ons dorp - focus


Welkom in Zelem!

           
banner
Wapenschild van de Heren van Diest.
Zelem - Geografisch
Zelem - Historisch
Zelem - Bezienswaardigheden
Home

Zelem - De Late Middeleeuwen (1270 - 1500)

We beginnen de late middeleeuwen met Arnold V, Heer van Diest van 1258 tot 1296. Zijn regeerperiode valt niet volledig samen met de begindatum van de Late Middeleeuwen, maar zijn belangrijkste wapenfeiten vielen wel in deze periode.

Arnold V, Heer van Diest (1258- 1296)

Arnold V, heer van Diest en burggraaf van Antwerpen langs moederszijde, huwt Isabella (Elisabeth) de Mortagne, vrouwe van Rumigny, dochter van Arnold de Mortagne , burggraaf van Doornik en Iolande de Coucy, gestorven in 1315.

In een andere interpretatie van de Chronicon Diestense, lezen we het volgende met betrekking tot Isabella de Mortagne:

De Slag bij Woeringen volgens een illustratie uit “Brabantsche Yeesten” van Jan van Boendaele (ca. 1316 – 1350).

De Slag bij Woeringen volgens een illustratie uit “Brabantsche Yeesten” van Jan van Boendaele (ca. 1316 – 1350).

Hieronder teksten uit de “Rymkronyk van Jan van Heelu (Helen) betreffende de slag om Woeringen” waarin de heren van Diest voorkomen.

Deel 1 van tekst over de Heren van Diest, uit de Rijmkroniek van Jan van Helen.

Deel 1 van tekst over de Heren van Diest, uit de Rijmkroniek van Jan van Helen.

Deel 2 van tekst over de Heren van Diest, uit de Rijmkroniek van Jan van Helen.

Deel 2 van tekst over de Heren van Diest, uit de Rijmkroniek van Jan van Helen.

Deel 3 van tekst over de Heren van Diest, uit de Rijmkroniek van Jan van Helen.

Deel 3 van tekst over de Heren van Diest, uit de Rijmkroniek van Jan van Helen. (7940) Zeelleem. Arnout van Diest, heer van Zeelhem. Butkens, I, p. 341, en ii, p. 95 Donghelbergue, p. 127.

Bron: http://www.dbnl.org/tekst/heel001jfwi01_01/heel001jfwi01_01_0012.php

Nog een afbeelding van de Slag bij Woeringen.

Nog een afbeelding van de Slag bij Woeringen.

Hieronder volgt een iets duidelijker tekst uit Proelium Woeringanum ofte Strydt ende Slach van Woeringen.

Tekstfragment over de Slag bij Woeringen uit Proelium Woeringanum ofte Strydt ende Slach van Woeringen.

Voor meer informatie over de slag zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_bij_Woeringen (Duits: Worringen). Woeringen ligt in het huidige Duitsland en is heden ten dage een stadsdeel van Keulen.

Kaart waarop alle gebieden staan die meestreden in de Slag bij Woeringen.

Kaart waarop alle gebieden staan die meestreden in de Slag bij Woeringen.

Strijdende partijen

thumbnail Brabant

Brabant

Thumbnail Gelre

Gelre

Thumbnail Loon

Loon

Thumbnail Luxemburg

Luxemburg

Thumbnail Vrije Rijksstad Keulen

Vrije Rijksstad Keulen

Thumbnail Limburg

Limburg

  Thumbnail Keur-Keulen

Keur-Keulen

Commandanten
thumbnail Brabant

Jan I

Thumbnail Gelre

Reinoud I

Thumbnail Loon

Arnold V

Thumbnail Luxemburg

Hendrik IV(†) - Siegfried van Westerburg

Troepensterkte

1500 ridders

2200 ridders

Verliezen

40

1100

Wapenschilden van de Hertog van Brabant en zijn vazallen, met midden bovenaan het wapenschild van Arnold V, Heer van Diest.

Wapenschilden van de Hertog van Brabant en zijn vazallen, met midden bovenaan het wapenschild van Arnold V, Heer van Diest.

Wapenschilden van de Aartsbisschop van Keulen en zijn vazallen.

Wapenschilden van de Aartsbisschop van Keulen en zijn vazallen.

Boven: schets van het Monument van de Slag bij Woeringen in Düsseldorf. Onder: detail van het echte monument.

Zegels van Elisabeth, echtgenote van Arnold V (Boven dd. 1292, onder dd. 1296)

Arnold V liet volgende kinderen na:
Gerard, zijn opvolger
Jan van Diest, eerst provoost van Kamerijk, later bisschop van Utrecht, en na zijn broer, heer van Diest, overleed in 1340.
Thomas van Diest, heer van Wandeberghe, later heer van Zeelem, en na zijn broer, heer van Diest
Alix of Aleide van Diest die met Hellin heer van Cisoing huwde
Maria van Diest, die op 8 nov 1290 huwde met Willem heer van Boxtel
Iolande van Diest, gehuwd met Lodewijk van Wassenberg, heer van Lumain, Peer enz.., voogd van Haspengouw, zij stierf in 1326
Isabella van Diest
Arnold heer van Rumes
Arnold van Westphalen

Wapenschilden van de Graaf van Luxemburg en zijn vazallen.

Wapenschilden van de Graaf van Luxemburg en zijn vazallen.

Baanderheer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie (http://nl.wikipedia.org/wiki/Baanderheer)

Een baanderheer, bannerheer of banierheer (verbastering uit het Duits: Bannerherr) of banneret was een feodaal heer die een hogere rang in de ridderlijke hiërarchie bezit. Hij beschikte zelf over een aantal leenmannen die aan hèm trouw en (militaire) bijstand verschuldigd waren en had het recht in oorlogstijd een eigen wapen te voeren.

Van banierdrager tot baron

De term is ontleend aan de banier of vlag die een dergelijke machtige edelman voerde. Van oorsprong was de baanderheer de drager van de banier van de vorst. Later werden de baanderheren op het slagveld aanvoerders van een zelfstandige afdeling, die hun eigen banier voerden. Door de titel te gebruiken wilden de baanderheren zich onderscheiden van andere edelen. Zo kwam de titel ook wel in gebruik met betrekking tot het hogere gezag in bestuurlijke zin voor eigenaars van een hoge en vrije heerlijkheid. De titel impliceerde dat een baanderheer vanwege zijn oude afkomst een positie boven de normale ridderschap toekwam. Het rechtsgebied van een baanderheer heette een bannerij of bannerheerlijkheid. In de 16e eeuw werden de baanderheren als eerste edelen in de ridderschap opgeroepen. De oudere aanduiding van baanderheer gaat dan samenvallen met de titel baron. Hun rechtsgebied wordt dan dienovereenkomstig een baronie genoemd.

Krijgspraktijk

Wanneer in de middeleeuwen een gewapend conflict werd uitgevochten verschenen de baanderheren met hun ridders en soldaten als evenzovele kleine legertjes. De schildknaap van de baanderheer droeg op het slagveld een banier. Dit was een stijve vierkante vlag die aan een lans is bevestigd (zie ook: auriflamme). Het aantal mannen dat de baanderheren voor het leger van hun leenheer meebrachten was aanzienlijk groter dan dat van lagere heren (die een driehoekige banier gebruikten). Veel wehrbauer sloten zich aan bij baanderheren omdat deze de mogelijkheid boden om zonder leenverplichtingen in de buit te delen.

In dat jaar was Arnold aanwezig bij de plechtige inhuldiging van Jan I, hertog van Brabant, te Leuven.

Het jaar 1271, de hertog van Brabant, Jan I deed een donatie aan het klooster van ‘s Hertogendael (Valduc), bij Leuven, Arnold kwam tussen als getuige.

In hetzelfde jaar bevestigde Arnold de concessies, door zijn vader gegeven aan de begijnen van Diest.

Terzelfder tijd, na enkele debatten over het tiendenrecht in het erfleen van Diest (toentertijd geschonken door Arnold II aan de abdij van Tongerlo), tussen hem, Mathilde, weduwe van Geeraard, Ridder, heer (comitis) van Zeelheim, Arnout en Aleyde of Alix, kinderen van deze laatste, de provoost van Deventer, hun oom, aan de ene kant, de abt en religieuzen van Tongerlo aan de andere zijde. Hij bevestigde de donatie van de tienden.

In 1279 waren er geschillen tussen Arnold en de Diestse burgers, omdat hij zonder vorm van proces twee inwoners levend liet begraven en nog andere straffen had laten uitvoeren, de Hertog van Brabant bemiddelde tussen de partijen.

In 1288 nam Arnold, samen met zijn zoon Gerard, met zijn banier deel aan de slag van Woeringen, daar waar Arnout, heer van Zeelem, alsook Arnold, heer van Linter, zijn neven sneuvelden.

M. de Nelis, die aan de drukkerij van de Leuvense Universiteit begonnen was aan een collectie “Tabulae publicae Lovaniensium” getiteld, die niet gearchiveerd en waar maar ternauwernood zes exemplaren van overbleven, geeft op bladzijde 12, een getuigschrift van Aleyde, hertogin van Brabant, in het jaar 1267, waarin zij vergetelheid proclameert van alle twist tussen haar, haar zonen, zijn deelnemers en de inwoners van Leuven. Dit was voor zover wij weten het eerste getuigschrift, welk Arnold met zijn zegel bekrachtigde samen met Jan de Brine, heer van Linter van hetzelfde huis, en zoon van Geerard van Diest. In brieven van keizer Richard, van 20 september 1268 vindt men Arnold V onder de Brabantse Baenderheren (Nobili viri).

Uittreksel uit de Chronicon Diestense met betrekking tot Isabella de Mortagne.

Boven: schets van het Monument van de Slag bij Woeringen in Düsseldorf.
Onder: detail van het echte monument.

In het jaar 1290 , stond hertog Jan zekere privilegiën toe aan de inwoners van Leuven, de akte werd gezegeld door Arnold op vraag van de hertog. Rond die tijd stichtte Arnold het klooster van de minderbroeders te Diest, die hier in 1292 hun provinciale vergadering hielden. Het was in hun kerk dat hij in 1296 begraven werd, alsook zijn vrouw enkele jaren later.

Zegels Elisabeth (Isabella), echtgenote van Arnold V.
Zegelafdruk van Aleide (of Alix) van Diest, dochter van Arnold V.

Zegelafdruk van Aleide (of Alix) van Diest, dame van Cysoing en Royère, dochter van Arnold V (1291).

Zegels van Arnold de Westphalie, zoon van Arnold V.

Zegel van Arnold de Westphalie, zoon van Arnold V. (links) 1307, (midden) 1309 en (rechts) is een zegel uit 1315 van Arnold van Diest Rumes een andere zoon van Arnold V.

We lezen hierboven dat Arnold V ook een zoon had die Arnold van Rummen werd genoemd. Deze naam is verwarrend omdat er nog een andere Arnold van Rummen bestaat, nl. een troonpretendent van de Graaf van Loon (lees meer over deze man: http://nl.wikipedia.org/wiki/Arnold_van_Rummen).

Vermits Arnold V gehuwd was met Isabelle van Mortagne, vrouw van Rumigny (volgens Baron van Reiffenberg en Edward van Even, volgens andere bronnen zou dit vrouwe van Rumegnies zijn) werd hun zoon waarschijnlijk naar haar gebieden vernoemd. Rumigny vertaald in het Nederlands is immers ook Rummen. In Frankrijk kan men 2 dorpen vinden, Rumigny (Somme) en Rumigny (Ardennes).

Mits dat haar vader burggraaf van Doornik was moeten we eerder gaan zoeken in die omgeving en komen ook andere dorpen in aanmerking, zoals : Rumillies ( in 1242 Rumengies, 1306 Rumegnies), Rumes, Rumegies (  in Vlaamse oorkonden van 1286 Rumegy).

Streek rond Doornik met vermelding van Rumigny, Rumes, Rumegy en Mortagne.

Op de kaart de streek rond Doornik (Tournai) met 1: Rumillies, 2: Rumes, 3: Rumegies en 4: Mortagne.

Kaart van dezelfde streek (9e  eeuw tot 1795).

Kaart van dezelfde streek (9e eeuw tot 1795).

In de tekst bovenaan de bladzijde geschreven in 1408 door André de Maubeuge, secretaris van de stad Diest, wordt vermeld:

Heer Aert, die men heet van Westphalen, die getrouwt hadde de vrouw van Rume, by Doornick.

Deze stelling strookt volgens ons ook niet met de waarheid en kan de reden geweest zijn waarom later de Heer van Rummen (Rumigny) verward werd met Arnold, Heer van Westphalen. Nergens in andere teksten kan er bevestiging gevonden worden voor de stelling dat de Heer van Westphalen getrouwd zou geweest zijn met de Vrouw van "Rume". Zelfs de oorspronkelijk tekst in het Latijn, waarop André de Maubeuge zich baseerde, maakt hier geen melding van:

Luchtfoto Helen-Bos.

Luchtfoto van Helen-Bos met van linksboven naar rechtsonder een gedeelte van de Jan van Heelustraat.

In zijn uitgave van de rijmkroniek van Jan van Helen schrijft J.F. Willems dat de auteur vermoedelijk geboren werd te Helen (thans Helen-Bos, sinds 1971 behorend tot de gemeente Zoutleeuw) en dat zijn naam wellicht verminkt werd door de 15e-eeuwse kopiist, die veel namen vervormd heeft (3).

(3) J.F. WILLEMS, in zijn inleiding op de Rymkronyk van Jan van Heelu betreffende den slag van Woeringen. Brussel, 1836, p. VI. Ik verwijs verder naar deze tekstuitgave, behalve wanneer ik het uitdrukkelijk zeg.

Het oorspronkelijke manuscript, dat omstreeks 1291-1292 tot stand moet zijn gekomen, is niet bewaard gebleven. De oudste bekende kopie dateert uit de eerste helft van de 15de eeuw (mogelijk rond 1440) en is zeer waarschijnlijk van de hand van Henricus van den Damme uit Brussel; dit handschrift hoorde oorspronkelijk toe aan de stad Brussel en bevindt zich op het ogenblik in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage. De andere handschriften gaan vermoedelijk alle op dat van Van den Damme terug ofwel zijn het samen kopieën van dezelfde moederkopie. Als vergelijkingsmateriaal zijn er echter nog twee bewerkingen van een thans onbekend handschrift van de rijmkroniek: een kortere in Latijnse verzen, van Hendrik Karel van Donghelberge, in 1641 uitgegeven, en een prozabewerking, van Govaerdt Schoevaerdts, in 1646 uitgegeven (4).

(4) K.J. SMEETS, Is een hernieuwde bestudering van de ‘Rymkronyk’ van Jan van Heelu gewenst? in Handelingen van het XXIVe Vlaams Filologencongres, Leuven, 1961, p. 345-352.

De auteur van de rijmkroniek van de slag bij Woeringen kennen we eigenlijk alleen door de inleiding van de 15de-eeuwse kopiist, die als volgt luidt:

Alsoe alse van heelu broeder Jan
Ons heeft bescreven ende doen verstan
Oec heet hi broeder ian van leeuwe
Die dichte van woeronc... (5).

(5) Naar een microfilm van het handschrift uit de UB Leiden, bij F. INGELS, Jan van Heelu, in Brabantse Folklore, nr. 177 (1968), p. 230; vgl. ed. J.F. WILLEMS, p. 345, v. DLXXXV vlg.

De vorm ‘heelu’ is bevreemdend: in het hertogdom Brabant is er geen plaatsnaam Heelu of een erop gelijkende naam bekend. Anderzijds worden ‘heelu’ en ‘leeuw’ hier samen, als ongeveer gelijkwaardig, gebruikt. Kan dit niet wijzen op het kleine dorp Helen, vlak bij de stad Leeuw, thans Zoutleeuw, gelegen? Als oudste vorm van de naam Helen vermeldt M. Gysseling in 1179 Yelne (6).

(6) M. GYSSELING, Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226). Tongeren, 1960, p. 469.

Tekst uit Compte Rendu des Séances de la Commission Royale d'Histoire waarop André de Maubeuge zich baseerde, met vermelding van de kinderen van Arnold V (in het Latijn).

Jan van Helen

Bovenaan de tekst staat een fragment uit de Rijmkroniek van “Jan van Heelu” die de slag van Woeringen verhaalt. De geschiedenis van deze man is zeer interessant maar slechts zijdelings betrokken bij de geschiedenis van de Heren van Diest (en Zelem). Toch is er opnieuw een link met Zelem zoals uit het vervolg van de tekst zal blijken en vandaar ook dat we zijn geschiedenis hier opnemen.

Enige tijd geleden stelde R. Lievens de vraag of Jan van Heelu niet zonder enige grond door sommigen als ridder van de Duitse Orde wordt beschouwd (1). Nu werden er al eerder in gewestelijke historische publicaties argumenten aangevoerd om te bewijzen dat Jan van Heelu niet alleen ridder, maar ook commandeur is geweest van de commanderij van de Duitse Orde te Bekkevoort. Inzonderheid lic. F. Scheys heeft deze vraag besproken aan de hand van de rijmkroniek en van archiefstukken van de Duitse Orde te Bekkevoort, bewaard op het Rijksarchief te Hasselt (2). Nadien heeft Mej. L. Liekens zijn argumentatie nog met instemming overgenomen in haar onuitgegeven licentiaatsverhandeling, De Kommanderij van de Duitse Ridderorde te Bekkevoort (KU Leuven 1969).

(1) Leuvense Bijdragen 67 (1978), p. 246, bij de recensie van De Veer Utersten van GERARD VAN VLIEDERHOVEN, ridder van de Duitse Orde (balije van Utrecht), uitgegeven door MEJ. M. DUSCH.

(2) F. SCHEYS, Jan van Heelu, commandeur te Bekkevoort? in Meer Schoonheid, Leuven, 8, 1961, nr. 2, p. 5-6. Hiernaast verwijst ook P. DE RIDDER, Psychologie en Geschiedenis: Bronnen en problemen bij een studie der persoonlijkheid van hertog Jan I van Brabant (1276-1294), in Eigen Schoon en De Brabander 61 (1978), p. 199-212, inz. p. 204.

Omdat deze twee studies in literair-historische kringen niet de aandacht hebben gekregen die ze verdienen, wil ik de gegevens ervan samenvatten en aanvullen. Naar aanleiding ervan wil ik echter eerst nog ingaan op de vraag of Jan van Heelu niet afkomstig was van Helen bij Zoutleeuw, zoals in gewestelijke publicaties algemeen wordt aangenomen. Indien dit zo is, moet hij consequent ook Jan van Helen, en niet van Heelu, genoemd worden.

Jan van Helen, niet van Heelu

Tekst uit Compte Rendu des Séances de la Commission Royale d'Histoire met vermelding van de kinderen van Arnold V (in het Latijn).
Luchtfoto van Zoutleeuw.

Luchtfoto van de stad Zoutleeuw.

Bij A. Wauters vinden we echter al een vorm uit 873, Hildina (‘cortem nostram Hildinam in Hasbanio’), die waarschijnlijk ook met Helen geïdentificeerd moet worden, en de dertiende-eeuwse vormen Heelne (in 1229, 1268 en 1269) en Helene (in 1232 en 1269) (7).

(7) A. WAUTERS, Géographie et Histoire des Communes Belges. Arrondissement de Louvain, Canton de Léau. Brussel, 1887, p. 114 en p. 111.

H. Vangassen vermeldt nog een twijfelachtige vorm uit 1326: ‘johannes de nyelde helue (?)’ (8).

(8) H. VANGASSEN, Bouwstoffen tot de Historische Taalgeografie van het Nederlands: Hertogdom Brabant. (Brussel) 1954, p. 820.

Deze vorm zou, evenals Heelu, wellicht door een verkeerde interpretatie van de n als u (in oude handschriften soms niet te onderscheiden) ontstaan kunnen zijn.

Helen, dat op slechts twee kilometer van Zoutleeuw ligt, werd in 1342 bij deze stad gevoegd (9).

(9) J. VANROELEN, Zoutleeuw, glorie en verval, in Oost-Brabant XIII (1976), p. 16; cf. A. WAUTERS, a.w., p. 115.

Op zichzelf is het niet duidelijk dat ‘van leeuwe” op Zoutleeuw slaat. Oorspronkelijk werden immers, evenals Zoutleeuw, ook Denderleeuw, Opleeuw (Gors-Opleeuw) en Sint-Pieters-Leeuw alleen maar ‘Leeuw’ genoemd (10).

(10) A. MANSION, De voornaamste bestanddeelen der Vlaamsche plaatsnamen. Brussel, 1935, p. 67. Pas in 1632 treffen we voor het eerst de vorm Sout-Leeuw, met de toevoeging zout, aan.

De verbinding van beide namen, ‘Heelu’ en ‘Leeuwe’ wijst echter met grote waarschijnlijkheid op de bij elkaar gelegen plaatsen Helen en Zoutleeuw. Bij de andere Leeuw-namen is geen op ‘Heelu’ gelijkende naam te vinden.

Een andere aanwijzing dat Jan van Helen uit de streek van Zoutleeuw komt, kunnen we vinden in vermeldingen van namen en gebeurtenissen uit deze streek in de rijmkroniek. Zo merken we o.a. de tocht van de hertog van Brabant in 1273 tegen de prinsbisschop van Luik op:

v. 690
Die hertoghe was totten Vinne
(Tusschen Leeuwe ende Sentruden steet)
Comen doen, alsoe bereet,
Dat hi ints bisscops land woude tien...

Deze tekst heeft betrekking op het Vin of Bolstermeer te Zoutleeuw, dat een oppervlakte had van oa. 100 ha; de kloosterlingen van de abdij van Park te Heverlee zouden de moerassige streek omgevormd hebben tot malse weiden en vruchtbare akkers en door de ontginning van turflagen aan de oorsprong liggen van het ontstaan van het Vin. Het meer, dat werd drooggelegd tussen 1841 en 1844, wordt voor het eerst vermeld in 1235: ‘magnam partem stagni ex parte Aquilonis sitam sub Lewis’ (een groot deel van de poel aan de noordelijke kant onder Leeuw gelegen). Als toponiem is het Vin nu nog bekend: het is het vochtige gebied aan de noordoostkant van Zoutleeuw. Dit is de enige plaats in de rijmkroniek waarvan de ligging zo nauwkeurig door de auteur wordt bepaald (11).

(11) F. INGELS, a.a., p. 235, met afbeeldingen van het Vin, vroeger en nu, op p. 233 en 234; cf. J. VANROELEN, Het Vin van Zoutleeuw heeft een ver verleden, in Oost-Brabant XIII (1976), p. 63; id., Zoutleeuw, glorie en verval, in Oost XII (1975), p. 76. Het Vin is sinds 1974 een provinciaal domein.

Domein "Het Vinne" bestaat nog steeds en is een van de grootste toeristische trekpleisters van Zoutleeuw.

Domein "Het Vinne" bestaat nog steeds en is een van de grootste toeristische trekpleisters van Zoutleeuw.

Verder merk ik op dat Jan van Helen in zijn kroniek verscheidene heren en ridders vermeldt uit kleinere dorpen in de onmiddellijke omgeving van Zoutleeuw: zo bijv. v. 2926 en v. 3050 her Vranke van Wange, v. 4940 Her Libbrecht van Dormale, Een coene ridder ute Brabant, v. 8497-8499 Die heere van Lintre, her Arnout Ende her Jan, een ridder stout, Van Raetshoven, ende her Jan van Winde, v. 8501 her Daneel van Wanghe, v. 8519 heeren Godevaerde van Gotsenhoven, v. 8589 Van Gotsenhoven Goeswijn, v. 8600 Heinric van Wilre, v. 8605 Jacob van Velpe, ende Herman van Bonsbeke, v. 8616-8617 Van Lintre Lambrecht, Konoy van Grasen, Godevaert van Winde. Al de hier genoemde dorpen, Wange, Dormaal, Linter, Raatshoven (Racour), Winden (Neer- of Overwinden), Goetsenhoven, Wilderen, Velpe (een heerlijkheid onder Halen, niet Opvelp of Neervelp, zoals Willems schrijft), Bunsbeek en Grazen (niet Grez of Graven, zoals Willems schrijft), liggen dicht bij Zoutleeuw, de meeste in Oost-Brabant tussen Tienen en Sint-Truiden.

Tenslotte wijst F. Ingels er nog op dat de taal van de kroniek van Jan van Helen een duidelijke Oostbrabantse inslag heeft. Hij wijst op de volgende kenmerkende eigenaardigheden: v. 4844 wie voor hoe (ook v. 284, 3813, 5917, 7184); v. 6619 hinxt voor hengst; v. 1411 kerre voor kar (ook v. 4342, 5321, 6487, 8845); v. 690 vinne voor ven; v. 8532 en 8655 sunderlinge voor afzonderlijk (maar in v. 8216 en 8702 sonderlinge); v. 6724 kinnese voor kende ze (12).

(12) F. INGELS, a.a., p. 232.

Aan deze lijst wil ik nog de volgende Oostbrabantse kenmerken toevoegen: v. 117 melde voor mild; v. 325, 963, 4745 en 6214 ocht voor of(t); v. 690 steet voor staat; v. 1077, 3948, 3958, 4926, 7550, 7709, 7718, 7873 en 8551 es voor is; v. 1071 mesdaen voor misdaan; v. 4316 en 7173 mesdaet voor misdaad; v. 4334 mesvalle voor misvalle, en nog elders mes voor mis; v. 2241 hornec voor hoek; v. 4388 die messe voor de mis; v. 8711 plach voor placht.

Het is weliswaar moeilijk uit te maken wat het aandeel van de 15de-eeuwse kopiist in de taal van de rijmkroniek is geweest, maar zeer waarschijnlijk was deze een Brusselaar. Zo kunnen we aannemen dat deze nog meer Oostbrabantse kenmerken heeft vervangen door Westbrabantse, maar niet het omgekeerde. De Oostbrabantse kenmerken zullen wel van Jan van Helen zelf komen.

Al deze gegevens wijzen erop dat de auteur van de rijmkroniek een Oostbrabander was en dat hij speciaal in de streek van Zoutleeuw goed bekend was. Daarom moeten we ongetwijfeld de naam ‘van heelu’ verklaren als ‘van Helen’ en ‘van leeuwe’ als ‘van Zoutleeuw’.

Behoorde Jan van Helen tot de Duitse Orde?

In 1726 schreef A.F.J. Jaerens in het Supplément aux Trophées tant sacrés que profanes du duché de Brabant de Mr. Butkens ('s-Gravenhage) dat Jan van Helen ridder en commandeur was van de Duitse of Teutoonse Orde: ‘F. Jean van Heelu dit van Leeuwe, en son tems Chevalier de l'ordre Teuthonique & Commandeur de Beckefort, Auteur de la Description de la bataille de Woeringe ou Woerdonck, Manuscrit en vers Thiois ou Flamands’ (I, p. 146) (13).

(13) Het Supplément werd anoniem uitgegeven, maar volgens de Catalogue Général des Livres Imprimés de la Bibliothèque Nationale (Parijs) was A.F.J. JAERENS de auteur ervan.

De commanderij van Bekkevoort. Vanaf 1230 is dit dorp ontstaan dankzij de Teutoonse orde. Maar de commanderij overleefde de tachtigjarige oorlog niet (werd verwoest in 1560 en 1566) en was in 1700 reeds grotendeels een ruïne. Bekkevoort bleef wel een gegeerd jachtdomein voor de orde.

De commanderij van Bekkevoort. Vanaf 1230 is dit dorp ontstaan dankzij de Teutoonse orde. Maar de commanderij overleefde de tachtigjarige oorlog niet (werd verwoest in 1560 en 1566) en was in 1700 reeds grotendeels een ruïne. Bekkevoort bleef wel een gegeerd jachtdomein voor de orde.

Jaerens zegt echter niet waarop deze uitspraak steunt. Willems neemt in zijn tekstuitgave aan dat Jan van Helen broeder of frater was, zoals in de inleiding van de kopiist staat, en dat hij wellicht tot de Duitse Ridderorde behoorde; hij spreekt zich er echter niet over uit of hij ridder en commandeur van deze orde was te Bekkevoort (p. VI-VII).

In zijn bovenvermeld artikel meent Scheys echter dat er gegronde redenen zijn om ook de laatste stelling aan te nemen. Voor bekendheid met de Duitse Ridderorde pleit dat Jan van Helen in zijn werk zelf enige verzen aan deze orde wijdt:

v. 4686
Maer, doent daer soude ten stride naken,
Sloegen nochtan ute vore
Bruedere, riddere, commendore
Die vander dietscher ordenen waren,
Ende voeren in elke ten scaren,
Beide om vrede ende om soene,
Als hen wel behoort te doene...

De Duitse Orde was een geestelijke ridderorde, in 1189-1191 tijdens het beleg van Akko op de derde kruistocht gesticht voor de verzorging van zieken. Later zouden de leden ervan vooral strijden tegen de ongelovigen en ook politieke macht verwerven. De leden werden ‘broeders’ genoemd. Er waren ‘ridderbroeders’, die van de ridderstand waren, ‘priesterbroeders’, ‘halfbroeders’, d.i. lekebroeders, en ‘sarjantbroeders’, die ook streden en zowel edellieden zonder kwartieren konden zijn als voorname burgers; daarnaast waren er nog ‘familiares’, een soort ereleden, die ook ‘medebroeders’ werden genoemd, waartoe o.a. keizer Sigismund van Duitsland en Alfons V van Aragon hebben behoord (14).

(14) Zie W.J. BARON D'ABLAING VAN GIESSENBURG, De Duitsche Orde. 's-Gravenhage 1857, inz. p. 183-187, en M. TUMLER, Der deutsche Orden im Werden, Wachsen und Wirken bis 1400. Wenen 1955, inz. p. 377-389.

In de Nederlanden kwamen twee balijen van de Duitse Orde tot stand: die van Utrecht en die van Alde Biezen of Oudenbiezen (te Rijkhoven bij Bilzen). Van Alde Biezen hing de commanderij van Bekkevoort af, de enige stichting van de Duitse Orde in het hertogdom Brabant (14a).

(14a) Te Mechelen, dat een zelfstandige heerlijkheid vormde, was er weliswaar de commanderij van Pitzemburg (onder de balije van Koblenz), maar er zijn geen aanwijzingen voor contact van Jan van Helen met Mechelen.

De Landcommanderij Alde Biesen te Rijkhoven (Bilzen).

De Landcommanderij Alde Biesen te Rijkhoven (Bilzen).

Deze commanderij werd kort voor 1229 gesticht, want in dat jaar en in 1230 stonden Willem, heer van Bekkevoort, en Arnold III, heer van Diest, hun bezittingen bij de burcht van Bekkevoort af aan de ‘Teutoonse broeders’, die reeds ter plaatse verbleven. De heren van Diest horen tot de oudste weldoeners van de commanderij van Bekkevoort (15).

(15) H. CLAES, De burchtheren van Bekkevoort en de oudste geschiedenis van het dorp, in Oost IX, 1972, p. 65-74, inz. 70-71. De commanderij van Bekkevoort bleef bestaan tot in de zestiende eeuw; sindsdien was de commandeur een edelman die te Diest of elders verbleef en werden de goederen door een rentmeester beheerd. De pastoors van Bekkevoort hoorden echter nog tot in 1818 tot de Duitse Orde. Van de commanderijgebouwen is thans alleen de pastorie overgebleven. Cf. H. CLAES, Bekkevoort, in Oost-Brabant. I. Het mooie Hageland. 2de druk. Heverlee, 1965, p. 68-75, inz. 69-73.

De huidige zijgevel van de oude pastorij van Bekkevoort. Men ziet nog de hoogte van het vroegere poortgebouw gevel en de sporen van de oude haard.

De huidige zijgevel van de oude pastorij van Bekkevoort. Men ziet nog de hoogte van het vroegere poortgebouw gevel en de sporen van de oude haard.

Uit de kroniek van Jan van Helen blijkt nu, zo zegt Scheys, dat de auteur een goede bekende was van de heren van Diest. Hij maakt opvallend veel gewag van deze heren: Arnold V van Diest, die te Woeringen samen met zijn zoon Gerard streed, komt voor in v. 2005 en v. 2131 en niet minder dan 73 verzen, v. 7873 tot v. 7945, worden volledig aan hen beiden gewijd. Ook Arnout, heer van Zelem, een neef van de heer van Diest, krijgt een speciale vermelding (v. 7938-7941); deze Arnout nu had, zoals Scheys opmerkt, nog in 1280 zijn molen te Bekkevoort aan de commanderij aldaar geschonken (16).

(16) Cf. ook J. GRAUWELS, Regestenlijst der oorkonden van de Landkommanderij Oudenbiezen en onderhorige kommanderijen, Brussel, 1966, nr. 1164: Arnout van Zelem schonk allodiaal goed te Bekkevoort aan de commanderij.

Speciaal valt de vermelding van een gewone man, geen ridder, uit Diest op, zo gaat Scheys verder, Bastijn van der Nedermolen, die als ‘serjant’, d.i. dienaar of schildknaap, deelnam aan de slag (v. 7873-7876) (17).

(17) De Nedermolen was een watermolen op de Begijnenbeek te Diest, die in 1227 reeds wordt vermeld, wanneer een Hendrik van der Nedermolen leenman is van de heer van Diest. Cf. M. VAN DER EYCKEN, Zeven eeuwen Ezeldijkmolen te Diest. (Diest 1976), p. 13.

Hieraan kan ik toevoegen dat Jan van Helen ook een gewone man uit Zelem, waarvan de heren verwant waren met die van Diest, vermeldt: ‘Ende van Sorpele Heynman’ (v. 8609) (18).

(18) Het oude toponiem Zurpele leeft te Zelem nog voort in de Zurpeledijk, dicht bij de grens met Schaffen; het wordt o.a. vermeld in 1420, ‘prope slusam de zorpele’ (Rijksarch. Hasselt, Abdij St.-Truiden 6745, p. 19) en in 1543 ‘tot zurpele onder zeelhem’ (Rijksarch. Brussel, Kerkarch. v. Brabant 13714, 854).

De Van Zurpeledijk te Zelem bestaat nog steeds.

De Van Zurpeledijk te Zelem bestaat nog steeds.

Verder merk ik op dat Jan van Helen enige keren de heren van Wange vermeldt, die een leenhof te Bekkevoort hadden: Vranke of Franco van Wange (v. 2926 en v. 3050) en Daneel van Wange (v. 8501). De heren van Wange hadden in de dertiende eeuw belangrijke bezittingen te Bekkevoort, die op verscheidene plaatsen aan die van de commanderij grensden, o.a. een hoeve, brouwerij en vijver, die bij de kerk, de pastorie en een hoeve van de commanderij lagen. De oudste vermelde heer van het hof van Wange te Bekkevoort is juist ridder Franco van Wange, die in 1280 ‘dapifer’ (een ereambt aan het hof) van Brabant was en optrad in verband met tienden die aan de commanderij van Bekkevoort verkocht werden (19).

(19) H. CLAES, De burchtheren..., p. 72-73; J. GRAUWELS, a.w., nr. 1165.

Scheys heeft tenslotte in het archief van de commanderij van Bekkevoort een ‘frater Joannes’ als commandeur gevonden. Een acte uit 1273 vermeldt immers de schenking van een weide ‘fratri Joanni commendori de Beckenvort’ (20).

(20) De lijst van de dertiende-eeuwse commandeurs is slechts sporadisch op te maken; Scheys heeft in 1295 een frater Jonathas als commandeur gevonden en in 1299 Jan van Limburg.

Deze vermelding zou dan bevestigen wat Jaerens in het Supplément aux Trophées du Brabant schrijft. Toch lijkt dit argument, dat er een Joannes commandeur was, maar zwak om te bewijzen dat dit Jan van Helen was. Alleen als Jaerens hiervoor een goede bron had (maar welke?), kunnen we dit commandeurschap aannemen.

Het is evenmin afdoende bewezen dat Jan van Helen tot de commanderij van Bekkevoort behoorde. Weliswaar blijkt hij de heren van Diest en de omgeving van Bekkevoort goed te kennen, alsook de Duitse Orde, die in Brabant alleen te Bekkevoort was vertegenwoordigd. Willems heeft echter verondersteld dat hij tot dat deel van de mesniede of het gevolg van de hertog behoorde waarbij ook de herauten en minstrelen waren (p. VII-VIII). Anderzijds wordt hij ‘broeder’ genoemd, een gewone benaming in de Duitse Orde, maar hoe kwam hij dan in het gevolg van de hertog van Brabant?

Tussen de hertog van Brabant, de heren van Bekkevoort en die van Diest bestond er in de dertiende eeuw een speciale relatie, die misschien zelfs op aanverwantschap zou kunnen steunen. Zo had hertog Hendrik III van Brabant bezittingen bij de burcht van Bekkevoort, die hij in 1254 aan de commanderij aldaar afstond, en in 1257 wordt Woutelmus van Bekkevoort ‘villicus’, d.i. meier of vertegenwoordiger, van dezelfde hertog genoemd (21).

(21) H. CLAES, De burchtheren..., p. 71.

Deze relatie met de hertog van Brabant valt des te meer op omdat Diest en omgeving pas in de loop van de dertiende eeuw, we weten niet juist wanneer, zijn beginnen deel uit te maken van het hertogdom Brabant (22).

(22) A. VAN KERREBROECK, Diest: betwist grensgebied in de 12e en 13e eeuw, in Oost-Brabant XVI (1979), p. 2-10, inz. 2-3.

In de tweede helft van die eeuw schendt de hertog van Brabant overigens op meer dan één plaats samen met de heer van Diest de eigendomsrechten van de abt van Sint-Truiden in de omgeving van Diest; vóór die tijd, vanaf de elfde eeuw, deden de heren van Bekkevoort en die van Diest dit herhaaldelijk. Sommige door de hertog van Brabant in bezit genomen gronden horen later aan de heer van Diest toe (23).

(23) F. CLAES S.J., Het oude Kaggevinne, land van Diest, in Oost-Brabant XVI (1979), p. 11-20, inz. 11-13. Na de dertiende eeuw bleef alleen de heerlijkheid Webbekom (waaronder ook Assent hoorde) bezit van de abdij van Sint-Truiden in de omgeving van Diest.

Het logo van het pilsbier Primus van de brouwerij van Haacht, verwijst volledig naar Hertog Jan I van Brabant, de held van de slag bij Woeringen. Het jaartal 1288 in het logo verwijst dan ook naar deze beroemde veldslag.

Het logo van het pilsbier Primus van de brouwerij van Haacht, verwijst volledig naar Hertog Jan I van Brabant, de held van de slag bij Woeringen. Het jaartal 1288 in het logo verwijst dan ook naar deze beroemde veldslag.

De held van Woeringen, Jan I van Brabant, schonk in 1270 nog een privilege aan de Teutoonse Orde (24), vermoedelijk wel met het oog op de enige commanderij van deze orde in zijn hertogdom, die van Bekkevoort. Al blijven het slechts aanwijzingen en geen echte argumenten, toch is het te verklaren dat Jan van Helen vanuit de commanderij van Bekkevoort een rijmkroniek van de slag bij Woeringen ging schrijven.

(24) P. DE RIDDER, Brussel, residentie der hertogen van Brabant onder Jan I (1267-1294) en Jan II (1294-1312), in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis LVII (1979), p. 333.

Authentiek zegel van Hertog Jan I van Brabant.

Authentiek zegel van Hertog Jan I van Brabant.

Besluit

Het is mogelijk dat ‘broeder’ Jan van Helen tot de Duitse Orde behoorde, al blijft het dan nog de vraag of hij wel ridder was en niet veeleer ‘sarjantbroeder’. Wellicht ook was zijn band met de Duitse Orde losser, nl. als ‘familiaris’ of erelid en werd hij zo ook ‘medebroeder’ genoemd. Dat hij tot het gevolg van de hertog van Brabant behoorde, kan vanuit Bekkevoort en de omgeving van Diest verklaard worden, hoewel deze plaatsen in 1288 nog maar amper tot het hertogdom behoorden. Helemaal duidelijk is dit lidmaatschap van de Duitse Orde echter niet.

Sterkere argumenten hebben we ervoor om aan te nemen dat ‘Heelu’ een vervorming van de kopiist is voor ‘Helen’ en dat de auteur van de rijmkroniek van de slag bij Woeringen afkomstig is van Helen bij Zoutleeuw. Niet alleen is deze vervorming aannemelijk, maar ook blijkt uit de kroniek zelf dat de auteur de omgeving van Zoutleeuw heel goed kent; bovendien vertoont zijn taal heel wat Oostbrabantse kenmerken. Jan van Helen is een zoon van zijn streek, Oost-Brabant, gebleven. We willen zijn naam dan ook als ‘Helen’ en niet ‘Heelu’ schrijven.

© F. CLAES, S.J. (http://www.dbnl.org/tekst/_spi007198001_01/_spi007198001_01_0004.php).