ons dorp - focus


Welkom in Zelem!

           
banner
Merovingische koningen
Zelem - Geografisch
Zelem - Historisch
Zelem - Bezienswaardigheden
Home

Zelem - Het Frankische en Karolingische tijdperk (476 n. C 987 n. C)

Woord vooraf

In het vorige hoofdstuk over de Romeinse periode, konden we al lezen dat vanaf de 3e eeuw n. C er zich stelselmatig Germanen vestigden in onze contreien. Er werden immers te Donk (Herk-de-Stad) te samen met de Romeinse vondsten ook Germaanse vondsten gedaan (deze worden ook beschreven in het rapport dat we als pdf-document toevoegden aan het vorige hoofdstuk). De eerste Germanen die naar hier kwamen, waren de zogenaamde Salische Franken. Uit het artikel hieronder blijkt dat de naam Zelem een Frankische oorsprong heeft.

De Franken stonden bekend om hun dapperheid

Uit 's Lands Glorie: Onder de Germaanse volken die dicht bij onze grenzen leefden, bevonden zich de Franken. Hun krijgslieden droegen een korte strijdbijl en waren om hun dapperheid beroemd.

De Franken - Algemeen

Wellicht vormt de naam Franken de verzamelnaam voor verschillende Germaanse stammen zoals de Amsvarii en Chattuari, die we voor de derde eeuw wel in de geschreven bronnen tegenkomen en die na de derde eeuw CE (Christian Era) uit de teksten verdwijnen. (Wood, 1994, pp 35-36).

Ondanks het belang van het Frankenvolk in de vroege middeleeuwen, blijven ze over het algemeen in het donker gehuld. Ze verschijnen pas in de derde eeuw CE voor het eerst in de historische bronnen. Dan bezetten ze een gebied van de Bovenrijn tot de Elbe.

De Merovingische periode (450-751 CE) luidt de vroege middeleeuwen in in onze gewesten. Het is de periode in de West-Europese geschiedenis na de val van Rome waarin de Franken, een Germaans volk, geleidelijk de macht naar zich toe weten te trekken. Hun hoogtepunt bereikten ze in de daarop volgende Karolingische periode (751-987 CE), waarin ze quasi heel West-Europa zouden domineren.

Merovech, de legendarische koning van de Salische Franken.

De Merovingische dynastie dankt zijn naam aan Merovech, een min of meer legendarische koning van de Salische Franken van 447 tot 457 CE.

Vanaf de Republikeinse periode waren er reeds conflicten tussen Romeinen en Germanen. De eerste confrontatie met de Franken vond plaats in het midden van de 3e eeuw CE.

Tussen 256-260 CE breken Franken verscheidene keren via niet bewaakte routes door de Rijndefensies en al plunderend zaaien ze een spoor van vernieling in het Romeinse achterland. Tot dan hanteerde Rome een politiek die er op gericht was de Germanen koste wat het kost uit hun rijksgrenzen te weren.

In het midden van de derde eeuw CE moeten ze deze tactiek noodgedwongen aanpassen. Keizer Maximianus slaagt er in 287 CE wel nog in de Franken te overwinnen en tot de Midden-Rijn nabij Keulen terug te dringen, maar hij kon niet beletten dat er zich Franken op de Betuwe aan de Rijn en Scheldemonding vestigden.

In het begin van de vierde eeuw CE versterkt Constantijn De Grote, de Rijndefensie en annexeert hij de Franken opnieuw in bij het Romeinse Rijk waarin ze als laeti worden geduld. Hetzelfde gebeurde met andere Germaanse stammen. Door ze aan de grenzen van het rijk te tolereren fungeerden deze Germaanse stammen zelf als een buffer tegen andere Germaanse invallers. De rust kon hierdoor even in het rijk terug keren. Dit was maar tijdelijk. Reeds rond 350 CE vestigden de Salische of Westfranken zich in deze oorden, omtrent een plaats Toxandrië geheten (huidige Kempen).

Veel geschiedschrijvers houden dit TOXANDRIA of TAXANDRIA voor het gebied van de hedendaagse Kempen. Men zoekt daarvan o.a. een bewijs in de naam van het huidige Tessenderlo, dat afgeleid is van het Latijn "apud Taxandriul Locum".

Keizer Juliaan de Apostaat, laat hun Taxandrië in 358. Ze sloten een nieuw verbond met Rome wat hen het statuut van Foederatie opleverde en dus tot de officiële verdedigers van het Romeinse Rijk maakten. De Salische Franken zakken in 406 volop af naar Dijle-, Demer- en Zennestreek, en zij bereiken het Kolenwoud. Het ging hen niet al te lastig af omdat de Romeinen het land maar oppervlakkig bezet hielden. De Franken waren hoofdzakelijk landbouwers en veetelers: zij vonden hier hun gading.

