ons dorp - focus


Welkom in Zelem!

           
banner
Impressie van een Keltisch kamp aan een rivieroever
Zelem - Geografisch
Zelem - Historisch
Zelem - Bezienswaardigheden
Home

Zelem - Prehistorie

Het ontstaan van het landschap

Gedurende de voorbije vijf miljoen jaar is de bodem, langzaam naar omhoog getild waardoor de Diestiaanzee zich in noordelijke richting heeft teruggetrokken en een afgevlakt landschap achter liet, waarin de rivieren zich gingen insnijden en rivierdalen vormden. Tijdens de IJstijden werd de vallei opgevuld met stuifzanden van de rand van de ijskap.

Na de ijstijden ontdooide de ondergrond en de rivieren gingen zich terug ingraven. Wind en regen hebben de zachtere zandlagen die niet beschermd werden door de ijzerzandsteen weggespoeld waardoor een heuvelend landschap is ontstaan. Deze heuvels noemt men getuigenheuvels (willekensberg, heuvels van Hees te Zelem, Meldert en Schaffen).

De Diestiaanzee is een oude zee die tijdens het Tertiair (70 tot 3 miljoen jaar geleden) regelmatig het noorden van België overspoelde. Hierbij werden afwisselend klei- en zandlagen afgezet. Acht miljoen jaar geleden kwam bovenop een laag glauconiethoudend zand. Getijdenstromingen zorgden voor afzettingen van enorme zandbanken. Deze vorming kan vergeleken worden met de vorming van de zandbanken in de Noordzee.

Bij het regelmatig blootvallen van deze zandbanken is het glauconiet verweerd en het zand aan elkaar geroest, waardoor dus een sterke laag ijzerzandsteen (ook wel Diestiaan genoemd, naar de stad Diest in het Hageland) is ontstaan.

Situering van het zandsteengebied

Prehistorie

Bij het archeologisch onderzoek in de omliggende gebieden is gebleken dat nederzettingen, infrastructuurwerken en begraafplaatsen uit de verschillende periodes meestal verbonden zijn met gunstige topografische locaties. Hoger gelegen delen in het gebied hebben bijgevolg een grotere archeologische potentie. Uitzondering hierop vormen de bronstijdgrafheuvels, die blijkbaar meer aan de randen van beek- en rivierdalen voorkomen. Toch mogen we deze vaststelling niet steeds veralgemenen. Er moet evenzeer gewezen worden op de bijzondere problematiek van archeologie in valleien en beekdalen. De archeologische kennis van rivier- en beekdalen is vaak zeer gering. Archeologie haalt zijn informatie immers in eerste instantie uit ontsluitingen, zoals het ploegen. Vermits de archeologische sporen zie hier onder recente afzettingen - alluvium of colluvium - bevinden en vermits akkerteelt in valleien vrijwel ontbreekt, is het aantal ontsluitingen vaak beperkt. Bovendien verhinderen de recente afzettingen een luchtfotografische prospectie. De afwezigheid van informatie betekent dus niet dat er geen archeologische sporen zijn.

Archeologisch maakt men vaak een onderscheid tussen wat men de wetland-vindplaatsen en dryland-vindplaatsen noemt. Wetland-vindplaatsen zijn in de regel aanzienlijk vondstrijker en in principe ook informatiever. Organische resten zijn er door de hoge grondwaterstand beter bewaard en archeologische sporen zijn er vaak door alluviale, colluviale of mariene afzettingen "beschermd".

Wetland- en dryland-vindplaatsen zijn evenwel niet vergelijkbare grootheden. Het verschil tussen natte valleien en droge gronden hebben ongetwijfeld ook aanleiding gegeven tot socio-economische verschillen. De biodiversiteit van de valleien bijvoorbeeld creëerde voor de mens in het mesolithicum een ideaal biotoop (jacht en visvangst). Na de introductie van de landbouw verloor de vallei - met uitzondering van de donken of droge opduikingen - vaak zijn nederzettingsfunctie. Depots en vermoedelijk ook begraving nemen de overhand. Op basis van deze kennis moet het gebied dan ook aan de hand van twee invalshoeken worden bekeken, namelijk deze van de jager-verzamelaar (Mesolithicum), die zich bij voorkeur langsheen beekdalen en vennen vestigde, en deze van de agrarische mens, die een nood heeft aan vruchtbare goed gedraineerde gronden. Bij de interpretatie van de bodemkaart, topografische kaart of andere moet steeds met deze interpretatie rekening worden gehouden.

