De gemeente Amay

 

Plattegrond van de gemeente Amay
ons land - focus


Welkom in Luik!

Inleiding en bronvermelding
Algemene Geschiedenis
's Lands Glorie
Bezienswaardigheden
Home
           
banner
Wapenschild Luik

Algemene omschrijving

Amay is een plaats en gemeente in de provincie Luik, België. De gemeente telt ruim 13.000 inwoners. De gemeenten bestaat uit vijf deelgemeenten: Amay zelf, Ampsin, Flône, Jehay en Ombret. Het gehucht Rawsa, dat tot 1977 deel uitmaakte van de gemeente Ombret-Rawsa, werd in dat jaar afgestaan aan Modave. Het dorp Bodegnée, dat deel uitmaakte van Jehay-Bodegnée, werd aangehecht bij Verlaine.

De collegiale Sint-Joriskerk (1089).

De collegiale Sint-Joriskerk (1089) te Amay.

Geschiedenis

De Romeinse heirweg Tongeren-Aarlen stak in Amay de Maas over, aanvankelijk op een doorwaadbare plaats, later over een brug. De vicus die in de 1e eeuw na Christus ontstond, groeide verder uit in de 2e en 3e eeuw. De parochie van Amay zou minstens tot de 7e eeuw teruggaan. Haar centrum was de collegiale kerk van de Heilige Oda, waar een kapittel voor seculiere kanunniken tegenaan werd gebouwd. De kanunniken waren hier al vanaf de 11e eeuw aanwezig en woonden in de stad tot het einde van het ancien régime. In de bossen van Amay werd houtskool gewonnen tot de mijnbouw van steenkool een aanvang nam in de 19e eeuw. Ook was er een intense exploitatie van steengroeven. Maar het is vooral aan de steenbakkerij dat de arbeiders van Amay hun reputatie te danken hebben.

De plaatsnaam Ampsin betekent 'klein Amay'. Het dorp had overigens zijn lot verbonden aan het naburige stadje. De plaatselijke kapel maakte deel uit van de parochie van Amay en het dorp behoorde tot de feodale ban van het stadje aan de Maaskant. Vanaf de 14e eeuw wordt er wijn verbouwd op de heuvelhellingen, terwijl de aluinwerkplaatsen al voor de 18e eeuw actief zijn. De gemeente Ampsin onderscheidde zich ook door de aanwezigheid en activiteit van gieterijen. Men vervaardigde er in gietvormen stukken in gietijzer die bestemd waren voor de talrijke ateliers in de Luikse regio.

Het kleine dorpje Flône ontstond in de middeleeuwen. De stichting van een abdij door de kanunniken van de orde van de heilige Augustinus in 1080 was bepalend voor het ontstaan van het dorp. De bisschop vestigde er overigens een parochie vanaf 1091. Het grondgebied van Flône werd ook een heerlijkheid waarvan de abt de bezitter was en waarover hij rechterlijke macht had. In 1797 werd het klooster verkocht. In 1816 zijn er zo'n 240 arbeiders werkzaam in aluinfabrieken. Het is ook in die periode dat de fabriek voor zinkbewerking 'Vieille Montagne' er zich vestigt, die in 1979 haar deuren sluit.

De heerlijkheid Jehay duikt voor het eerst op in een kroniek uit 1083. Het kasteel behoorde toe aan een ridder die de naam van het dorp droeg, en daarna kwam de heerlijkheid in handen van adellijke families. De kapel van het kasteel werd parochiaal en viel onder het beheer van de kanunniken van de collegiale kerk van Amay. Religieuze orden bezaten eveneens goed in Jehay, evenals een sylva (een bos). Jehay is een landbouwersdorp dat zich uitstrekt langs de oude Romeinse steenweg. In de 19e eeuw werden er ook enkele kolenmijnen uitgebaat.

Als dorp uit de Ardeense Condroz werd Ombret als gemeente pas in 1842 gesticht. Als een dorp midden in de bossen ontwikkelde Ombret al onder het ancien régime een ijzerindustrie. Vanaf de 17e eeuw was er al een smelterij en een smidse aanwezig. Ombret was ook bekend voor zijn scheepswerf. In 1929 verschaften de scheepswerven nog aan 160 mensen werk. In 1819 werd er ook een binnenhaven aangelegd. Vandaag is Ombret los van Rausa en maakt het deel uit van Amay.

Het kasteel van Jehay (deelgemeente Amay).

Het kasteel van Jehay (deelgemeente Amay).

Bezienswaardigheden

Amay:

In het centrum van het stadje tekenen zich de contouren af van de collegiale kerk van Sint-Joris en Sint-Oda (zie foto bovenaan). Ze kenmerkt zich door een lang schip dat overgaat in de imposante voorbouw dat bestaat uit drie majestueuze torens met spitse klokkentorens. Het gebouw stamt uit het Ottoniaanse tijdperk (950-1050 na Christus), maar onderging door de eeuwen heen verscheidene transformaties. Van het oorspronkelijke gebouw blijven alleen het hoge middenschip over dat aan weerskanten vijf romaanse rondboogvensters telt en de twee zijtorens. De middentoren dateert van 1525. In de 18e eeuw werd het gebouw grondig verbouwd onder abt Lambert-Walthère van den Steen. De torens die voorheen nauwelijks openingen vertoonden, op de schietgaten en vensters op de verdiepingen na, werden aande buitenkant toegankelijk gemaakt door twee monumentale portalen. De dwarsbeuk werd verfraaid en verfijnd, de daken werden verhoogd en hun vorm werd minder ruw. Binnenin werden rond 1641 de oorspronkelijke vierkante pijlers die het middenschip droegen, vervangen door elegante steunkolommen in Toscaanse stijl. Het koor onderging een gedaanteverandering in 1725, zoals twee jaartallen getuigen. Het kerkmeubilair van de collegiale kerk bevat verscheidene zeer waardevolle stukken zoals beelden uit de 17e en 18e eeuw, reliekhouders, bas-reliëfs, koperen koorlessenaars en grafstenen ter nagedachtenis van de familie van de avoués (kerkvoogden) van Amay. Vier monumentale doeken (De vlucht naar Egypte, Christus en de Samaritaanse, Het doopsel van Christus en de Transfiguratie van Christus) uit het koor van de kerk dateren van de jaren 1725-729.