Het Germaanse rijk na de val van het West-Romeinse rijk in 476.

Het Germaanse rijk na de val van het West-Romeinse Rijk in 476.

Tijdens een algemene volksvergadering werd een eerste koning gekozen, Pharamund, alhoewel velen eraan twijfelen dat hij wel bestaan heeft.

Maar we kunnen beter Edward van Even laten vertellen in zijn "Geschiedenis der stad Diest":

Fragment uit "Geschiedenis der stad Diest" door Edward van Even.

Mogelijk hier in Zelem?

Tekst Frankisch kampement

In Linkhout, een verheven terrein met een oppervlakte van 10 tot 12 hectaren, geschikt voor een verblijf, gaat door voor de basis van een Salisch kamp en draagt de naam "Kampbergen".*

(*) Zie de sporthal te Zelem "De Kambergen": het terrein, de afgegraven zandberg is beter gekend als de "Kampbergen".

Fragment uit "Aloude staat en geschiedenis van het vaderlands" (1849)

Uit "Aloude staat en geschiedenis van het vaderlands" (1849).

Tekstfragment, geschiedenis der Franken
Bij de Franken was het de gewoonte de verkozen koning op een schild te hijsen, ondersteund door de "aanzienlijksten der natie", en hem zo driemaal rond de verzamelde menigte te dragen (Edward van Even). Hier Childerik I:
Afbeelding van Childerik I ('s Lands Glorie)

Uit 's Lands Glorie: Childeric, de zoon van Meroveus (?), werd in de 5e eeuw koning der Franken. Het is te Doornik dat hij op het schild gezet werd, dit was de Frankische manier om een koning uit te roepen.

Childerik (gest. ca. 481), koning der Franken, was hoofd van het deel van de Salische Franken dat rondom de Gallo-Romeinse civitas Doornik was gevestigd. Tot aan zijn dood bleef hij een foederatus in dienst van Rome. Zijn zoon Chlodovech I volgde hem op. Childeriks graf werd in 1653 te Doornik ontdekt. Het bevatte interessante kunstschatten uit de Merovingische tijd, die gedeeltelijk bewaard zijn gebleven (Bibliothèque Nationale, Parijs) en het maakte het in de toekomst mogelijk om gelijksoortige vondsten te dateren.

Fragment uit de geschiedenis van Diest, Edward van Even.vervolg tekst

Edward van Even linkt dus de naam 'Dispargum' aan de stad Diest (zie Geschiedenis der stad Diest, lees hier de volledige tekst), ook andere schrijvers doen dit.

Dispargum

Fragment uit "Kronyk van Diest" (F.J. Raymaekers).

Uit "Kronyk van Diest" door F.J. Raymaekers.

Tekst die Dispargum ook aan Diest linkt.

Andere bron die de naam "Dispargum" aan Diest linkt.

Fragment uit "De heilige Trudo".

Uittreksel uit de publicatie "De heilige Trudo" (zie verder).

Kaart van Austrasië in 752.

Kaart van Austrasië in 752, met vermelding van "Dispargum". Volgens F.J. Raymaekers in zijn "Kronyk van Diest", en andere schrijvers, zou dit mogelijk Diest kunnen zijn. Dit wil zeggen dat het toenmalige Zelem en Diest in het "Kolenwoud" lagen.

Volgens bepaalde bronnen was "Dispargum" niet zo zeer een naam van een gebied, stad of dorp maar de naam van een burcht.

Betekenis van de naam Zelem gelinkt aan de Salische Frank, Saligast

Saligast wordt beschouwd als de eerste eigenaar van de woning van Adela en Wibo (de ouders van Sint-Trudo) alvorens ze de burcht van Zelem optrokken. Sommige bronnen linken daarom de naam Zelem aan deze belangrijke persoon, in plaats van aan het woord "salig", verwijzend naar de "salige Adela" (lees meer over Adela en Wibo verder in de tekst). Welke van de twee stellingen de juiste is, is niet met zekerheid te zeggen, maar wat waarschijnlijk wel klopt is dat deze Saligast een grootgrondbezitter in deze streken was. Vanuit die optiek geven we over hem ook een beschrijving in dit hoofdstuk en leggen we uit wat de verdienste van deze persoon is geweest voor onze gewesten.

Over de Salische wetten (Lex Salica) en de opstellers vinden we volgende teksten:

"Sunt autem electi de pluribus viri quatuor, Wisogast, Bodogast, Salogast et Windogast, in locis quibus nomen Salagheve, Bodogheve, et Windogheve".