Beschrijving archeologische vondsten Kambergen - Deel 1
Grafische voorstelling van de vondsten - Deel 2
Verdere bedschrijving vindplaats Mesolithicum - Deel 3

Nog meer weten over Paleolitische vondsten in onze regio? Lees dan dit artikel over vondsten in een andere buurgemeente, nl. Donk (Herk-de-Stad): AIVT001-002.pdf.

Later vestigden verschillende Keltische stammen zich in West-Europa, ook hier (brons-ijzertijdperk).

Keltisch Zwaard gevonden te Schulen (Herk-de-Stad)

Belgien/Schulen (Gem. Herk-de-Stad) Keltisches Schwert.

Bei einem Prospektionsgang fand ein Amateurarchäologe im Tal an der Stelle, die "Poterijbroek" genannt wird, ein eisernes Schwert in seiner Scheide. Es steckte im Rand eines Erdwalls, der ein Deponiegebiet umgab. Durch einen Schlag von einem Bulldozer oder Bagger war das Schwert in einem Winkel von 90° verbogen. Da das Metall praktisch unversehrt war, konnte die Waffe leicht in ihre ursprüngliche Form zurückgebogen werden.

De namen Diest en Demer

De naam van de stad Diest is evenals die van de rivier Demer waarschijnlijk reeds van voor-Germaanse, vermoedelijk van Keltische, oorsprong. De betekenis van deze twee oude namen is niet duidelijk. In deze bijdrage willen we evenwel nagaan welke verklaringen ervan mogelijk of waarschijnlijk zijn.

De oudste bekende vormen van de naam Diest luiden als volgt: 837 in pago Hasbaniensi sive Dyostiensi, 900 Dioste, 1114 Diste, 1136 Disthe en 1141 Dist. Diest is wel niet te identificeren met oude Dispargum (575, door Gregorius van Tours in zijn Geschiedenis van de Franken vermeld), dat vermoedelijk Duisburg bij Tervuren is.

Waagt onze grootste hedendaagse plaatsnaamkundige, M. Gysseling, zich niet aan een verklaring van de naam Diest, anderen hebben verschillende verklaringen vooropgesteld. Mansion neemt als eerste lid het voor-Germaanse "deus" aan, waarvan hij de betekenis en afleiding onzeker noemt. Carnoy verklaart de naam uit drie Keltische bestanddelen: divo, goddelijk + usso, rivier +ta of +ate, een achtervoegsel dat een nederzetting aanduidt. De Vries tenslotte schrijft dat men een Keltische naam Divusta heeft, dat vermoedelijk "de goddelijke" zou betekenen; hij verwijst hiervoor naar de waternaam Devere, waarbij hij het Keltische divara, de goddelijke (het goddelijke water) vermeldt en zegt dat "de Kelten de rivieren en bronnen als goddelijke wezens vereerden". Een andere mogelijke verklaring zouden we kunnen zoeken bij de op Diest gelijkende namen Diessen, een plaats in Noord-Brabant, en Dieze, een rivier aldaar. Als oudere vormen van de naam Dieze noemt Moerman Dese, Dies en Diest; voor een mogelijke uitleg ervan verwijst hij naar het Oud-hoogduitse diozan, dat "ruisen" betekent, maar ook opgevat kan worden als "vlieten".

Gysseling verklaart de namen Diessen en Dieze echter door de Cudgermaanse waternaam deuson, die hoort bij de Indogermaanse stam dheus; hij zegt dat dit woord, waarvan het Latijnse deus, god, werd gevormd, vaak in religieus verband optreedt. We kunnen besluiten dat Diest vermoedelijk een oude afleiding is van de Indogermaanse stam dheus, goddelijk, heilig + het achtervoegsel -t, nederzetting. Wellicht is het reeds een voor-Germaanse en wel Keltische vorming. De betekenis zou zijn "nederzetting bij heilig water" en wijzen op het feit dat de nabijheid van stromend water voor een primitieve nederzetting van essentieel belang was. Dit is ook wel de reden waarom de Kelten rivieren en bronnen als goddelijke wezens beschouwden.

De naam van de rivier de Demer, waaraan Diest ligt, is vermoedelijk eveneens van Keltische oorsprong. De oudste vormen van deze naam zijn: 908-915 Tamera, 1253 de Nimere (een verschrijving?), 1266 supra Daemeram.