De sarcofaag van de Heilige Chrodoara in de collegiale kerk van Amay.

De sarcofaag van de Heilige Chrodoara in de collegiale kerk van Amay.

In het midden van het koor kan men door een glazen opening in de tegelvloer de sarcofaag van de heilige Chrodoara bewonderen, op de plaats waar hij werd ontdekt in 1977. Het gaat om een meesterwerk uit de Merovingische kunst. Vier zijden van het deksel, dat uit kalksteen uit de streek van Saint-Dizier is vervaardigd, zijn bewerkt, terwijl de vijfde glad gepolijst is. Op de bovenzijde is een vrouwenfiguur in een lang gewaad afgebeeld die in de rechterhand een stok vasthoudt. Ineengevlochten loofwerk en plantenmotieven versieren de rest van het deksel dat in een inscriptie uitlegt dat de edelvrouw Chrodoara heiligdommen met eigen goederen verrijkte. Bij zijn ontdekking was de sarcofaag bijna leeg. De relieken van de heilige waren immers ondergebracht in de relikwieënkast. Onder de kunstschatten van de collegiale kerk bevindt zich ook de relikwieënkast van Sint-Joris en Sint-Oda, die uit 1240-1250 dateert. Ze bevat de relikwieën van Sint-Oda en andere beroemdheden. In het oude klooster van de collegiale kerk werd een Archeologisch Museum ingericht dat een prachtige permanente tentoonstelling over de Merovingische Maasstreek herbergt. Er is zowel keramiekwerk als werk uit materialen als steen, brons, ijzer, glas of hertgewei te zien. De oude hoeve die naast de collegiale kerk staat en die al bestond in 1419, zo blijkt uit teksten uit dat jaar, was eigendom van het kathedraalkapittel van Sint-Lambertus in Luik; ze werd beheerd door de pachthouder en zijn vrouw, de wasvrouw van Sint-Lambertus. De gebouwen dateren uit de 16e eeuw en werden in de 18e eeuw grondig aangepast. Het marktplein van Amay bevond zich op de huidige place des Cloîtres buiten het bereik van de overstromingen die ontstonden wanneer de Maas buiten haar oevers trad. Rond de collegiale kerk en dit plein stonden de woningen van de kanunniken gegroepeerd die instonden voor de erediensten en het beheer van de collegiale kerk. De kanunnikenhuizen dateren voor het merendeel uit het midden van de 18e eeuw, behalve dan het maison Gossuart. Een van de kloosterwoningen maakt nu deel uit van een oude Byzantijnse priorij die in de vorige eeuw werd gebouwd. In dezelfde rue Pascal Dubois ietwat hoger gelegen, staat op het nummer 3 een van de mooiste kloosterwoningen van Amay. Ze werd gebouwd rond het midden van de 18e eeuw en werd bewoond door kanunnik Vivario. Met een voortuin waartoe een mooie portiek toegang verleent, heeft ze allure met haar twee verdiepingen, haar vijf traveeën en haar centrale fronton met rankversieringen in rocaillestijl. Hoewel recent aangebracht herinnert de rode muurkalk waarmee de gevel bedekt is, aan een Luikse traditie uit de 17e en 18e eeuw. Recht tegenover de noordelijke zijingang van de collegiale kerk staat een groot L-vormig huis dat twee en een halve verdieping hoog is en respectievelijk zeven en drie traveeën telt. Vandaag biedt het onderdak aan het plaatselijk Cultureel Centrum. Het huis dateert van de jaren 1731-1732, maar de rechthoekige vensters werden mogelijk aangepast aan het eind van de achttiende eeuw. Voor het geboortehuis van Gaston Grégoire, dat eveneens volgens een
L-vormig grondplan is opgetrokken, bevindt zich een binnenplaats die men betreedt door een monumentale portiek in rocaillestijl, maar die vandaag weliswaar zijn bekroning mist.

Het huis van kanunnik Gossuart te Amay.

Het huis van kanunnik Gossuart te Amay.

Het huis van kanunnik Gossuart, op het nummer 30 in dezelfde straat, overtreft echter alle andere huizen van zijn soort, overtreft echter alle andere huizen van zijn soort, zowel door zijn binnenhuisinrichting als door de pracht van het buitenaanzicht.

Het huis bestaat uit twee wooneenheden die in L-vorm aan elkaar grenzen; het deel aan de straatkant werd gebouwd tussen 1700 en 1730 en werd bewoond door kanunnik Ferdinand Gossuart, die in 1733 stierf. Zijn neef Godefroid, de bekende kanunnik, voegde in 1740 aan de oorspronkelijke woning een hoog hoofdgebouw toe in rocaillestijl en een monumentale portiek voor de binnenplaats, die versierd is met zijn monogram en aan de achterkant de datum 1741 draagt.