"Namelijk de heer van Wieze, een strategische plaats, net als Bodegem (Brabant), Saleghem of Zeelhem (bij Diest) en Winden (Neer- en Overwinden) bij Tienen.

Lees meer: http://www.ondernemen.in/INFO_Wieze

"Ils choisirent quatre d'entre eux, nommés Wisogast, Bodogast, Salogast et Widogast, habitant les pays de Salehaim, Bodohaim, Widohaim, qui se réunirent pendant la durée de trois assises, discutèrent, avec le plus grand soin, les sources de toutes les difficultés qui pouvaient s'élever; et, traitant de chacune en particulier, rédigèrent la loi, telle que nous la possédons maintenant.

Lees meer: http://ledroitcriminel.free.fr/la_legislation_criminelle/anciens_textes/loi_salique.htm

Tekst uit de Salische wet.

In onderstaande uitgave:

Voorblad Biographie Liégeoise.

Lezen we het volgende:

Beschrijving Saligast in de Biographie Liégeoise.

430. Saligast, Salische Frank, woonde in Seleheim, bij Herck, in het graafschap Loon, en gaat door voor één van de vier opstellers van de Salische wetten.

In Die fränkischen und alemannischen Siedlungen in Gallien op blz. 29 lezen we het volgende:

Tekst die Saligast nogmaals aan Zelem linkt.

Op de website van de Mannenbond van Meldert lezen we het volgende:

Als tegen het einde van de 4e eeuw n. Chr. de Romeinen onze gewesten verlieten, werd gans de streek ingenomen door de Saal-Franken. Zelem dat vroeger "Saelheim" werd geschreven, betekent niets anders dan "verblijf van de Saliërs".

De afstammelingen van SALEGHART, een van de vier opstellers van de Salische Wet, hebben ongetwijfeld geruime tijd in ZELEM gewoond. Volgens de historici Courtjoie en Dirickx droeg deze plaats reeds in 650 de titel "graafschap". Ook MELDERT maakte daar lange tijd deel van uit. Het is pas in 1365 dat ons dorp als aparte heerlijkheid werd aangeduid. Het is ook waarschijnlijk dat MELDERT, omwille van deze scheiding, de pastoors van Zelem schadeloos moesten stellen. Hun werd 1/3 van de tienden toegekend, een recht dat zij tot aan de Franse revolutie bleven behouden.

MELDERT

Werd voor het eerst vermeld in 1099 als Meldreges, in 1155 als Melerd. Voormalige Loonse heerlijkheid, achtereenvolgens in het bezit van de familie van Lathem, van Bommershoven, van de Edelbampt, van Hulberg, van Voordt, de Lardenois de Volle, de Arrazola de Onate (tot 1796). Eigen schepenbank met Loonse rechtspraak, beroep bij het Hof van Vliermaal.

De parochie was afhankelijk van Zelem, ressorterend onder het bisdom Luik, aartsdiakonaat Kempen, dekenij Beringen. De St.-Willibrorduskapel wordt voor het eerst vermeld in 1365, met begevingsrecht bij de Heren van Meldert en het tiendrecht bij de abdis van Herkenrode en de pastoor van Zelem.

Wat is de Salische wet?

Handschrift Salische Wet

Links: Handschrift van de Salische Wet.

De Salische Wet was een van de eerste wetboeken sinds de Romeinen. Dit wetboek, in het Latijn Lex Salica, dateert uit het begin van de zesde eeuw, uit de tijd van de Merovingische koning Clovis, die tot de stam van de Salische Franken behoorde. In zijn rijk leefden verschillende stammen samen en hij liet een wet optekenen om de orde te kunnen handhaven. De Salische wetteksten gingen vooral over erfeniskwesties, diefstal, moord en geweldplegingen. De straffen waren bijna allemaal geldstraffen. Openbare aanklagers bestonden niet, enkel benadeelden of - bijvoorbeeld bij moord - hun familie, konden een klacht indienen.

De Salische Franken leefden voor de Grote Volksverhuizing rond de IJssel, maar zij verplaatsten zich aan het einde van het West-Romeinse Rijk naar Brabant en veroverden van daaruit Gallië. Na vereniging met de Ripuarische Franken werden onder Karel de Grote stammen in Duitsland, Zwitserland en Noord-Italië onderworpen. Hierdoor kwam een groot deel van West- Europa onder de Salische Wet.

De doodstraf kwam slechts voor in drie gevallen: indien men zonder enige aanleiding een moord pleegde, als men iemand verkrachtte, of als men de vrouw van zijn vader huwde. Zo was de boete voor een moord 200 solidi. Indien de beklaagde deze som niet kon betalen aan de familie, moest zijn familie hem helpen aan deze som te komen. Lukte dit niet, dan werd de beklaagde verbannen of werd hij een slaaf van de familie van de vermoorde.

De Salische Wet was een hele verbetering als geschreven wet vergeleken met voormalige ongeschreven wetten. Eerder lieten de Bourgondiërs en de Visigoten ook al wetten met betrekking tot hun Oudgermaans gewoonterecht codificeren (beschrijven). Voorheen gold ook het personaliteitsbeginsel, dat wil zeggen dat elke misdaad werd berecht volgens de regels van de eigen stam door de eigen stam, ook al was de daad elders gepleegd. De Salische Wet zorgde voor een meer uniforme rechtspraak. Geleidelijk aan werd de Salische Wet echter vervangen door modernere rechtssystemen. In de late middeleeuwen was zij zo goed als in de vergetelheid geraakt.

Opvallend is dat de Franken nog lang bij de dood van de regerende koning diens rijk gelijkelijk bleven verdelen onder diens zoons. Dit zou eeuwenlang beurtelings tot versnippering en hereniging van het Frankenrijk leiden. Pas nadat de Karolingers voorgoed uit de politiek verdwenen waren ging men over op erfrecht voor alleen de oudste zoon, het primogenituur.

Hoewel de Salische Wet in de latere Middeleeuwen zo goed als vergeten was, heeft het onderdeel over de mannelijke opvolging een opmerkelijke herleving ondergaan ten gevolge van de Honderdjarige Oorlog. Achter elkaar stierven in Frankrijk de drie broers Lodewijk X (1316), daarna Filips V (1322) en tenslotte Karel IV (1 februari 1328) en daarmee kon de koning van Engeland, die een zoon was van hun zuster, aanspraken maken op de troon. In alle Franse lenen was erfopvolging door vrouwen heel gewoon en het trouwen met een erfdochter was een belangrijk middel om de huismacht uit te breiden. Lodewijk X had een dochter (Johanna van Navarra), maar haar voogd had in haar naam afstand gedaan - van rechten die dus wel degelijk bestonden - om de opvolging van Filips V mogelijk te maken. De Franse adel zag in 1328 echter liever niet de Engelse en Franse kroon verenigd in één persoon, en zo ging de kroon naar een neef, die daarmee het huis van Valois op de troon van Frankrijk bracht. Aanvankelijk erkende Eduard III van Engeland deze op de troon, maar enige jaren later probeerde hij zijn Franse neef van diens Franse bezittingen vervallen te verklaren. Dit conflict was de aanleiding tot de Honderdjarige Oorlog, waarin Eduard zich alsnog tot koning van Frankrijk uitriep. In latere jaren doken juristen van het Franse Hof de Salische Wet uit de oude doos om de aanspraken van Valois en de gebeurtenissen van 1328 te rechtvaardigen. De Salische erfopvolgingswet werd daardoor een hoeksteen van het Franse koninkrijk en later ook van andere hoven.

België heeft het onderdeel over de erfopvolging van de Salische Wet als een van de laatste landen in Europa pas afgeschaft in 1991. Hierdoor kunnen nu ook vrouwen Koning der Belgen worden. In andere landen, zoals Nederland en het Verenigd Koninkrijk, is de wet al veel langer afgeschaft en zijn er dus al verschillende vrouwelijke koningen geweest. Zweden was ook vrij laat: in 1979. De inwoners van Denemarken stemden in juni 2009 tijdens een referendum in ruime meerderheid voor het afschaffen van de Salische erfopvolging. In Denemarken was dat op dat moment een louter theoretische kwestie: de erfopvolger van Margaretha II is haar oudste kind Frederik. Diens oudste kind is ook van het mannelijke geslacht: Christian.

Soms leidde de afschaffing van de Salische Wet tot heel wat controverse en zelfs tot verscheidene burgeroorlogen, zoals in Spanje. Daar werd de afschaffing ervan door Ferdinand VII betwist, wat leidde tot het ontstaan van het Carlisme en tot vier burgeroorlogen. Ook nu nog is de Salische Wet in beperkte mate in Spanje van kracht; alleen als een monarch geen zonen heeft, kan zijn dochter erven.

De Salische Wet was ook de reden dat de personele unie tussen het groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden werd beëindigd. Koning Willem III had immers geen mannelijke erfgenamen, en Luxemburg beriep zich op de Salische Wet om een mannelijke opvolger te eisen, zodat het uit de personele unie met Nederland kon stappen. In Nederland werd Wilhelmina Koningin. Deze gelegenheid werd aangegrepen om een andere tak van de familie Nassau op de troon te brengen in Luxemburg, namelijk Nassau-Weilburg.

Japan nam in 1889 in navolging van de grondwet van het Koninkrijk Pruisen de Salische erfopvolging op in de grondwet. Eerder waren er acht vrouwelijke keizers. De grondwet van 1947 verwijst naar de Wet op het Keizerlijk Huis, die nu de Salische Wet bevat. De regering van Japan heeft overwogen deze wet te amenderen toen het er op leek dat de zoons van keizer Akihito zelf geen mannelijke nakomelingen zouden krijgen. Na de geboorte van prins Hisahito in 2006 was dit in Japan geen onderwerp van discussie meer.

In de Lex Salica komen Frankische woorden voor en zelfs een enkel volledig zinnetje dat als de oudste zin in het Oudnederlands beschouwd wordt:

Maitho thi afrio lito: ik zeg je, ik maak (je) vrij, halfvrije.

Deze formule werd gebruikt bij de vrijlating van lijfeigenen. Taalkundig zijn deze restjes van de Frankische taal bijzonder belangrijk omdat de schrijftaal onder de Franken namelijk vrijwel uitsluitend Latijn was. Met volle steun van de Frankische koningen werd in de Karolingische tijd zelfs een oudere vorm van het Latijn aan de vergetelheid ontrukt en tot (broodnodig) bindend element van het Frankische Rijk gemaakt.

Lange tijd is gedacht dat het omstreden zinnetje hebban olla vogala uit de elfde eeuw het oudste overblijfsel is van de taalkundige voorouder van het Nederlands, maar de geschiedenis van het geschreven "Nederlands" gaat dus zeker nog een eeuw of vijf verder terug.

Betekenis van de naam Zelem gelinkt aan Sint-Adela

In de krant Het Nieuwsblad, lezen we op vrijdag 3 september 2010 het volgende:

"ZELEM - Het eerste deel van deze heem-naam komt van het Germaanse woord 'selich' of 'salich', gelukzalig. De burcht of oude kern van de vroegere heerlijkheid Zelem, nu deelgemeente van Halen lag destijds in een bocht van de Demer. De vroegmiddeleeuwse kern behoorde toen tot het abdijgoed van Sint-Truiden. Het 'zalige' karakter van deze nederzetting verwijst mogelijk naar Adela, de moeder van de heilige Trudo en patrones van Zelem, die er in de 7e eeuw in de kerk bij de villa van Zelem begraven werd. Heem is een Frankisch taalelement dat woning of woningplaats betekent. Zelem betekent dan ook zalige woning."

Sint-Adela († 644)

Beeldje van Sint-Adela, patrones van Zelem.

S. Adela, Oud Duits = de edele, edelgeborene - De hl. Adela was de moeder van hl. Trudo, ze stierf in het midden van de VIIe eeuw.

"Seelhem" werd op het einde van de VIe eeuw bewoond door Wibo of Wicbold, met (St) Adela, zijn echtgenote en ouders van (St) Trudo. Deze familie maakte deel uit van de meest nobelen onder de Franken, en men beweert dat ze deze van Saligast, een van de vier opstellers van de Salische wetten, opvolgden (zie hierboven). In de 17e eeuw, in de weiden tussen de kerk en de Demer, zag men nog stenen en resten van de funderingen van een oud en prachtig verblijf van de graven van die plaats.

(Vertaling uit het Frans uit Dewez, histoire de la Belgique, hieronder de originele tekst):

Fragment uit "Histoire de la Belgique" door Dewez.
Locatie van de oude burcht volgens J. Vrancken.

Locatie van de oude burcht volgens J. Vrancken.

De oude burcht en de oude kerk van Zelem

In De Geschiedenis van Zelem (ca. 1967, blz. 207-209) schrijft J. Vrancken dat de oude burcht van Zelem, waarvan de puinen nog in de 17e eeuw zichtbaar waren, in de weiden bij de Demer gestaan heeft en dat ook de vroegere kerk van Zelem, die in de 17e eeuw werd afgebroken, aan de oever van de Demer stond. Een 17e-eeuwse getuigenis hebben we nog in de Leges Salicae, de Salische Wetten (Antwerpen 1649) van Godfried Wendelinus. Deze schrijft dat te Zelem, tegenover de kerk, in de weiden bij de Demer, de bouwvallen, stenen en fundamenten van een zeer oud paleis te zien zijn.

Leges Salicae, blz. 104: "vicus Seleheim..., ex adverso Ecclesiae, in pratis ad Tameram visuntur Palatij antiquissimi rudera, lapidesque & fundamenta". Volgens Wendelinus was dit paleis de verblijfplaats geweest van de oude 'comites' (graven) van Zelem, o.a. van Wibo en Adela, de ouders van Sint-Trudo. Wendelinus, die afkomstig was van Herk-de-Stad en van 1620-1632 pastoor was van Geetbets, schrijft dat hijzelf rector was van het altaar in de kerk van Zelem waaronder de H. Adela werd begraven.

17e-eeuwse kaart van de Demer en zijn zijrivieren.

Kaart van begin 17e eeuw - De burcht van Zelem zou in een bocht van de Demer gelegen hebben (rode cirkel) tegenover de oude kerk. Op deze afbeelding was de kerk reeds verplaatst naar het centrum. Het vierkant bouwsel onder de rode cirkel is Sint-Jansberg.

De woning van Frank Saligast bleek ten deel te zijn gevallen aan Wibo en zijn vrouw Adela, ouders van (St) Trudo. Zeelhem werd dus de hoofdplaats van een graafschap, en een kasteel (burcht) werd opgetrokken in een weide tussen de oude kerk van Zeelhem en de Demer, men zag de overblijfselen nog in de 17e eeuw.

Uit: Le Folklore brabancon (1937): nr. 97-108 p. 83:

Fragment uit Le Folklore brabancon (1937).

Pepijn van Landen

Adela was een nicht van Pepijn van Landen (hofmeijer van het oostelijke gebied van het Merovingische rijk, Austrasië).

Kaart van het Frankische Rijk tussen 481 en 814.

Kaart van het Frankische Rijk tussen 481 en 814.

De kroniek van de abdij van Sint-Truiden verhaalt dat Wicbold, vader van St. Trudo, een naaste verwant van koning Chilperik of Childerik II, Merovingische koning 660-675, in 645 begraven werd in de kerk van zijn allodiale "villa" (landgoed) en dat deze villa naar hem "Wibekem" werd genoemd (De Borman II 90-91). Deze 14e-eeuwse kroniekschrijver verhaalt dat Adela, de moeder van Sint-Trudo, een nicht van Pepijn van Landen, hertog van Austrasië 622-640, hofmeier van Dagobert I (Koning van het oostelijke gebied van het Merovingische rijk), in 644 in de kerk bij haar allodiale villa te Zelem, geërfd door St.-Trudo, begraven werd.

Dagobert I
Pepijn van Landen

Links Dagobert I, rechts Pepijn van Landen.

Tumulus van Pepijn van Landen.

Tumulus van Pepijn van Landen.

De invloedrijke familie van de Pepijns, bezaten in het gebied van het huidige België, belangrijke gebieden waar zij verbleven en die de bijnamen gaven aan sommige van hun leden, zoals Pepijn van Landen en Pepijn van Herstal. Een tak van deze familie bezat anders dan de domeinen van Helchteren, Zeelhem en Webbecom, een burcht, "Sarchinium" genoemd, gesitueerd in Haspengouw. Het is in deze burcht dat rond 627, St.-Trudo, zoon van Wicbold en Adela, nicht van Pepijn van Landen, geboren werd.

Hieronder vindt u de originele tekst:

Tekst over de familie van de Pepijns.

In de publicatie "De Heilige Trudo van Serckinghe" lezen we het volgende:

Uittreksel uit de publicatie "De Heilige Trudo".

Volgens nog een andere tekst:

Tekst over Adela met vermelding van Zelem als haar begraafplaats.
Voorblad van de publicatie "De heilige Trudo".

Bijgesloten vindt u de pdf-file "de heilige Trudo" die zowel de geboorte van Trudo, zijn ouders als de gebruiken der Franken beschrijft.

Voorblad van de publicatie "de Heilige Trudo".

De Heilige Trudo

Beeldje van de Heilige Trudo.

In de 7e eeuw stichtte de Frankische edelman Trudo een religieuze nederzetting op zijn familiegrond Sarchinium (Zerkingen in Sint-Truiden). Na zijn dood en heiligverklaring groeide zijn graf uit tot een bedevaartsoord. Zijn opvolgers stichtten in 655 er een abdij, waar vanaf 812 volgens de regels van de H. Benedictus werd geleefd. Van de middeleeuwse gebouwen van de benedictijnenabdij bleef er buiten de 11e eeuwse toren niet veel bewaard. Aan de vooravond van de Franse Revolutie bestond de abdij rond twee binnenplaatsen. In 1843 werden de gebouwen in gebruik genomen als Klein Seminarie van het bisdom Luik.

Afbeelding Sint-Trudo op houten paneel.

Twee afbeeldingen van Sint-Trudo. De afbeelding rechts toont Sint-Trudo, geschilderd op een houten paneel van het 16e-eeuwse reliekschrijn van de heilige. Het werd ontdekt in 1877 bij het in gebruik nemen van het nieuwe schrijn.

Was Sint-Trudo een Hagelander ?

Uit: Oostbrabant 1972-2.

Er zijn heel wat gegevens die erop wijzen dat de heilige Trudo een Hagelander geweest kan zijn, dat hij afkomstig was uit Oost-Brabant. We hebben eens onderzocht wat we hierover kunnen vinden in recente publicaties, nl. van F. Claes S.J., De voormalige abdij van Sint-Truiden en haar invloed tot het einde van de dertiende eeuw, in Limburg XXXVIII (1959), blz. 221-227, 245-259 en 273-281, en van Mgr. G. Boes, L'Abbaye de Saint-Trond des origines, jusqu'à 1155, Tongeren, 1970.

Volgens de eerste "vita" of levensbeschrijving van Trudo, geschreven op het einde van de achtste eeuw (tussen 764 en 791) door de diaken Donatus, die over het algemeen geloofwaardig is, stamde Trudo uit een hoogedel Frankisch geslacht. In het begin van de twaalfde eeuw schreef abt Rodulfus eveneens in een brief aan hertog Waleram van Limburg "dat onze Heer, Sint-Trudo, geboren werd uit het zeer edel geslacht van de Frankische vorsten en de Austrasische hertogen" (Zie C. de Borman, Chronique de l'abbaye de Saint-Trond, 1. Luik, 1877, blz. 264). Door die verwantschap met de Merovingische en de Karolingische vorsten zou gemakkelijk te verklaren zijn waarom Trudo naar Metz, de hoofdstad van Austrasië werd gestuurd bij bisschop Chlodulfus, die vroeger hoveling was geweest, en ook dat Trudo onder zijn erfgoederen domeinen bezat tussen de Maas en de Moezel, zoals de "villa" van Dugny, op een mijl van Verdun (C. de Borman, a.w., blz. 103-104 ; II. blz. 134). Tevens kan dit de reden zijn waarom de abdij van Sint-Truiden, in tegenstelling met zovele andere, steeds de bescherming heeft genoten van de Karolingers (G. Boes, De abdij van Sint-Truiden tijdens de eerste eeuwen van haar bestaan, in Ons Geestelijk Erf, XXI, 1947, blz. 6673).

Volgens de traditie zou de vader van Trudo, Wicbold, afstammen van de Merovingische koning Chilperic en zou zijn moeder, Adela, een nicht zijn van Pepijn van Landen, die sinds 622 als hofmeier Austrasië bestuurde. Deze traditie, opgetekend in de voortzetting van de Sint-Truidense kroniek door een anoniem auteur in de veertiende eeuw, wordt ongelukkig genoeg door geen enkel ander document gestaafd. Evenmin weten we waarop andere mededelingen van dezelfde auteur steunen, zoals bijv. dat Trudo de abdij van Sint-Truiden stichtte op 13 oktober 637. Toch kunnen we met Mgr. Boes geloof schenken aan de koninklijke verwantschap van Trudo, omdat deze juist de uitzonderlijk gunstige omstandigheden kan verklaren waarin de abdij zich heeft kunnen ontwikkelen (Zie G. Boes, L'Abbaye de Saint-Trond, blz. 20, n. 2).

Dezelfde 14e-eeuwse kroniekschrijver verhaalt verder dat Adela, de moeder van Trudo, rond het jaar 644 overleed en dat "haar lichaam, begraven in de kerk bij de villa van Zelem, die eigengeërfd bezit is van Sint-Trudo, door mirakels verheerlijkt werd" (C. de Borman, a.w., II, blz. 90).

Inderdaad is de heilige Adela thans nog patrones van Zelem en trof men einige eeuwen geleden in de weiden langs de Demer, nabij de oude kerk van het dorp (bij de Sint-Jansberg), de grondvesten aan van een sterk gebouwde hofwoning (Zie J. Mantelius, Historia Lossenstis Luik, 1717, blz. 6). De kroniekschrijver verzekert verder dat Wicbold, de vader van Trudo, in het jaar 645 stierf en "in de kerk van zijn eigengeërfde villa, die naar hem Wibekem (Webbekom) wordt genoemd, begraven, verdiende hij verheven (d.i. vereerd) te worden" (C. de Borman, a.w., II, blz. 90-91). Dit schijnt bevestigd te worden niet alleen door de naam Webbekom (uit Wibbingheem, heem van de inga, lieden van Wibbo of Wicbold), maar ook door het feit dat dit dorp van het begin af zo voor het wereldlijke als voor het geestelijke aan de abdij van Sint-Truiden heeft toebehoord.

De jeugd van Trudo zelf wordt ons uitvoeriger verhaald door de oudere, 8e-eeuwse levensbeschrijving van Donatus. Als kind reeds zou de latere heilige op het domein van zijn ouders al spelend met een hoop stenen een kerkje gebouwd hebben, waarna hij aan God de belofte deed op diezelfde plaats eens een kerk op te richten. Later zou hij in een droom hieraan worden herinnerd en tevens de opdracht krijgen zich naar bisschop Remaclus (stichter van de abdijen van Malmédy en Stavelot) te begeven, die Trudo voor zijn priesteropleiding naar Chlodulfus, bisschop van Metz, stuurde. Na zijn studies en priesterwijding stuurde deze bisschop hem terug naar zijn geboortestreek, waar hij op zijn erfgoederen te Sarchinium (Deze oude naam leeft nog voort in Zerkingen, een stadswijk van Sint-Truiden), het huidige Sint-Truiden, een kerk bouwde en een abdij stichtte. Dit verhaal schijnt bevestigd te worden door het feit dat de abdij van Sint-Truiden, gelegen in het bisdom Luik, voor het tijdelijke tot in de dertiende eeuw afhankelijk geweest is van het bisdom Metz.

De erfgoederen waarmee Trudo zijn abdij bij haar stichting begiftigde en die ze nu, in afhankelijkheid van de bisschop van Metz, beheerde, omvatten zeer waarschijnlijk niet alleen Sint-Truiden en omgeving, maar ook het gebied van Webbekom en Zelem (G. Simenon, L'organisation économique de l'abbaye de Saint-Trond. 1912, blz. 3; zie F. Claes, in Limburg, XXXVIII (1959), blz. 224, n. 18).. Hoever dit gebied zich juist uitstrekte, weten we niet. Door latere schenkingen verkreeg de abdij in onze streek bezittingen te Donk, Halen en Schaffen (in 741) en te Assent (in 837) (C. Piot, Cartulaire de l'abbaye de Saint-Trond. Brussel, 1870, I, blz. 1-5), zodat we weten dat deze goederen nog niet bij het oorspronkelijke bezit hoorden. Zou Diest misschien ook tot Trudo's erfgoed behoord hebben en zou deze daar ook de eerste kerk gebouwd hebben? In elk geval kwam het begevingsrecht van de oudste kerk van Diest, Sint-Sulpitius, tot 1163 toe aan de abt van Sint-Truiden (H. Claes, Het oudste verleden van Webbekom, in Oost, XI (1974), blz. 71).

Ook op de plaats waar later de stad Brugge ontstond bouwde Trudo een klooster op zijn erfgoed. Zo breidde hij zijn apostolische werkzaamheid uit buiten Haspengouw en Hageland. De herinnering aan Trudo's ouders, Wicbold en Adela, is echter speciaal verbonden met het noordoosten van het Hageland.

In de "Kroniek van Diest" van F.J. Raymaekers lezen we het volgende:

Fragment uit Kroniek van Diest (F.J. Raymaekers)
Fragment 2 uit "Kroniek van Diest" door F.J. Raymaekers.
Fragment 3 uit "Kroniek van Diest" door F.J. Raymaekers.
Fragment 4 uit "Kroniek van Diest" door F.J. Raymaekers.

De naam Zelem door de eeuwen heen

In:

Kunnen we al volgende namen lezen:

Volgens namen voorkomend op kaarten van Blaeu en allerlei teksten:

Saleghem, Salehaim, Salheim, Seleheim, Salagheve, Salem, Zelehem, Zelhen (1667), Zellen (1675), Zelhem (1710), Zellem (1750), Zeelhem (1785), Zelem.

Kaarten

1667 - Zelhen

Kaart met vermelding "Zelhen" uit 1667.

1675 - Zellen

Kaart uit 1675 met vermelding van de naam "Zellen".

1710 - Zelhem

Kaart uit 1710 met vermelding van de naam "Zelhem".

1750 - Zellem

Kaart uit 1750 met vermelding van de naam "Zellem".

1785 - Zeelhem

Kaart uit 1785 met vermelding van de naam "Zeelhem".

Tekstvoorbeeld

Tekst met meerdere benamingen van Zelem.

De naam Zelem in het buitenland

De naam Zelem vinden we ook terug in ons omringende landen:

Ten slotte...

Uit deze teksten blijkt dat Zelem een zeer oude geschiedenis heeft en dat er weinig of niets van overblijft. Ook blijkt dat de geschiedenis van Zelem zeer nauw verbonden is met de dorpen Meldert en Linkhout. Graag hierover je mening kwijt? Reageer dan via ons info-formulier.