Carnoy verklaart de naam Demer als: Keltisch tam, donkerkleurig +ara, water. De Vries schrijft: Tamera kan van Keltische herkomst zijn en dan betekent het "de donkere rivier"; voor de overgang van de beginletter t naar d vergelijkt hij met een zelfde overgang in de namen Doornik en Drongen. Gysseling verwijst voor het eerste lid van de naam Demer naar het Indogermaanse tem-, donker, en rangschikt de overgang van t naar d onder de eerste germanisering die, in een groot deel van de Nederlanden, in de tweede eeuw v. C. aanvangt; als voorbeelden geeft hij, behalve Demer uit Tamara, ook Dender uit Tenera, Doornik uit Turnakom en Drongen uit Truncinas. Voor de betekenis kunnen we de naam Demer vergelijken met de Engelse rivier Theems (in het Engels Thames, vermoedelijk ook van het Keltische tam).

Opmerkelijk is wel dat een bijrivier van de Demer te Molenstede Zwart Water heet en een andere, van bij Beringen over Meldert, Zelem en Schaffen naar Diest, Zwarte Beek. Deze twee namen zijn blijkbaar "doubletten" of vertaalde namen van het Keltische Demer.

Al hebben we geen volledige zekerheid over de betekenis van de namen Diest en Demer, toch kunnen we besluiten dat beide namen oud zijn en waarschijnlijk Keltisch. Bij de Demer, het "donkere water", is er vermoedelijk reeds een Keltische nederzetting geweest.

Kelten - Germanen

Reconstructie van een Keltisch huis

In de ijzertijd (na 800 v. C.) werden deze streken bewoond door wat meestal wordt aangeduid als "Keltische stammen". Archeologen onderscheiden meestal twee fases in de Keltische cultuur; de Hallstatt-cultuur (750-450 n. C.) en de La Tène-cultuur, waarvan de laatste fase doorloopt tot de periode na de onderwerping door de Romeinen onder Caesar rond 50 v. C.

Deze stammen werden later verdreven door Germaanse stammen die ons beter bekend zijn zoals Nerviërs, Eburonen, etc.

Uit geschriften van (o.a. Julius Caesar) vernemen we dat onze streken in die tijd bewoond werden door Eburonen. Naar verluidt zouden deze Eburonen in een verleden, samen met andere stammen, vanuit Germanië de Rijn overgestoken hebben, waarna ze zich bij ons kwamen vestigen.

Kaart van Noordwest-Europa ten tijde van de inval van Julius Caesar

"De Eburonen woonden voor het meeste deel tusschen Rhyn en Maes; echter waren er ook nog van dat volk aen deze zyde der Maes, zoodanig dat zy zuidwaarts aen de Atuatikers grensden. Zy huisden derhalve in het namalig hertogdom van Gulik, in Limburg, in een deel van Luikerland tot omtrent half weg Namen, en waarschynlyk naer den kant van Leuven tot aen de Dyl". (bron dbnl)

Detailkaart van de Belgische Stammen

Het latere Zelem lag dus nog binnen het grondgebied van de Eburonen met in het westen de Nerviërs. Hier de kleine geschiedenis van deze stam:

De Eburonen (Latijn: Eburones) waren een volksstam waarvan het grootste deel ten tijde van Caesar woonde "tussen Maas en Rijn", in gedeelten van het huidige Nederland en België (Kempen, beide Limburgen) en Duitsland (Roer, zijrivier van de Maas). In het westen grensde hun gebied aan de Menapiërs, die aan de monding van Maas en Rijn woonden. Ook de Ambivariti zijn ergens langs hun westelijke grens te situeren.

Ten tijde van Caesar

Caesar noemt twee koningen, Ambiorix en de bejaarde Catuvolcus, die elk zeggenschap zouden hebben gehad over een deel van de stam. Caesar vermeldt dat de Eburonen vazallen waren van de Treveri en hij legt Ambiorix de uitspraak in de mond dat hij schatplichtig was aan de Atuatuci, die zijn zoon en neef als gijzelaars in hun macht ("in slavernij en ketenen") hadden, tot Caesar die toestand ongedaan maakte. De Atuatuci grensden aan "zijn machtsgebied". Tussen de Eburonen en de Treveri woonden de Segni en de Condrusi, die Caesar eveneens tot de Germaanse stammen rekende.

Hun relatief grote naambekendheid danken de Eburonen aan de opstand tegen de Romeinse veroveraar in 54 v. C., die (weer volgens Caesar) een initiatief van Ambiorix zou zijn geweest. De Eburonen vernietigden anderhalf Romeins legioen, voor de winter ingekwartierd in de vesting Atuatuca, trokken vervolgens naar de Atuatuci en de Nervii en sloegen samen met hen het beleg voor het winterkwartier van Quintus Cicero, dat aan de oostelijke grens van het gebied der Nerviërs was gesitueerd. Op het nippertje kon Caesar voorkomen dat ook Cicero's legioen vernietigd werd.

Bekijk een aanval van de Eburonen op de Romeinen: http://www.youtube.com/v/j2MjmIVK4U4 (link naar You Tube).

Het daaropvolgende oorlogsseizoen wijdde Caesar aan de vernietiging van de Eburonen, waarvoor hij Atuatuca als uitvalsbasis nam. Hij verklaarde de stam vogelvrij en iedereen mocht mee komen plunderen en moorden. De Eburonen waren gevlucht naar de meest ontoegankelijke uithoeken van het Belgisch territorium: het Ardennenwoud, de Peel ("aaneengesloten moerassen") en de delta van Maas en Rijn ("op eilanden die door de getijden worden gevormd"). Velen ontvluchtten Gallië. Catuvolcus pleegde zelfmoord. Ambiorix wist te ontkomen, hoewel de Romeinen hem enkele malen bijna te pakken hadden; Caesar zou hem nooit kunnen vangen, hoewel hij in 52 v. C. opnieuw verwoestende raids organiseerde in Ambiorix' machtsgebied.

Na Caesar

Ongetwijfeld heeft de bevolking onder de represailles zwaar te lijden gehad, maar het is onwaarschijnlijk dat de Eburonen volledig uitgeroeid werden. Uit de archeologie en de toponymie blijkt dat niet. Later vinden we in het gebied van de Eburonen: de Frisiavones (aan de Schelde ?), de Texuandri (Kempen ?), de Tungri (Haspengouw), de Bataven (in het oostelijke deel van het Nederlandse rivierengebied) en de Ubii (op de linker Rijnoever, vanaf 38 v. C.). De evolutie in de huisplattegronden in de Kempen is met de verdwijning van de Eburonen en de herbevolking van het gebied in verband gebracht.

Na hun (mislukte) uitroeiing waarschijnlijk werd deze stam Tungri genoemd met als civitas Atuatuca Tungrorum, het latere Tongeren.

Reconstructie Keltische stam aan de waterkant

Het grondgebied van het huidige Zelem moet één groot moeras geweest zijn, gebieden die het grootste gedeelte van het jaar ondergelopen waren, met uitzondering van de getuigenheuvels, bv. Hees, Kolenberg, die voor droog woongebied zorgden. Toch werd deze streek al zeer vroeg bewoond.

Oppervlaktevondsten (aan de hoeve Eksterhoek) tonen aan dat hier reeds mensen woonden tijdens het laat-mesolithicum (pijlpunten, krabbers, werktuigen van ca. 11000 jaar oud). Dit zal ook wel te maken gehad hebben met de zeer vruchtbare grond, door de overstromingsgebieden van verschillende beken en aanwezige moerassen (denk aan Rotbroek, Gorenbroek, Leunen e.a.) waar de jacht, visvangst en begin van de landbouw goed was.

Moerasgebied zoals het er ook zou kunnen uitgezien hebben in de prehistorie

Zelem in de prehistorie

De vier sites die hier aan bod komen bevinden zich allen te Zelem, 3 te Gennep en 1 in het centrum van het dorp. Gennep is een zacht glooiende ijzerzand heuvelrug, naar het westen en zuiden begrensd door de Zwarte Beek voor deze wat verderop uitmondt in de Demer. Naar het oosten toe vinden we het laagland van dezelfde Zwarte Beek (Leunen genaamd), en in het noorden het laagland van de Heesbeek. De top van Gennep steekt op zijn hoogste punt slechts 12,5 meter boven deze drassige vlaktes uit. De eerste twee sites te Gennep die hier aan bod komen bevinden zich op de zuidflank, en bestaan uit twee tegenover elkaar liggende akkers, gescheiden door een veldweg. De respectievelijke co÷rdinaten, berekend op het midden van het veld, bedragen (links) 50░59'00"NB - 5░05'40"OL, en (rechts) 50░58'58"NB - 5░05'49"OL. Een derde, kleinere site bevindt zich op de noordflank en heeft als co÷rdinaten 50░59'1"NB - 5░05'35"OL. Al deze akkers werden onlangs terug veranderd in weiland. Het zuidelijke veld links van de veldweg en het noordelijke werden enkel nu onderzocht; het zuidelijke veld rechts van de veldweg werd vroeger reeds geprospecteerd.

Zuidelijke akker, rechts - vondsten

Vondsten - Gennep - Eerste Site

Een eerste artefact uit silex (fig. 1) vertoont op de rechterboord een steile afknotting (bij wijlen verbrijzeling) die tweezijdig is uitgevoerd. Hierdoor heeft deze boord de karakteristieke golving meegekregen die verantwoordelijk is voor de Duitse benaming van dergelijke stukken: Federmesser (pluimvormige messen). In het Nederlands spreken we van zogenaamde Tjongerspitsen, naar een riviertje in Friesland nabij een site van deze Mesolithische cultuurgroep. Naar alle waarschijnlijkheid dienden dergelijke spitsen als pijlbewapening voor de jacht op groot boswild, zoals oerrund, hert en everzwijn, tijdens het Allerød-interstadiaal (10.800 - 9.000 v.C.). Het stuk vertoont door zijn hoge ouderdom dan ook een belangrijke bijna melkwitte patinering. Hetzelfde geldt voor een kleine schrabber uit silex (fig. 2). Het bijna volledig afgesleten schrabhoofd is echter duidelijk in een recentere periode hernomen, omdat hierop geen patina voorkomt. Een klein boortje uit silex daarentegen (fig. 3) kan, omwille van zijn karakteristieke steil afgeknotte linkerboord, wÚl uit genoemde periode stammen.


Zelem - Gennep - Vondsten 2

Een kleine microliet uit doorschijnend grijs silex (fig. 4) heeft door een fijne dorsale retouche eveneens een golvende linkerboord verkregen, door een ventrale retouche aan de basis heeft hij het karakter verkregen van een steelspits. Vermoedelijk hebben we hier te maken met een pijlbewapening uit de volgende steentijdperiode, die van de Ahrensburgercultuur. Deze cultuur dankt zijn naam aan een vindplaats in Sleeswijk-Holstein, bij Hamburg. Tijdens het Jonge Dryas (9.000 - 8.000 v.C.) koelde het voor het laatst terug af tot een gemiddelde juli-temperatuur van minder dan 10░ C. De mens leefde gedurende deze periode hoofdzakelijk van de jacht op de uit het hoge noorden afzakkende rendierkuddes. Atypisch aan deze spits is wel dat de steel word gevormd door een ventrale in plaats van een dorsale retouche, en zijn eerder kleine formaat (doorgaans 1,5 tot 2 maal groter, cf.
C. PELEMAN, P.-M. VERMEERSCH en I. LUYPAERT, Ahrensburg nederzetting te Zonhoven-Molenheide 2, in Notae Praehistoricae 14 (1994), pp. 73-80).

Eveneens uit lichtgrijs silex vervaardigd is een volgende microliet (fig. 5), die we voorzichtigheidshalve als "onbepaald" klasseren wegens het ontbreken van het grootste deel van zijn basis. Gezien de bifaciale, vrij vlakke retouche betreft het hier waarschijnlijk een marebladspits. Diezelfde identificatie kan gegeven worden aan een vrij dikke en verbrande microliet waarvan een stukje van de basis en de spits ontbreekt (fig. 6). Beide artefacten stammen zonder twijfel uit het Vroeg- tot Midden-Neolithicum (8.000 - 5.000 v.C.).


Zelem - Gennep - Vondsten 3

Mogelijk geldt dit ook voor een gebroken microklingetje uit wommersomkwartsiet met geretoucheerde boord en een afslag uit lichtgrijs silex met een vrij steile ventrale retouche op de rechterboord (fig. 7). Een afslag uit donkergrijs silex is eerder grof geretoucheerd tot een soort schrabhoofd (fig. 8); de glazige patinering lijkt een zekere ouderdom te suggereren. Gezien bijna het ganse ventrale vlak word ingenomen door een corticale uitsparing is de functie echter lang niet zeker.

Uit het Midden- tot Late-Neolithicum (5.500 - 2.000 v.C.) tenslotte stamt nog een hele reeks artefacten. Als eerste vermelden we een mooie slanke bladvormige spits uit grijsgroen, gespikkeld silex (fig. 9). Beide boorden zijn bifaciaal en vlak geretoucheerd.

Zelem - Gennep - Vondsten 4

Vervolgens is er nog het distale, spitse uiteinde van een bek uit lichtgrijs silex (fig. 10), die enkel dorsaal werd bewerkt. Verder is er nog een microkling uit honingkleurig silex met een zeer fijn geknaagde rechterboord, en een distaal afgebroken microkling uit grijs silex met op de rechterboord eveneens een gedeeltelijke retouche. Een afslag uit grijs silex is ventraal op de linkerboord licht ingeknaagd. Voorts is er nog een fraaie kleine schrabber uit grijs silex, die bijna volledig rondom is voorzien van een krachtige retouchering (fig. 11). Het distale schrabhoofd is fel afgesleten. Bij een klein brokstuk uit lichtgrijs silex met schuine retouchering op het distale eind lijkt het zich te handelen om een stuk van een schrabhoofd (fig. 12). Eveneens geborgen werden de verbrande resten van een artefact uit silex met een spits toelopend distaal uiteinde, gevormd door een schuine retouchering (fig. 13). Mogelijk betreft het hier een ogivaalschrabber of spitsboogschrabber. Vervolgens zijn er nog twee andere afslagen, een uit donker- (fig. 14) en een uit lichtgrijs silex (fig. 15), die beide op de linkerboord een retouche vertonen en dus mogelijk ook als schrabhoofd hebben gefungeerd. Tenslotte werden nog drie stukken uit de laatste fazen van Neolithicum of zelfs uit de vroege Bronstijd geborgen, namelijk drie afslagen van gepolijste bijlen, alle uit silex.

Conclusie

Samenvattend kunnen we dus stellen dat de gunstige ligging van de site blijkbaar een grote aantrekkingskracht heeft uitgeoefend op de prehistorische mens, gezien de geborgen artefacten zowel uit het Laat-paleolithicum, het Mesoliticum als het Neolithicum stammen. Het gros van de stukken lijkt te stammen uit de beide laatst vermelde periodes. In totaal werden er op deze akker 141 artefacten geborgen: 123 uit silex (waarvan 11 verbrand), 15 uit wommersomkwartsiet en 3 uit glimmerzandsteen. De repartitie ziet eruit als volgt:


Naam artefact
Silex Wommersom-
kwartsiet
Glimmer-
zandsteen
Totaal
Schilfers 13     13
Brokstukken 7 (3v) 1   8 (3v)
Afslagen 28 (3v) 4 1 33 (3v)
Corticale afslagen 23 (2v)     23 (2v)
Geret. afslagen 4 1   5
Microklingen 6 2 1 9
Gebroken microklingen 15 (2v) 4 1 20 (2v)
Cort. gebr. microklingen 2     2
Geret. microklingen 1     1
Geret. gebr. microklingen 1 1   2
Klingen   1   1
Afslagen gepolijste bijlen 3     3
Kernen 6 1   7
Onbep. schrabhoofden 5 (1v)     5 (1v)
Bekken 1     1
Boren 1     1
Kleine schrabbers 2     2
Tjongerspitsen 1     1
Ahrensburgerspitsen 1     1
Marebladspitsen 1     1
Slanke bladvormige spitsen 1     1
Onbep. microlieten 1     1
         
Totalen: 123 (11v) 15 3 141 (11v)

Zuidelijke akker, links - vondsten

Zelem - Gennep - Vondsten 5

Een eerste artefact uit silex (fig. 16) vertoont over het ganse oppervlak aan beide zijden een dik, melkwit patina. In een gleuf op het ventrale vlak is bovendien een kristalisatie-afzetting merkbaar. Beide getuigen van een hoge ouderdom. Het voorwerp zelf is een kleine ogivale schrabber die bijna volledig rondom is geretoucheerd. Het distale schrabhoofd vertoont sterke slijtsporen. Vervolgens is er nog een gebroken kling uit lichtgrijs silex (fig. 17), waarvan beide vlakken eerder ruw zijn bewerkt met schuine tot vlakke retouches. Een andere gebroken kling (fig. 18) is op beide vlakken schuin tot steil bewerkt. Een dikke corticale afslag uit donkergrijs fijnkorrelig silex (fig. 19) is op de rechterboord voorzien van een onregelmatige retouchering, die tevens slijtsporen lijkt te vertonen; mogelijk heeft het artefact dus dienst gedaan als afslagschrabber. Dezelfde functie van schrabbertje kan eventueel toegeschreven worden aan een kleine afslag uit silex met een vrij steile, fijne retouchering op het distale eind (fig. 20).

Zelem - Gennep - Vondsten 6

De twee mooiste en tevens best bewaarde artefacten van deze akker werden in elkaars onmiddellijke nabijheid aangetroffen, en zijn dus wellicht te interpreteren als een grafgift. Het eerste van deze stukken is een kleine bladvormige pijlpunt uit crŔmekleurig silex, met een schuine tot vlakke, maar niet-dekkede retouchering op beide vlakken (fig. 21). Bij het tweede stuk handelt het zich om een spits afgestompte, krachtige kling uit lichtgrijs gevlekt silex met een aantal grovere insluitsels (fig. 22). Het ventrale vlak is niet bewerkt; dorsaal vertoont het op de linkerboord en het distale eind van de rechterboord een schuine tot vlakke, vrij verzorgde retouchering. Dergelijke klingen zijn nog al in het Hageland gevonden, echter voor zover bekend nooit met een dergelijke uitzonderlijke breedte. Mogelijk betreft het hier een dolkkling, daterend uit het laat-Neolithicum (bekerculturen?).

Conclusie

Samenvattend kunnen we stellen dat er ook hier een bewoning is vast te stellen die verschillende periodes beslaat. In totaal werden op deze akker 57 steentijdartefacten ingezameld, te verdelen als volgt:


Naam artefact
Silex Wommersom-
kwartsiet
Glimmer-
zandsteen
Totaal
Schilfers 3 (1v)     3 (1v)
Brokstukken 10 (7v)     10 (7v)
Afslagen 18 (2v)   1 19 (2v)
Corticale afslagen 5     5
Microklingen 2     2
Microklingen 3 2   5
Gebroken klingen   1   1
Cort. microklingen 1     1
Gebr. geret. klingen 2     2
Afslagen gepolijste bijlen 1     1
Kernen 2 1   3
Onbep. schrabhoofden 2     2
Ogivaalschrabbers 1     1
Bladvormige spitsen 1     1
Krachtige spits afgestompte
geretoucheerde kling
1     1
         
Totalen: 52 (10v) 4 1 57 (10v)

Zuidelijke akker 2, links - vondsten

Op deze derde site, gelegen op de noordflank van de heuvel en uitkijkend op het drassige laagland van de Heesbeek, werden slechts 10 steentijdartefacten ingezameld, namelijk:


Naam artefact
Silex Wommersom-
kwartsiet
Glimmer-
zandsteen
Totaal
Brokstukken 3 (2v)     3 (2v)
Afslagen 1     1
Corticale afslagen 1     1
Geret. cortic. afslagen 2     2
Gebr. microklingen 1 1   2
Gebr. klingen 1     1
         
Totalen: 9 (2v) 1   10 (2v)

Zelem centrum - Gepolijste dissel

Zelem - Centrum - Gepolijste dissel

Tijdens het uitgraven van een fundering voor een woning in het centrum van Zelem (geografische co÷rdinaten: 50░58'37"NB - 5░06'28"OL), vond Dhr. R. Jamar, lid van de archeologische vereniging 'Testa', in juni 1994 een gepolijste dissel uit de bandkeramische periode. Het stuk kan aanzien worden als een brede, hoge (MODDERMAN 1970: type III) of een grote, slanke (FARRUGGIA 1977: type IV) dissel. Het is vervaardigd uit een grijs gesteente. Het artefact werd volledig en gelijkmatig gepolijst en is niet beschadigd. De doorsnede is piano-convex. Maximale afmetingen: lengte 11,5 cm; breedte 3,6 cm; dikte 3,0 cm. Het artefact word bewaard bij de vinder, Rothstraat 1, 3290 Schaffen-Diest.

Ook in de Kambergen op de grens met Linkhout (sporthal Zelem) werd een belangrijke vondst gedaan: