ons dorp - focus


Welkom in Zelem!

           
banner
Zelem - Geografisch
Zelem - Historisch
Zelem - Bezienswaardigheden
Home
wapenschild zelem
Sint-Jansberg - Geschiedenis

Het Kartuizerklooster te Zelem

Sint-Jansdal te Zelem bij Diest (c.q. Sint-Jansberg, 1328-1796) - Domus Diestensis.

Middeleeuwse voorstelling van het klooster

Algemeen

De oprichting van het kartuizerklooster te Zelem past in een ganse reeks van gelijkaardige stichtingen in onze gewesten tijdens de eerste decennia van de 14e eeuw. De kartuizerorde, ontstaan in Frankrijk rond de H. Bruno in 1084, kende een relatief late verspreiding in onze streken. Pas in 1314 ontstond het eerste klooster te Herne-bij-Edingen gevolgd in 1318 door een ander te Brugge, in 1323 door een te Kiel nabij Antwerpen en in 1328 door twee andere, namelijk te Geraardsbergen en te Gent.

Zo ontstonden in onze gewesten in de 14e eeuw 14 kartuizernederzettingen, in de 15e eeuw 6 en in de 17e eeuw 2; samen 22 stichtingen, 11 in de Zuidelijke Nederlanden, 9 in de Noordelijke Nederlanden en 2 in het prinsbisdom Luik. Het einde van de kartuizerorde in de Lage Landen kwam in het Noorden vroeger dan in het Zuiden. In de Noordelijke Nederlanden verdwenen de kartuizen tussen 1572-1585 onder de kracht van de protestantisering. Deze in de Zuidelijke Nederlanden werden als onnutte contemplatieve instellingen door de Oostenrijkse keizer Jozef II afgeschaft. De twee priorijen uit het prinsbisdom Luik, met name deze te Zelem en te Luik, werden pas in 1796 na de Franse annexatie van onze gebieden opgeheven.

Het kartuizerklooster te Zelem werd in 1328 gesticht. Het was de vierde kartuizernederzetting in de (Zuidelijke) Nederlanden. De geschiedenis van dit convent zou wellicht slechts op matige wijze de aandacht van de historici hebben getrokken, waren er niet vier feiten te melden die de priorij uit de historische anonimiteit verheffen.

Ten eerste wordt de Zelemse kartuis in de geschiedschrijving van de orde een huis van vooraanstaanden, rijken en edelen geheten, daar het gebeurde dat de plaatselijke heren zich in het klooster in een voor hen gebouwd retraitehuisje terugtrokken om tot bezinning te komen.

Ten tweede kwam het convent reeds in de eeuw van zijn stichting in het bezit van een lijvig en rijk geïllustreerd handschrift met vrome legenden, in het Frans gesteld, dat later deel zal uitmaken van de bibliotheek der Bourgondische hertogen; hierover heeft Prof. Maurits Smeyers van de Katholieke Universiteit Leuven in samenwerking met zijn assistent Bert Cardon overvloedig gehandeld in de catalogus van de tentoonstelling over Handschriften uit Diestse kerken en kloosters, gehouden in het Stedelijk Museum te Diest.

Ten derde werd in 1983 door de heer Robert Van de Ven van het Stadsarchief Diest in het Rijksarchief te Hasselt, een fragment van een Middelnederlandse bijbelvertaling gevonden, dat als kaft dient van een register met plattegronden van de bezittingen der Zelemse kartuizers. Na vergelijking met twee andere fragmenten van hetzelfde bijbelhandschrift uit de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, die overeenstemmen met de eerste Middelnederlandse bijbelvertaling van 1360 uit het Land van Aalst, heeft Dr. Jan Deschamps van de Academie te Gent uit deze vondst nieuw bewijsmateriaal aangevoerd om de hypothese te ondersteunen dat de anonieme bijbelvertaler van 1360 wel eens een kartuizer van Herne zou kunnen geweest zijn; de kartuizers van Herne waren door grondbezittingen en persoonlijke relaties nauw met het Land van Aalst verbonden. Deze hypothese was reeds vroeger door andere geleerden naar voren gebracht maar niet gehandhaafd geworden, ten voordele van een monnik uit de benedictijnenabdij van Affligem die dicht bij het Land van Aalst lag.

Ten vierde telde het Zelemse kartuizerklooster onder zijn bewoners enkele belangrijke auteurs, onder wie vooral Pieter Doorlant moet worden genoemd; Petrus Dorlandus heeft 57 Latijnse werken geschreven, waaronder de kroniek van de kartuizerorde, die tot laat in de 18e eeuw door de kartuizerhistoriografen geciteerd is geworden.

De Oprichting

Een van de oprichtingsoorkondes van het klooster

In 1328 kregen de priors van Herne en Kiel opdracht om een stichting te Zelem te onderzoeken. De eigenlijke stichters waren Gerard, heer van Diest en zijn echtgenote. Gerard, heer van Diest (1296-1333) huwde in 1320 Maria van Loon, dochter van graaf Arnold van Loon. Het huwelijk bleef kinderloos en Maria overleed reeds in 1325. In haar laatste wilsbeschikking drukte Maria de wens uit om haar bruidschat, een leengoed te Luik, te gebruiken voor de oprichting van een convent. Haar broer Lodewijk van Loon en ridder Jan Raetshoven werden als uitvoerders van het testament aangesteld.

Op 14 juli 1325 ruilde Gerard van Diest, Maria's bruidschat, bestaande uit een tot nog toe niet nader bepaald leengoed, met de graaf van Loon voor 30 gulden en 40 mudde graan, jaarlijkse inkomsten uit de molens van Herk.

Andere stichtingsoorkonde

(RH, Kartuizers Zelem, oorkonde nr. 5)

De eigenlijke stichtingsakte werd op 1 februari 1329 (n.s) getekend. Deze akte werd in de burchtkapel op de Warande van Diest door notaris Johannes Henricus van Diest opgesteld en stelde dat Gerard heer van Diest en zijn echtgenote Johanna van Vlaanderen aan de kartuizerorde verschillende goederen schonken om er een klooster ter ere van Sint Jan de Doper te stichten. De schenking betrof onder andere 4 bunders land tussen de kerk van Zelem, de wijngaarden van de heren van Diest en een beekje het Zwartbroek, anderhalve bunder beemd aan de oevers van de Demer en de eerste vermelde jaarlijkse inkomsten van 40 mudde rogge en 30 pond van de molens van Herk.

