ons dorp - focus


Welkom in Zelem!

           
banner
Zelem - Geografisch
Zelem - Historisch
Zelem - Bezienswaardigheden
Home

Zelem - De Gallo-Romeinse periode in onze contreien (58 v. C – 476 n. C)

Woord vooraf

Als we over deze periode spreken in de context van Zelem en wat betreft concrete vondsten, kunnen we zeer kort zijn: in Zelem werden tot op heden nog geen vondsten gedaan die stammen uit deze periode. Belangrijk in de vorige zin zijn echter de twee woorden NOG GEEN. Door recente vondsten in omliggende gemeenten mogen we er zeer waarschijnlijk van uit gaan dat Zelem ook in de Gallo-Romeinse periode bewoond was. Ook werden er in Zelem vondsten gedaan die stammen uit de voorgaande periodes en het tijdperk dat onmiddellijk volgde op deze periode.

Voorblad boek archeologie en beekdalen.

Verder werd er in 2008 een belangrijk boek geschreven nl. “Archeologie en beekdalen. Schatkamers van het verleden”. Dit boek werd geschreven door Eelco Rensink en handelt over belangrijke archeologische vondsten in natte beekdalen in Nederland. In België werd er echter op dat vlak nog maar weinig onderzoek gedaan, maar we mogen er van uit gaan dat als die stelling geldt voor Nederland, dit hoogst waarschijnlijk ook voor België zo is. Zelemnaars herkennen in deze beschrijving natuurlijk ook hun eigen omgeving. Wat schrijft Eelco Rensink zoal over dit type biotoop:

De publicatie laat zien dat de beekdalen in Nederlandse zandgebieden ware cultuurhistorische schatkamers zijn, wat een vernieuwend inzicht is in de erfgoedzorg. Over archeologische resten in beekdalen was tot voor kort weinig bekend. De publicatie toont echter aan dat het archeologische erfgoed van “natte beekdalen” een unieke bron is van onze kennis over het verleden en laat zien dat een zorgvuldige omgang met dit erfgoed geboden is.

Beekdalen zijn al duizenden jaren in gebruik door de mens. In de vroege steentijd waren het geliefde plaatsen van rondtrekkende jagers, vissers en verzamelaars. Later vestigden de eerste boeren zich langs de randen van beekdalen en werden er grafvelden en akkers aangelegd. Vanaf de middeleeuwen verschenen watermolens langs beken. Bovendien werden steeds meer voorzieningen aangelegd om de natte beekdalbodem beter te kunnen oversteken en gebruiken.

Over archeologische resten in beekdalen was er ook in Nederland tot voor kort maar weinig bekend. De RACM (De Nederlandse Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten) heeft in de afgelopen jaren met zijn wetenschappelijke en maatschappelijke partners praktijkgericht onderzoek uitgevoerd, verspreid over een groot aantal beekdallandschappen in Nederland. Hieruit komt naar voren dat de nattere delen van het landschap belangwekkende bodemschatten bevatten, zoals overblijfselen van mesolithische afvaldumps (zoals er in Zelem al gevonden werden), prehistorische offerplaatsen, Romeinse bruggen en middeleeuwse visfuiken.

Omwille van deze vondsten in Nederland, durven we aan de Belgische overheden het volgende aanraden: archeologie en beekdalen toont aan dat het archeologische erfgoed van “natte beekdalen” een unieke bron is van onze kennis over het verleden en laat zien dat een zorgvuldige omgang met dit erfgoed geboden is. Om aantastingen van het natte bodemarchief in de toekomst te vermijden, raden we aan dat waterbeheerders, terreinbeherende instanties en erfgoedorganisaties de handen in mekaar slaan. Voorafgaand aan nieuwe inrichtings- en beheermaatregelen zouden beekdalen eerst nauwgezet onderzocht moeten worden. Vervolgens zou overleg moeten plaatsvinden over hoe belangrijke cultuurhistorische waarden zo veel mogelijk kunnen ontzien worden bij de geplande ingrepen. Behoud en ontwikkeling moeten hierbij hand in hand gaan.

Gebaseerd op de voorgaande tekst, gaan we in het vervolg van de tekst, er van uit dat Zelem bewoond werd in de Gallo-Romeinse periode. We geven daarom hieronder eerst een algemeen overzicht van de levenswijze tijdens deze periode en eindigen met enkele specifieke vondsten in omringende en naburige gemeentes.

Algemeen

Munt van de usurpator Postumus.

Munt van de usurpator Postumus.

De ontwikkeling van de economische en sociale ordening die aldus aan het begin van de 1e eeuw ontstond kende conjuncturele pieken en dalen, maar was in haar algemeenheid een bijna twee eeuwen durende bloeitijd. Maar in de tweede helft van de 2e eeuw wezen tekenen er op dat de bestaande samenlevingsvorm die wij tegenwoordig Gallo-Romeins noemen wezenlijk in haar voortbestaan bedreigd werd. Deze bedreiging was zowel intern als extern. Intern bleken de economische en politieke structuur van het Romeinse Rijk niet meer aan de noden van de tijd aangepast te zijn. Extern kregen diverse delen van het imperium in toenemende mate met migraties en invallen van erbuiten wonende bevolkingsgroepen te maken. Voor onze streken ging het om Germanen, waarvan de Franken de belangrijkste groep waren. Het Romeinse Rijk beschikte echter over nog voldoende vitaliteit en reserves om krachtdadig op te treden. Dat gebeurde ondermeer door de usurpatoren van het Gallische deelrijk, Postumus en diens opvolgers (259-273), en de keizers Diocletianus (284-305) en Constantinus I (312-337). Een in de diepte uitgewerkt netwerk van versterkingen garandeerde hier met wisselend succes het voortbestaan van het Romeinse gezag. In deze tijd reikte ook voor het eerst de invloed van het Christendom tot bij ons. Gaandeweg werd de oorspronkelijk Gallo-Romeinse samenleving echter gegermaniseerd. Vanaf het begin van de 5e eeuw was het gezag van Rome nog slechts theoretisch in onze streken aanwezig. De feitelijke macht werd door lokale krijgsheren van Germaanse afkomst uitgeoefend. Vanaf de 5e eeuw spreken we dan ook niet langer meer van de Romeinse maar van de Frankische tijd.

De Gallo-Romein

Toen de Romeinen hun imperium tot in onze streken uitbreidden hadden ze niet meer dan een vaag besef van de bevolkingsgroepen die zich hier bevonden. Julius Caesar had bij de aanvang van de Gallische oorlogen daarover slechts een theoretische kennis aan de hand van de toenmalige etnografische literatuur opgedaan. Historische en etnografische geschriften uit de oudheid benoemen de bij ons levende inheemse bevolkingsgroepen met algemene en schematische termen. Zo heerste in de 1e eeuw v. C bij de Romeinen de opvatting dat Noordwest-Frankrijk door de Belgae bewoond was en dat tussen dit kerngebied en de linkeroever van de Rijn de zgn. Germani Cisrhenani woonden, implicerend dat de rechteroever van de Rijn door Germani Transrhenani bevolkt was. In werkelijkheid was in de Lage Landen een veelheid van bevolkingsgroepen aanwezig, die zich helemaal niet zo onderling verwant voelden of dat slechts af en toe, naar aanleiding van tijdelijke allianties, waren. Dergelijke rivaliserende groeperingen wisselden bovendien voortdurend van samenstelling. Dat is op vele plaatsen in Julius Caesars geschriften tussen de regels te lezen.