Een eind weg van het religieuze centrum staat de donjon (vestingtoren) van Amay, die gewoonlijk de 'Tour romane' (romaanse toren) wordt genoemd en die de versterkte woning van de plaatselijke avoués of kerkvoogden was. Zonder twijfel werd de toren opgetrokken in de 12e eeuw tijdens de campagne van Henri de Leez (1124-1164) die slottorens liet bouwen of bestaande woningen liet versterken voor de verdediging van het prinsbisdom Luik. De toren was 15,6 m hoog. Vanaf de middeleeuwen was de donjon omgeven met een slotgracht die tot het begin van de eeuw met water was gevuld. De benedenverdieping, die men vandaag de adellijke verdieping noemt, was het verblijfsvertrek van de familie van de avoué. Het bevatte de huishoudelijke infrastructuur van het gebouw: de schoorsteen, de gootsteen (vlak bij het luik dat toegang gaf tot de waterput), een muurkast, vensteropeningen met ingebouwde zitbanken... De oorspronkelijke schoorsteen werd al tijdens de gotiek door een andere vervangen; de huidige schoorsteen is uiteraard helemaal hedendaags. Deze woonruimte is de enige ruimte in de slottoren die over een buitendeur beschikt. De deur was verbonden met een oud neerhof door een verplaatsbare loopbrug, waarvan metalen stukken, die het ophaalmechanisme aan weerskanten van de deur moesten blokkeren, bewaard zijn gebleven.

De donjon van de avoués (kerkvoogden) van Amay.

Een binnentrap verbond de benedenverdieping met de twee verdiepingen. Op de eerste verdieping bevonden zich de latrines. Deze verdieping die als verblijf diende voor de familie van de avoué, bevatte ook vensters, een (verdwenen) schoorsteen, een muurkast en een vensteropening met ingebouwde zitbanken. De hoogste verdieping is soberder, maar heeft aan elke kant een venster met een dubbele zitbank, waaruit men kan afleiden dat de toren ook een rol als uitkijkpost vervulde. Het ziet ernaar uit dat de slottoren van Amay geen zware belegeringen heeft moeten doorstaan tijdens de bloedige clanoorlogen die het prinsbisdom Luik teisterden aan het einde van de 13e en het begin van de 14e eeuw. Naas zijn residentiële functie en zijn rol als observatiepost diende de toren ook als verdedigingsfort, maar dan alleen voor de familie van de avoué, want de inwoners van Amay gebruikten veeleer de torens van de collegiale kerk als toevluchtsoord. De romaanse toren werd eind vorige eeuw gerestaureerd door de architect B. Herbecq en de directe omgeving werd ingericht als gemeentelijk park. Dicht bij de slottoren bevindt zich het oude hospitaal, dat gesticht werd door Henri de Hosdent om er 'de arme mensen onderdak te verschaffen en te verzorgen' ('herbergier et ahecier les poevres gens'). Vandaag is het verdeeld in twee eigendommen, de 'Cense aux Champs' ('De cijnshoeve met de velden') bevat een mooi 16e-eeuws woonhuis en een omsloten boerderij met gebouwen rond een binnenplaats.

Op de oever van de Maas staat het kasteel Rorive, dat in de 17e en 18e eeuw is opgetrokken in baksteen en kalksteen. In de 19e eeuw werd het heringericht en was het de residentie van de Franse generaal Clément Thomas na de staatsgreep van 2 december 1851.

Het gemeentehuis van Amay. Dit is de voormalige woning van de directeur van Vieille Montagne.

Het gemeentehuis van Amay. Dit is de voormalige woning van de directeur van Vieille Montagne.

De gebouwen waarin nu het gemeentehuis van Amay is ondergebracht hebben een bijzondere historische betekenis voor Amay. Een van de twee villa's behoorde immers toe aan Vieille Montagne en was het verblijf van de directeur van deze oude zinkmijn, de andere was eigendom van de eigenaar van een steenbakkerij. Na een dramatische brand werd het gemeentehuis gerenoveerd en werden er moderne elementen aan toegevoegd.

Andere stijlen zoals art nouveau en art deco komen ook in enkele schaarse burgerhuizen aan bod. Vier huizen in de chaussée Roosevelt 34-40 zijn daarvan prachtige voorbeelden. Zo maakte de architect in 1914 gebruik van plantmotieven in de art-nouveautraditie. Elke villa draagt de naam van een bloem: margriet, roos, lelie en blauweregen. De balkons, het gekleurde glas in de vensters evenals de insnijding van de daken dragen bij tot het ritme en de luchtigheid van de façade. Amay bezit ook kleinere erfgoedstukken zoals verscheidene fonteinen. Die op de place Sainte-Ode stelt een spuwer voor in de vorm van een leeuwenmuil. De fontein uit de rue Gaston Grégoire bestaat uit een kuip die zich in een diepe nis onder een rondboog bevindt. In het park van het gemeentehuis staat een oude grenspaal die de grens tussen de oude heerlijkheden van Jehay en Amay aangeeft.

De 'Chapelle à Rémont', gelegen op de hoek van het nummer 113-115 in de chaussée F. Terwagne, werd opgetrokken in 1735 en daarna verplaatst en verbouwd in de 20e eeuw. Ze biedt onderdak aan een mooie Christus uit de 18e eeuw, uitgevoerd in lindehout. Wanneer men de oude Tongerse steenweg neemt, ontdekt men nog het buitenhuis uit de 17e eeuw van het oude neerhof van de avoués van Amay, dat vandaag is verdwenen. De kaart van graaf de Ferraris (18e eeuw) toont dat een dreef dit landgoed verbond met de middeleeuwse toren. Verder op deze oude steenweg zijn ook terrassen zichtbaar waarop vroeger wijnstokken waren aangeplant. Hogerop in de heuvels van Amay, in de richting van Flône, is een oude vierkantshoeve uit de 17e en 18e eeuw zichtbaar met een monumentale portiek in kalksteen. Het is de hoeve van Richemont. Ze was in het verleden eigendom van de abdij van Flône. Bij het Sint-Lambertusbos staan dan weer twee vierhoekige hoeven uit de 19e eeuw.

