NL) gebruik, om de bevolking te beangstigen. Deze laatstgenoemde Bokkenrijders waren een bende rovers die in de 18e eeuw de Landen van Overmaas (het tegenwoordige Nederlands Zuid-Limburg, Belgische Voerstreek en Land van Herve) evenals de regio rond Luik, de gebieden vlak over de Duitse grens en de Kempen onveilig maakten. De strooptochten waren over het algemeen gericht tegen boerderijen en pastorieën.

De eerste vermelding van de term Bokkenrijders (oude spelling "Bockereyders") komt uit het boekwerk: Oorzaeke, bewys en ondekkinge van een goddelooze, bezwoorne bende nagtdieven en knevelaers binnen de Landen van Overmaeze en aenpalende landstreeken, geschreven door Sleinada S.J.P. in 1779. Sleinada was het pseudoniem van Pastoor A. Daniels (lees de naam van achter naar voren). Deze was pastoor van de parochie Schaesberg (d'r Sjeet) tegenwoordig onderdeel van Landgraaf. Hij kende verschillende bendeleden persoonlijk en was goed op de hoogte van de procesvoering. De sage wil dat de rovers een pact met de duivel hadden gesloten en zich 's nachts op bokken voortbewogen. Het volk vertelde dat ze door de lucht vlogen, als ze de volgende spreuk opzegden: 'Over huis, over tuin, over staak, en dat tot Keulen in de wijnkelder!' Eenmaal per jaar reden ze naar de Mookerheide, naar hun meester, de duivel.

Later hebben de Bokkenrijders door allerlei verhalen en de mystiek om de bende een Robin Hood-achtige status gekregen. Tegenwoordig gelooft men eerder dat er sprake was van diverse benden die inbraken en overvallen pleegden. Ook acht men een groot deel van de 600 opgepakte en veroordeelde mensen onschuldig, omdat een bekentenis afgedwongen werd met tortuur.

De Belgische Bokkenrijders hielden huis in de Kempen en de omgeving van Luik. In Wellen werden in de Bonderkuil 19 Wellense bokkenrijders terechtgesteld. Een werd met een bijl onthoofd, twaalf werden aan een paal gewurgd en nadien verbrand, vijf werden levend verbrand en een werd de handen afgehakt, geradbraakt en verbrand.

De eerste schriftelijke neerslag duikt op in het Haspengouwse Wellen. Op 2 januari 1774 schuift Johan Van Muysen een brandbrief onder de deur van boer Wouters in Ulbeek. Hij eist geld te leggen of anders wordt zijn huis platgebrand. In die brief stelt Van Muysen zich voor als lid van de bokkenrijders en tot drie keer toe gebruikt hij het woord duivel. In het Wellense proces wordt de naam ‘bokkenrijders’ openlijk gebruikt en later ook in het Antwerpse proces tegen Philip Mertens, een brandbrieflegger uit Ophoven-Geistingen. In de Overmaase processen komt de term ‘bokkenrijders’ zeer laat voor onder invloed van de gebeurtenissen in Wellen. Hier duikt echter het woord ‘geitenbok’ voor het eerst in de processen op. Mathijs Smeets uit Beek beweert in september 1773 dat ze ’s nachts eens met 42 personen op één grote geitenbok plaatsnamen en door de lucht naar Venlo vlogen om daar een misdaad te plegen. De ondervragers noteren het bloedstollende verhaal met verbijstering.

Joannes Mathias Clerx (Eksel, 4 december 1759 - 7 maart 1840), ook wel Jan Clerx of Jan Mathias Clerx genoemd, was drossaerd in een groot gebied in het noorden van België.

Hij studeerde bij de augustijnen in Diest en keerde in 1786 terug naar Eksel. Daar werd hij secretaris van de schepenbank. Vanaf 1789 bekleedde hij dezelfde functie in de schepenbank van Overpelt. In deze periode werd hij geconfronteerd met de bende van de Bokkenrijders. Omdat hij de onderzoeken met kracht leidde, kreeg hij al snel de functie van luitenant-drossaerd van het ambt Stokkem. Hij zou berucht worden vanwege het ongenadig vervolgen van de Bokkenrijders, die meestal de doodstraf kregen. Terechtstellingen van Bokkenrijders waren er in Bree, Maaseik, Dilsen en Neeroeteren.

Clerx woonde in het Hobos te Overpelt nabij het kerkdorp Lindelhoeven, op de grens met Eksel.