Door de inlijving van onze streken in het Romeinse Rijk en in het bijzonder door de administratieve indeling van het gebied in bestuurseenheden, de zgn. civitates, werd een einde aan deze etnische rivaliteit opgelegd. De staat eigende zich het monopolie op geweld toe en inheemse martialiteit werd via de opname van etnische hulptroepen in het Romeinse leger aan banden gelegd. De indeling in civitates was een poging om de bevolking in overzichtelijke bestuurseenheden samen te brengen.

De noordelijke en westelijke civitates.

De noordelijke en westelijke civitates.

Daartoe werden grote voormalige etnische formaties soms gesplitst en kleinere soms samengevoegd. Ook lijkt het erop dat een aantal bevolkingsgroepen van over de Rijn op grondgebied binnen de rijksgrenzen gevestigd werd. De overgrote meerderheid van de bevolking van ons gedeelte van het Romeinse Rijk was hoe dan ook van inheemse afkomst. Daarboven bevond zich slechts een dunne laag van echte Romeinen, d.w.z. van lieden van mediterrane herkomst die volwaardige houders van het Romeinse burgerrecht waren. Het betrof in hoofdzaak ambtenaren, militairen en handelaren. Zoals bekend werd in 212 op enkele uitzonderingen na alle vrije inwoners van het imperium het Romeinse burgerrecht toegekend. Vanaf de 3e eeuw zal de etnische samenstelling van de bevolking langzaam veranderen. Ten gevolge van vreedzame migraties enerzijds en van gewelddadige invallen anderzijds van Germaanse bevolkingsgroepen van over de Rijn zal de oorspronkelijke Gallo-Romeinse bevolking geleidelijk aan geminoriseerd worden, een proces dat aan het begin van de 5e eeuw grotendeels voltooid lijkt te zijn.

Artefacten

De materiële cultuur die de Gallo-Romeinse samenleving ons heeft nagelaten, en waarvan een selectie van de meest fraaie voorwerpen in onze archeologische musea bewonderd kunnen worden, is op een zeer ongelijkmatige manier bewaard gebleven. Het is van belang zich daar goed van bewust te zijn, daar deze materiële cultuur gebruikt wordt om de antieke samenleving te reconstrueren. De nederzettingen, grafvelden en andere structurerende elementen die het cultuurlandschap van de oudheid uitmaakten zijn op enkele uitzonderingen na tot een ondergronds bodemarchief herleid. Resten van houtlemen constructies zijn tot verkleuringen verworden, overblijfselen van stenen gebouwen tot puin dat soms nog op zijn oorspronkelijke plaats en soms ver daarvandaan in de ondergrond bewaard is gebleven. Deze resten liggen in lagenpakketten gevat, die slechts via archeologisch bodemonderzoek zichtbaar en inzichtelijk kunnen gemaakt worden.

Deze glazen oliekruiken (mv. Aryballoi, enk. Aryballos) stammen uit de periode 70 – 250 n. C.

Deze glazen oliekruiken (mv. Aryballoi, enk. Aryballos) stammen uit de periode 70 – 250 n. C.

Dezelfde lagenpakketten bevatten ook talloze mobiele vondsten en dierlijke en plantaardige resten. Het bestand van mobiele vondsten bestaat voor de overgrote meerderheid uit aardewerk. Daarnaast worden kleine aantallen voorwerpen in glas, metaal en steen aangetroffen. De drie laatstgenoemde categorieën zijn zeldzamer omdat deze materialen in de oudheid gerecycleerd werden. Voorwerpen in organisch materiaal als hout, riet, textiel, been, hoorn en leer zijn door hun vergankelijkheid slechts in uitzonderlijke omstandigheden bewaard gebleven. We leren hun gebruik wel nog kennen aan de hand van afbeeldingen die uit de oudheid bewaard zijn gebleven. Wanneer de ondergrond voldoende kalkhoudend is, blijven dierenbeenderen in grote aantallen bewaard. Plantaardige resten kunnen slechts met behulp van zeefmonsters ingezameld worden. De belangrijkste soorten zijn hout- en houtskoolresten, zaden en vruchten die ook soms verkoold of gemineraliseerd bewaard zijn gebleven en stuifmeel.

De hierboven opgesomde categorieën van de Gallo-Romeinse materiële cultuur zijn de bronnen waarmee archeologen aan de slag gaan om de toenmalige samenleving te reconstrueren. Ze zijn slechts bruikbaar wanneer ze volgens de regels van het archeologisch veldwerk in hun oorspronkelijke vondstcontext geregistreerd zijn. Ten opzichte van de ijzertijd enerzijds en de vroege middeleeuwen anderzijds vallen twee verschillen in de materiële cultuur op. Ze zijn het gevolg van de integratie van onze streken in het uitgestrekte verkeers- en informatienetwerk van het Romeinse Rijk. In het domein van de productie zien we een toename van technologisch vernieuwende grondstoffen en werktuigen. In het domein van de consumptie is de aanwas aan soorten goederen nog veel groter geweest. Deze ontwikkelingen en wat ze bij de lokale bevolking teweeg brachten vertonen veel overeenkomsten met de effecten van de huidige globaliseringsgolf.

Bewoning

Zoals in alle antieke samenlevingen was ook in de Gallo-Romeinse het overgrote deel van de bevolking op het platteland gevestigd. Niettemin was het voor onze streken de eerste maal dat een stedelijke cultuur haar intrede deed. In de Romeinse periode heeft zich bij ons dan ook een complexe nederzettingshiërarchie ontwikkeld.

Grafische voorstelling van een typische civitas hoofdplaats.

Grafische voorstelling van een typische civitas hoofdplaats.

Aan de top van het nederzettingssysteem bevond zich de hoofdplaats van de civitas. Een civitashoofdplaats is een Romeinse stichting, doorgaans op een plek die goed via land- en waterwegen bereikbaar was, maar waar zich nog geen voorromeinse bewoning van betekenis bevond. Een dergelijke stad kon na verloop van tijd het statuut van municipium of colonia verleend krijgen, waaraan voorrechten gekoppeld waren, niet alleen voor de stedelingen, maar voor alle vrije inwoners van de civitas. De meest in het oog springende kenmerken van een civitashoofdplaats waren wellicht het regelmatig, in de vorm van een zgn. Dambordpatroon aangelegd stratennet en de publieke monumenten zoals een forum, openbare badgebouwen, tempels, theaters en amfitheaters. Verder was het grootste gedeelte van de stedelijke nederzetting in beslag genomen door luxueuze stadswoningen. Twee soorten laten zich herkennen: woningen met een min of meer vierkante plattegrond, omheen open binnenplaatsen aangelegd, en woningen met een min of meer rechthoekige plattegrond, waarvan een smalle zijde op de straat uitgaf. De eerste soort had alleen maar een woonfunctie, de tweede soort combineerde woon- en werkfuncties.

Op het platteland woonde de bevolking in landelijke centra of in verspreide landelijke nederzettingen. Landelijke centra zijn een nieuwigheid. De verspreide landelijke nederzettingen konden naargelang de streek zeer divers van aard zijn.

