ons dorp - focus


Welkom in Zelem!

           
banner
Wapenschild van de Heren van Diest.
Zelem - Geografisch
Zelem - Historisch
Zelem - Bezienswaardigheden
Home

Zelem - De Vroege en Hoge Middeleeuwen (ca. 650 n. C – 1270 n. C)

Trudo stichtte een priestergemeenschap omstreeks 655 te Zerkingen (Sarchinium). De bezittingen die Trudo schonk omvatten niet alleen Zerkingen maar ook Webbekom en Zelem, en die geleidelijk tot de beroemde abdij in Sint-Truiden uitgroeide. In de 9e eeuw werd de Regel van Benedictus aangenomen. De abdij verwierf daarnaast, door schenkingen, talrijke bezittingen in de wijde omgeving (waaronder Donk, Halen, Velpen, Meerhout).

De Abdijtoren van Sint-Truiden.

De Abdijtoren van Sint-Truiden.

Zelem viel binnen de grenzen van het latere Graafschap Loon, tegen de grens met Hertogdom Brabant, en vanaf 1366 in het Prinsbisdom Luik toen Loon geannexeerd werd door het Prinsbisdom, tot in 1796 bij de Franse Revolutie toen de heerlijkheden afgeschaft, en de gemeenten geboren werden.

Kaart van de Nederlanden in 1350 (als deel van het Duitse (Roomse) Rijk (kleine kaart bovenaan) met in het roze (grote kaart) het Graafschap Loon (rode punt = Zelem).

Kaart van de Nederlanden in 1350 (als deel van het Duitse (Roomse) Rijk (kleine kaart bovenaan) met in het roze (grote kaart) het Graafschap Loon (rode punt = Zelem).

Boven: kaart van het Graafschap Loon. Onder: detail van dezelfde kaart regio Zelem - Diest. Op de kaart is ook duidelijk te zien dat Halen, Lummen en Linkhout (Linthout) toen deel uitmaakten van het hertogdom Brabant.

Boven: kaart van het Graafschap Loon. Onder: detail van dezelfde kaart regio Zelem - Diest. Op de kaart is ook duidelijk te zien dat Halen, Lummen en Linkhout (Linthout) toen deel uitmaakten van het hertogdom Brabant.

De Heeren van Diest, stam I

Omstreeks het einde van de XIe  eeuw verschenen de eerste “Heeren van Diest”,  door de hebberigheid van deze heren verloor de Abdij van St.-Truiden steeds  meer en meer terrein.

De Heren van Diest zou een verzamelnaam zijn van één grote familie met verschillende familienamen.

Er bestonden blijkbaar familiebanden tussen de heren van Bekkevoort, Diest en Zelem, beide laatste heerlijkheden waren minstens sinds 1089 verenigd onder de Heren van Diest.

In 1087 duikt uit de kroniek van de abdij van Sint-Truiden een zekere Otto, heer van Diest, op. Deze Otto had op onwettige wijze bepaalde goederen van de abdij afhandig gemaakt.

Otto

Otto is de eerste heer van Diest, wiens naam ons wordt meegedeeld, namelijk door de Kroniek van Sint-Truiden. Hij leefde eind 11e eeuw en begin 12e eeuw. Het moet een ruwe ridder geweest zijn die niet terugdeinsde voor strooptochten en een die men weinig kon vertrouwen. Deze Otto had op onwettige wijze bepaalde goederen van de abdij afhandig gemaakt.

Een zekere Bruno die met bedrog de bisschoppelijke stoel van Metz beklommen had, verkocht aan een invloedrijke edelman, Otto van Diest, goederen te Webbekom, Pelt, Helchteren en Wijchmaal, voor 100 Mark, die eigendom van de abdij waren.

Uit "Jaarboek voor Middeleeuwse geschiedenis" door Stichting Bevordering Middeleeuwse Studies.

Uit "Jaarboek voor Middeleeuwse geschiedenis" door Stichting Bevordering Middeleeuwse Studies.

Tijdens de daaropvolgende decennia zien we de opvolgers van Otto bijna allen in conflict komen met de abdij van Sint-Truiden tot uiteindelijk Arnold II in 1163 het begevingsrecht over de Diestse kerkgemeenschap overdroeg aan de abdij van Tongerlo.

Aangenomen wordt dat Otto één zoon had, Arnold, hoewel dat veel kinderen toen toekomst betekenden: veel aanzien, macht, eigendom, enz... Over andere kinderen is evenwel niets bekend.

De burcht van Otto (warande Diest)

Op deze foto (linksboven) zijn in het Warandepark te Diest nog duidelijk de omtrekken van de burcht van de Heren van Diest te zien.

Op deze foto (linksboven) zijn in het Warandepark te Diest nog duidelijk de omtrekken van de burcht van de Heren van Diest te zien.

Detailfoto van een deel van de overblijfselen van de burcht van de Heren van Diest.
Detailfoto van een deel van de overblijfselen van de burcht van de Heren van Diest.
Uit: "De donjon in Vlaanderen: architectuur en wooncultuur" door Frans Doperé en William Ubregts.

Uit: "De donjon in Vlaanderen: architectuur en wooncultuur" door Frans Doperé en William Ubregts.

Reeds in het laatste kwart van de 11e eeuw werd op de heuvel een hoogteburcht bewoond, namelijk door Otto I, een van de Heren van Diest die de stad bestuurden van 1080 tot 1499. Archeologisch onderzoek toont aan dat de versterking toen uit een donjonmotte - het zgn. Tafelrond - en een neerhof bestond met in hout opgetrokken stallingen en woningen. Het geheel werd beveiligd door een gracht.

De Warande is een historisch belangrijke site, enerzijds symbolisch, als woonplaats van de Heren van Diest, en anderzijds wetenschappelijk omwille van de archeologische resten ter studie van de heerlijke residenties in de Middeleeuwen. Tussen 1080 en 1499 werden er immers door de Heren van Diest maar liefst drie verschillende hoogteburchten opgetrokken, samen met de Keizersberg in Leuven een eerder zeldzame vorm van versterkte woning in de regio.

Arnold I Heer van Diest

Arnoldus of Ernulfus werd volgens de schrijver Gramaye voor het eerst vernoemd in een geschrift van 1130 dat bewaard werd in de archieven van de abdij van Gemblours.

In een vergunschrift van 1135, waardoor Alexander, bisschop van Luik, de oprichting van de abdij van Everbode (Averbode) bekrachtigde, komt Arnold als een van de medestichters voor, samen met Arnold graaf van Loon, Arnold heer van Aarschot, kanunnik van Repe (Rupe?) en Raoul abt van Sint-Truiden.

De Abdij van Averbode zoals ze er nu uitziet.

De Abdij van Averbode zoals ze er nu uitziet.

In 1142 beëindigde Arnold de problemen die bestonden tussen Foucard (of Flocard), abt van Sint-Truiden en de kerk van Diest.

De abt beweerde dat, door een privilege verleend door de paus, elk jaar na Pinksteren, al de inwoners van Diest naar zijn abdijkerk moesten komen om hem daar voor het altaar, een "obool" per "vuur" te betalen.

Zij die afhingen van de parochiekerk van Diest waren veroordeeld om dit recht te betalen. Ze waren reeds herhaalde malen opgeroepen maar telkens door hen genegeerd. De abt zag dat zij geen gevolg gaven aan zijn aanvragen en vermaningen en wendde zich tot de bisschop van Luik, onder wiens bisdom de kerk van Diest toen behoorde. De bisschop van Luik, Albert, besloot hierop de kerk van Diest te sluiten.

Deze stand van zaken duurde verschillende jaren, en toen er dagelijks een aantal personen stierven zonder sacramenten, vond Arnold dat het hoog tijd was om aan deze wanorde paal en perk te stellen. Hij regelde, in plaats van het recht gereclameerd door de abt, dat aan hem jaarlijks, de vierde dag na Pinksteren, door de pastoor van Diest en zijn parochianen, 10 stuivers betaald werden. Dit gebruik duurde voort tot in de XVIe eeuw en mogelijk nog later.

De Grimbergse Oorlogen

In 1142-1143 overleed Godfried II van Leuven, Hertog van Brabant en liet uit zijn huwelijk met Lutgarda, gravin van Dasburg, slechts een enig kind na, Godfried III, ternauwernood één jaar oud. Daar het kind niet oud genoeg was om het land te besturen moesten er natuurlijk voogden gekozen worden, die de zaken van het hertogdom zouden gadeslaan tot de jonge vorst oud genoeg was.

Arnold van Diest werd tot "Ruwaerd" of bestuurder van Brabant en tevens tot een van de voogden van de jonge Godfried verkozen; dit laatste ambt samen met de Heren van Bierbeek, Wezemaal, Gaasbeek en Wemmel.

Het was Arnold die op het gedacht kwam om de hulp van Diederik van de Elzas, graaf van Vlaanderen in te roepen tegen Wouter Berthout, voogd ("advocatus") van Mechelen, en Geraard, heer van Grimbergen, die zich van het erfgoed van de jonge hertog door list en geweld wilde meester maken.

Afbeelding uit 's Lands Glorie: intrede van Diederik van de Elzas te Brugge.

Afbeelding uit 's Lands Glorie: intrede van Diederik van de Elzas te Brugge.

Dit beproefde Arnold van Diest met zijn twee zonen en gesteund door zijn bondgenoten uit Frankrijk, Henegouwen, Holland en Gelderen wish hij het zover te krijgen dat Godfrieds voogden zich haasten om de hulp van de graaf van Vlaanderen in te roepen om de toenemende macht van de Berthouders te stuiten.

Diederik van de Elzas zond een leger op vraag van Arnold van Diest. De Vlamingen voegden zich bij de Brabanders en trokken tegen het heir der Berthouders ten strijde. De twee legers raakten slaags te Ransbeek (nu Neder-Over-Heembeek) bij Grimbergen, waar het weinig scheelde of de Berthouders behaalden er de overwinning.

"De moed begon in 't Brabants leger danig te zinken, toen de jonge hertog, op aanraden van de heer van Gaasbeek, om de heldenmoed der strijders op te wekken, in een wieg aan een boom opgehangen werd. De Brabanders, bij het zien van het onschuldig wichtje, voelden hun bloed van gramschap koken. Zij vielen met hernieuwde moed de vijand aan".

De Grimbergse Oorlogen waren de aanleiding tot de legende van Manneken Pis van Brussel.

Manneken Pis van Brussel: Toen Hertog Godfried III van Brabant twee jaar oud was, stierf zijn vader. Na diens dood verklaarden twee edellieden aan het hof, Walter van Mechelen en Geeraard van Grimbergen, de jonge hertog de oorlog. De voogden van de jonge hertog vroegen hulp aan de Graaf van Vlaanderen. Hij verleende zijn hulp. Maar zijn soldaten wilden weten voor wie ze moesten vechten. Daarom werd de kleine aan de soldaten getoond en vervolgens meegenomen naar het slagveld. Daar werd de wieg aan een boomtak gehangen tijdens het gevecht dat drie dagen duurde. Uiteindelijk werden de opstandelingen verslagen. Maar ook de jonge hertog had zijn aandeel in het geheel. Enkele keren per dag ging hij rechtop staan in zijn wieg en zorgde vervolgens er voor dat zijn straal met kracht over de rand vloog. Om dit heuglijke feit niet te vergeten, werd de eik waaraan de wieg had gehangen, naar Brussel verplaatst en geplant in een straat in het centrum die men de naam "Eikstraat" gaf. Direct naast de boom werd een standbeeld opgericht van een kind dat plassend zijn behoefte doet. Wat ook waar mag zijn, diverse verhalen en legenden over de oorsprong doen nog steeds de ronde (http://www.filatelieonline.com/philatelist/manneke.htm).

Wouter Berthout en zijn oudste zoon werden gevangen genomen, terwijl zijn andere zoon Geraard enkele dagen later aan zijn verwondingen overleed. Deze zege kostten de Brabanders ook veel bloed: Arnold van Diest, de heren van Wezemaal, van Rotselaar, van Bierbeek, van Marbais, van Leefdaal, van Horne, van Reves, van Heusden, van Trasignes, enz... sneuvelden er. Deze slag werd volgens "Divaeus" geleverd in 1144.

Een Diets epische gedicht uit de 14e eeuw geeft een nogal legendarisch relaas van de Grimbergse Oorlogen weer. Het wordt historiografisch niet altijd als een betrouwbaar verslag beschouwd. Het werd uitgegeven door C.P. Serrure en Ph. Blommaert in 1852-1854: De Grimbergsche oorlog. Ridderdicht uit de XIVe eeuw, ed. PH. BLOMMAERT - C.P. SERRURE, 2 dln., Gent, 1852-1854. (Gedigitaliseerd door de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren).

Arnold I liet uit zijn huwelijk twee zonen en twee dochters na: Arnold, zijn opvolger, Gerard, Helwige en Hildegonde of Hilsonde (Bron: Baron van Reiffenberg).

Volgens een andere bron was Arnold I gehuwd met Immena en hadden zij vijf kinderen: Arnold (II) zijn opvolger, Coenraad, Arnik, Emil en Geeraard.

In de geschiedenis der Stad Diest van Edward van Even lezen we het volgende:

Kaart van het Heilig Roomse Rijk (11e - 12e eeuw).

Kaart van het Heilig Roomse Rijk (11e - 12e eeuw).

Is Diest een enclave geweest in het hertogdom Brabant, toebehorend aan de aartsbisschop van Keulen? Arnold II, Heer van Diest, verpandde tussen 1168 en 1190, zijn allodium aan de aartsbisschop van Keulen voor de som van 700 Mark en een jaarrente van 110 Mark. Hij trad daarna in de vazaliteit van deze aartsbisschop en kreeg zijn vroegere eigendommen als leengoed terug.

De ware reden van deze transactie kennen wij niet, maar toch liggen er motieven voor de hand die wij zonder groot gevaar voor vergissing kunnen vooropstellen. In de eerste plaats is dit feit niet uniek: herhaaldelijk gebeurde het dat een heerlijkheid van bescheiden afmetingen en waarde verpand werd aan een machtige heer om van deze geldelijke en desnoods militaire hulp te bekomen; de kleine heer kreeg dan zijn voormalige eigendom terug in leen. Dat de heer van Diest in chronische geldnood verkeerde, zoals alle heren trouwens, hoeft niet bewezen te worden. In dit geval moest hij een beroep doen op de bewoners van zijn heerlijkheid, die hij beschouwde als zijn onderdanen.

Misschien was deze bron van inkomsten niet groot genoeg meer, ofwel werden de onderdanen weerbarstig en zochten zij een middel om van deze financiële last af te geraken. In dit laatste geval konden zij in deze tweede helft van de 12e eeuw, hoe langer hoe meer op de steun rekenen van de hertog van Brabant, die zijn macht trachtte uit te breiden aan de grenzen van zijn vorstendom, tegenover het graafschap Loon en het prinsbisdom Luik. Zodoende ontstond een dubbele coalitie: de Diestenaars, waarvan in deze periode de bevolking en de rijkdom snel aangroeiden, en de hertog van Brabant. Daartegenover de Heer van Diest, die zich beroofd zag van zijn inkomsten en zich bedreigd voelde door de hertog, en daarom hulp en steun vroeg aan de aartsbisschop van Keulen, die zelf zeer machtig was. Ook had deze, als eerste vertegenwoordiger van het keizerlijk gezag in dit gedeelte van Duitsland, het recht en de plicht de ondergeschikte heren, hier de hertog van Brabant, in toom te houden.

Er zijn slechts schaarse inlichtingen omtrent het verdere verloop van de samenwerking tussen de aartsbisschop van Keulen en de heer van Diest, zijn vazal. In elk geval zijn er weinig sporen van feodale betrekkingen in de loop van de 13e eeuw, zelfs werden deze verbroken in 1288, aangezien Arnold V, Heer van Diest, en zijn zoon Geeraard, op het slagveld van Woeringen streden in de rangen van het Brabantse leger tegen de aartsbisschop. We mogen daarom met vrij grote zekerheid aannemen dat de feodale banden tussen de Heren van Diest en de aartsbisschop niet meer hernomen werden, te meer omdat na de nederlaag te Woeringen de macht van de aartsbisschop sterk verminderd was en die van de hertog van Brabant gevoelig aangegroeid door het bezit van het hertogdom Limburg. Uit dit alles mag men besluiten dat de heerlijkheid en de stad Diest in feite onder het gezag geraakten van de Hertog van Brabant, terwijl de rechtstoestand van de afhankelijkheid van de aartsbisschop stilaan vergeten geraakte en daardoor alle juridische waarde verloor.

(bron: Oostbrabant.org)

De Kerk in onze gewesten tijdens de Middeleeuwen (voor 1559).

De Kerk in onze gewesten tijdens de Middeleeuwen (voor 1559).

Arnold II in andere bronnen en documenten

In 1173 hing het zegel van Arnold II als getuige aan het getuigschrift van een opmerkelijke verkoop die plaats had in de Benedictijnerabdij van Vorst bij Brussel, en gedaan werd door Radbout (Rabbodo) van Kraainem.

In het jaar 1188, komt Arnold tussen bij een donatie gedaan door Hertog Godfried, aan de abdij van Averbode.

Grote spanningen ontstonden tussen Hendrik, Hertog van Brabant en Geeraard, Graaf van Loon over de voogdij van Sint-Truiden. Hertog Hendrik beweerde dat de voogdij hem van rechtswege behoorde, mits zij aan zijn moeder, Margareta van Limburg, met andere goederen gegeven was geweest, en bijgevolg in zijn erfdeel viel. De Graaf van Loon beweerde daarentegen dat het hem toekwam en wou er zelfs de wapens voor opnemen.

De aartsbisschop van Keulen, Philips van Heinsberg, die wenste dat de graaf van Loon op kruistocht vertrok, bood zich aan als bemiddelaar. In 1190 had hij een overeenkomst tussen de partijen: Hendrik stond de voogdij aan de Graaf van Loon af op voorwaarde van alle jaren een som te ontvangen van 800 zilveren Marken, volgens een getuigschrift door prior Butkens meegedeeld. In dat getuigschrift beloofden Arnold en zijn zoon, alsook de andere gijzelaars van de vorige Hertog Godfried en zijn zoon de huidige Hertog Hendrik, dat als deze laatste het verdrag niet respecteerde, zij naar de stad Maastricht zouden gaan en er niet uit zouden komen voor de Graaf van Loon tevreden zou zijn.

Het was Arnold II die in 1192, daar Gramaye verzekerde dat hij in 1200 nog leefde, zijn zegel hing aan het vrijheidscharter van Vilvoorde, verleend door Hertog Hendrik I. In 1196 bezegelde hij als getuige de akte bij welke Godfried, Heer van Schoten, zijn slot, het kasteel van Breda en andere bezittingen afstond aan Hertog Hendrik I en zijn echtgenote Machteld van Vlaanderen.

Wij vinden zijn naam ook vermeld in de oorkonde van het verdrag gesloten tussen de Hertog van Brabant en de graaf van Gelderen in 1199.

Naar het schijnt overleed Arnold eind 1202, daar er een getuigschrift van dat jaar bestaat, waarin enkel de namen van zijn twee zonen voorkomen, Arnold en Geeraard in: "Arnoldus et Gerarardus, fratres de Diest". Deze laatste werd ook Bastijn genoemd.

Men vindt nog in een schrift van 1190 een Rykezo van Diest, vazal van Hendrik I van Brabant, die niettemin een van de zonen van Arnold II kan geweest zijn, ook al wordt hij apart vermeld van "Aroldus de Diest en Arnoldus filius suus". Maar wat de verwantschap juist is, weten we niet.

Gramaye geeft onder andere aan Arnold II een dochter Philippina van Diest genaamd, die in 1202, Robert, Heer van Heusden huwde. Verder zien we ook nog dat Robert de Corswarem, Marie van Diest, dochter van Arnold II huwde.

In de Kronieken geschreven door Nicolas Hogeland, Abt van Middelburg, worden "Arnoldi... Conrardi... Emilii et Gerardi" vernoemd als de vier broers van "Arnikius" die hem bezochten in de Abdij van Averbode, hij voegde er verder aan toe dat Arnold de "patris successor et civitatis Diestensis domini", Heer van Diest was.

In het boek Geschiedenis der gemeenten Oplinter, Bunsbeek en Hauthem alsook der abdij van Oplinter, geschreven door Pastoor P.V. Bets van Neerlinter in 1870, lezen we het volgende:

Uittreksel uit de geschiedenis der Stad Diest door Edward van Even.
Boven: Hertog Hendrik I van Brabant (1190-1235). Detail van diens grafmonument in de Sint-Pieterskerk te Leuven. Onder: het volledige praalgraf.

Boven: Hertog Hendrik I van Brabant (1190-1235). Detail van diens grafmonument in de Sint-Pieterskerk te Leuven. Onder: het volledige praalgraf.

In 1205 schonk Hertog Hendrik I en zijn echtgenote Machteld een gift aan de abdij van Villers: Arnold was adelijke getuige, de nobilibus, samen met Jacques, heer van Orbais.

Het volgend jaar maakte de Hertog van Brabant een akkoord met de graaf van Loon, Arnold III , heer van Diest, werd geteld onder de gijzelaars van de Hertog: “Hi sunt obsides ducis: Godefridus de Scoten, Arnoldus de Diest, Gerardus de Grimberge, etc”.

In 1209 was Arnold getuige in een charter van een donatie van Hertog Hendrik ten gunste van de kanuniken van Lier. En in een gelijkaardig charter ten voordele van de abdij van Tongerlo.

In 1213 gaf de Hertog van Brabant de helft van zijn voogdij van Webbekom, en bevestigde de ruil van zekere gebieden gedaan door Arnold, zijn vader, zijn moeder en Nicolaas, abt van St Truiden. Lodewijk, graaf van Loon, stond terzelfdertijd in een schrift zijn rechten op dit gebied af.

Dirk van Heinsberg, aartsbisshop van Keulen, kwam in problemen met Rome, omdat hij de partij van Keizer Otto steunde. Engelbert, broer van Adolf, graaf van Berg, werd in zijn plaats gezet. Op 5 juli 1217 hernieuwde de Hertog van Brabant met genoemde kerkvoogd het verbond dat er vroeger tussen hun staten bestaan had; Arnold van Diest werd als getuige geroepen alsook Geeraard, graaf van Gelderen, Wouter Berthout, Gilles zijn broer en anderen.

Arnold verwierf in 1228 van Hertog Hendrik I het beruchte charter der vrijheid voor de gemeente Diest. In dat zelfde jaar werd de toelating gegeven om de markt van Diest te kasseien.

In 1229, schonk Arnold aan de Teutoonse ridders (Duitse orde van kruisridders) van Bekkevoort, een gebied dat hij in die omgeving bezat. De schenking omvatte een reeks allodiale gronden en een deel van een vijver bij de burcht van Bekkevoort.

Arnold overleed in 1230, zijn lichaam werd in de abdijkerk van Averbode, bij zijn echtgenote begraven.

Wat betreft zijn broer, Geraard, of Bastijn, hij was heer van Linter of Neerlinter en Waanrode, hij droeg hetzelfde wapenschild, huwde Mathilde N, van dit huwelijk kwam het nageslacht, gerapporteerd door Butkens, versmolten door de vrouwen in de familie van der Rivieren-d’ Aarschot. De kleinzoon van Geraard, Arnold van Diest, heer van Linter, vond de dood tijdens de slag van Woeringen in 1288.

Arnold IV, Heer van Diest (1230-1258)

Hij trad in het huwelijk met Bertha of Bertrada (Oda?), dochter van Geeraard burggraaf van Antwerpen door dit huwelijk kwam de kastelenij der Burcht in het huis der Heren van Diest.

Gramaye vergiste zich in de overlijdensdatum van Aleyde moeder van Arnold die hij in 1230 plaatste, als het waar is dat in 1233, zij in overeenstemming met haar zoon, hun tiendenrecht dat zij in hun erfleen van Diest bezaten, overlieten aan de abdij van Tongerlo.

In 1234 was hij getuige in een charter in dewelke Hendrik hertog van Brabant, instemde met de donatie van het tiende van Neerlinter door Jan van Diest, ook de Breinne genoemd, heer van Neerlinter aan de Benedictijner abdij Sint-Maria van Linter.

Het volgend jaar, Arnold, graaf van Loon, wou enkele giften doen aan het kapittel van Munster-Bilzen waar hij voogd van was, hij nodigde de heer van Diest uit om zijn zegel aan de akte te hangen die dit beschreef.

In 1236, hernieuwde Jan de Breinne de afstand van zijn tiende, in de akte komen Arnold en zijn broer Geeraard als getuigen voor, na de hertog van Lothier en de graaf van Gelderen.

Het jaar 1236, er was ondermeer de huwelijksbelofte tussen Margareta van Gelderen en Willem, graaf van Gulik, die verklaarde tevreden te zijn met de huwelijkssom bepaald door de Hertog van Brabant, Arnold heer van Diest, Hendrik van Attencourt en meester Daniel.

In 1238 was hij aanwezig bij het sluiten van een akkoord tussen Hertog Hendrik van Brabant en Wouter Berthout, heer van Mechelen.

Arnold IV nam deel aan het toernooi van Compiègne in feb 1238. Uit het “Wapenboek Beyeren” van 1405, deelnemers van het toernooi. Linksboven, wapenschild  van de heer van Diest, het goud in het schild is sterk vervaagd.

Arnold IV nam deel aan het toernooi van Compiègne in feb 1238. Uit het “Wapenboek Beyeren” van 1405.
Deelnemers van het toernooi (zie http://www.kb.nl/bladerboek/wapenboek/browse/page_001r.xml). Linksboven, wapenschild van de heer van Diest, het goud in het schild is sterk vervaagd.

Enkele jaren later in 1244, zien wij hem in een twist met de Hertog en plaatst hij zich aan de zijde van Willem, graaf van Gulik, Waleran zijn broer, Adolf, graaf de La Marck, e.a. De twist was echter snel voorbij want in hetzelfde jaar trad hij als scheidsrechter op in een onenigheid tussen de Hertog en Arnold van Wezemaal.

In 1250 nam Willem, koning van het heilige roomse rijk en graaf van Holland, de Benedictijner abdij van Saint-Ghislain onder zijn bescherming. In het charter vinden wij Arnold van Diest als getuige samen met Hendrik II Hertog van Brabant.

In 1253 stichtte Arnold het begijnhof te Diest. Hij stond de begijnen toe er te wonen en met de mogelijkheid om er een kerk of bidplaats te bouwen. Hij had een gedeelte van het terrein gekocht van de abt van Sint-Truiden.

Het Begijnhof van Diest.

Het Begijnhof van Diest.

In hetzelfde jaar op 1 juli werd de parochie van de O.L.Vrouwenkerk gescheiden van de parochie van de Sint-Sulpiciuskerk krachtens een overeenkomst met abt Jan en de abdij van Tongerlo. Nog in hetzelfde jaar bevrijdde Hendrik, Hertog van Brabant vijftien bunder land tussen de stad en het slot, welke Arnold door ruil verkregen had; al wie dat land bewoonde of kwam bewonen genoot dezelfde voorrechten als de stadsbewoners.

In 1254 stichtte Arnold en zijn vrouw Oda de Cisterciënzer vrouwenabdij van St Bernarddal (vallis D. Bernardi) in de nabijheid van de stad, op een heuvel, thans nog de kloosterberg geheten. Deze abdij werd door de geuzen in 1577 in de as gelegd.

In 1255, bevestigde Hertog Hendrik de brieven van 1213 wat betreft de afstand van de “avouerie” (de betekenis van dit woord hebben we niet kunnen achterhalen, het werkwoord "avouer" betekent "belijden", maar past niet in de context van deze zin) Webbecom.

Arnold IV stierf in het jaar 1258. Voor zover wij weten heeft Arnold uit zijn huwelijk maar een zoon, Arnold V.

Uit de geschiedenis van de Heren van Neerlinter leren we het volgende:

De Heren van Neerlinter waren een adellijke familie uit het hertogdom Brabant. Tot 1146 vormden Diest en Neerlinter één heerlijkheid. De laatste gezamenlijke heer was Arnold I. Deze staatsman en ridder werd na de dood in 1142 van de hertog van Brabant, Godfried II, tot ruwaard of bestuurder van Brabant aangesteld omdat Godfried III, de erfgenaam en opvolger van de hertog, slechts één jaar oud was. Arnold I sneuvelde in 1146 in de slag van Ransbeek bij Vilvoorde. Zijn heerlijkheid werd verdeeld tussen zijn twee zonen: Arnold II werd Heer van Diest, Geeraard werd Heer van Neerlinter. Geeraard van Diest, bijgenaamd Bastijn, was dus de eerste afzonderlijke Heer van Neerlinter. Hij komt voor in oorkonden van 1165 en 1180. Hij stond in groot aanzien bij de hertogen van Brabant. Volgenden hem op: Jan, bijgenaamd Brienen, en na hem Arnold, die in 1288 sneuvelde in de slag van Woeringen. Omdat Arnold geen mannelijke nakomelingen had, ging de heerlijkheid van Neerlinter terug naar Diest. De Heren van Diest deden afstand van de heerlijkheid Neerlinter ten voordele van het huis van Rivieren, dat verwant was met de hertogen van Brabant en met de graven van Aarschot. Het huis van Rivieren zou vierhonderd jaar over Neerlinter heersen.

Arnold II, Heer van Diest (1146 - 1202)

Volgens sommige bronnen werd Arnold II geboren in 1140. Bij het overlijden van zijn vader, Arnold I, in 1146, verkreeg hij reeds de titel van Heer van Diest. Waarschijnlijk bleef hij nog een aantal jaren onder voogdij van andere edelen uit de omgeving.

De eerste maal dat wij iets van Arnold II vernemen is in het jaar 1155. In dit jaar werd Arnold door Galterius, deken van St.-Gereon, als voogd of beschermer gekozen, over de goederen die deze priester en zijn broer te Maaseik bezaten en aan de abdij van Averbode schonken. In de oorkonde voor die gelegenheid door Lodewijk, graaf van Loon, afgeleverd, is Arnold van Diest slechts on de benaming "homo liber" aangeduid.

Wanneer Arnold in het huwelijk trad is ons onbekend, alhoewel het aannemelijk lijkt dat hij dit voor het jaar 1163 gedaan heeft, want de naam van zijn echtgenote Clementinne, die Gramaye voor Clementinne van Wezemaal houdt, komt voor in het charter van 1163, waarbij hij, overeenkomstig met haar alsook met zijn broer Arnicus en zijn zuster, aan de Abdij van Tongerlo het geestelijk bestuur van de Sint-Sulpitiusparochie opdraagt. (Chronicon Diestense)

Diest in het feodale tijdperk

Uittreksel uit Geschiedenis der gemeenten Oplinter, Bunsbeek en Hauthem met betrekking tot de kinderen van Arnold I.
Uittreksel uit Geschiedenis der gemeenten Oplinter, Bunsbeek en Hauthem met betrekking tot de kinderen van Arnold I.
Zegel van Arnold II

Zegelafdruk van Arnold II, prins van Diest, 1200.

Arnold III, Heer van Diest

Rond 1202 volgde Arnold III zijn vader op. Hij huwde Aleidis von Hengebach, dochter van Eberhard [II] von Hengebach & en zijn vrouw von Jülich (Gulik) overleden in 1230 en begraven in abdij van Averbode. (Gramaye).

Uit dit huwelijk werden geboren: Arnold IV, zijn opvolger; Geraard van Diest,de eerste afzondelijke heer van Zelem, die vroeg moet overleden zijn daar zijn echtgenote Lutgarda reeds weduwe was in 1281, uit dit huwelijk werd een zoon geboren, Arnout van Diest, Heer van Zelem, die in de slag van Woeringen de dood vond, deze jongere Arnout was kinderloos. Evrard, provoost van Deventer, en een dochter gehuwd met Godfried IV, heer van Breda, die in zijn testament van het jaar 1246 aan Arnold heer van Diest (die hij zijn broer noemde), een rente van duizend Leuvense ponden liet op de dorpen Schoten, Merksem en Ekeren.

De Hertog van Brabant Hendrik I, had in 1203 in een veldslag Theodorik graaf van Holland gevangen genomen en hem op zijn slot van Leuven, in zekerheid gezet. Het verdrag waarmee men in 1203 de condities van de bevrijding regelde, werd gegarandeerd door Arnold van Diest, die genoemd is na Arnold van Grimbergen.

Zegels Arnold IV

Zegelafdrukken van Arnold IV, Heer van Diest. Boven dd. 01-08-1232 en onder dd. 22-11-1235.

We vonden echter nog andere zegels van Arnold IV. Deze dateren ook uit 1232 maar zijn totaal verschillend van de bovenstaande zegels.

Het andere zegel van Arnold IV.