De donjon van de avoués (kerkvoogden) van Amay.
Het Lac de la Gravière werd aangelegd in een voormalige grindgroeve te Amay.

Het Lac de la Gravière werd aangelegd in een voormalige grindgroeve te Amay.

Wat het natuurlijke erfgoed van Amay betreft verdient het meer van 23 ha een vermelding. Het werd in de verlaten grindgroeve van Amay aangelegd vlak bij de rivier en werd verfraaid met rietvelden, zacht glooiende hoge oevers, een wandelpad en aanplantingen van bomen en struiken. Niet minder dan 120 vogelsoorten werden er in het gebied geteld.

Ampsin:

De architectuur van het dorp draagt nog steeds de stempel van deze 19e-eeuwse industriële cultuur, met een centraal plein waarrond een kerk, een gemeentehuis, een school, een oude brouwerij en burgervilla's een vrij homogeen aanzicht bieden. Alleen het kasteel, dat nochtans werd bewoond door de plaatselijke industriebaronnen, heeft nog het karakter van een verblijf voor de lagere adel uit het ancien régime. Uit dat industrieel verleden heeft de kleine gemeente ook zijn kalkovens bewaard die in 1920 door Hyppolite Dumont werden gebouwd. Naast dit industrieel ensemble is de steengroeve van Ampsin een publiek natuurreservaat geworden. Er werd een geologisch pad aangelegd dat bewegwijzerd is met borden die uitleg verschaffen over flora en fauna, rotsen en de plaatselijke geschiedenis.

Bezoekerscentrum "Les maîtres du feu" te Ampsin (deelgemeente Amay).

Bezoekerscentrum "Les maîtres du feu" te Ampsin (deelgemeente Amay).

Op enkele meters daarvandaan heeft de gemeente Amay in een oude smelterij die dateert van 1897, een toeristisch informatiecentrum ondergebracht. De 'Meesters van het vuur' (Les Maîtres du feu) nodigen ons uit op een rondreis doorheen de tijd, de wetenschap en de technologie langs een flamboyant visueel parcours, dat rijkelijk voorzien is van klank en beeld.

Op dezelfde weg naar Bende is ook het gebouw van een watermolen uit de 19e eeuw bewaard gebleven, waarvan het rad op herstelling wacht. Vlak bij de spoorweg staat de oude fabriek van Corphalie, een enorm vierhoekig gebouw met vensters in metalen raamwerk waar men in de 19e eeuw de smeltkroezen voor de zinkindustrie vervaardigde. Van het oude kasteel van Ampsin, vlak bij het dorpsplein gelegen, is een vierkantshoeve overgebleven rond een binnenplaats die men kan betreden via een een poort in een toren, die is opgetrokken uit kalksteen en die de wapenschilden draagt van Servais Woot de Trixhe, de ontvanger van de kathedraal. De oorspronkelijke schuur werd omgebouwd tot graanmolen en stokerij. De eerste bekende eigenaar van het kasteel, dat toen het Maison de la Thour d'Amechin of de Thour du Vivier heette, was Jean Berlaymont de Haultepenne. Toen de heer Servais Woot de Trixhe het eigendom kocht, bestond het uit een versterkt huis, een neerhof, vijvers, tuinen, weiden, akkers, bossen en hagen.

La ferme du Sart te Ampsin.

La ferme du Sart te Ampsin.

Op de grens van Ampsin en het gehucht Halbosart (Villers-le-Bouillet), is de oude kasteelhoeve van de Sart gelegen. Als centrum van de grondheerlijkheid Sart is ze - zoals het toponiem Sart ('van kreupelhout ontdaan terrein') verduidelijkt - ontstaan uit middeleeuwse landbouwexploitatie. De eerste vermelding van omgeploegd land in de Sart dateert van 1432. De oude versterkte toren, in de 15e eeuw opgetrokken in kalksteenblokken werd als toegang geïntegreerd in de nieuwe ommuring van de 16e eeuw en geeft het geheel een defensief karakter. De hoeve bevatte een woning, koeienstallen onder een hooizolder, paarden- en schapenstallen en een schuur. De hoektoren stond in voor de verdediging, maar deed ook dienst als duiventoren. De hoeve van de Sart was in handen van belangrijke families uit de streek. Op een gegeven moment was ze eigendom van een zekere de Ruelle, de burgemeester van Huy (Hoei) in de 16e eeuw. Onder de familie Woot de Trixhe kregen de hoeven van de Sart en van Ampsin dezelfde eigenaar. In de 19e eeuw werd de kasteelhoeve van de Sart een centrum voor de steenkoolontginning. De kleine terrils in de omgeving getuigen nog van deze activiteiten uit het verleden.

Flône:

De abdij van Flône (deelgemeente Amay) op de Noorderoever van de Maas.

De abdij van Flône (deelgemeente Amay) op de Noorderoever van de Maas.