Landelijke centra of vici ontstonden aan het begin van de Romeinse periode. Hun ligging kon door verschillende omstandigheden bepaald zijn. Sommige ontwikkelden zich langs land- en/of waterwegen, andere omheen cultusplaatsen. De typische vicushuizen waren rechthoekig van plattegrond en combineerden woon- en werkfuncties. Vooral in regio’s die ver van de civitashoofdplaats gelegen waren, hebben vici een deel van de centrumfuncties van de stad overgenomen. Vandaar dat we er regelmatig de resten van publieke bouwwerken als tempels, badgebouwen en herbergen aantreffen.

De verspreide landelijke bewoning zag er per streek anders uit. Op eerder marginale gronden werden ze gevormd door zogenaamde woonstalhuizen, constructies die een woon- en stalfunctie onder één dak samenbrachten. Dergelijke woonstalhuizen konden geïsoleerd, in rijen of omheen binnenplaatsen gegroepeerd voorkomen. Op rijkere gronden ontwikkelden zich vaak zogenaamde Romeinse villae. Een Romeinse villa bestond uit een luxueus uitgevoerd woongedeelte (de zgn. pars urbana) en een bedrijfsgedeelte met stallingen, werkplaatsen en eenvoudige woonvertrekken (de zgn. pars rustica). Beide waren ruimtelijk duidelijk van elkaar gescheiden.

Voorbeeld van een Gallo-Romeins dorp in onze streken.

Voorbeeld van een Gallo-Romeins dorp in onze streken.

Aan de limes bevond zich op de linkeroever van de Rijn een complexe militaire infrastructuur van wegen, aanlegplaatsen, wachttorens en forten. Nabij de forten ontwikkelden er zich kampdorpen. Dergelijke nederzettingen kwamen in onze streken in de vroegromeinse tijd niet of nauwelijks voor. Pas in de laatromeinse tijd werd ook bij ons een netwerk van forten opgericht, zowel langs de kust als in het binnenland, en daar niet alleen langs de belangrijke verkeerswegen, maar ook op meer afgelegen plekken. Overigens waren in die tijd diverse vroegromeinse nederzettingstypes, zoals steden, vici en villae in verval of zelfs verdwenen en bewoonden de Germaanse inwijkelingen weer nederzettingen van woonstalhuizen, vaak omgeven door kleinere bedrijfgebouwtjes, waarvan de hutkom, een half in de grond ingegraven ruimte, de meest opvallende nieuwigheid was.

Romeinse legerplaats, hier Valkenburg (Nederland) aan de Rijnmonding.

Romeinse legerplaats, hier Valkenburg (Nederland) aan de Rijnmonding.

Denkwereld

In de loop van de eerste drie eeuwen van onze jaartelling heeft zich een Gallo-Romeinse architectuur ontwikkeld die in haar uiterlijke aspecten veel van de klassieke Romeinse heeft overgenomen. Tot de belangrijkste kenmerken behoren monumentaliteit, symmetrie, symbolisme en propagandistische motieven. Voor zover we daar dankzij die bewaarde bouwopschriften zicht op hebben waren het in onze streken, net zals overigens in de andere delen van het Romeinse Rijk, vooral de leden van de lokale artistocratie die voor de financiering van publieke monumenten hebben gezorgd. Zij zagen er een vorm van publieke weldadigheid in, waarmee ze zich in hun machtspositie konden handhaven. Dezelfde groep maakte ook van de beeldhouwkunst, muurschilderkunst en mozaïekkunst gebruik om zich een sociale en culturele identiteit aan te meten en die vervolgens in de genoemde kunstuitingen kenbaar te maken. Dezelfde principes werden in zowel de publieke als de private architectuur toegepast.

Schilderij dat de overwinning van Julius Caesar op een “Belgische” stam voorstelt.

Schilderij dat de overwinning van Julius Caesar op een “Belgische” stam voorstelt.

De Romeinse periode laat men traditioneel met de Gallische oorlogen van Julius Caesar (58 v. C – 51 v. C) beginnen. Meer dan twee millennia na de feiten kunnen we ons nauwelijks nog een voorstelling maken van de cultuurschok die de inlijving van onze streken in het Romeinse Rijk bij de plaatselijke bevolking teweeg heeft gebracht. De verovering van het zuiden van de Lage Landen is een extreem gewelddadige episode geweest, gekenmerkt door massale slachtpartijen zoals van de Nerviërs in 57 v. C en pogingen tot genocide zoals van de Eburonen in 54 en 53 v. C. Op geen enkel moment was daarbij de vaak nog met veel ritueel gepaard gaande inheemse stijl van oorlogsvoering opgewassen tegen de Romeinse legioenen, de modernste vechtmachines van die tijd. Ook na Julius Caesar heeft het geweld nog decennia lang voortgeduurd. Zo werden nog in 30 v. C. Opstanden van de Morini en van de Treveri neergeslagen.

Van kapitale invloed op het verdere verloop van de Romeinse periode was aan het einde van de 1e eeuw v. C en het begin van de 1e eeuw n. C het werk van keizer Augustus. Op de eerste plaats bezorgde hij onze streken een administratieve structuur die enerzijds op het Romeinse systeem was geënt, maar waarbij anderzijds veel in handen van de inheemse aristocratie werd gelaten. Deze dualiteit in de ordening van de samenleving, gebaseerd zowel op een officieel staatsapparaat als op meer informele patroon-clientverhoudingen, was een wezenskenmerk van de Romeinse samenleving. Op de tweede plaats leidden acties van Augustus en diens onmiddellijke opvolgers ertoe dat de grens van het Romeinse Rijk uiteindelijk ten noorden en ten oosten van onze streken kwam te liggen. Daar, langs de Rijn, werd omstreeks het midden van de 1e eeuw het Noordwest-Europees gedeelte van de limes uitgebouwd, een grensverdediging die het Romeinse Rijk meer dan twee eeuwen lang een gewapende vrede, de zgn. Pax Romana, zou garanderen. Binnen de rijksgrenzen zorgden twee ontwikkelingen voor weliswaar geleidelijke maar ook onomkeerbare veranderingen. Ten eerste verlegde eerst het economische en nadien ook het politieke zwaartepunt zich langzaam van de kerngebieden naar de perifere regio’s van het Romeinse Rijk. Ten tweede ontstonden geleidelijk socioculturele verschillen tussen de diverse provincies, waarvan met name deze tussen de oostelijke en de westelijke het meest in het oog springen.

Gouden zegelring met portret van Commodus in nicolo – ca. 185 n.Chr.

Gouden zegelring met portret van Commodus in nicolo – ca. 185 n.Chr.

De culturele transformaties die de inheemse bevolking van de diverse Romeinse provincies in de oudheid heeft ondergaan worden wel eens met de term romanisatie aangeduid. Dit is een zeer complex begrip, dat zich wellicht het best laat omschrijven als een creatieve adaptatie door de provinciebewoners van klassieke Romeinse waarden en normen. Een probleem daarbij is dat over de inhoud van die waarden en normen binnen de klassieke Romeinse wereld reeds gediscussieerd werd. Men zou dan ook kunnen zeggen dat iemands ultieme romanisatie diens participatie aan deze discussie is.