Gerard van Diest stond samen met zijn tweede echtgenote Johanna van Vlaanderen, vier bunders grond af op de latere Sint-Jansberg te Zelem. Daarnaast werden nog andere goederen door de beide echtgenoten geschonken. Als medestichter fungeerde ridder Jan van Raetshoven, één van de testamentuitvoerders van Maria van Loon. De stichters drukten de wens uit dat het nieuwe klooster naar de Heilige Johannes de Doper zou genoemd worden; vandaar de benaming in de stichtingsoorkonde "Vallis Sancti Johannis Baptiste". Deze naam veranderde later enkele malen om uiteindelijk Sint-Jansberg te worden.

Met deze overeenkomst beschikte de nieuwe stichting over voldoende inkomsten om een stabiel economisch bestaan te leiden. Op geestelijk vlak kwamen de kartuizers echter in het vaarwater van de pastoor van Zelem. Deze zou immers niet alleen een deel van zijn religieuze maar ook van zijn economische invloed verliezen, waardoor men ook met hem een overeenkomst diende te bereiken. Dit akkoord werd nog op dezelfde dag in een zaal van het kasteel gesloten.

Laatste oorkonde

(RH, Kartuizers Zelem, oorkonde, nr. 6)

Opkomst en bloei van het klooster

Jan van Meldert, die eerste prior, startte snel met de bouw van het klooster. De herkomst van de eerste monniken is niet gekend, maar waarschijnlijk kwamen zij uit de kloosters van Herne en Brugge. Al snel bleken de stichtingsgoederen niet voldoende te zijn en de uitbreiding van de bezittingen was ook niet volgens verwachtingen.

Er was slechts plaats voor een zevental monniken, en het generaal kapittel moest in 1368 interveniëren. Er waren slechts enkele schenkingen en giften; keizer Karel IV stelde echter wel de kartuis vrij van belastingen in 1357.

De Hernse kartuizerbroeder Gheraert verbleef op het einde van de veertiende eeuw als hospes te Zelem, waardoor de bibliotheek al zeer vroeg o.m. een kopie van de Historiebijbel bezat.

Hoewel de Zelemse kartuizers volgens de Luikse bisschop Jan van Beieren rond de eeuwwisseling nog steeds in "kenliken armoede" leefden, maakte het klooster onder het prioraat van Henricus van Coesfeld (1394-1401), Everardus van Heussen (1401-1407) en Gozewijn Comhaer (1408-1415) een enorme economische en culturele hausse mee. Onder meer dankzij de hulp van het kapittel van Luik en Jan van Beieren, kwamen de kartuizers - grotendeels door aankoop uit eigen middelen - in het bezit van de heerlijkheid Zelk in Brabant en de heerlijkheid Herkingen in Zeeland. Deze laatstgenoemde gronden verwierven ze samen met de regulieren van het Windesheimer klooster Rugge bij Brielle. Ze zouden nog eeuwenlang een belangrijke bron van inkomsten vormen.

Tijdens de periode van het schisma, kregen de Zelemse priors van urbanistische zijde voorname opdrachten. In 1405 staken prior Everardus van Heusden en visitator Henricus van Coesfeld het kanaal over om de Engelse provincie te bezoeken. Henricus van Coesfeld, een begenadigd auteur, was eveneens bepalend voor het beëindigen van het schisma in 1410. Prior Goswinus Comhaer van Deventer, die later procurator van de Grande Chartreuse, definitor op één of meerdere generale kapittels, en nog later bisschop in IJsland zou worden, kreeg door de hertogen van Brabant ook een politieke functie toebedeeld. In 1414 werd hij door Antoon van Bourgondië, hertog van Brabant, tot tweemaal toe naar de Duitse keizer Sigismund gezonden om er vredesonderhandelingen te voeren. Het klooster werd daarvoor door de hertog rijkelijk beloond. Goswinus behoorde ook tot de delegatie van de hertog op het concilie van Konstanz.

In de eerste helft van de vijftiende eeuw werd de Zelemse kartuis, een "huis van edelen" genoemd, onder meer door de intredes van Henricus Maurik, uit een Gelders adellijk geslacht, de Zeeuwse edelen en broers Dirk en Jan van Brederode en Jan van Montengies, genaamd van Haemstede. Deze nazaat van de Zeeuwse ridder en veldheer "Witte" van Haemstede, trad in 1410 bij de Zelemse kartuizers in en werd er prior van 1421 tot 1422 en vicaris in 1430. Daarna werd hij prior in Herne van 1430 tot ca. 1435 en stierf als gewone monnik in zijn profesklooster in 1447. De edelen Reinier van Schoonvorst, heer van Zichem, en Hendrik van Diest, heer van Rivieren, verbleven te Zelem als provenier. Minstens even belangrijk waren echter de intredes - rechtstreeks of vanuit Monnikhuizen - van jongeren uit Windesheims devote kringen en de stedelijke milieus van enkele Noord-Nederlandse en Duitse Hanzesteden.

Tussen 1408 en 1422 speelden de Zelemse monniken een grote rol bij de Brabantse kloosterslotbeweging: ze waren betrokken bij de stichting en insluiting van het klooster Besloten Hof te Herentals van de orde van Prémontré, de Windesheimer kloosters van reguliere kanunniken van Bethlehem te Herent bij Leuven, Ten Troon te Grobbendonk en Mariënhage te Woensel bij Eindhoven, en het klooster van reguliere kanunnikessen Luciëndal te Sint-Truiden.

In de eerste decennia van de vijftiende eeuw was er eveneens sprake van bouwwerken op de Sint-Jansberg. Middelen daarvoor kwamen onder meer uit enkele belangrijke giften van de hertogen van Brabant, enkele Brabantse edelen en Diestse burgers. Vandaag is de kapittelzaal het enige volledig overgebleven restant uit die periode. In 1440 was het aantal bewoners opgelopen tot 18 monniken, 1 convers, 3 donaten, 2 reddieten en enkele knechten.

Periode van verval

Het wapenschild van Heinsberg

Tijdens het bestuur van de prinsbisschoppen Jan van Heinsberg en Lodewijk van Bourbon ontstonden overal onlusten in het graafschaf Loon en in het prinsbisdom Luik. Jan VIII van Heinsberg, 1396-1459, was prins-bisschop van Luik tot 22 november 1455.

(Hiernaast: het Wapen van Heinsberg).

Hij besloot op die dag af te treden om de volgende redenen:

Ex-prins-bisschop Jan van Heinsberg overleed in de nacht van 18 op 19 oktober 1459.

Lodewijk van Bourbon was prins-bisschop van Luik van 1456 tot 1482. Hij was een zoon van Karel van Bourbon en een neef van Filips de Goede, hertog van Bourgondië.

Lodewijk van Bourbon

In 1461 verwoestte een bende, de zgn. "Knuppeldragers", zoals sommige opstandelingen zich noemden, de vijvers van de priorij te Zelem. Vier jaar later, in 1465, werd het klooster aangevallen door de zgn. "Gezellen van de groene tent", een gewapende bende die van de oorlog tussen Karel de Stoute en Luik (volksmilitie) gebruik maakte om overal te plunderen en brand te stichten. Hierop vluchtte de prior samen met zijn kloosterlingen naar Diest, slechts enkele bedienden bleven in de kartuis achter.

(Hiernaast: afbeelding van Lodewijk van Bourbon).

Het feit dat de kartuizers in tijden van gevaar naar Diest vluchtten, kreeg zijn bevestiging in de aankoop van een nieuw refugehuis in 1563. Op 3 februari van dat jaar werd door het klooster een woning in de Overstraat te Diest gekocht. Dit refugehuis lag vlak naast dit van de abdij van Sint-Truiden en lag op de plaats waar zich nu de Rijksmiddelbare School bevindt. Dit refugehuis bleef eigendom van de kartuizers tot 24 november 1795, wanneer het door Bernardus Peetermans procurator van het convent, aan Jan Jozef Troosters verkocht werd.

De godsdiensttroebelen tijdens het laatste derde van de 16e eeuw hadden een nefaste invloed op de

kartuizers te Zelem. Ronddolende troepen maakten de streek onveilig en meestal verbleven de monniken in hun refugehuis te Diest of zelfs te Leuven en te Luik. Tussen 1580 en 1583 werd Diest bezet door de troepen van Oranje. In 1582 naderde een Spaans leger de stad en hierop staken de troepen van Willem van Oranje het kartuizerklooster in brand, om te beletten dat de Spanjaarden aldaar een onderkomen zouden vinden. In 1585 keerden de kartuizers naar hun refugiehuis te Diest terug. De financiële toestand van de gemeenschap was erg bedenkelijk: een tijd lang werden de monniken zelfs verspreid over enkele andere kloosters.

Heropbouw

Pas in 1602 begaven vier van zich naar Zelem, waar ze met de restauratie begonnen. Met financiële hulp van de aartshertogen Albrecht en Isabella konden de kartuizers in 1616 een gedeeltelijk heropgebouwd klooster betrekken. Vanaf dan verbleven er gemiddeld slechts een zevental monniken.

Tijdens de volgende jaren werd nog flink verder gebouwd. Zo werd de thans nog bestaande gevel van het convent in 1647 opgetrokken, terwijl in 1663 het gastenverblijf voltooid werd. Dankzij de ligging van Zelem in het prinsbisdom Luik, ontsnapte de kartuis aan de opheffing door Jozef II in 1783, omdat Luik niet tot de Oostenrijkse Nederlanden behoorde.

Plattegrond van het klooster uit 1769

In 1791, bij de eerste Franse inval in ons land, werd prior Georges Keuler, die voordien deze functie te Saint-Omer in Frankrijk vervuld had, als emigré aangehouden. Pas na het betalen van een losgeld kwam hij vrij. In 1794 vluchtten de prior en vier monniken naar Duitsland, waarbij zij alle waardevolle voorwerpen alsook hun archieven meenamen. Het klooster zelf werd geplunderd. De laatste kartuizers zochten naderhand hun toevlucht bij hun familie.

Op 14 september 1796 werd het klooster op de Sint-Jansberg officieel afgeschaft. Op 27 februari 1798 werden de goederen verkocht; het kloostercomplex met 34 bunders grond ging naar een zekere Libotton, die het overdroeg aan een zekere Gericke. Deze verkocht het domein op zijn beurt in 1830/31 aan Hubert de Fischbach-Malacord. In 1914 behoorde het voormalige klooster toe aan baron de Montfort. In 1928 werd het dan verkocht aan de zusters dominicanessen.

Wie waren de kartuizers te Zelem? Deze vraag is onmogelijk in het bestek van dit overzicht te beantwoorden, maar toch kunnen enkele karakteristieken naar voren gebracht worden. Verschillende monniken kwamen uit gegoede families, sommigen waren zelfs van adellijke afkomst. Dit, samen met het feit dat edelen tijdens de 15e eeuw dikwijls in het klooster verbleven, zorgde er voor dat de Zelemse kartuis in de studie van Arnoldus Raissius over de oorsprong der Belgische kartuizen, Origines cartusiarum Belgi, betiteldwerd als het "huis van de edelen, de vooraanstaanden en de rijken".

Tijdens de 17e en de 18e eeuw stellen we wel vast dat er zich een verschuiving voordeed ten gunste van telgen uit de burgerij. Een typisch kenmerk voor het kartuizerklooster van Zelem, zoals voor andere kloosters, was de hoge intellectuele bedrijvigheid van verschillende monniken. Het klooster beschikte over een bijzonder rijke bibliotheek (cat. 8-10) met o.a. een prachtige verzameling handschriften. Verschillende kloosterlingen vonden hierin de nodige inspiratie voor eigen literair werk. In dit verband moeten we zeker de namen vermelden van Goswijn Comhair, Jan van Brederode, Hendrik van Coesfeld, Everard van Heusden, Pieter Doorlant, Dirk van Stompwijk en Petrus Daems. Daarnaast waren er nog vele andere monniken op het literair vlak werkzaam, hetzij als schrijver, hetzij als boekbinder of boekverluchter.

Lijst van priors van het kartuizerklooster te Zelem
Luchtfoto Sint-Jansberg

De periode van de kasteelheren (1798 - 1919)

Bij wet van 1 september 1796 werden door het Franse revolutionaire bewind alle kerkelijke instellingen afgeschaft en hun bezittingen tot "nationaal domein" verklaard. De laatste kartuizermonniken werden op 14 september 1796 uit hun klooster te Zelem verdreven. Het kloosterdomein (klooster met kerk, tuinen en een hoeve met 54 bunders land) werd op 12 januari 1798 openbaar verkocht voor de som van 700.000 Fr. aan burger Pierre Libotton uit Hasselt.

Afbeelding van Sint-Jansberg ten tijde van de kasteelheren

Pierre Libotton (1798 - 1817)

Pierre Libotton, de laatste heer van de heerlijkheid Klein-Stevoort, was samen met o.a. de Hasseltse procureur Guillaume Claes één van de grote opkopers van zogenaamd "zwart goed" in Limburg. Zij kochten samen onder meer de Herckenrodeabdij op en Guillaume Claes zou later ook nog eigenaar van Alden Biesen worden.

Deze jaren van verkoop waren vanuit financieel-economisch oogpunt turbulente tijden, waarin een beperkt aantal "citoyens" van het nieuwe regime op een soms ondoorzichtige wijze met bons, assignaten en allerhande transacties met honderden gebouwen en duizenden hectaren grond goochelden en marchandeerden. Hun geluk met dit "handig gesjoemel" bleef echter niet altijd duren!

Pierre Libotton bouwde in 1810 een wolspinnerij en -weverij uit in diverse bedrijfsgebouwen nabij de abdijmolen van Herckenrode. In 1813 telde de weverijafdeling van deze fabriek een 45-tal weeftoestellen en de spinnerij ca. 140 werknemers. Met deze onderneming zou het tegen het einde van de Franse tijd (1795-1815) echter snel bergafwaarts gaan. Libotton zag zich verplicht enkele jaren later definitief de boeken te sluiten. De fabriek en zijn helft van de Herckenrodeabdij moest hij in 1818 verkopen aan één van zijn schuldeisers. Ook het familiekasteel te Stevoort moest hij dat jaar noodgedwongen van de hand doen.

In 1817 had hij ook reeds zijn eigendom op de Sint-Jansberg in Zelem verkocht aan Paul Gericke, die later de eerste gouverneur van de provincie Nederlands-Limburg zou worden.

Of Pierre Libotton ooit in het voormalig kartuizerklooster op de Sint-Jansberg in Zelem verbleven heeft of met welke bedoeling hij dit eertijds had gekocht, is ons niet bekend. Vermoedelijk is het ganse complex alleen gebruikt voor landbouwdoeleinden (door pachters) en heeft de eigenaar er zelf nooit vertoefd. Wij vinden steun voor deze stelling in een pachtcontract dd. 30 april 1817 tussen Paul Gericke en Petrus Daniëls. Dit contract heeft betrekking op het voormalig gastenverblijf van het kartuizerklooster (als woonhuis van de pachter), de koeien-, paarden-, schapen- en varkensstallen, en de voormalige kloosterkerk die dienst deed als schuur. De overige gebouwen van het klooster waren verdeeld tussen twee andere pachters.

Paul Gericke (1817 - 1831)

Johan Everhard Paul Ernst Gericke was afkomstig uit het Duitse stadje Kleve en had carrière gemaakt als ambtenaar, eerst in dienst van de Pruisische koning, later van Napoleon en ten slotte van de Nederlandse koning Willem I. In 1816 werd hij benoemd tot directeur van de 'achtste directie der konvooien en licenten', bevoegd voor de provincies Luik en Limburg. Hij zou kort daarna het voormalige kartuizerklooster te Zelem hebben aangekocht om het in te richten als zomerverblijf. Hij liet daartoe de oostelijke vleugel van het klooster volledig vernieuwen en brak (ca. 1820) de kerk af om plaats te ruimen voor een koetshuis en een stal. De overige delen bleven verpacht.

In 1824 werd Gericke op een hogere post benoemd en verhuisde hij naar Den Haag, en in 1839 zou ten slotte benoemd worden tot provinciegouverneur van Nederlands-Limburg. Hij werd geadeld en voegde aan zijn familienaam het adellijke suffix van Herwijnen toe.

Na de Belgische omwenteling in 1830 moest Gericke, vertegenwoordiger van de Nederlandse koning Willem I, zijn bezittingen in België verkopen, waaronder het Sint-Jansberg klooster.

Hubert François Fischbach-Malacord (1831 - 1862)

Hubert François Fischbach werd geboren te Stavelot op 29 maart 1798, als zoon van Jean Nicolas Fischbach en Anne Elisabeth Thérèse Malacord. Hij stamde uit een rijke leerlooiersfamilie, en zowel zijn vader als zijn grootvader werden burgemeester van Stavelot. Na studies aan de universiteiten van Würzburg en Heidelberg werd ook hij handelaar-leerlooier.

Tijdens het Hollands Bewind werd hij tot burgemeester benoemd van de gemeenten Chevron, Ernonheid, Ferrières en Werbomont, allen gelegen in de provincie Luik, ten westen van Stavelot tegen de grens met de provincie Luxemburg. In 1830 werd hij geadeld en mag hij aan zijn naam de familienaam van zijn moeder toevoegen.

In 1831 kocht Hubert François Fischbach-Malacord van Paul Gericke het Sint-Jansbergklooster te Zelem met zijn aanhorigheden aan voor de prijs van 85.500 Nederlandse gulden (fl). Hij zou er ook effectief met zijn vrouw Julie Edward gaan wonen.

In het Rijksarchief te Hasselt wordt een lijst bewaard d.d. 21 juli 1834 van de personen die tot het huishouden van Hubert François Fischbach-Malacord behoorden:

  1. Hubert François Fischbach-Malacord, °Stavelot 29-03-1798, négociant et propriétaire (handelaar en eigenaar);
  2. Elisabeth Clotilde Julie Edward, ° Bordeaux 22-05-1802 (echtgenote);
  3. Jean Baptiste Forette, ° Liège 1798, domestique (dienstbode);
  4. Henricus Macors, ° Herk-de-Stad 1800, domestique;
  5. Barthélemy Longrée,° Crehen 1807, domestique;
  6. Waltherus Mathys,° Donk 1799, domestique (Waltherus Mathys was de broer van Martinus Mathys, de stichter van de vernis- (en later verf)fabriek te Zelem);
  7. Maria Theresia Vanderhoeven, * Linkhout 1794, domestique;

Twaalf jaar later (in 1846) zag zijn huishouding er helemaal anders uit:

  1. Hubert François Fischbach-Malacord, 48 jaar oud, geboren te Stavelot, rentenier;
  2. Joséphine Braconier, 23 jaar oud, geboren te Luik, echtgenote; (Zijn eerste echtgenote, Julie Edward, overleed te Zelem op 30 december 1840. Hij hertrouwde in 1843 met Marie Louise Joséphine Braconier, dochter van de burgemeester van Tilleur en steenkoolmijnexploitant).
  3. Jan Haesen, 38 jaar oud, geboren te Maastricht, koetsier;
  4. Romain Milcamps, 50 jaar oud, geboren te Rouveroy, kok;
  5. August Vaes, 25 jaar oud, geboren te Zelem, tafelgast;
  6. Lambertus Linnebrits, 18 jaar oud, geboren te Sint-Truiden, tafelgast;
  7. Wilhelmena Musser, 26 jaar oud, afkomstig uit Westfalen (Pruisland), gouvernante;
  8. Antoinette Beeken, 26 jaar oud, geboren te Hasselt, kamenierster;
  9. Hubertina Dewinter, 24 jaar oud, geboren te Maastricht, linnenmeid (lingère);
  10. Marie Joi, 34 jaar oud, geboren te Orye, keukenmeid;
  11. Carolina Goossens, 24 jaar oud, geboren te Zelem, kuismeid.

Een hele hofhouding, een 19e eeuwse kasteelheer waardig!

Hezermolen

Hubert François Fischbach-Malacord werd in 1837 burgemeester van Zelem en zou dit blijven tot aan zijn dood in 1862. In datzelfde jaar 1837 werd hij ook verkozen tot katholiek provincieraadslid voor het kanton Herk-de-Stad. Van 1847 tot 1848 is hij korte tijd lid van de bestendige deputatie van de provincie Limburg. Zijn belangstelling voor monumenten - in een provincieraadszitting van 1846 verklaart hij zich "grand partisan de la conservation des monuments de l'art" - zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat hij een middeleeuws kartuizerklooster kiest als residentie en bepaalde gedeelten mooi laat decoreren.

Hubert François Fischbach-Malacord bezat te Zelem nog andere goederen, waaronder de hoeve Oude Pastorij (de Donkelhoeve), de hoeve Grasop (was gelegen in de hoek van het Kerkepad met de Dorpsstraat) en de Hezermolen (samen met de molenaarswoning - Zie foto hiernaast). In 1859 adopteerde hij zijn petekind Hubert François David, een zoon van zijn zuster. Hij stierf te Zelem in zijn kasteel "Château de Mont-Saint-Jean" op 28 september 1862, 65 jaar oud.

Kapel op Sint-Jansberg

Mont Saint-Jean

In de 19e eeuw werd hier een nieuwe toegang tot het adellijke domein aangelegd. Zo arriveerde de bezoeker rechtstreeks in het "klein pand" van het voormalige klooster.

De toegangspoort nu

(Hierboven: de toegangspoort nu).

Hubert François David Fischbach-Malacord (1862 - 1866)

Hubert François David Fischbach-Malacord was de adoptiefzoon van Hubert François Fischbach-Malacord en de zoon van zijn zuster. Toen zijn oom hem in 1862 het Sint-Jansbergkasteel te Zelem naliet, was hij burgemeester van Ferrières (in de provincie Luik). Hij had blijkbaar weinig interesse voor het kasteel in Zelem dat hij na amper vier jaar verkocht.

Ferdinand del Marmol (1867 - 1883) en Xavier Thibaut (1883 - 1896)

Ferdinand del Marmol en Xavier Thibaut resideerden zelf niet in het Sint-Jansbergkasteel, maar benutten het opnieuw als buitenverblijf. Zij gaven het in bewaring aan een rentmeester, een conciërge, een boswachter, die met hun gezin ook op het kasteeldomein woonden, of verhuurden het (zoals trouwens nog andere gedeelten van de vroegere kartuizerij).

Lijst van bewoners van het Sint-Jansbergkasteel volgens de bevolkingsregisters van de gemeente Zeelhem:

Over Ferdinand Eugène del Marmol hebben we weinig informatie. Hij zou geboren zijn te Saint-Marc in 1807 en gestorven te Namen in 1892. Hij was een verre nazaat van Andreas del Marmol, die in de 17e eeuw uit Andalusië naar de Nederlanden kwam. Hij kocht het Sint-Jansbergkasteel op 15 december 1866 van Hubert François David Fischbach-Malacord.

Xavier Thibaut (1843 - 1911), die gehuwd was met Elvire Eloin (1839 - 1902), was nijveraar te Jambes en lid van de bestendige deputatie van de provincie Namen. In Zelem werd naar hem de Thibautstraat genoemd, een eikendreef gelegen in de nabijheid van een oud jachtpaviljoen dat Thibaut in 1900 aan de gemeente verkocht en dat toen dienst deed als meisjesschool. Het zou de kern gaan vormen van het latere weeshuis van de Zusters van Sint-Vincentius a Paulo. Xavier Thibaut werd in 1906 in de adelstand verheven; zijn nakomelingen gaan door het leven onder de naam Thibaut de Maisières.

De auteurs van het boek "De kartuizers en hun klooster te Zelem", vermelden nog een andere eigenaar van het Sint-Jansbergkasteel, nl. een zekere baron de Montfort, maar spreken elkaar onderling tegen wat het tijdstip betreft en voeren ook geen bewijs aan voor hun stelling. Robert Van de Ven, stadsarchivaris van Diest, schrijft op blz. 55 van het boek: "Tot aan de eerste wereldoorlog waren de gebouwen achtereenvolgens in het bezit van baron de Montfort en senator Whettnall". Michel Van der Eycken, rijksarchivaris te Hasselt, schrijft op blz. 43: "In 1914 behoorde het kasteel toe aan baron de Montfort".

Volgens onze eigen opzoekingen is er echter nooit een baron de Montfort eigenaar geweest van het Sint-Jansbergkasteel te Zelem, tenzij deze edelman het kasteel zou gekocht hebben van Xavier Thibaut en korte tijd nadien opnieuw verkocht aan baron Whettnall zonder er zelf ooit verbleven te hebben. Alleen de notariële akten van aan- en verkoop kunnen hierover uitsluitsel geven. Waar vernoemde auteurs hun informatie haalden, is ons niet bekend: de bronvermeldingen in het boek zijn op dit punt onduidelijk.

Baron Edmond Whettnall (1896 - 1913)

Met de komst van baron Whettnall krijgen we opnieuw een eigenaar die ook zelf in het kasteel woonde. Edmond Charles Toussaint Marie Whettnall werd geborgen te Luik op 1 november 1843. Hij was de zoon van baron Charles Whettnall en Anne Françoise Antoinette Travers. Zijn vader was een Engelse industrieel, die naar het voorbeeld van John Cockerill zijn geluk in de Luikse kolen- en staalindustrie was komen beproeven. En met succes, want hij werd in 1851 voor zijn inspanningen beloond met de erfelijke titel van baron.

Edmond studeerde aan de Universiteit van Luik en behaalde een kandidaatsdiploma in de Letteren en Wijsbegeerte en in de Rechten. Hij huwde in 1866 met gravin Nathalie Marie d'Oultremont, een afstammelinge uit een oude adellijke Belgische familie. Het jonge echtpaar nam zijn intrek in het mooie familiekasteel van Nieuwenhoven te Melveren bij Sint-Truiden. Baron Whettnall en gravin d'Oultremont kregen samen minstens twee dochters: Mathilde en Charlotte. Deze laatste zou te Zelem overlijden in 1901.

In 1896 werd baron Edmond Whettnall burgemeester van het nabij gelegen dorp Nieuwerkerken. Hij zou dit ambt blijven uitoefenen tot in 1899. Van 1874 tot 1887 zetelde hij tevens in de Limburgse provincieraad en van 1887 tot aan zijn dood was hij senator voor de Katholieke Partij.

Baron Whettnall koopt na de dood van zijn echtgenote het Sint-Jansbergkasteel in Zelem en neemt er ook zijn intrek. We schrijven 11 augustus 1896. Hij liet tegen het plafond van de kapel (de voormalige kapittelzaal van het kartuizerklooster) zijn wapenschild en dat van zijn overleden echtgenote aanbrengen. Het betreft twee gekroonde schilden en een banderol met een wapenspreuk.

In de kerk van Zelem bevinden zich ook nog de twee zijaltaren die baron Whettnall in 1899 aan de parochiegemeenschap heeft geschonken (met inscriptie in de rechter zijkant van het linker altaar).

Baron Edmond Whettnall overleed te Brussel op 28 maart 1913. Hij werd bijgezet in de familiegrafkelder te Melveren.

Volgens het bevolkingsregister van de gemeente Zeelhem 1901-1910 woonden de volgende personen in 1901 op het Sint-Jansbergkasteel:

  1. Edmond Charles Toussaint Marie Baron Whettnall, geboren te Luik in 1843, eigenaar, weduwnaar van Nathalie Marie Gravin d'Oultremont;
  2. Pauline Alexandrine Ponchau, geboren te Papignies in 1856, bestierster van het kasteel;
  3. Frans Houben, geboren te Koersel in 1847, knecht;
  4. Victor Lambert Donné, geboren te Stevoort in 1874, knecht;
  5. Pieter Jan Bijnens, geboren te Kermt in 1875, koetsier.

Naast het inwonend dienstpersoneel waren er ongetwijfeld nog vele anderen die op één of andere wijze voor de baron werkten als keukenpersoneel, hovenier, boswachter, e.d.m.

Majoor Ablay en de gebroeders Ullens de Schooten (1914 - 1919)

Na de dood van baron Edmond Whettnall werd het kasteeldomein in 1914 verkocht aan zijn schoonzoon Paul Ablay, gehuwd met barones Mathilde Whettnall, voor de som van 179.000 Fr. Zij hebben er evenwel nooit gewoond.

Van Paul Ablay weten we enkel dat hij majoor was bij het 2e Regiment Gidsen van het Belgisch Leger op het ogenblik van het overlijden van baron Whettnall.

De openbare verkoop vond wellicht plaats om de belangen van de kleinkinderen van de baron, uit het huwelijk van zijn overleden dochter Charlotte (+ 1901) met jonkheer Charles Ullens de Schooten veilig te stellen. Deze woonden reeds bij hun grootvader op het kasteel sedert 1908 (nadat vermoedelijk ook hun vader was gestorven).

Charles Ullens de Schooten, volksvertegenwoordiger en grondeigenaar, en Charlotte Whettnall hadden volgende kinderen:

Jean en Edouard Ullens de Schooten waren beiden oorlogsvrijwilliger in 1914 - 1918. Antoine zou na de oorlog advocaat worden en zijn twee broers gingen in diplomatieke dienst.

Na de eerste wereldoorlog zou een zekere De Keyser, een houthandelaar uit Leuven, het mooie kasteelpark volledig kaalkappen. Hij liet er honderden beuken, eiken, kanstanjelaren en andere prachtige bomen vellen en wegslepen naar het station van Zelem. Volgens geruchten die destijds in het dorp de ronde deden, zou hij met de opbrengst van het hout alleen het volledige aankoopbedrag van het kasteeldomein terugverdiend hebben. Of hij ook werkelijk eigenaar is geweest van het Sint-Jansbergkasteel, weten we echter niet.

Wel met zekerheid weten we dat de gebroeders Ullens de Schooten nog tot in 1924 een woning op de Sint-Jansberg hadden. Het huis werd bewoond door hun jachtwachter Desiré Sannen, terwijl zijzelf meestal in het Brussels vertoefden. En Jean en Edouard hielden zelfs tot aan de tweede wereldoorlog hun domicilie op de Sint-Jansberg in Zelem.

De periode van de ambachtsschool (1919 - 1928)

Na het overlijden van baron Whettnall, de eerste wereldoorlog en de kaalkap van de Sint-Jansberg begon men in Zelem te wanhopen over het toenemende verval van het kasteeldomein. Het initiatief van enkele katholieke notabelen om in de gebouwen van het vroegere kartuizerklooster een ambachtsschool in te richten werd dan ook enthousiast onthaald. Men wilde het domein dienstbaar maken voor de beroepsopleiding en de opvoeding van de volksjeugd. Om dit te realiseren werd een comité opgericht, met als leden Monseigneur Broekx, burgemeester van Zelem en volksvertegenwoordiger Jan Ramaekers, de pastoor van Berbroek en Hendrik Jacobs, ontvanger van de gemeente Zelem. Zij kochten in 1919 met de steun van het Limburgse provinciebestuur het voormalige kloostercomplex aan voor de som van 450.000 Fr.

Dadelijk werd met de verbouwing begonnen, zodat de ambachtsschool met een internaat voor Limburgse weesjongens eind 1920 haar deuren kon openen. Vanaf hun 14e jaar zouden de jongens uit de omtrek van Zelem er terecht kunnen om er een stiel aan te leren of om zich te bekwamen in de verschillende takken van de land- en tuinbouw. Naast de afdelingen land- en tuinbouw was er een afdeling houtbewerking, paswerk, mecanicien-velomaker en vanaf 1923 ook elektriciteit. Tevens zou er veel aandacht besteed worden aan algemene vorming en de ontwikkeling van de kunstzin (muziek, tekenen, letterkunde). Het Ministerie van Landbouw, de Boerenbond en de Faculteit Landbouw van de Leuvense Universiteit met haar proefvelden zouden als raadgevers fungeren. Verder zou de opbrengst van de omheinde moestuin (1 ha groot), de boomgaard (8 ha groot), het neerhof, de bijenkorven, de landbouw en de veeteelt dienen tot onderhoud van de weesjongens in het internaat, zodat ook deze zich zouden kunnen bekwamen in de ambachtsschool.

Ook de leerlingen van de hoogste klas (vierde graad) van de Zelemse gemeenteschool en van de twee klassen (tweede en derde graad) van de vrije lagere jongensschool zouden onderdak vinden op de Sint-Jansberg.

Voor het beheer van de ambachtsschool met zijn internaat werd de v.z.w. "Jeugdopleiding" opgericht, waarvan de statuten op 20 oktober 1922 in het Belgisch Staatsblad verschenen. Als directeur werd E.H. Lucien Ramaekers, zoon van burgemeester Jan Ramaekers, aangesteld. Voor het onderwijs werd een beroep gedaan op de Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid, bijgestaan door meerdere leken.

Sint-Jansberg ten tijde van de Ambachtsschool

Volgens Inge Roosen zou de genoemde broederscongregatie haar onderwijsopdracht in de Zelemse ambachtsschool ingevolge een aantal misbruiken stopzetten in juli 1924. De school zelf zou nog enkele jaren voortbestaan tot de deuren tijdens het schooljaar 1927-1928 definitief werden gesloten na een bijzonder tragisch voorval: één van de weesjongens werd er door een andere jongen om het leven gebracht. Verder onderzoek moet nog duidelijkheid brengen over de juiste identiteit van de dader en het slachtoffer. De Sint-Jansberg te Zelem stond opnieuw te koop.

Dominicanessen (1928 - 1993)

Algemeen

In 1928 komen 7 zusters van de orde van Sint-Dominicus uit Dinant naar het klooster in Zelem. Ze stichten er het "Monasterium Corpus Christi". Dominicanen en ook dominicanessen schrijven achter hun naam o.p., afkorting van "ordinis praedicatorum". Hun officiële benaming is "predikbroeders" of "predikheren". Hun gebruikelijke benaming ontlenen ze aan hun stichter, de heilige Dominicus de Guzman. Deze zusters zijn slotzusters, wat inhoudt dat ze geen contact onderhouden met de buitenwereld. Enkel de buitenzuster heeft contact met mensen van buiten het klooster.

De eerste tientallen jaren worden meteen in grote financiële moeilijkheden doorgebracht. Daardoor waren er niet veel mogelijkheden om ingrepen aan de gebouwen te verrichten.

Alles samen zullen er 37 slotzusters in het klooster wonen. Om in hun onderhoud te voorzien organiseren ze retraites voor vrouwen en worden er hosties gemaakt voor verschillende parochies in de buurt. Zuster Maria-Cristina geeft enkele religieuze werkjes uit.

Op 28 januari 1983 wordt de laatste zuster, Zuster Ann Marie, in Zelem geprofest. Het onderhoud van het klooster wordt te zwaar voor de bejaarde zusters en onder leiding van zuster Ann verhuizen ze in 1993 naar Kontich, bij Antwerpen.

Sint-Jansberg ten tijde van de Dominicanessen

Beknopte historiek van de Zelemse dominicanessen

In juni 1927 ondernam de priorin van het Dinantse dominicanessenklooster Bethlehem een reis door Limburg om een geschikte vestigingsplaats te zoeken voor de stichting van een Vlaams slotklooster van haar orde. Haar keuze viel op het leegstaande kasteel van de familie de MeeŻs in het landelijke Kermt, nabij Hasselt. Het werd de eerste stichting van contemplatieve dominicanessen op Vlaamse bodem sinds de opheffing van de monasteria door keizer Jozef II en de verordeningen van de Franse revolutionairen. Louis-Jozef Kerkhofs, bisschop van Luik, keurde de stichting op 29 augustus 1927 goed en in september 1927 arriveerde de kloostercommuniteit in Kermt. Het kasteel werd voor drie jaar gehuurd. Nadien zouden de zusters, met medewerking van Pieter Jan Broekx en diens rechterhand Georges de Schaetzen een nieuwe stichting in het Genkse doen. De inplanting van een contemplatieve gemeenschap in de sterk evoluerende mijnwerkersregio paste immers volledig in de visie van beide Limburgse voormannen van de christelijke sociale werken. Een slotklooster werd gezien als een stevig wapen in de strijd tegen mogelijke geloofsafval en socialistische sympathieŽn onder de mijnwerkers.

De stichting in Kermt werd echter nog voor het beŽindigen van het driejarige huurcontract opgeheven en voorbereidingen voor de overbrenging naar Genk werden gestart. Op 11 januari 1928 ontvingen de zusters de toelating het kloosterslot daartoe op te heffen. Ongeveer gelijktijdig met de toezegging voor de overbrenging van de communiteit naar Genk, benoemde het bisdom een nieuwe rector voor de slotzusters. De priester Luciaan Ramaekers, gewezen leraar aan het college van Peer en zoon van Jan Ramaekers, burgemeester van Zelem en volksvertegenwoordiger, was tot 1927 directeur van de technische school in Zelem.

Die school was gelegen op de Sint-Jansberg, een plek die gedurende eeuwen een oord van bezinning en van intens kloosterleven was geweest. In 1920 kocht de vzw Jeugdopleiding van het bisdom Luik de oude kloostergebouwen aan voor de oprichting van een vakschool voor tuinders en handwerkers. Bij gebrek aan voldoende leerlingen sloot de instelling in 1927 haar deuren. Rector Ramaekers kon de dominicanessen overhalen hun monasterium niet, zoals voorzien, naar Genk, maar naar Zelem over te brengen. Op 8 augustus 1928 trok de communiteit in de oude kartuizerpriorij in.

De Dominicanessen voor hun "nieuwe" klooster te Zelem

(Hiernaast: de dominicanessen voor hun “nieuwe” klooster in Zelem in 1928).

In 1993 voldeed de oude en historische priorij niet meer aan de zorgbehoeften van de sterk vergrijzende gemeenschap. Verbouwing en aanpassing van de gebouwen brachten een te hoge kostprijs met zich mee. Opnieuw besloot de gemeenschap, onder leiding van zuster Ann-Marie van Jezusí Liefdevol Hart (Halwyn), laatst gekozen priorin van Corpus Christi, nieuwe oorden op te zoeken. Die vonden de monialen van Sint-Dominicus in het Antwerpse Kontich. De zusters kenden dus tijdens hun nagenoeg 100-jarige bestaan een viertal vestigingsplaatsen. Hun verhaal herinnert aan dat van de heilige Dominicus als Wanderprediger, rondtrekkend verkondiger. In februari 2005 werd de gemeenschap van de dominicanessen definitief ontbonden. De oudere zusters verblijven momenteel in kloosterverzorgingstehuizen in Nukerke en Westmalle. Enkele zusters, waaronder de priorin, gaan gedurende een jaar in sabbat en zoeken daarna aansluiting bij een andere dominicaanse gemeenschap.

Het archief van de Dominicanessen

Het archief van de dominicaanse slotzusters is eerder beperkt qua omvang vermits het hier, in vergelijking met de meeste andere kloostergemeenschappen, om een vrij jonge stichting gaat (1927). Inhoudelijk is het daarentegen uiterst rijk. Het archief werd doorheen de jaren steeds met grote zorg bijgehouden. Interessant zijn de kloosterkronieken die een goede kijk geven op het leven van een contemplatieve gemeenschap. De briefwisseling die werd gevoerd met bestuurlijke verantwoordelijken van de dominicaner orde (pater Van Nueten, pater Van den Wildenberg) en van de bisdommen Luik en Hasselt (kanunnik Pluymers, kanunnik Brepoels) vormen daarop een boeiende aanvulling. Over de diverse zusters van het monasterium Corpus Christi liggen tal van gegevens in de archiefbescheiden vervat, o.a. in de individuele persoonsdossiers en de professieregisters. De bescheiden van boekhoudkundige aard belichten de financiŽle draagkracht van de communiteit. De zusters haalden hun inkomsten voornamelijk uit de hostiebakkerij, het verzorgen van retraitedagen en de verkoop van spreuken- en dichtbundels van zuster Maria Christina van de Heilige Geest (Goddefroy).

Het dagelijkse leven van de zusters

(Hierboven: deze foto en de hiernavolgende dateren alle van 1941. Ze geven een beeld van het dagelijkse leven van de zusters: hier op hun erf...)

Naast de klassieke kloostergeschiedenis laten de bescheiden toe diverse andere themaís te belichten, bv. de organisatie van het dagelijks leven van de beschouwende communiteit, het geestelijke en devotionele leven van de zusters, de zorg die zij besteedden aan bidacties voor diverse missie- en apostolaatswerken, de omgang met en zorg voor zieke en oudere medezusters, de bestaansmiddelen van de gemeenschap enz. Ook inzake de contacten met de dominicaanse familie wereldwijd zal de geÔnteresseerde onderzoeker zijn gading vinden. Zeker vermeldenswaard is de uitgebreide briefwisseling die de zusters voerden met het monasterium van Morioka in Japan, eveneens een stichting vanuit het klooster Bethlehem te Dinant.

Naast het archief werd ook een gedeelte van de kloosterbibliotheek aan KADOC overgedragen. Die werken vormen een interessante aanvulling op onze collectie, in het bijzonder met betrekking tot de geschiedenis van de dominicaanse familie in Vlaanderen en WalloniŽ.

In tegenstelling tot wat men doorgaans verwacht van een beschouwende en gesloten kloostergemeenschap, beschikte het monasterium Corpus Christi ook over een mooie en uitgebreide verzameling fotoís, voornamelijk gemaakt door zuster Emmanuel Bourgoy. Niet alleen wordt de geschiedenis van de communiteit rijkelijk gedocumenteerd door archiefbescheiden; aan de hand van de talrijke fotoalbums wordt ze bovendien ook mooi gevisualiseerd.

Zusters in de hostiebakkerij

(Hierboven: in de hostiebakkerij...)

Een zuster in haar eenvoudige cel

(Hierboven: een zuster in haar eenvoudige cel.)

(W - Z) Repertorium van kloosters, priorijen en abdijen van vrouwelijke religieuzen in Limburg (met vermelding van de twee kloosters te Zelem).

Literatuurlijst over de Zelemse kloosters

Zusters van de H. Vincentius a Paulo, van Deinze: Bevingen, Gingelom, Kerkom, Linkhout, Meldert, Peer, Wijchmaal, Zelem:

Lit.:H. TIMMERS, Congregatie St.-Vincentius a Paulo nam afscheid van Wijchmaal, in: Sprokkelingen, 22, 1999, blz. 82-95; M. DE MEULEMEESTER, Geschiedenis der Zusters van St. Vincentius te Deinze. Leuven, 1946; F. MICHEM, Congregatie Zusters van de Heilige Vincentius te Deinze (1837-1987). Tielt, 1987; K. RYMEN, De geschiedenis van het Kindertehuis St.-Vincentius a Paulo te Zelem, in: Ons Zelems Erfgoed, 1992, blz. 8-42; K. RYMEN, Congregatie Zusters Vincentius a Paulo verlieten Zelem, in: Ons Zelems Erfgoed, 1995-1996, blz. 29-32.

Dominicanessen, van Dinant: Kermt, Zelem

Lit.:J. LUYTEN, Dominicanessen in Kermt. Slotklooster op Limburgse bodem (1927-1928), in: Limburg - Het Oude Land van Loon, 81, 2002, blz. 71-93; K. RYMEN, De Dominicanessen en hun klooster 'Corpus Christi' te Zelem (1928-1993), in: Ons Zelems Erfgoed, 1994, blz. 21-47, 1995-1996, blz. 9-28.

Huidige situatie

Na een jaar leegstand werd het klooster in 1994 gekocht door bvba de Kartuizer, dat er onder leiding van Luk Matthijs evenementen, seminaries en feesten organiseert. Verder is er ook een gezellige taverne en een antiekzaak.