Het belangrijkste patrimonium van dit kleine dorp is vanzelfsprekend de oude abdij van Flône, die aan de oorsprong lag van de parochie en het dorp. Ze werd aan het eind van de 11e eeuw gesticht door drie ridder-monniken op een stuk grond dat ze hadden gekregen van de bisschop van Luik, vlak bij de monding van de beek, de Flône, op de oevers van de Maas. Het klooster werd oorspronkelijk bewoond door reguliere kanunniken van de orde van Sint-Augustinus en werd tot abdij verheven in 1139. Om in haar levensonderhoud te voorzien verwierf de abdij een uitgestrekt domein met de daarbijbehorende rechten. Daaraan werden de rechten op bosexploitatie en visvangst op de Maas toegevoegd en nog later die op de ontginning van de ondergrond. Flône bezat hoeven in Richemont (op de hoogten van Amay), in Hottine (recht tegenover de abdij aan de overkant van de Maas) en in de open vlakte van la Kérité (op het hoger gelegen deel van Flône). Het klooster werd geplunderd en platgebrand in 1568 bij de doortocht van de legertroepen van de prins van Oranje. Tijdens de Franse Revolutie werd de abdij gesloten en kwam ze in handen van particuliere eigenaars. In 1921 werd ze de hoofdzetel van de Dames de l'Instruction chrétienne. De beroemde abdij werd heropgebouwd na de Franse Revolutie. Van de oorspronkelijke abdij is er niets bewaard gebleven. De Sint-Mattheus-abdijkerk, de kloostergebouwen, de algemene gebouwen en de brouwerij zijn rond twee binnenplaatsen opgetrokken. De gebouwen aan de overkant van de steenweg werden later bijgebouwd (kasteel Goffart in 1905). Op de binnenplaats van de dienstgebouwen werd de brouwerij gebouwd onder abt Philippe d'Orjo (1545-1555), wiens grafsteen werd ingemetseld in de dwarsbeuk van de kerk. In de brouwerij werd overigens ook wijn geperst. Nadat ze in de 19e eeuw werd verbouwd tot café, is ze vandaag het verblijf van een aantal zusters. Na de brouwerij volgde de bouw van een watermolen die werd aangedreven door de Flône, een kleine beek die recht tegenover de abdij in de Maas vloeit, van de schuur, van de portiek en van de duiventoren. Dit ensemble werd gebouwd onder abt Thomas de Vinalmont (1608-1623). In het huis van de tienden, dat werd opgetrokken onder abt Jean-Jérôme de Schroots (1725-1742), werden de bijdragen van de boeren geïnd, die werden aangewend voor het onderhoud van de kerk en het bebouwen van de akkers. De kerk verbindt en scheidt tegelijk het voor het publiek toegankelijke deel van het klooster en het canonieke deel dat enkel toegankelijk is voor de geestelijken van de abdij. De kloostervleugels en de hoektoren werden gebouwd onder de abten Guillaume de Hemricourt (1636-1670) en zijn neef, Dieudonné de Hemricourt (1670- 1692). De prelatuur die onder de abt Charles Delvaux de Fenffe (1742-1778) werd gerenoveerd, was het verblijf van de abt, maar de benedenverdieping diende ook als spreekkamer en ontmoetingsruimte. De kerk herbergt heel wat kunstschatten: een romaanse doopvont (12e eeuw), grafstenen, koorstoelen (1662), een hoofdaltaar (1665), schilderijpanelen en vooral een orgel en zijn orgelkast, dat als belangrijk Waals erfgoed staat geboekstaafd.

Restanten van de oude en afgebrande hoeve La Kerité.

Restanten van de oude en afgebrande hoeve La Kerité.

Op het hogergelegen deel van het dorp stond tot voor kort nog de hoeve van La Kérité, die zowat tijdens heel haar bestaan voor een deel van de voedselbevoorrading van de abdij instond. Spijtig genoeg werd ze verlaten en is ze later afgebrand, zodat elke hoop op een rehabilitatie of een renovatie van deze prachtige hoeve verloren ging. De eigenaar Dumont-Wauthier transformeerde de site tot een plaats van herinnering met didactische borden die de aandacht trekken op de rol die deze abdijhoeve in het verleden vervulde.

Niet ver daarvandaan bevindt zich de hoeve van Le Bois Royal, die recenter is en die ontstond uit de landbouwexploitatie en de uitbreiding van het landbouwareaal door de ontbossing in de 19e eeuw.

Foto uit de oude doos van de toen nog in werking zijnde fabriek van Vieille Montagne te Flône. © Delcampe.net

Foto uit de oude doos van de toen nog in werking zijnde fabriek van Vieille Montagne te Flône. © Delcampe.net

Als een oud centrum van een belangrijke industriële gemeenschap heeft Flône de gebouwen van de maatschappij Vieille Montagne bewaard die zich over meer dan een kilometer aan weerskanten van de steenweg naar Luik, langs de Maas uitstrekken. Deze lange gebouwen, homogeen in rode baksteen opgetrokken, die slechts door enkele decoratieve elementen worden onderbroken, in het bijzonder ter hoogte van de ramen, bewaren de herinnering aan een industriële activiteit die al in de middeleeuwen door de kanunniken van de abdij werd uitgeoefend: de ontginning van zink.

Jehay:

De Abdij van Paix-Dieu te Jehay (deelgemeente Amay) herbergt nu het "Centrum voor de Vervolmaking van de Ambachten voor het onderhoud van het Erfgoed".

De Abdij van Paix-Dieu te Jehay (deelgemeente Amay) herbergt nu het "Centrum voor de Vervolmaking van de Ambachten voor het onderhoud van het Erfgoed".