Van groot belang voor de mate waarin provinciebewoners door hun tijdgenoten als dragers van Romeinse waarden en normen aanzien werden moet de kennis van de gesproken en geschreven Latijnse taal zijn geweest. De mate waarin die kennis verspreid was is vanzelfsprekend nu nog moeilijk te achterhalen. De aanwezigheid van inktpotten, schrijfstiften, schrijftafeltjes en zegeldoosjes tot in de verste uithoeken van het platteland en het voorkomen van grafitti op de meest alledaagse gebruiksvoorwerpen suggereert dat de schriftcultuur in de Gallo-Romeinse samenleving in brede lagen van de bevolking ingang heeft gevonden. Welke scholingsgraad we ons daarbij moeten voorstellen kan evenwel niet meer uitgemaakt worden.

Het in onze streken gangbare Gallo-Romeinse dodenbestel is slechts gedeeltelijk te achterhalen. De eigenlijke begravingspraktijken zijn nog wel goed reconstrueerbaar. Ze hebben immers nog archeologisch waarneembare sporen in de ondergrond achtergelaten. Maar wat aan de begraving vooraf is gegaan of daarop is gevolgd ontgaat ons grotendeels. De Gallo-Romeinse begravingspraktijken zijn gekenmerkt door een grote diversiteit. Crematie- en inhumatieritus kwamen door elkaar voor. Crematieresten werden soms zorgvuldig op de brandstapel ingezameld en soms met brandstapelresten vermengd gehouden. Ze konden los in de grond begraven worden of in een urne. Er konden grafgiften meegegeven worden of niet.

Voorbeeld van een Romeinse grafheuvel, hier te Neerpelt.

Voorbeeld van een Romeinse grafheuvel, hier te Neerpelt.

Inhumatieresten uit de vroegromeinse tijd liggen doorgaans ondiep begraven, hebben slechts weinig grafgiften en liggen vaak in voor ons ongebruikelijke houdingen (geplooid, gehurkt, op de buik liggend, enz.). In de laatromeinse tijd gaat de inhumatieritus domineren. Inhumatieresten uit de laatromeinse tijd liggen gemiddeld dieper begraven, hebben in de regel meer grafgiften en de overledene ligt meestal zorgvuldig op de rug gestrekt. Er lijkt zich een culturele breuk met de voorgaande periode te hebben voorgedaan.

Leefwijze

De economie van het Romeinse Rijk was, zoals die van alle samenlevingen in de oudheid, gebaseerd op landbouw. Landbouw vormde in onze streken ook al de bestaansbasis in de voorromeinse ijzertijd. De voorromeinse landbouw was gekenmerkt door een combinatie van veeteelt en akkerbouw en gericht op risicospreiding door het fokken en telen van een breed spectrum aan dier- en plantensoorten. Een dergelijk systeem is typisch voor een bestaanseconomie. In de Romeinse tijd stellen we vast dat naargelang de mogelijkheden van de streek de klemtoon op veeteelt of op akkerbouw lag en dat men zich specialiseerde in het fokken van één bepaalde diersoort of het verbouwen van één of twee soorten gewassen die er het hoogste rendement gaven. Een dergelijk systeem is typisch voor een marktgerichte productie. Een belangrijk nadeel van een dergelijke specialisatie en intensivering van de productiewijze is, dat ze zonder begeleidende maatregelen of technologische vernieuwing de mogelijkheden van de streek op den duur uitput en tot voor de mens ecologische catastrofen kan leiden. Die zijn des te gevaarlijker daar ze niet van de ene op de andere dag plaatsvinden maar zich pas na een decennia lange sluipende werking duidelijk manifesteren. Dat lijkt in de Romeinse tijd in onze streken het geval te zijn geweest. In de leemstreken vond al in de 2e eeuw op sommige plaatsen grootschalige erosie plaats. Op de zandgronden werd in de 3e eeuw de potstal ingevoerd, wellicht een poging om daar de bodemdegradatie met ingezameld mest tegen te gaan. In het kustgebied leidden ongebreidelde afwatering en grootschalige veenontginning ertoe dat de getijdenwerking tot diep in het binnenland in toenemende mate schade aanrichtte. De Germaanse inwijkelingen lijken in de 4e eeuw weer de hun bekende voorromeinse landbouwsystemen te hebben toegepast. Zelfvoorziening kwam weer op de eerste plaats, al zal de aanwezigheid van het Romeinse leger tot diep in het binnenland toch voor afzetmogelijkheden gezorgd hebben. In de laatromeinse tijd werd de productie bovendien in toenemende mate onder de controle van de overheid gebracht.

Gallo-Romeinse boeren aan het werk.

Gallo-Romeinse boeren aan het werk.

Welk aandeel ambachtelijke producties in het creëren van de welvaart gehad hebben is moeilijk te bepalen. Het verwerken van landbouwopbrengsten tot voedingsproducten en gebruiksgoederen maar ook het vervaardigen van allerhande consumptieartikelen in aardewerk, metaal, glas en andere grondstoffen lijken in aanzienlijke mate door de kalender van de landbouwcyclus bepaald te zijn. Het vermoeden bestaat dat heel wat ambachtelijke activiteiten seizoensarbeid geweest zijn van lieden die tijdens de piekperioden van de agrarische cyclus als werkkracht in de landbouw ingezet konden worden. Over het algemeen heeft men de indruk dat de grondstofwinning en ambachtelijke productie eerder op een kleinschalig niveau waren georganiseerd. De lokale aristocratie zal wel voor de organisatie en de investeringen ingestaan hebben, terwijl het werk door afhankelijke loonarbeiders werd uitgevoerd. De mate waarin in onze streken slaven tewerkgesteld waren lijkt eerder beperkt geweest te zijn.

De handelssystemen van het Romeinse Rijk kunnen aan de hand van schaarse geschreven bronnen en afbeeldingen maar vooral met behulp van gereconstrueerde verspreidingskaarten van diverse categorieën van goederen bestudeerd worden. Afhankelijk van de afstand waarover goederen getransporteerd werden kan men een drietal niveau’s onderscheiden: lokale handel in dagelijkse gebruiksgoederen, regionale handel in meer gespecialiseerde producties en langeafstandshandel in luxegoederen. In de Romeinse tijd werd de economie van onze streken ook voor een stuk gemonetariseerd. Deze integratie in het Romeinse muntsysteem heeft slechts gedeeltelijk plaatsgevonden. Enerzijds bleef een belangrijk deel van de transacties ruilhandel, anderzijds werden munten, vooral dan in edelmetaal, ook in rituele contexten als offer gebruikt. Bovendien zullen sommige uitwisselingen in de Gallo-Romeinse samenleving net zoals in de voorromeinse ijzertijd niet louter commercieel maar ook sociaal ingebed zijn geweest, b.v. door zich door middel van geschenken van wederdiensten te verzekeren.

Doorsnede van een Gallo-Romeinse woning bestemd voor de aristocratie.

Doorsnede van een Gallo-Romeinse woning bestemd voor de aristocratie.

Van de Romeinse samenleving in het algemeen wordt wel eens gezegd dat ze geen middenstand gekend heeft. Een beperkte rijksaristocratie, bestaande uit de leden van het keizerlijk huis, de senatoren- en de ridderstand monopoliseerde niet alleen de macht, maar ook de economische bedrijvigheid. De overgrote meerderheid van de vrije inwoners verkeerde in één of andere afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van deze rijksaristocratie, terwijl slaven niet als personen maar als goederen beschouwd werden. De sociale piramide van de bevolking in onze streken was daar een kleinschalige copie van. Hier werden de politieke en economische macht door de lokale aristocratie beheerst. Zij waren de grootgrondbezitters, bekleedden de bestuursfuncties en priesterambten en financierden en organiseerden de economische activiteit. Hun macht was gebaseerd op het onderhouden van goede contacten met leden van de Romeinse rijksaristocratie enerzijds en op het in stand houden van een belangrijk cliënteel onder de lokale bevolking anderzijds. Dit in twee richtingen georiënteerd sociaal netwerk was voor elk lid van de lokale aristocratie van levensbelang om zijn positie te handhaven ten opzichte van zijn rivalen in de politieke arena.

Gallo-Romeinse vondsten in onze omgeving

De Romeinse muur te Tongeren.

De Romeinse muur te Tongeren.

Als we het hebben over concrete vondsten in onze regio, dan spreken we natuurlijk vooral over Tongeren. Tongeren was bij uitstek de Gallo-Romeinse stad in onze contreien en ver daarbuiten. In Tongeren is er daarom een overvloed aan vondsten gedaan. Om deze alle te beschrijven zou ons veel te ver leiden maar we pikken er de voornaamste en meest recente uit.

Door de verbetering van de archeologische technieken worden er ook meer en meer vondsten gedaan in andere gemeenten. Zo werden er vondsten gedaan in omliggende gemeentes van Tongeren, zoals Riemst, Bilzen en Lanaken. In deze gemeenten gebeurt dat vooral onder impuls van de vereniging ZOLAD (Zuid-Oost-Limburgse Archeologische Dienst). Er werden echter ook belangrijke vondsten gedaan die verder verwijderd liggen van Tongeren zoals in Wijshagen (Meeuwen-Gruitrode) en het voor ons zeer interessante Herk-de-Stad. Nog interessanter is de vondst van een prehistorische én gallo-romeinse site in onze buurgemeente Meldert (Lummen).

De bodem van Zelem was, tijdens de Romeinse overheersing, langs alle kanten door uitgestrekte bossen, vennen en moerassen omgeven, zo dat het schier ongenaakbaar was voor de wereldoverwinnaars wier legers in deze streken nooit schijnen geweest te zijn. Te midden die wildernis hadden, hier en daar, enige huisgezinnen zich neergezet, die grotendeels hun bestaan in de jacht vonden, en er zonder storen hun "barbaarse bijgelovigheden" uitoefenden.

TONGEREN

16-07-2009: Het Romeins aquaduct te Tongeren / Heers beschermd als archeologisch monument

Het Romeins Aquaduct in de gemeenten Tongeren en Heers.

Het Romeins Aquaduct in de gemeenten Tongeren en Heers.

Op 22 juni 2009 ondertekende uittredend minister Dirk Van Mechelen de definitieve bescherming van het Romeinse aquaduct in Tongeren en Heers. Dit monument werd beschermd als getuige enerzijds en met het oog op toekomstig onderzoek anderzijds. Door de nieuwe bescherming telt Vlaanderen momenteel vijf definitief beschermde archeologische zones. Voor drie andere archeologische sites is een procedure tot bescherming lopende.

Het aquaduct van Tongeren is waarschijnlijk het grootst bewaarde aarden monument in Vlaanderen en is prominent aanwezig in het landschap. Het is ook het enige zichtbare Romeinse aquaduct in België. Een beschermingsdossier werd opgesteld op basis van een onderzoek dat in 2002 werd uitgevoerd door het archeologisch studiebureau ARON, in opdracht van de provincie Limburg. In opdracht van het Agentschap R-O Vlaanderen voerde ook de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) in 2007 een studie uit in het gebied, met ondermeer het oog op een toekomstige bescherming.

Wat de bewaringstoestand betreft is het aquaduct een uniek archeologisch monument voor noordwest Europa. Het wetenschappelijke en cultuurhistorisch belang van dit monument overstijgt zelfs Vlaanderen en heeft een internationaal karakter. De structuur en wijze van functioneren zijn bovendien vrijwel onbekend en kunnen in de toekomst alleen door wetenschappelijk onderzoek van het monument bepaald worden.

Meer weten over deze site? RELT004-003.pdf

30-11-2010: Tongerse basiliek cruciaal voor kennis over eerste christenen

Romeins fresco teruggevonden in de basiliek van Tongeren.

Romeins fresco teruggevonden in de basiliek van Tongeren.

Begin 2011 start het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) met een groot onderzoeksproject over de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in Tongeren. Minister Geert Bourgeois gaf het VIOE de opdracht en de middelen voor het multidisciplinaire onderzoek. De opgravingen in de Tongerse basiliek zijn één van de meest complexe ooit uitgevoerd in Vlaanderen. Dit vertaalt zich in een massa en diversiteit aan archeologische vondsten die het internationaal belang van Tongeren voor onze kennis over de eerste christenen in Europa onderstrepen. Tot nog toe was er over deze periode (3de-4de eeuw) nog niets gekend, wegens de schaarse materiële resten.

Tussen 1999 en 2008 werd de volledige ondergrond van de O.L.V.-Basiliek archeologisch onderzocht. Dit kaderde in de restauratie van de kerk, waarbij een vloerverwarming en een museumkelder werden aangelegd. Deze werkzaamheden brachten bewoningssporen aan het licht die teruggaan tot de Romeinse tijd. Het meest opmerkelijke aan de site is dat ze ononderbroken een belangrijke publieke functie als christelijk cultusgebouw vervulde. Zo was het ten tijde van de Romeinen een luxueuze stadswoning, die bij de overgang naar de vroege middeleeuwen een religieuze herbestemming kreeg door de komst van de eerste christenen. De laat-Romeinse basilica zal de voorganger blijken van een rijke traditie van kerkenbouw op eenzelfde locatie.

Tongeren is, samen met Luik en Maastricht, één van de belangrijkste archeologische sites in Europa voor de kennis van het eerste christendom. De site kent een rijk en uiteenlopend archeologisch verleden, van de 1ste eeuw v.C. tot de 18de eeuw n.C. Duizenden metalen voorwerpen, 350 volledige skeletten, 47.000 scherven Romeins aardewerk, 75.000 fragmenten van muurschilderingen uit alle perioden, 67 dozen met dierlijk bot en 320 m² aan plannen en veldtekeningen bieden een schat aan informatie over de geschiedenis van deze plek.

Voor de reconstructie van de 2000 jaar oude geschiedenis van de site, moeten de ruwe data omgezet worden naar een verhaallijn, waarin de site verbonden wordt met andere Europese historische centra. Deze reconstructie zal de inhoudelijke basis vormen voor de museumkelder onder de O.L.V.-Basiliek. De stad Tongeren kon hierin als partner niet ontbreken. Het perspectief op een uniek archeologisch en historisch bezoekerscentrum in Tongeren bracht hen ertoe een bijdrage aan de kosten van het onderzoeksproject te leveren.

“Het VIOE heeft gedurende tien jaar de begeleiding van het veldwerk gerealiseerd en de wetenschappelijke expertise verzameld. Nu trekken we het onderzoek open en bekijken archeologen, natuurwetenschappers en bouwhistorici samen alle facetten van dit unieke monument. Zonder studie dreigt namelijk niet alleen het volledige bodemarchief verloren te gaan, maar ook de historische informatie over de O.L.V.-Basiliek als monument,” aldus het VIOE.