Op de grens van Amay en Villers-le-Bouillet, vlak bij de nationale weg die de Maasvallei met Haspengouw verbindt, bevindt zich de oude abdij van Paix-Dieu, vandaag het Centre de Perfectionnement des Métiers du Patrimoine (Centrum voor de Vervolmaking van de Ambachten voor het onderhoud van het Erfgoed). De stichting van deze cisterciënzer abdij van Paix-Dieu moet gezien worden in het kader van de mystieke vrouwenbeweging die haar stempel drukte op het bisdom Luik in het begin van de 13e eeuw. Oorspronkelijk vestigde de gemeenschap zich in het Haspengouwse dorp Oleye, maar in 1244 verhuisde die naar de valleisite Grognart in Bodegnée, waar verscheidene beken samenvloeiden. Al snel werd de abdij Paix-Dieu een landbouwdomein waar volgens het cisterciënzer ideaal van de zelfvoorziening werd geleefd. Na de crisis aan het einde van de 13e eeuw die de abdij economisch heel wat schade berokkende, reorganiseerde de Paix-Dieu haar domein en veranderde geleidelijk aan haar beheer in dat van een grondheerlijkheid. Een beheer van het grootgrondbezit met oog voor winstbejag maakte het mogelijk kloostergebouwen en de hoeve te laten bouwen (1730-1767) die de voorloper was van degene die we vandaag kennen. De eenheid die de gebouwen kenmerkt is te danken aan de traditionele materialen en gebruikte technieken. De gebouwen dateren van de 17e en 18e eeuw. Terwijl de hoeve nog in goede staat verkeert, geraakten de kloostergebouwen in verval na hun verkoop als 'nationaal goed' in 1797 en na het uiteenvallen van de geloofsgemeenschap. De kerk, die vandaag al haar meubilair kwijt is, gaf toegang tot een vierkante kloostergang. De oostelijke vleugel van de kloostergang, het zogenaamde 'dameskwartier', bevatte de ruimten waar de kloosterzusters leefden. In de zuidelijke vleugel, die evenwijdig loopt met de abdijkerk, leefden de lekenzusters. De westelijke vleugel verdween in de 17e eeuw om plaats te maken voor de vleugel van de abdis, het gastenverblijf en het voorplein (die nog te zien zijn op een ets van Remacle Leloup) werden ontmanteld in de 19e eeuw om de bouwmaterialen te recupereren.

Afbeelding met bovenaan een tekening van hoe de abdij van Paix-Dieu er in zijn volle glorie uitzag, linksonderaan een overzichtsfoto van hoe de abdij er nu uitziet en rechtsonderaan een detailfoto van de meest recente renovatie.

Afbeelding met bovenaan een tekening van hoe de abdij van Paix-Dieu er in zijn volle glorie uitzag, linksonderaan een overzichtsfoto van hoe de abdij er nu uitziet en rechtsonderaan een detailfoto van de meest recente renovatie.

Het gastenkwartier herbergde de bezoekers en de bewoners van de abdij die niet aan de kloosterregels waren onderworpen. In de 19e eeuw werden ook het gastenverblijf en de vleugel van de abdis verbouwd tot stallen en een stokerij-suikerraffinaderij. De bijgebouwen bestonden uit een molen, een Paterhuis en een Nosterhuis (monniken van de abdij van Aulne, waarvan de ene - de Noster - instond voor de kerkdiensten en de andere - de Pater - voor de spirituele begeleiding van de zusters) aan de noordkant, een brouwerij en een duiventoren aan de zuidkant en de hoeve aan de westkant. In zijn Délices du païs de Liège (1736-1740) beschrijft Saumery de miraculeuze fontein van de heilige Gerardus, een object van devotie en trekpleister voor bedevaarders. De kloosterhoeve, die tegen het gastenkwartier was aangebouwd, is een vierkantshoeve die in baksteen en kalksteen is opgetrokken. De woning en de bijgebouwen staan rond een lange en brede binnenplaats, die toeliet om met de karren te maoeuvreren en de oogst in de schuur op te slaan. Men komt de hoeve binnen over een brug en door een toegangspoort met twee torens die tegen de woning aan gebouwd is. De poort was niet alleen de ingang van de hoeve, maar ook van het geheel van de abdij. Het is daar dat de zuster econome de administratieve zaken van het domein regelde en voedsel uitdeelde aan de armen uit de streek.

Toegangspoort van de abdij van Paix-Dieu (1730).

Toegangspoort van de abdij van Paix-Dieu (1730).

De poort, die van 1730 dateert, draagt een fronton uit kalksteen met het wapenschild van Lambertine de Wanzoul. Aan weerskanten van de woning beslaan vee- en paardenstallen een vleugel van de hoeve. De noordkant van de hoeve wordt ingenomen door een monumentale loods, die dateert van 1760 en die een fronton in stucwerk draagt met het wapenschild van Lambertine Renson. De loods bood niet alleen onderdak aan karren en rijtuigen. Die van Paix-Dieu is opgedeeld in twee zones met twee toegangspoorten die uitgaven op de binnenplaats en een bovengedeelte dat ingericht is als hooizolder. Aan de zijkanten van de loods zijn er ruimten die dienstdeden als werkplaatsen of stallen. De bovenverdieping wordt ingenomen door een zolder waarvan de bakstenen gewelven rusten op kalkstenen pijlers. Recht tegenover de loods aan de overkant van de binnenplaats bevindt zich een dubbele schuur die ook versierd is met een fronton uit 1737 en die het wapenschild draagt van Lambertine de Wansoulle. De schuur draagt een leien zadeldak met schilden aan de zijkant. De oostelijke vleugel bevat naast paardenstallen een deel van de façade van het gastenverblijf, een recent gedeelte waar men de grafsteen van Agnès de Corbion heeft in verwerkt die zich oorspronkelijk in de oude kloostergang bevond. Een karrenpoort verleent toegang tot een voorplein waar zich twee andere bijgebouwen van de hoeve bevonden: de duiventoren en de brouwerij, waarvan vandaag niets overblijft. Een reeks archeologische opgravingen die sinds 1997 zijn uitgevoerd, hebben een licht geworpen op het ontstaan van de abdij en meer in het bijzonder op de evolutie van de kloostergang en de kerk. Gecombineerd met een analyse van de bestaande gebouwen hebben die opgravingen de oudste architecturale restanten helpen determineren die bewaard zijn gebleven in de laag erboven. Die 'middeleeuwse kern', gesitueerd tussen de abdijkerk (1718) en de vleugel van de abdis (1642) was de westelijke aanzet van de abdijkerk uit de 14e eeuw, waarvan het toenmalige koor onder het huidige koor kon worden gelokaliseerd.