Meer weten over deze site? nr4-jr11-Archeologische-opgravingen-O.L.V.-Basiliek-te-Tongeren.pdf

BILZEN

10-07-2008: Romeinse nederzetting gevonden in Kleine Spouwen

Het graf met de zes recipiënten.

Bij archeologische opgravingen in Kleine Spouwen (Bilzen, Limburg) is een Romeinse nederzetting met grafveld gevonden. De opgravingen gebeurden op een terrein van de steenfabriek Vandersanden. Het onderzoek leverde naar schatting drieduizend fragmenten aardewerk op en zou wijzen op een belangrijke artisanale bedrijvigheid. De resultaten van de opgravingen zijn uniek voor de regio, aangezien tot dusver weinig geweten was over bijgebouwen en werkplaatsen op Romeinse erven.

Vorige week werd het onderzoek naar de Romeinse nederzetting en het grafveld in Kleine Spouwen afgerond. Uit een eerste analyse blijken de resultaten veelbelovend voor de studie van de Romeinse periode in de regio. Aanleiding voor de archeologische opgravingen was een proefsleuvenonderzoek eind 2007. Het onderzoek was in handen van ARON bvba uit Sint-Truiden. Op 26 mei startte het archeologisch onderzoek op het 1 hectare-grote terrein. De bouwheer, Vandersanden Steenfabrieken nv, financierde niet enkel het gehele onderzoek uit hoofde van de decretale zorgplicht, zij zorgden ook voor een vlekkeloze organisatie. Dit bewijst nogmaals dat met een constructieve instelling van de partners een voor de regio belangrijke Gallo-Romeinse site op een degelijke manier kan opgegraven worden.

De eerste resultaten tonen dat het om een inheems-Romeinse nederzetting gaat, die twee fasen telt: een fase uit de 1ste helft van de 1ste eeuw n. Chr. en een fase uit de 2de helft van de 2de eeuw – begin van de 3de eeuw n. Chr. Doorgedreven onderzoek van de vondsten is volop aan de gang. Uit de eerste fase stamt een omgreppeld huis van het Alphen-Ekeren type. Dat is een huis met zware nokstaanders. De wanden van het huis werden niet aangetroffen, maar aangenomen wordt dat ze uit vlechtwerk bestonden dat met leem werd bestreken. Uit diezelfde fase stammen waarschijnlijk ook twee grafmonumenten. Voor een precieze chronologie is het echter wachten op de bevestiging ervan door de koolstofdatering.

De meeste sporen die ontdekt werden tijdens het onderzoek stammen uit de tweede fase. Het gaat om minimum twee huisplattegronden met zware nokstaanders, enkele greppels, een poel, een waterput, een spieker (of graanopslagplaats), een hutkom, een leemwinningskuil en een vijftal kuilen boordevol Romeins aardewerk, houtskool, ijzerslakken en enkele wetstenen. Dit laat vermoeden dat het gaat om afval van een werkplaats zoals een smidse. Ook uit deze fase zijn een aantal grafstructuren bekend. In één ervan werden vijf recipiënten uit aardewerk, een glazen kopje en een haarspeld aangetroffen.

Het onderzoek leverde – de twee fasen samen – naar schatting drieduizend fragmenten aardewerk op. De interpretatie van al deze vondsten staat op dit moment nog ter discussie. Het is bijvoorbeeld nog niet duidelijk welke plaats deze nederzetting inneemt ten opzichte van gelijkaardige nederzettingen (Veldwezelt, Kesselt) en de diverse villaterreinen (Smeermaas, Neerharen-Rekem,…) die het gebied rijk is. Het is wel zo dat de vondsten wijzen in de richting van een forse artisanale bedrijvigheid én dat in de buurt wel sporen van een villa(domein) werden aangetroffen. Het belang van het archeologische onderzoek zit in het feit dat over bijgebouwen en werkplaatsen op Romeinse erven tot dusver weinig geweten is. Vroeger onderzoek beperkte zich – vaak noodgedwongen – tot het hoofdgebouw (de villa). De resultaten van het onderzoek in Kleine Spouwen zijn dan ook vrij uniek voor de regio.

Nog geen officieel rapport over deze opgravingssite.

LANAKEN

2006: Een Romeinse landelijke nederzetting te Smeermaas (Lanaken, prov. Limburg)

Opgravingssite te Smeermaas, Lanaken.

Opgravingssite te Smeermaas, Lanaken.

In de jaren 1949-1950 werd te Smeermaas (gem. Lanaken), nabij de Ducatonweg op de plaats ‘Kerkveld’, op muurresten met een nis gestoten. Een jaar later voerden leden van de geschiedkundige kring St.-Ursula een eerste onderzoek uit. Zij schreven de resten toe aan een oostwaarts georiënteerde Gallo-Romeinse villa. Aangezien er een ‘asselaag’ werd vastgesteld, ging men ervan uit dat de villa door brand werd verwoest. Een verslag van E.H. Remans (gedeponeerd in het museum te Tongeren in 1959) suggereert dat de muren deel uitmaakten van de kelder van de ‘mogelijke’ villa, die via een diverticulum, nl. de Ducatonweg, op de heerbaan Tongeren-Nijmegen aansloot. In 1964 zou er in Smeermaas een ondergrondse kelder zijn gevonden, ‘misschien iets later gebouwd’ dan de in 1955 in Neerharen ontdekte Romeinse pottenbakkersoven. In 1965 wordt de vondst van een Romeins graf op de hoek van de Brugstraat en de Oude Heerbaan gemeld, waarvoor een datering tussen het laatste kwart van de 2de en de eerste helft van de 3de eeuw werd voorgesteld.

Meer weten over deze site? RELT002-002.pdf

19-06-2009: Romeinse waterputten en Eburoonse nederzetting ontdekt in Kesselt

De Romeinse waterput in mergelsteen die gevonden werd te Kesselt (Lanaken).

De Romeinse waterput in mergelsteen die gevonden werd te Kesselt (Lanaken).

Archeologen van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) hebben in Kesselt (Lanaken) vier Romeinse waterputten opgegraven. Ze behoorden tot een nederzetting uit de 2de-3de eeuw. Hetzelfde terrein was ook in de prehistorie al bewoond: uit de ijzertijd werd er een nederzetting van de Eburonen aangetroffen. Het gaat om de eerste nederzetting van de Eburonen die in de Zuid-Limburgse regio kon worden opgegraven. Het is verleidelijk om het opgeven van de nederzetting in verband te brengen met de Gallische oorlogen van Julius Caesar en de opstand van de Eburonen, maar die hypothese vergt nog bijkomend onderzoek.

De opgraving ging van start in mei 2008. Een jaar voordien had een verkennend vooronderzoek door het archeologisch projectbureau ARON al uitgewezen dat het terrein zowel in de ijzertijd (ca. 800–50 v.Chr.) als in de Romeinse middenkeizertijd (2de en 3de eeuw) bewoond was door lokale gemeenschappen. De aangetroffen waterputten horen allemaal bij de Romeinse nederzetting. Op het areaal werden ook enkele brokstukken van een in mei 1940 neergestort Duits oorlogsvliegtuig aangetroffen. Deze vondsten worden bij voltooiing van de brug te Vroenhoven in het oorlogsmemoriaal ondergebracht. Hoewel alle geregistreerde sporen en ingezamelde vondsten nog grondig bestudeerd moeten worden, kunnen we nu al enkele algemene bevindingen kenbaar maken.

De waterputten lagen in de buurt van elkaar. Het gaat om twee houten putten en een mergelstenen exemplaar. Een vierde put was ingestort waardoor de constructiewijze niet meer bepaald kon worden. Waarschijnlijk functioneerden de putten niet alle vier gelijktijdig, maar hebben ze elkaar in de loop van de 2de en 3de eeuw opgevolgd. De mergelstenen put is vrij uniek voor de regio. Hij had een cirkelvormige plattegrond met een diameter van 1,60 m. Op een diepte van 5 m heeft een instorting de oorspronkelijke constructie helemaal uit haar verband gerukt. De wanden zijn er naar buiten geklapt waardoor veel stenen in de schacht gevallen zijn. Wellicht werd de put na die gebeurtenis niet meer gebruikt. De bouwstenen dragen talrijke zaag- en kapsporen. Een analyse zal ons wellicht meer leren over Romeinse ontginnings- en bewerkingstechnieken van dit soort natuurstenen bouwmateriaal. Mergel werd immers zelden in Romeinse steenbouw verwerkt, zowel op landelijke nederzettingen als in centrale plaatsen zoals Maastricht of Tongeren.

De Romeinse nederzetting dateert uit de 2de en 3de eeuw, de zogenaamde middenkeizertijd. In die periode stond een aantal houtlemen boerderijen rond een centrale open ruimte. In die centrale zone bevonden zich de vier waterputten, net als drie drinkpoelen voor vee. In de jaren 2000-2004 werd een gelijkaardige nederzetting te Veldwezelt opgegraven. De nederzetting in Kesselt is dus de tweede van haar soort die in Zuid-Limburg kon worden onderzocht. Tot nu toe kenden we uit de Romeinse tijd alleen maar de zogenaamde villa’s: rijke landbouwbedrijven die rond luxueuze hoofdgebouwen waren aangelegd. Blijkbaar bevond zich in de streek nog een ander type nederzetting, waar inheemse bouwtradities en wellicht ook levenswijzen verder leefden.

Van de prehistorische bewoning zijn sporen van zowel de vroege als de late ijzertijd bewaard. Vooral de nederzetting uit de late ijzertijd is bijzonder. Ze bestaat uit een nog onbekend aantal boerderijen, omgeven door kleine bijgebouwtjes, kuilen en greppels. Het aardewerk en de andere vondsten die uit deze sporen zijn ingezameld, dateren van het einde van de late ijzertijd, omstreeks het midden van de 1ste eeuw v.Chr. Het is verleidelijk om het opgeven van de nederzetting in verband te brengen met de Gallische oorlogen van Julius Caesar en de opstand van de Eburonen. Pas na bijkomend onderzoek kan die hypothese eventueel bevestigd worden. In elk geval gaat het om de eerste nederzetting van de Eburonen die in de Zuid-Limburgse regio kon worden opgegraven.

Het onderzoeksproject werd een klein jaar geleden opgestart en in drie fasen uitgevoerd. De opgraving paste zich immers aan het ritme van een leemexploitatie aan. In een eerste en tweede fase werd een areaal van ca. 2 ha vlakdekkend onderzocht. In een derde fase werden dan de vier waterputten, tot dan ongemoeid gelaten, tot op een diepte van ca. 10 m onder het maaiveld opgegraven. Met dat laatste onderdeel werd gewacht tot de leemexploitatie de rand van de waterputten bereikt had, zodat de waterputten in veilige omstandigheden vanuit het front van de leemafgraving konden worden onderzocht.

Nog geen officieel rapport over deze opgravingssite.

RIEMST

08-02-2011: Romeins kindergraf in Riemst

Het Romeinse kindergraf te Riemst.

Het Romeinse kindergraf te Riemst.

Op 23 november 2010 werd een groot stuk lood aan de rand van een akker in Riemst gevonden. Een loden grafkist kwam tevoorschijn, met daarin de resten van een kinderskelet. De vondst van een loden sarcofaag uit de Romeinse tijd (einde derde, begin vierde eeuw) is erg bijzonder en zeldzaam in onze streek. Tot nog toe zijn er maar 4 andere exemplaren gekend.

Op 23 november 2010 kreeg ZOLAD+ de vondstmelding van een vrijetijdsarcheoloog. Na melding van de toevalsvondst bij Ruimte en Erfgoed, ging het VIOE ter plekke op onderzoek uit. De kist lag niet diep. Op zo’n 40 à 50 cm diepte werden de omtrekken van de kist duidelijk. De bodem vertoonde duidelijk ploegsporen, meteen ook een verklaring voor de verwrongen staat van de loden wanden. De kuil en de inhoud van de kist werden verder voorzichtig opgegraven, om te voorkomen dat eventuele bijgiften verloren gingen. Al snel bleek dat het deksel van de loden kist onbrak en dat het skelet in de kist nog maar gedeeltelijk bewaard was. In de kuil errond, werden nog loden stukjes, verroeste nagels en één munt gevonden. Er werd besloten om het skelet in de loden kist te laten en zo naar het VIOE-depot in Zellik te brengen voor verder antropologisch onderzoek.

Het kind moet zo’n 7 à 8 jaar zijn, maar veel meer is er nog niet geweten. De kist was wat te groot voor het lichaam en het deksel ontbrak. Dit maakt dat de zure leemgrond vrij spel had en verklaart de zeer broze bewaringstoestand van het skelet. Het lijkt alsof er gerommeld werd in de kist na de begraving, want de botstukken lagen niet meer op hun anatomische plaats. Tanden lagen ter hoogte van het bovenbeen en een schedelstuk aan de voeten. Er zal nog een C14-datering gebeuren op het bot. Over 4 à 5 maanden weten we dan van welke periode dit geraamte dateert en/of wanneer het kind begraven werd.

Verwonderlijk bij deze vondst is het kleine aantal bijgaven. Er is enkel een Antonianus van Tetricus teruggevonden buiten de kist. Dit is een muntstuk uit 271-274 N.C., dat tot het begin van de 4e eeuw in roulatie bleef. Dit geeft alvast een aanwijzing voor de datering.

Loden sarcofagen zijn een zeldzaamheid. In België is dit nog maar het vijfde exemplaar. Andere exemplaren zijn in Doornik en Tongeren terug te vinden. Verder zijn er maar een enkele bekend uit Engeland, Noord-Frankrijk, Trier en Keulen. Het gebruik van lood wijst op een zekere welstand. Het kostbare materiaal werd tijdens de Romeinse periode voornamelijk in Afrika en het Nabije Oosten (Syrië) gebruikt. Later werd dit geïmporteerd vanuit Spanje, Duitsland en Engeland. Het geïmporteerde lood werd tot platen verwerkt en later tot kist geplooid. Bij het toevouwen van deze loden platen, werden de naden aan elkaar “gelast” of op regelmatige afstand verstevigd met nagels . Vandaar ook de verroeste nagels die aan de buitenzijde van de kist werden teruggevonden.

De kist, het kinderskelet en de andere metalen voorwerpen worden na verdere restauratie en conservatie bestudeerd, met het oog op een datering en historische interpretatie.

Nog geen officieel rapport over deze opgravingssite.

MEEUWEN-GRUITRODE

De gemengd Keltisch/Romeinse site “De Rieten” te Wijshagen

De archeologische site “De Rieten” te Wijshagen, is een site met internationale faam.

De archeologische site “De Rieten” te Wijshagen, is een site met internationale faam.

In 1984-’85 en 1987 werd de grafheuvelsite van het Limburgse Wijshagen onderzocht door de Nationale Dienst voor Opgravingen. Het verhaal is gekend: 5 grafheuvels en 1 Romeinse cultusplaats werden onder de loep genomen door Guido Creemers, Luc van Impe en Krista Maes. De lage heuvels bevatten naast anonieme as en aardewerken scherven, ook de crematieresten van een jonge man met paardentuig begraven in een cista, een jonge man of vrouw met bronzen sieraden begraven in een situla, en een erg gespierde man van gemiddelde leeftijd -artrose aan de elleboog door overbelasting- met bronzen sieraden begraven in een situla. Een identificatie van de overledenen door het VIOE was mogelijk omdat de crematieresten nog relatief veel botfragmenten bevatten. De aard van de bijgaven -bronzen gladde en geribde wijnemmers uit Zuid-Europa, torques en andere sieraden, ijzeren paardentuig- duiden op rijkdom en (handels)contacten met de rest van de Keltische wereld. Eén kilometer verderop situeerde zich een kleine nederzetting met boerderijen langs een 500 ha groot akkercomplex. Tussen 450 en 350 v.C. leefde hier een La Tène-groep met een relatief grote actieradius, die heerste over een uitgestrekt gebied te midden van heidevlakten en gemengde bossen. Onder hen bevonden zich elitefiguren en krijgers. Daarom staat de site al jarenlang bekend als ‘de adelgraven van Wijshagen’.

Hoe bekend ook in de archeologische wereld, de site lag er slecht bij. Het was er verrommeld en verbost, er stond vervallen straatmeubilair en verlichtingsinfrastructuur, en de lokale looppiste ging dwars over de heuvels. In 2004 werd door Regionaal Landschap Kempen en Maasland (RLKM) en de gemeente Meeuwen-Gruitrode beslist om de site op te ruimen en opnieuw in te richten zodat een beeld kon gegeven worden van hoe het grafveld eruit gezien zou hebben. Conceptnota’s, knelpuntanalyses en kapvergunningen werden opgemaakt. Na overleg met alle betrokkenen werd een consensus gevonden waarbij archeologie en sport gescheiden werden. In 2008 werden subsidies gezocht en gevonden. Men kon overgaan tot een aanbesteding en het uitvoeren van de nieuwe plannen met inzet van de landschapsanimator en haar landschapsteam, en onder toezicht van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum. Het naaldbos rond de heuvels werd gekapt, de heuvels zelf -afgevlakt door tijd en erosie - werden gehermodelleerd met arm zand waarop een schrale vegetatie (hopelijk heide) wordt verwacht. Er vond geen grondbewerking plaats, behalve het verwijderen van de boomstronken met een ondiepe bosfrees (minder dan 10 cm). Onder het oppervlak werden de grafheuvels afgedekt met ijzeren netten om metaaldetectoren te misleiden. Een ontwerpbureau verzorgde de infoborden op de site, de doorsnede van de grote grafheuvel van de gespierde krijger, een tijdstenenpad en de verplaatste Finse piste in het omringende bos.

Nu de rust is weergekeerd op het open grafheuvelveld, wordt er bezonnen… De vernieuwde site biedt mooie kansen naar erfgoededucatie toe en kan het de culturele attractiepool van de gemeente vormen. De hoop is dat de site en aanverwante activiteiten kleinschalig en authentiek blijven, en dat ze de lokale bevolking weer kunnen verbinden met hun eigen erfgoed. De grootste waarde van de Rieten is het open en rustige karakter, dat oproept hoe het er ooit geweest moet zijn.

Meer weten over deze site? AIVT001-004.pdf

De inheems-Romeinse begraafplaats te Wijshagen-Plokrooi

Het grondplan van de begraafplaats te Plokrooi, Wijshagen (Meeuwen-Gruitrode).

Het grondplan van de begraafplaats te Plokrooi, Wijshagen (Meeuwen-Gruitrode).

Het grafveld van Wijshagen-Plokrooi (Limb.) roept enige verwantschap op met andere sites in Vlaanderen. Het grafveld bestaat uit een grote rechthoekige grachtstructuur en een reeks kleinere vierhoekige structuren. De aangetroffen crematiegraven liggen zowel binnen als buiten deze monumenten verspreid. De site wordt gedateerd in de overgang van de late ijzertijd naar de Romeinse periode. De crematiegraven zijn tamelijk slecht bewaard. Een van de graven vertoont verdere parallellen met de bijzettingen op andere sites. In deze bijzetting werden eveneens ijzeren fibulae als grafgift meegegeven.

Meer weten over deze site? AIVT002-003.pdf

HERK-DE-STAD

De Romeinse crematie-begraafplaats te Donk

Schematische voorstelling van de Romeinse vondsten in Donk (Herk-de-Stad).

Schematische voorstelling van de Romeinse vondsten in Donk (Herk-de-Stad).

Deze site werd herontdekt in de jaren 1970. Dit site is ongeveer 275 op 150 m groot en is gelegen aan de oostelijke valleirand van de Gete, in de depressie van Halen-Schulen. Men vond er de overblijfselen van ongeveer 175 crematiegraven en diverse types monumenten en vlakgraven. Als grafgiften werden silex stenen, spiraalsieraden en spelden teruggevonden.

Meer weten over deze site? AIVT001-013.pdf (in het Engels).

LUMMEN

Het archeologische onderzoek aan de Zelemsebaan te Meldert

Projectgebied archeologische site, Zelemsebaan, Meldert.

Projectgebied archeologische site, Zelemsebaan, Meldert.

Naar aanleiding van de verkaveling “Het Dorp” te Meldert (gem. Lummen) werd door het voormalige Agentschap Ruimte en Erfgoed een archeologische prospectie met ingreep in de bodem gevraagd die van 19 tot en met 25 januari 2010 werd uitgevoerd door Studiebureau Archeologie bvba. Tijdens dit vooronderzoek werd vastgesteld dat de aanwezige sporen als duidelijke nederzettingssporen uit de (midden- tot late) ijzertijd te interpreteren zijn (62 paalkuilen, 46 kuilen en 5 grachten of greppels; met duidelijke concentraties die op intensieve bewoning wijzen). In verschillende sleuven werden paalkuilen aangetroffen waaruit geconcludeerd werd dat er meerdere gebouwplattegronden aanwezig moeten zijn op de site.

Verder werden er ook overblijfselen van een laatromeinse bewoning aangetroffen. Een heuse verrassing, aangezien er tot op heden maar weinig bekend is van de laatromeinse bewoning in de regio tussen Maas, Demer en Schelde.

Meer weten? Klik door naar deze link om het zeer uitgebreide rapport (400 blz., 23,5 MB) over deze vindplaats te lezen: archeologische onderzoek aan de Zelemsebaan te Meldert.