Logo van het Institut du Patrimoine Wallonie waar de abdij van Paix-Dieu deel van uitmaakt.

Logo van het Institut du Patrimoine Wallonie waar de abdij van Paix-Dieu deel van uitmaakt.

De Waalse regering besloot in 1995 in de Paix-Dieu een Centrum voor de Vervolmaking van de Erfgoedambachten te creëren. In 1997 verwierf het Waalse Gewest de oude kloostergebouwen van de site in erfpacht. Een uitgebreid restauratieprogramma van zo'n 15 jaar werd in de steigers gezet. Het gastenverblijf werd volledig gerestaureerd tussen 1997 en 2001 onder het bouwmeesterschap van de architectenbureaus Henri Garcia en Yves Jacques. In de opdracht werd uitgegaan van de notie kritische restauratie in de vorm van een juist evenwicht tussen conservatie, restauratie en functionele herbestemming. Op de site van de oude brouwerij verrees in 2004 het gebouw met de nieuwe ateliers waar de stages voor de bijscholing in metaal- en houtbewerking en steenhouwen worden georganiseerd. Het gebouw werd ontworpen door architect Alain Dirix. Het nieuwe gebouw is eigentijds en functioneel, maar weet zich zonder al te fel contrast met de bestaande gebouwen te integreren dankzij de gepaste afmetingen en kleurenkeuze. De vleugel van de abdis bied sinds januari 2007 logies aan. Op de benedenverdieping kunnen de bezoekers van het centrum in de Table de l'abbay terecht voor een maaltijd. Begin 2006 werden via een wedstrijd de uitvoerders van de restauratiewerken in de watermolen en de abdijkerk aangewezen. Het bureau van het Maison du Tourisme Hesbaye et Meuse (Toerismehuis Haspengouw en Maas) wordt ingericht op de benedenverdieping van de molen, terwijl de kantoren van het Sécretariat des Journées du Patrimoine (secretariaat van de monumentendagen) en van de cel Publications de l'Institut du Patrimoine Wallon (publicaties van het Waalse Erfgoedinstituut) de ruimtes op de verdiepingen innemen. In de abdijkerk krijgt het koor een nieuwe bestemming en wordt een seminariezaal met 280 zitplaatsen, terwijl de rest van de kerk een museum voor ambachten en erfgoed wordt, die een overzicht van materialen en restauratie- en conserveringstechnieken biedt naast een fototheek en een informatie- en documentatiecentrum. Zodra de duiventoren gerestaureerd is, zal hij enkele hedendaagse ambachten tonen. In de directe omgeving van de site van de oude abdij worden de noordelijke terrassen als tuinen heraangelegd. Elk jaar biedt het Centre de la Paix-Dieu ongeveer veertig bijscholingscursussen aan voor professionelen uit de bouw- en erfgoedsector en ontvangt leerlingen uit het eerste observatiejaar van het secundaire onderwijs in 'klassen die de interesse voor de oude ambachten moeten opwekken'.

Op de weg van de Paix-Dieu naar het kasteel van het dorp komt men voorbij de fontein Zénobe Gramme, die in 1907 werd gebouwd. Het medaillon in brons stelt de uitvinder voor met zijn devies Labor. In een vlakbij gelegen straat die de naam van de uitvinder draagt, werd rond 1910 de kapel Notre-Dame du Bon Secours (Onze-Lieve-Vrouw van Goede Bijstand) opgetrokken als dank aan Onze-Lieve-Vrouw van Goede Bijstand) opgetrokken als dank aan Onze-Lieve-Vrouw voor de genezing van een kind met een handicap aan de benen.

Het prachtige kasteel van Jehay met zijn typische dambordpatroon.

Het prachtige kasteel van Jehay met zijn typische dambordpatroon.

Het geheel van de site en het kasteel van Jehay met zijn kapel en zijn tuin bestaat uit een omgeving van bossen, vijvers en weiden en ligt bij de beek van Paix-Dieu. Twee mooie dreven met kastanjebomen verfraaien de site. Reeds in de middeleeuwen wezen de monniken van Aulne de plaats aan als en woud. Vandaag is het kasteel nog steeds omringd door een van de mooiste parken van de provincie Luik. Het park strekt zich uit aan weerskanten van een centrale oprijlaan, waar een dreef met zilverlindebomen op uitkomt en dat door een monumentale poort met een smeedijzeren hekwerk wordt afgesloten. Haagbeuken, bosjes van taxus, vrijstaande bomen en een arboretum zijn zodanig aangeplant dat ze de bezoekers uitzicht geven op een tuin, waarin niets aan het toeval is overgelaten. Twee poorten bieden toegang tot twee andere dreven. Een laan met haagbeuken van tweehonderd jaar oud, een overblijfsel van de primitieve tuin, omgeeft de slotgrachten van het kasteel. Een ijskelder aan de oostkant is bereikbaar langs een smal pad dat lager gelegen is dan de centrale dreef en waar de overblijfselen van een oudere haagbeukenlaan zichtbaar zijn. Van het middeleeuwse kasteel blijven alleen gewelfde kelders uit de 13e eeuw over, die de resten van een oude versterkte toren zijn. Tijdens de oorlog tussen de families Hornes en de la Marck werd het kasteel gedeeltelijk verwoest. Bij de heropbouw in de 16e en 17e eeuw kreeg het kasteel zijn huidig uitzicht. Zijn architecturale eigenheid heeft het te danken aan zijn voorgevel die bestaat uit een dombordvormig patroon van zandsteen en witte steen. Het geheel is omringd door torens en slotgrachten en omvat vier duidelijk te onderscheiden volumes die onderling worden verbonden door binnenplaatsen en bruggen over de slotgrachten. Het L-vormig kasteel stamt grotendeels uit de 16e eeuw. De westelijke vleugel grenst aan de slotgrachten. De compositie van het bouwwerk is karakteristiek voor de gotische architectuur uit de 16e eeuw. De gevels aan de kant van de binnenplaats in kalksteen zijn daarentegen 19e-eeuws en neogotisch van stijl. Zij werden tussen 1860 en 1864 verbouwd door architect A. Balat.

Deel van de kasteeltuin van het kasteel van Jehay, een van de mooiste parken van Wallonië.

Deel van de tuin van het kasteel van Jehay, een van de mooiste parken van Wallonië.

De dienstgebouwen en de oude domeinhoeve werden grondig gerenoveerd vooral aan de venster- en deuropeningen en aan de trapgevels. Ze worden geflankeerd door twee vierkante hoektorens uit de 17e eeuw. De grote schuur, die vroeger de binnenplaats afsloot, werd verwoest. Een majestueuze poorttoren uit 1622 staat voor het hele complex van park, kasteel en hoevegebouwen en draagt een steen met het wapenschild van de familie de Mérode-Lynden boven de ingang die geflankeerd wordt door twee korte velugels met trapgevels uit de 19e eeuw. De originele poort die in het verleden uitgaf op een ophaalbrug, werd door een boogvormige poort vervangen. Vlak bij de toegangsportiek van het kasteel staat de Sint-Lambertus kasteelkapel met ernaast een kleine begraafplaats omgeven door water. De kapel is de parochiekerk van het dorp geworden. Het kerkschip uit de 16e eeuw is opgetrokken uit blokken zandsteen, werd gerestaureerd rond 1635 en wordt geflankeerd door een vierkante toren afgewerkt met een klein torenpaviljoen in leisteen. De kerk herbergt het oude standbeeld van Saint-Gérard de Brogne, een hervormingsgezinde monnik uit de 10e eeuw, rond wie een cultus ontstond op de Paix-Dieu. Toen de abdij verdween, verhuisde het standbeeld en meteen ook de populaire cultus van de Paix-Dieu naar de kerk van Jehay.

Op de steenweg naar Tongeren kan men te midden van de velden een vierkantshoeve onderscheiden die de aandacht trekt door een immense versterkte torenpoort die herinnert aan zijn heerlijke oorsprong. Het is de hoeve van la Malgueule. Ze behoorde tijdens het ancien régime toe aan de familie van den Steen, die ze aan het begin van de 18e eeuw verbouwde tot een vrij homogeen geheel. Deze boerderij heeft een schuur met zadeldak en schilden, waartegen een dorsmolen is gebouwd. Men kan de hoeve bewonderen te midden van een landschap waarin de vallei van de Maas al zichtbaar is, maar de toegang tot de binnenplaats van de hoeve is helaas verboden.

Ombret:

Rotsformaties in de Heide van de Communes (Lande des Communes) in Ombret. Deze rotsblokken werden honderden miljoen jaren geleden achtergelaten tijdens overstromingen van de Maas in het gebied.

Rotsformaties in de Heide van de Communes (Lande des Communes) in Ombret. Deze rotsblokken werden honderden miljoen jaren geleden achtergelaten tijdens overstromingen van de Maas in het gebied.

Het is vooral het natuurlijk erfgoed dat de aandacht van de bezoekers trekt in Ombret. De heide van de Communes die regelmatig wordt bezocht door natuurkenners uit heel België, toont een stuk natuur dat heel verschillend is van de omgeving aan de overkant van de Maas. Het 'droog heideland' beslaat een oppervlakte van ongeveer vier hectare. Het heideland van Ombret getuigt van de activiteit van landbouwers en herders uit het verleden. Men exploiteerde er het bos en het kreupelhout, waarbij regelmatige cycli van rooien, productie van houtskool, landbouw op afgebrande stukken grond, beweiding en aanplanting van struiken elkaar afwisselden. Naast het belang voor het erfgoed, is de heide ook botanisch zeer interessant. Want met uitzondering van de Hoge Venen vindt men nergens in de provincie Luik dergelijke stukken heideland. Helaas nemen bomen en struiken langzaam de heide weer in en verdringen er al bepaalde delen. Daarom hebben de gemeente Amay en de Afdeling Natuur en Bossen van het Waalse Gewest beslist om in te grijpen door het natuurreservaat van de Landes d'Ombret te creëren en zo de biologische en landschappelijke eigenheid van de site te bewaren en te verbeteren.

Het architecturale patrimonium bevat de Onze-Lieve-Vrouwkerk, een neogotisch gebouw dat dateert van 1871. Enkele huizen onderscheiden zich van de rest, zoals een lange rij 19e-eeuwse huizen die van de straat worden gescheiden door een voortuintje aan het begin van de rue du Centre. De molen van Ombret draagt het opschrift Moulins Mouton frères, en staat wat verder van de weg af op een binnenplaats. Hij bestaat uit een maalderij en een ander gebouw en getuigt van het industrieel verleden van het dorp. Langs de steenweg valt een hoge, vierhoekige constructie op uit de eerste helft van de 17e eeuw, die volledig uit blokken kalksteen is opgetrokken.

Dit moet je gezien hebben: